Indisch strafrecht
This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project
to make the world's books discoverablc onlinc.
It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover.
Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the
publisher to a library and fmally to you.
Usage guidelines
Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties, including placing lechnical restrictions on automated querying. We also ask that you:
Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for personal, non-commercial purposes.
Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of public domain materials for these purposes and may be able to help.
Maintain attributionTht GoogXt "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find additional materials through Google Book Search. Please do not remove it.
Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other countiies. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any specific use of any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe.
About Google Book Search
Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web
at |http: //books. google .com/l
Dit is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliothcckpl anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat
doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken.
Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke
domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land
verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van
geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn.
Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de
lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u.
Richtlijnen voor gebruik
Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op automaüsch zoeken. Verder vragen we u het volgende:
Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet -commerciële doeleinden.
Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien hiermee van dienst zijn.
Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet.
Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng.
Informatie over Zoeken naar boeken met Google
Het doel van Google is om alle informaüe wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken
op het web via |http: //books .google .coml
INDISCH STRAFRECHT.
REDE
\
BIJ HET AANVAARDEN VAN HET AMBT VAN HOOG- ► LEERAAR IN DE HOOPDTREKKEN VAN HEDENDAAGSCH \ RECHT, HEÏ STRAFRECHT EN DE STRAFVORDERING I VAN NEDERLANDSCH-INDIË,
den 9en October 1907
UITGESPROKEN DOOR
Mr. jf h: carpentier alting.
Leiden ,
S. C. VAN DOESBÜRGH.
Myne heeren Curatoren, Hoogleeraten, Lectoren en Privaatdocenten dezer Uni- versiteit, Doctoren in verschillende weten- schappen, Dames en Heeren studenten en gij allen voorts die deze plechtigheid met Uwe tegenwoordigheid vereert!
Zeer gewaardeerde toehoorders l
Toen op den 16ön September j.1. de aftredende Rector- Magnificus van deze plaats verslag uitbracht over de lotgevallen dezer Universiteit in het afgeloopen jaar, werd door hem er op gewezen dat het aantal hoog- leeraren stond vermeerderd te worden o. m. door de instelling eener afzonderlijke leerstoel in de Faculteit der Rechtsgeleerdheid, ten behoeve van het onderwijs in het strafrecht en de strafvordering in Nederlandsch- Indië alsmede in de hoofdtrekken van het hedendaagsch recht, en dankbaar herinner ik mij de welwillende woor- den bij die gelegenheid door Dr. Nolen tot my gericht die bestemd ben voor het eerst die leerstoel te bekleeden.
Het is in aansluiting aan het toen gesprokene dat ik allereerst een woord wil spreken van vreugde over het besluit der Regeering tot instelling van deze leerstoel, een besluit dat opnieuw getuigenis aflegt van de groote belangstelling in Nederlandsch-Indië die bij Haar voor- zit, van het telkens meer bij Haar aan den dag tredend
~)lo I o U
streven om de hooge roeping die op Nederland rust ten aanzien der Oost-Indische koloniën zoo volkomen mogelyk te vervullen.
Het was inderdaad een te lang verwaarloosd element in de opleiding der bestuursambtenaren, die gedurende hun geheele loopbaan belast zyn met de uitoefening van politie en justitie , zóó dat op 't gebied dier beide vaak bijna hun geheele werkkring schijnt te liggen, dat zij juist alle zoo noodzakelijke opleiding daarvoor misten zoo- dat ze aangewezen waren slechts op die vorming welke de praktyk kan geven, maar welke byna altijd bleek volkomen onvoldoende te zijn, een reden waarom dan ook reeds Mr. J. LiON in 1886 schreef, dat onder de verplichte leervakken voor Indische ambtenaren zoo spoedig mogelijk behoorde opgenomen te worden het onderwijs al was het maar in de meest elementaire begrippen van positief in Indië vigeerend recht.
Ik wijs er op , dat , terwijl overal de politie-rechtspraak over Inlanders en met hen gelykgestelden voor een groot deel bij den Europeeschen bestuursambtenaar berust, hy belast is met het voorloopig onderzoek in alle strafzaken over die bevolking; dat hy in tal van gewesten belast is met het voorzitterschap der inlandsche rechtbanken, die als gewone rechters én de civiele én de strafzaken onder Inlanders berechten; dat, waar de Inheemsche bevolking, gelyk de geykte maar toch zoo onjuiste term luidt, nog is gelaten in het „genot" harer eigen rechtspleging, hij als leider der proatins, rapats, moesapats en madjelissen optreedt, die in hoogste ressort rechtspreken èn over het mijn en dyn èn over vrijheid en leven; dateindelyk hem een beduidend aandeel is gegeven in de recht-
spraak over Europeanen, een aandeel dat mochten de nieuwe ontwerpen omtrent de inrichting der rechtspraak in Indië tot wet worden verheven, nog zoo belangrijk zal worden vergroot.
Voorzeker reden genoeg om van de bestuursamb- tenaren eene mate van rechtskennis te vorderen die in den grond der zaak voor die van den rechterleken ambtenaaf niet behoort onder te doen, voorzeker reden te over om te concludeeren dat de instelling van een leerstoel voor juridische opleiding dier ambtenaren in een lang en dringend gevoelde behoefte voorziet.
En waar dit overwogen wordt, daar past het my een woord te spreken van eerbiedige hulde aan Harer Majes- teits Regeering die deze leerstoel in het leven riep, die getoond heeft niet te willen dat langer over de tien- duizenden die de bevolking van Nederlandsch-Indië uit- maken rechtsmacht zal worden uitgeoefend door ambte- naren die daarvoor niet werden opgeleid, die wil dat ten spoedigste een einde zal worden gemaakt aan de misstanden die als gevolg van dat gebrek aan opleiding tot heden toe zoo vaak werden opgemerkt.
Mocht het my daarnaast vergund zyn eenige, door liefde voor de zaak ingegeven, kritiek te oefenen, dan zou het enkel deze zyn dat, naast de ruime plaats thans gegeven aan de opleiding in het Indisch strafrecht , eene even ruime plaats had behooren te zyn ingeruimd voor die in het Indisch-privaatrecht , want het zou mij gemakkelijk zijn aan te toonen dat de kennis daarvan voor den administratieven ambtenaar even noodzakelijk is als die van het eerste.
Hoe dit zy , ik mocht naar ik meende , by het kiezen
van een onderwerp voor myne eerste rede niet uit het oog verliezen wat van Regeeringswege is gestempeld tot hoofdobject van myn onderwijs en het is daarom dat ik besloten heb U thans eenige beschouwingen te leveren over het Nederlandsch-Indisch strafrecht.
Waar ik dat doe hoop ik er in te slagen de vragen te beantwoorden:
in hoeverre kan met recht gesproken worden van een specifiek Indisch strafrecht?
wat kan voor Indië van de wetenschap op het gebied van het strafrecht worden verwacht? en
wat moet het streven zyn van het universitair onder- wys in de genoemde wetenschap?
Wanneer kan van het bestaan van een eigen strafrecht in eenig land gesproken worden? Het antwoord op die vraag hangt af van het kriterium dat men stelt maar weinigen zullen het met my oneens zijn als ik zeg dat dit dan zeker niet het geval is wanneer de strafrechtspraak be- rust op bepalingen voor een ander land vervaardigd en, volkomen ongewyzigd, toepasselijk verklaard. In dien zin bestond ook in Nederland geen eigen strafrecht zoolang de Code Pénal ongewijzigd daar gold. Kan echter van Nederland gezegd worden dat, althans vóór 1813, het een eigen strafrecht heeft bezeten , hoe onge- ordend, hoe elementair dan ook vaak, en dat de Code Pénal hier te lande althans niet al te lang volkomen ongewijzigd heeft gegolden, van Indië moet gezegd worden dat het vóór 1866 nimmer eigen strafrecht heeft bezeten en dat zelfs het toen ingevoerd recht nog byna niet den naam van eigen mocht dragen.
V
Maar dadelyk mag ik er bijvoegen dat althans van af dat jaar zich een eigen strafrecht is gaan ontwikkelen, dat sedert daar te lande bezig is zich te vormen, langzaam wel maar toch met onmiskenbare zekerheid, een straf- recht dat, niet wat zyn grondslag betreft — hierover straks nader — maar in uitwerking en toepassing een eigen beeld vertoont en steeds meer vertoonen gaat.
Meer dan twee eeuwen hebben Nederlanders gearbeid te midden der Indische bevolking vóór de noodzake- lykheid van het scheppen van een eigen strafrecht levend werd in het bewustzijn der mannen van gezag.
Dat tydens de Oost-Indische Compagnie in het alge- meen naast een vaak prijzenswaardige zucht tot regeling op het gebied van het formeele recht, het materieele recht nooit in eenigzins groote mate de aandacht trok van Heeren XVII^" of van de Regeering in Indië is voldoende bekend. Wat Europeanen betreft sprak dit bijna vanzelf. De Hollanders die zich in Oost-Indië kwamen vestigen, schiepen zich of vonden daar een maatschappijtje dat, in het klein, volkomen de HoUand- sche maatschappij reflecteerde; in hun op Hollandsche wijze gebouwde huizen, aan Hollandsche grachten, leidden zij een leven dat in niets van dat in 't vader- land verschilde: een Indische maatschappij was de Hollandsche in Indië destijds nooit, van byzondere toe- standen was nauwelijks sprake en aan behoefte aan een eigen recht dacht niemand. En : vestigden zich binnen onze etablissementen lieden van andere naties, Inlanders, vreemde oosterlingen, ze werden eenvoudig opgenomen in die HoUandsche maatschappij in zooverre nl. dat men hen kortweg aan onze rechtspraak onderwierp, en door
8
onze rechters ons recht op hen deed toepassen. Verschil van nationaliteit werd niet in acht genomen: dan alleen in zooverre dat de rechters vaak strenger zyn opgetreden tegen hen die, als onchristen, tegenover de christenen waren minderw^aardige lieden. Op merk- waardige wijze wordt dit laatste goedgekeurd nog in een resolutie van den Gouverneur-Generaal Alting van 17 Juli 1788 waarin wel eenerzyds de juistheid wordt toegegeven van een opmerking van den Raad van Justitie dat een Europeesch soldaat die een zelfde misdrijf had begaan als een Inlander, ten onrechte minder zwaar gestraft was, maar anderzijds werd» „geremarqueert" dat het niet altijd mogelijk was „een volkomen evenredigheid te observeeren in 't corrigee- ren van Europeanen en inlanders" en wel wegens „de constitutie dezer gewesten alwaar den inlander aan een ten uiterste despotische en slaafsche regeering onder- worpen en gewoon is".
Als regel gold echter voor allen destijds de heerschappü van het oud-Hollandsch recht, van de placaten en ordonnanties der Staten van Holland, allereerst van de ordonnanties „op de vordernisse der justitie" en „op de politie" van 1 April 1580, en, waar dit zweeg, primair „de gemeene civile regten , zoo als die in de Vereenigde Nederlanden werden gepractiseert" en subsidiair het z.g. Keizerlijke d. w. z. het Romeinsche recht.
Aldus was reeds door Pietee de Cabpentier bepaald bij besluit van 16 Juni 1625 en wel op „serieuse recom- mandatie der Heeren XVII ®°" en aldus bevestigden het ook de Statuten van Batavia van 1642.
Wel is waar hielden deze Statuten enkele bepalingen
9
^^ van materieel recht in, maar de eenige daarvan die
misschien een specifiek Indischen stempel vertoonen zijn :
"- één omtrent eenige misdryven tegen de zeden en één
gericht tegen een euvel dat zich blijkbaar destyds nog al eens voordeed nl. dat een inwoner van Batavia zonder
• licentie zich naar het vaderland begaf „ende synehuys-
vrouwe hier laet". In zoodanig geval werd h\j zelf
„gedurende de reyse in de boeyens geklonken" en zijn
huisvrouw, als deze nl. geconsenteerd had, „zoo lange
:: in vrouwe tuchthuys geconfirmeert ende gehouden tot
haer man weder comt ofte overleden sy".
Beide strafbepalingen werpen intusschen een eigen- aardig licht op de Indische maatschappij dier dagen.
Voor Inlanders gold dus een voor hen geheel vreemd, voor Europeanen, behoudens de genoemde bepalingen, een vaag omschreven, hoogstens uitsluitend voor Neder- landsche toestanden berekend recht.
Tofen in later dagen de bemoeienis van ons bestuur zich ook ging uitstrekken tot de bevolking buiten de steden, werd ten haren aanzien een andere taktiek ge- volgd dan te Batavia: men liet die bevolking geheel en al onder de heerschappij van het eigen nationaal recht, al is het waar dat voorzoover mogelijk, door de Compagnie het opleggen van wreede en verminkende straffen werd verboden.
Zoo bleef — ik stip slechts hoofdzaken aan — de rechtspraak over Inlanders ook toen wij tijdens de Regeering van Daendels, onze rechters, de Landraden, met de rechtspraak over hen gingen belasten.
Allengs wyzigde zich echter de praktyk ten aanzien van het op Inlanders toegepast wordende materieel
10
strafrecht. Hoe meer onze rechtspraak won in omvang, hoe nieer zich de bemoeienis ging uitstrekken van onze Europeesche rechters, zien wij alom, ook waar het Inlanders* en vreemde oosterlingen geldt, hen bestraffen volgens dezelfde regelen als voor Europeanen gelden, echter zonder dat, behalve ten aanzien van eenige misdryven, als valsche munt, slavenhandel, zeerooverij enz. waaromtrent voor de geheele bevolking geldende bepalingen bestonden , eenig wettelyk voorschrift daartoe grond gaf of recht.
Voor beide deelen der bevolking was de toestand niettemin allertreurigst. Een geschreven strafrecht, reke- ning houdende met Indische toestanden, ontbrak geheel en nog in 1839 kon de latere Gouverneur- Generaal Mr. P. J. MiJEE in zijn „Bijdrage tot de geschiedenis der codificatie in Nederlandsch-Indië" ^) schrijven over een verzameling „uit- en inheemsche Codices, Placaten, Publicatien, Statuten, Wetten, Costumen, gebruiken, beschreven regten en adviezen, zooals men zulks by verschillende oud-HoUandsche criminalisten verhandeld vindt , welke tot eene bepaling van het lijfstraffelijk regt samenloopen en volgens welke de Crimineele Justitie in Nederlandsch-Indië wordt bedeeld".
Wel had men in 1817 van uit Indië zelf het verzoek gedaan aan de Nederlandsche Regeering om dan althans het Crimineel wetboek voor het Koninkrijk Holland in Indië toepasselijk te verklaren, dat, al gaf het dan geen voor Indische behoeften berekend strafrecht, althans een geschreven wet zou zijn die de plaats kon innemen
- Tijdsoh. Yoor Ned.-Indië 1839 I p. 221 v.
11
van het zonderling amalgama dat thans werd toegepast, maar Nederland had gezwegen op dit verzoek, dat dan ook heel vreemd zal hebben geklonken, w^aar Nederland zelf in 1813 voor goed afscheid van dat wetboek had genomen om het „by provisie en totdat daaromtrent nader zal zyn voorzien" te vervangen door den Code Pénal.
En toen daarop eenige Indische Juristen die het lot der strafrechtspraak in Indië ter harte ging, zelf aan het werk togen en een eigen Wetboek van Strafrecht voor Indië ontwierpen, toen bereikte dit ontwerp wel de bureaux der Algemeene Secretarie maar slechts om daar een rustige rust te genieten die, behalve door de overbrenging van het archief dier instelling naar Buitenzorg, tot heden nimmer — voorzoover nagegaan kan worden — is gestoord.
Toen in 1848 de Nederlandsche juristen Mr. A. A. de PiNTo en G. Van deb Linden in het 9de deel van T h e m i s hun „overzicht over de nieuwe wetgeving voor Neder- landsch-Indië" openbaar maakten , toen konden zij mede- deelen dat wat Mijer geschreven had in 1839, nog ten volle waar was en dat „met andere woorden, ieder crimineele regter er recht ("sprak) , wat mii^daad en straf betreft, meerendeels naar een wetboek, in elke zaak hem door eigen lust en geweten voorgeschreven."
Maar gerechtvaardigd was dan ook wat zy er aan toe- voegden,- dat „een nieuwe penale wetgeving was een zware schuld van het Moederland aan zyne Kolonie en dat die spoedig, zeer spoedig worde afgedaan niet te sterk hen die het in de hand hebben, op het hart kon worden gedrukt."
Ik ga voorbij al wat in de eerstvolgende jaren is geschied , vermeld alleen dit : de Regeering werd wakker,
12
aan maatregelen om een beter recht te krijgen was geen gebrek, er werd zelfs gestreefd naar iets zeer goeds tot men beseffen ging dat ook bier Ie mieux était l'ennemi du bien ; ten slotte werd ter voldoening aan een opdracht „om in afwachting van het tot stand komen van een natio- naal Nederlandsch strafwetboek de kolonie voorloopig te stellen in het bezit van het in Nederland thans nog gel- dende strafrecht, voor zooveel noodig in overeenstemming gebracht met de eigenaardige behoeften van Indië ', een ontwerp verkregen van een Wetboek v^n Strafrecht voor Europeanen , dat in 1866 werd vastgesteld en niets anders was dan een vrij gevolgden Code Penal, zy het dan ook dat er eenige verbeteringen in waren aangebracht, die, hoe goed overigens ook, geen speciaal voor Indië berekend karakter droegen en die ik thans dus geheel onbesproken laat.
Nog zou het zes jaren duren voor dit wetboek voor Europeanen werd opgevolgd door een wetboek voor Inlanders dat, ontworpen door den bekenden Mr. T. H. DER Kindeben, eerst bij Gouvernements Besluit van 6 Mei 1872 n°. 51 werd vastgesteld en waarin ook nu slechts gedacht was aan een gewyzigde toepassing van den Code Pénal. De opdracht toch tevoren aan der Kindekens voorganger Mr. Last gegeven bij besluit van 1 Juli 1868 n°. 13, hield enkel in te maken van een ontwerp voor een toepasselijk verklaring van het wetboek voor Europeanen slechts met die wijzigingen, die met 't oog op den byzonderen toestand van den Inlander dringend noodig waren.
Toch mag aan der Kinderen de lof niet worden ont- houden dat hij binnen de enge grenzen dier opdracht
13
alles gedaan heeft wat hy dacht te mogen doen. Het wetboek van strafrecht voor Inlanders van 1873 draagt, reeds veel meer dan zyn voorganger en voorbeeld, een specifiek Indisch karakter ; men denke aan de by zondere uitwerking van het misdrijf van knevelarjj, waarby nu nu ook strafbaar gesteld werden bijzondere vormen van dat misdrijf, waaraan Inlandsche ambtenaren zich schuldig kunnen maken, de voorziening tegen knoeierijen bij verkiezingen van dessahoofden enz., de andere be- straffing, in onderscheiding met die in het Europeesch wetboek, bedreigd tegen misdrijven tegen de zeden, de onderscheiding gemaakt tusschen lichten en zwaren diefstal enz.
Waar dee Kinderen 's naam genoemd wordt, mag voorts niet verzuimd worden melding te maken van de over- eenkomstig zijne ontwerpen tot stand gekomen Algemeene politiestrafreglementen voor Europeanen en Inlanders die in byna elk nummer de sporen dragen met kennis van Indische toestanden te zyn vervaardigd en daarop te zyn berekend. Ik mag die reglementen hier noemen omdat ze, zooals bij de latere wetgeving is erkend, inder- daad deel uitmaken van het algemeen materieel straf- recht.
Intusschen ondanks dit alles was het nieuwe straf- recht voor Inlanders in grond en wezen Fransch recht evenals dat voor Europeanen en niet geheel onverdiend is de vergelijking eens door Mr. M. C. Piepers ^) gemaakt tusschen het aldus eerst tot Nederlandsch en daarna tot Indisch vermaakte Fransche recht, met een kleeding-
) Indisch Weekblad no 1290.
14
stuk dat, na eerst door den vader te zijn gedragen, daarna op den oudsten en vervolgens wat opgelapt, op den tweeden zoon overgaat.
Er is hier al dadelijk één punt dat byzondere opmer- king Verdient, dit nl. dat de wetgever destijds zich nooit opzettelijk rekenschap heeft gegeven van de beteekenis daarvan dat' hy een strafrecht, berustende op zuiver Europeesche straf rechtsbeginselen , ging toepassen, niet enkel op Europeanen , maar ook op Inlanders ^). Men deed dit alsof het vanzelf sprak, en te meer verwonde- ring moet dit wekken omdat artikel 25 der Algemeene Bepalingen van 1847, dat niet volkomen vervallen was door artikel 75 van het Regeeringsreglement, uitdruk- kelijk de kracht der Inlandsche strafwetten handhaafde behalve daar waar het Europeesch recht op Inlanders was toepasselijk verklaard en van zoodanige toepasselijk- verklaring was geen sprake.
Wel hebben in 1902 de ontwerpers van een nieuw Inlandsch strafwetboek uitdrukkelijk deze vraag onder de oogen gezien, die ook tevoren en later in een paar uitnemende academische proefschriften^) is aangeroerd, maar de redenen die aldaar werden aangevoerd voor handhaving van het door den wetgever reeds ingenomen standpunt waren van bloot praktischen aard en ik acht temeer grond aanwezig voor een korte principieele be-
^) Enkel heeft der Eindeben betoogd dat invoering van een ge- wijzigd Ëuropeanenrecht gerechtvaardigd was door de overweging dat dit praktisch reeds zonder tegenstand werd toegepast, maar een prin- cipieele bespreking vinden wij ook bij hem niet.
^) Van Mr. H. H. van den Berg, Amsterdam 1901 en Mr. J, W. G. Eruseman, Leiden 1902.
15
spreking omdat nu en dan, in en buiten 'sLands ver- gaderzaal, stemmen opgaan die op toepassing van enkele Inlandsche rechtsbegrippen schijnen aan te dringen. Wat ik doen ga is dus allerminst „enfoncer une porte ouverte".
Wat mi} betreft verdedig ook ik de toepassing in Indië zoo op Europeanen als op Inlanders van een strafrecht, rustende op den grondslag door de moderne Europeesche strafrechtswetenschap als de juiste aangenomen en ik doe dat, niettegenstaande ik, gelyk wellicht aan belang- stellenden onder U bekend is, behoor onder hen die op ander gebied, dat n.1. van het privaatrecht voor de Inlanders in Nederlandsch-Indië, met volle overtuiging voorstaan codificatie, voor zoover het daarvoor vatbaar is, en dus handhaving, van het recht dat — gelukkige vinding — door den hoogleeraar Van Vollenhoven bestempeld is met den naam van adatrecht.
Hieruit vloeit dus voort dat het noodzakelijk is eene korte beschouwing te wijden aan het verschil in roeping van den wetgever voor Nederlandsch-Indië, waar hij heeft te regelen eenerzyds het* privaatrecht , anderzijds het strafrecht voor Inlanders.
Waar ik dat doen ga, daar moet ik m\j binnen enge grenzen beperken en met slechts enkele woorden het privaatrecht bespreken, hoe gaarne ik ook hierover uitvoerig zou willen zijn.
Want de verleiding is sterk voor my, die op dit gebied bepaalde denkbeelden heb verdedigd en aan die denkbeelden een begin van uitvoering heb mogen geven, om in een uitvoerige uiteenzetting en verdediging daarvan te treden; die verleiding is te sterker daarom omdat
16
mfl te voren vooral de tijd ontbroken heeft om mij uit te spreken.
Maar ik gevoel het: ik mag niet aldus van deze gelegenheid misbruik maken, deze oratie niet maken tot eene oratio pro domo.
En dan ook: de stryd in en buiten het parlement gevoerd vóór de tot standkoming van het nieuwe artikel 75 van het Regeeringsreglement ligt nog te versch in het geheugen van wie belang hebben gesteld in de regeling van het recht voor Indië, dan dat het noodig zou zijn de verschillende zienswijzen die daarbij verdedigd zyn weder in herinnering te brengen en al hetgeen pro en contra die zienswqzen is aangevoerd.
Ik volsta er dus mede uiting te geven aan het gevoel van vreugde daarover dat — hoezeer niet alles verkregen is wat met mij velen voor Indië zouden wenschen — toch ondubbelzinnig in het nieuwe artikel der Indische grondwet beginselen zijn neergeschreven die, goed uit- gevoerd, aan Indies bevolking een geschreven privaat- recht zullen kunnen geven overeenkomende met hare behoefte.
Daar zal komen, volgens het gebod van dat nieuwe artikel , een codificatie van pri vaatrecht niet enkel meer voor Europeanen maar ook voor de niet Europeanen en voldaan zal aldus worden aan wat de Britsch-Indische staatsman Macauley terecht als eerste vereischte heeft gesteld: zekerheid van recht.
Die codificatie zal voor elke bevolkingsklasse haar grond- slag moeten vinden in de door haar gevoelde reohts- behoefte: voor Europeanen dus zal ze overeenkomen met het in Nederland geldend privaatrecht met die wijzigingen
17
welke wegens de byzondere toestanden in Nederlandsch- Indië noodig zijn; voor Inlanders en vreemde ooster- lingen echter zal een andere gedragslijn gelden. Wel is waar zal ook voor hen de wetgeving kunnen bestaan in toepasselijk verklaring van de voor Europeanen geldende bepalingen, en het spreekt byna vanzelf dat die toepasselijkverklaring een gewijzigde zal mogen zijn, maar slechts daar zal dat mogen geschieden, waar de maatschappelijke behoeften dit eischen; waar dit niet het geval is zal het gewoonterecht moeten worden ge- volgd. Ik weet het: die woorden „maatschappelijke behoeften" zijn voor verschillende uitlegging vatbaar en allicht kan de opvatting omtrent den aard dier be- hoeften' verschillend zyn naar mate men zich stelt op een Europeesch standpunt dan wel op dat der be- volking om wier belang het gaat, maar getwijfeld be- hoeft niet te worden of de wetgever zal begrijpen dat maatschappelijke behoefte in deze is behoefte van het volk en dus slechts daar Europeanenrecht zal toepassen waar de rechtsbehoefte der bevolking dit gebiedend eischt.
Zoo is dus inderdaad tot erkenning gekomen het be- ginsel: codificatie van privaatrecht niet van boven af met het Europeesch recht als uitgangspunt alsof dit het eenige, voor alle volken meest juiste zou zyn, maar van beneden af, het uitgangspunt zoekende in bestaande toestanden en rechtsverhoudingen, de norm vindende in de rechtsovertuiging en in de rechtsbehoefte van het volk. Dit beginsel is het juiste: de wetgever mag nooit vergeten dat de privaatrechtelijke verhoudingen, die tusschen de individuen onderling , alleen geregeld kunnen
2
18
eij mogen worden overeenkomstig hetgeen zy recht achten; dat geen privaatrecht bestaanbaar is dan dat gegroeid is met het volk en op elk standpunt overeen- komt met zyn rechtsontwikkeling; dat alleen een wet- geving die dit alles in het oog houdt, kan voldoen aan den eisch die reeds de Romeinen stelden als een der iuris praecepta: ,,suum cuique tribuendum".
De gedachte die in deze woorden ligt opgesloten blijve het maxime voor den wetgever op privaatrechtelijk ge- bied. En hoe kan het ook anders? Zou anders te han- delen niet volkomen nutteloos en vruchteloos zyn ? Heeft op elk ander gebied van het recht de Staat zelf de macht in handen, kan hy dwingend optreden en dus aan zijn wil de uitvoering geven die hij wenscht, niet alzoo waar het geldt het privaatrecht. Hy kan regelen maken naar hij wil ook hier, ongetwijfeld, maar Hy kan en mag op het terrein, waar de idee der vryheid van de individuen moet voorzitten, nimmer dwingen dat men zijn wil ook z£|l toepassen in het leven, zelfs niet dat men recht zal gaan vragen b\j zyn rechter. En, waar hy 't mocht willen bestaan een privaatrecht in het leven te roepen, dat streed of, zwakker uitgedrukt zelfs, niet overeenstemde met het rechtsgevoel en de rechtsbe- hoefte der natie, daa-r zou eenvoudig verkregen worden, een toestand waarin de wet zich afscheidde van het recht, waarin bij het volk een rechtsleven zou ontstaan buiten en afgescheiden van de wet en van den rechter; daar zou de tegenstelling ontstaan die Beseler reeds zoo juist heeft geteekend als eene tusschen juristen- recht en volksrecht. En laat ik dit er bijvoegen, geen ongelukkiger toestand voor een volk dan waar die
19
tegenstelling bestaan zou, waar voor het volk onbe- reikbaar zou zyn wat het noodig heeft : recht te kunnen verkrygen in zyn rechtsstrijd, waar men vruchteloos bij een rechter zou aankloppen, wetende daar nooit te kun- nen vinden waaraan men behoefte heeft en waar dus allengs zou verdwynen wat het plechtanker, is voor elke menschenmaatschappy : de rechtszekerheid.
Maar hoe anders staat het geschapen waar de wet- gever zich wydt aan het strafrecht, hoe anders is het standpunt waarop daarbij de Staat zich stellen mag en moet!
Stellen mag, want ik zeide het reeds, hier heeft hy de macht om aan zijn wil uitvoering te geven in zijn vollen omv£Lng.
Maar ook stellen moet, krachtens Zyn wezen. Zijn roeping. De Staat, waar hij regelend optreedt op het gebied van het strafrecht, handelt als handhaver der rechtsorde en Hy kan daarbij niet gehoorzamen aan een anderen wil dan zijn eigene, geen ander beginsel als het ware aannemen dan hetwelk zijn eigendom is geworden na eeuwen van denken. „Men heeft te doen", schreef myn leermeester, de hoogleeraar Van Hamel, eenige jaren geleden, „met het dwingende, onverbid- delyke publiekrecht en men gevoelt dat het onmogelijk is, voor wie aan de beschavende kracht van het publiek- recht gelooft , om die beschaving te onthouden waar hy zyn heerschersvoet heeft gezet, dat het onzedelijk, dat het onrecht zou zijn. Het strafrecht voor publiekrecht te houden is niet iets conventioneels; de geschie- denis der beschaving heeft voldoende bewezen dat die
20
opvatting de natuurlijke vrucht der beschaving is." ^) Een moderne Staat, geroepen om zijn gezag te doen gelden waar tot nu toe de bestraffing van den misda- diger privaatzaak was, kan om een voorbeeld te noemen, in deze niet lijdelijk toegeven aan de wellicht nogheer- schende rechtsopvatting en zijn beginsel van de publieke wraak laten varen. En — schijnt dit voorbeeld ten aan- zien van Indië overdreven, waar toch reeds lang de idee der private wraak grootendeels als heerschend beginsel verlaten was, — minder overdreven blijkt dit als men denkt aan de sporen die de heerschappij nog had nage- laten in het Inlandsch strafrecht, vóór wij ons rechts- wezen invoerden, welke sporen nog overal te vinden zijn waar nog niet wordt recht gesproken in naam der Koningin.
Is niet uit Dr. Jonkees verdienstelijk proefschrift „Over Javaansch Strafrecht" ^) gebleken dat nog in 1847 in de Vorstenlanden op Java zelfs moord en mishandeling niet anders dan op klachte konden worden vervolgd? Zonder twijfel moet dit als een overblijfsel van het oude wraakrecht worden beschouwd. Dat bij de Dajaks en by andere volkstammen als de Karo-Bataks waar onze rechtspraak nog niet is ingevoerd het be- ginsel van bloedwraak, dus van private wraak, nog geldtin gevallen van overspel en diefstal, wanneer de dader inflagranti wordt betrapt is door Wilken uitvoerig aange- toond in zijn werk „Het strafrecht bij de volken van het Maleische ras." En men herinnert zich zeker hoe der Kinde-
^) „Het Nederlandsch en Neder landsoh- Indisch Strafrecht'^ in de Indi- sche Gids Tan 1882 II p. 195 v. *) Amsterdam 1885.
21
REN nog in 1874 bij de invoering van het nieuwe rechtswezen ter Sumatra's Westkust, waar al lange jaren de recht- spraak in strafzaken door onze ambtenaren was geleid, maar waar niettemin, als overblijfsel van nationaal straf- recht nog de bangoen, de bloedprijs, werd geheven als afkoopprijs der private wraak in geval van moord of dood- slag, hij zedelijk gedwongen werd een concessie aan de volksopvattingen te doen en bepalen moest dat ingeval van moord, doodslag, mishandeling enz. de benadeelde partij zich in het strafgeding kon voegen tot het vorderen eener schadevergoeding van ten hoogste f 800 (het be- drag der vroegere bangoen) , terwijl berust werd in den eisch der hoofden dat men ook voortaan die schade- vergoeding bangoen zou mogen noemen^).
Ik ga verder. Een moderne Staat die bij de keuze van strafstelsel zich heeft leeren stellen op dit standpunt dat de straf moet strekken om af te schrikken van het kwade maar tevens beantwoorden moet aan het humaniteits- principe dat ze zoo veel mogelijk ook strekke tot ver- betering van den misdadiger, kan onmogelijk eerbiedigen een strafrecht dat op het zuivere vergeldingsprincipe berust en zyn hoogste openbaring vindt in een reeks pijnigende en verminkende straffen; dat het eigen straf- recht, waar de bevolking 't nog „geniet", zulke straffen kent staat vast, ook echter dat by elke regeling van onze Regeering uitgaande de toepassing dier straffen verboden wordt.
Ik herinner mij hier een voorbeeld uit eigen praktijk dat ten bewijze kan strekken hoe sterk de vergeldings-
*) Zie Mr. T. H. der Kunderen „De algemeene verordeningen tot regeling van het rechtswezen in het Gouvernement Sumatra's Westkust" lip. 130.
22
idee nog kan voortleven by het volk. In een streek waar de bevolking en niet ten onrechte voor beschaafd doorgaat en uit Christenen bestaat stond een man terecht voor doodslag pur et simple. Natuurlek was er dus zelfs wettelijk geen recht om de doodstraf uit te spreken maar zelfs waren er redenen die den Landraad aanleiding gaven een betrekkelijk lichte vrijheidstraf op te leggen. De behandeling der zaak genoot de grootst mogelijke be- langstelling : nagenoeg de geheele negorij was opgekomen als toehoorders. En toen zag men na de uitspraak het wel zeer ongewone schouwspel dat, nadat de toehoorders een poos samen hadden overlegd, een deputatie de zittingzaal binnenkwam en , wel is waar met de vorme- lijkheid die een inlander slechts zelden verlaat, maar niettemin zeer beslist, verzocht dat de Landraad de zaak nog eens zou overleggen. „Er had bloed gevloeid — zoo was de hoofdinhoud van haar betoog — en bloed moest er weder vloeien": diep teleurgesteld was men er over dat deze schuldige niet ter dood was veroordeeld.
Een Staat die in eigen land geleerd heeft rekening te houden met de moderne opvattingen omtrent strafrech- telijke verantwoordelijkheid, kan verder niet berusten in de handhaving waar hij zijn gezag uitoefent, van een strafrecht dat enkel naar het gevolg de feiten afmeet, een onderscheid bijv. tusschen moord en cul- posen doodslag niet ziet, met den strafbaren wil geen rekening houdt, poging dientengevolge straffeloos laat enz.
Bij^ alle adatstrafrechten, behalve misschien bij het Palembangsche, is dit toch het geval. En men denkt hier zeker aan die rechtbank van omgang op Java die, toen twee beklaagden samen er op uit waren gegaan
23 om een ander te vermoorden, slechts een hunner, wiens
schot doel getroffen had, veroordeelde en den ander*; die wel geschoten, doch gemist had, vrijspraken. Toen, zooals de Gelder vertelt, den inlandschen leden het zonderlinge van die beslissing werd voorgehouden , vroe- gen zij „aan wien de vogel behoorde, wanneer twee jagers samen op jacht gingen, doch het schot van een hunner miste."
En, ik ga verder, een Staat die geleerd heeft uit te gaan van het beginsel dat geen straf bestaan kan waar geen schuld is en dus slechts de verantwoordelijkheid aanneemt voor eigen daden, niet ook voor de daden van anderen, kan niet, naar mijne overtuiging, een strafrecht gaan toepassen dat berust op de idee der aansprakelijkheid van velen voor één d. w. z. op het solidariteitsstelsel , de Maleische adat tanggoeng-menang- goeng en — voeg ik er by — mag zelfs geen genoegen nemen met maatregelen, zooals ze in Ned. Indië wel eens voorkomen ^), die wel is waar niet uit beginsel maar om redenen van praktyk van een aansprakehijk- stelling van velen het uitvloeisel schijnen te zijn.
Het klinkt vreemd wellicht voor westersche ooren te hooren spreken over een zoo diepgaand verschil — en waar ik slechts hoofdpunten aanroerde zou ik, was mij meer tijd gegeven dan waarover ik thans beschikken kan, deze belangryk kunnen uitbreiden — tusschen de
^) Men vergelijke hetgeen in de door de mindere Welvaartsoommissie geredigeerde samentrekking van de afdeelingsyerslagen over de uit- komsten der onderzoekingen naar het recht en de politie in 'de Resi- dentie Bezooki op blz. 15 e. v. is vermeld omtrent de maatregelen door den Resident van ons gewest genomen ter voorkoming van rietbranden.
24
rechtsideeën van den Staat en die van het volk, waar van zulk een strijd in westersche landen byna geen sprake meer kan zyn — in Europa toch ontdekt men hoogstens heden ten dage nog verschil tusschen de toe- passing van een humaniteitsprincipe eenerzijds en een wraakgevoel bij de onontwikkelden anderzijds, als onlangs nog bij het verleenen van gratie aan den kindermoor- denaar Soleiiland — maar vreemd allerminst is deze tegenstelling waar wij spreken eenerzijds over Neder- land, de moderne koloniale mogendheid, en een land als Indië, bewoond door volken die, werd hun de vrye hand gegeven, ongetwijfeld gansch andere beginselen zouden toepassen dan Nederland huldigen kan.
Zoo ben ik het dus geheel eens met de meening van Sir John Strackey, waar deze in zijn bekend werk „India; lts administration and progress" de invoering der Indian Penal Code. van 1860, een geheel op Europeesche rechtsbeginselen berustend strafwetboek verdedigt o. m. met deze woorden „dat de Europee- sche Regeer ing in het oosten de vertegenwoordigster is van de beschaving die oorlog voert tegen de barbaarschheid", ook al zou het laatste woord wellicht te scherp een tegenstelling teekenen.
Toch, al verdedig ik hier de handhaving van een- heid in grondbeginsel tusschen het strafrecht van Ne- derland eener- en van Indië anderzijds, eenheid in uit- gangspunt, de wetgever moet bij de toepassing dier beginselen, wil hij groote botsing vermijden, rekening houden met de daaraan wellicht tegenovergestelde ideeën der bevolking. Ook Van Hamel wees in zijn opstel dat ik zooeven aanhaalde , op de moeilijkheid om
25
van een Europeesch standpunt uit strafrecht te schry ven voor een op gansch anderen bodem staande Indische maatschappy.
En hier noem ik 'een reden, waarom wel het meest zich het verschil moet openbaren tusschen Nederlandsch en Indisch strafrecht, en waarom dientengevolge ook de strafrechtswetenschap in Indië geheel eigen banen moet bewandelen.
Wees ik zoo straks op een verschil in beginsel waar het geldt het privaatrecht eenerzijds, het strafrecfit anderzijds, thans wijs ik het terrein aan waarop die beide elkander weder nauw raken, waarop beider uit ver- schillend punt begonnen wegen elkander kruisen: beider wegen toch komen samen midden in het leven van het volk; en een strafrecht dat geen rekening hield met de behoeften en denkbeelden der justitiabelen zou reeds daarom veroordeeld zijn. Het strafrecht is, om weder met Van Hamel te spreken, „een laatste verdedigings- middel der rechtsidee en er moet bovenal zeer voor- zichtig mee omgegaan worden, wanneer de wetgever staat tegenover begrippen van familieband, huwelijks- band, godsdienstig geloof, die subjectiever zijn en ook gerust mogen zijn dan de meeste andere."
De aanmerking nu, terecht op de wetboeken van 1866 en 1872 gemaakt is dat deze op dit alles niet voldoende letten en zelfs nagenoeg geen rekening hiel- den met de bijzondere maatschappelijke toestanden in Indië.
Toch is de invoering dier wetboeken voor Indië van groote beteekenis geweest, natuurlijk vooral omdat nu voor het eerst zekerheid van recht werd gegeven.
26
maar verder ook daarom , omdat als 't ware van stonde aan bij de rechtsbeoefenaars de zin voor weten- schappelijk onderzoek ontwaakte, die zich de verbete- ring dier wetboeken als einddoel stelde, want. nu het eigen recht was geboren, nu ontstond er ook liefde voor de volmaking, de goede werking van dit recht.
Lang duurde het niet of Mr. W. de Gelder gaf zijn werk „Het strafrecht in Ned. Indië" uit dat voor dien tijd een standaardwerk kon genoemd worden ; dank- baar moet erkend worden dat hy daarmede den grond- slag legde voor verdere beoefening. Zijn verdienste is toch vporal b\j elk leerstuk en b\j elk bijzonder misdrijf de aandacht te hebben gevestigd op de bijzondere op- vattingen by de Inlanders voorkomende en op de bijzondere maatschappelijke toestanden, waarop de strafwet moet worden toegepast.
Mr. C. W. MARaADANT gaf later zijn „Verklaring van de Nederlandsch-Indische strafwetboe- ken" uit en, evenals reeds de Gelder had gedaan toonde hij aan de breede kloof die er bestaat tusschen het geschreven recht en de toestanden waarop het moet worden toegepast.
Ook kleinere geschriften bleven niet achter.
Naast het reeds in 1871 verschenen opstel van Mr. C. P. K. WiNCKEL over het ontwerp strafwetboek voor Inlanders en daarmede gelijk gestelden ^) mag ik hier uit later jaren noemen Van der Aas Inleiding op het eerste boek van het Wetboek van Strafrecht van In-
») Tijdschrift van Ned. Indië 1871 II p. I. v.
27
landers ^), het belangrijke opstel van Van Hoèvell ge- titeld „de Indische strafwetgever moet rekening houden met bestaande toestanden" ^) de opstellen van Mr. M. C. PiEPEES over „de onvolledigheid der Indische straf- wetten" ^) en „over eenige misdadige handelingen die bij de samenstelling van een nieuw Strafwetboek van Europeanen en met hen gelijk gestelden in Nederlandsch- Indie voorziening behoeven" *) om slechts eenige te noemen wier opgave met andere zou kunnen worden aangevuld. Van groot belang ook is het derde deel van het werk van Mr. W. A. P. F. L. Winckel over de rechts- pleging van Inlanders en met hen gelijkgestelden.
Al die schry vers werkten mede om het Nederlandsch- Indisch strafrecht beter te leeren kennen ook om zijn gebreken meer aan den dag te leggen.
Ook door den invloed der rechtspraak kwamen ge- breken aan het licht die reeds tot verbetering aanleiding gaven. Ik mag hier wijzen op de invoeging in het wetboek van Strafrecht voor Inlanders van het bekende artikel 328a, waarin tot bijzondere vorm van oplichting gestempeld werd het in Indië zoo usantiëele feit dat een werknemer zich opzettelijk voorschot doet afgeven op te verdienen loon om daarmede te verdwijnen — een artikel waarvan ik hier noch de geschiedenis, noch ook de gebreken mag vermelden en de juiste aanmerkingen waartoe het reeds aanleiding heeft gegeven. ^)
- „Recht in Nedorlandsoh-Indië XXV p. 243 v. '^) Indische Gids 1881 II p. 882 v.
- Ibidem 1885 II p. 1625. v.
*) Ibidem 18.88 I p. 776. v. Zie ook „Indisch Weekbl. v. h. Recht'' n^. 1290 en elders. ') Zie hierover het opstel van Mr. G. A. yan Hamel Ind. Gids 1881,
28
En ik wijs verder op de invoeging der niet minder bekende artikelen Sla en 31b van het Inlandsch Straf- wetboek, straf bedreigende tegen het z. g. losgeld misdrijf de wang teboesan, een specifiek Inlandsch delict dat door den wetgever van 1872 geheel over 't hoofd was gezien , dat lange jaren door de rechtspraak als een bij- zondere vorm van heling was gestraft tot het Hoog- gerechtshof als revisierechter hieraan een einde maakte en ontslag van rechtsvervolging uitsprak wat onmiddelijk aanleiding gaf tot een kreet om aanvulling der straf- wet. Onder meer herinner ik aan Piepeks bovengemelde artikelen en aan Mr. W. F. Haases opstel hierover in Wet en Adat ^) en aan de belangrijke kritiek over de reeds tot stand gekomen artikelen geleverd door wijlen Mr. W. Ph. Scheuek. «)
Ik mag niet langer voortgaan op dezen weg van het noemen van namen en titels en meen dan ook met het gezegde te kunnen volstaan waar ik aantoonen wilde de juistheid van het geen ik zooeven aanvoerde dat, sedert Indië in het bezit is geraakt van eigen strafwet- boeken, de wetenschap zich daar te lande al spoedig en in ruime mate heeft toegelegd op de bestudeering van het eigen recht en er naar streeft zich een eigen weg te banen.
Die werken geholpen door de lessen der praktijk welke haar weerspiegeling vonden in de jurisprudentie hadden dan ook tengevolge dat toen andermaal een
II p. 529. y. en zijn lezing in het Ind. Gen. 1892. Handelingen p. 56, Yoorts o. m. het proefschrift van Mr. C. H. yan Delden Leiden 1895.
- Band III p. 63. v.
») Recht in N. I. LXXIII. p. 85. v.
29
staatscommissie werd ingesteld om een herziening van Indisch strafrecht te ontwerpen, zij den bodem meer bereid vond, beter slagen kon dientengevolge in haren wensch om het nieuwe strafwetboek van Europeanen te doen beantwoorden aan de door specifiek Indische toestanden gestelde eischen en het wetboek, hetwelk, nadat in Indië met vrucht het ontwerp was onderzocht en beoordeeld, in 1898 werd vastgesteld, voldoet dan ook reeds in hooge mate aan dien eisch.
Zoo werd, om een voorbeeld te noemen, by de regeling van noodweer, om redenen speciaal voor Indië geldend, het recht der straffelooze zelfverdediging ver uitgebreid buiten de grenzen in het Nederlandsch recht daaraan gegeven nl. straffeloosheid verzekerd niet enkel aan hem die tegen oogenblikkelijke , maar ook aan hem die tegen onmiddelijk dreigende aanranding heeft gerea- geerd; zoo werd als een bijzondere typisch Indische vorm van knevelarij een nieuw misdrijf geformuleerd dat van misbruik van aanzien, in het Nederlandsch recht onbekend om de Inlandsche bevolking te be- schermen tegen wederrechtelyke handelingen, door Europeanen , misbruik makende van hun hoogere positie, tegen hen gepleegd; werd het karakter der strafbare opruiing belangrijk uitgebreid, en werden meer andere verbeteringen, vergeleken met het Nederlandsch straf- recht aangebracht welke door andere toestanden in Indië werd geeischt.
Maar het spreekt byna vanzelf dat er meer aanleiding tot het aanbrengen van specifiek Indische karaktertrek- ken zou bestaan, waar het strafrecht voor Inlanders zou worden geregeld.
30
Zonder twyfel toch kent ook de Europeesche maat- schappij in Indië byzondere karaktertrekken vergeleken met die in Nederland, daar zy verscnillende groepeA van personen omvat die in de Nederlandsche niet worden aangetroffen, maar veel grooter in het verschil waar men de Inlandsche maatschappij in oogenschouw neemt.
En zoo is het dan ook te begrijpen dat het spoedig na 1898 tot stand gekomen ontwerp van een wetboek van strafrecht voor Inlanders meer dan dat voor Euro- peanen een bijzonder karakter moest vertoonen. Ik wijs op de nieuwe redactie gegeven aan het bijzondere oplichtingsmisdrijf, tot nu toe omschreven in het boven- gemelde artikel 328a, waardoor een hoofdbezwaar tegen het oude artikel n. 1. dat om straf te kunnen uitspreken , het bedriegelijke oogmerk reeds tijdens het vragen van voorschot moest bestaan, is vervallen; op de strafbaar- stelling van verkrachting in kinderhuwelqk d. w. z. het hebben van echtelyken omgang met een nog niet huw- bare , zy het ook reeds gehuwde vrouw ; op de bijzondere zorg door den ontwerper gewyd aan het misdrijf van schaking , waarbij meer dan vroeger rekening is gehouden met de omstandigheid dat schaking ook in anderen dan misdadigen vorm denkbaar is enz.
Ik teekende hier slechts enkele punten aan maar meen voldoende gezegd te hebben voor mijn doel dat slechts is aan te toonen dat vooral het aanstaande posi- tieve strafrecht voor Indië tal punten van verschil zal vertoonen mei het Nederlandsche zoodat althans voortaan zal kunnen gesproken worden van een zelfstandig Indisch strafrecht. En dit ontwikkelingsproces van het eigen Indische strafrecht heeft bij lange na in de reeds
31
tot stand gekomen producten van wetgevenden arbeid zyn hoogtepunt niet bereikt. Reeds thans zyn on- volkomenheden daarin aangewezen, is terecht meer- malen gewezen op feiten waarin ook deze nieuwe wetboeken nog niet voorzien. Nog onlangs, bij het zeer belangwekkend onderzoek voor de commissie van de mindere welvaart ingesteld, is de vinger gelegd op gebreken in de bestaande en ontworpen strafwet- geving, hoe bijv. nog niet is voorzien tegen het toch zoozeer algemeene feit van het geven van onderricht in verschillende elmoes, zooals de elmoe patangan, het aangeven van den dag geschikt voor het plegen van misdrijf, de elmoe paliasen n.1. de kunst om alle gevaren te ontwijken, welke feiteïi ook m.1. als een byzondere vorm van deelneming behooren te worden strafbaar gesteld. Zoo is er op gewezen dat de geldende en ontworpen strafbepalingen niet voorzien tegen het feit dat de een of 'andere fanaticus, bijv. in een gesloten particuliere woning, eenige geloof sgenooten opruit tegen het Gouvernement. Zoo werd betwijfeld of niet reeds buiten veroordeeling zou moeten blyven een Inlander die zich had uitgegeven voor wonderdokter en van den daardoor verkregen invloed had gebruik gemaakt om de bevolking op te zetten tegen het bestuur, o.ra. door herhaaldelijk in besloten gezelschap te verkon- digen dat men gedurende vijf bijzondere dagen straffe- loos Europeanen zou kunnen dooden ^). Te voorzien is dan ook dat, indien de thans bestaande mii-
^) Zie samentrekking der afdeelingsverBlagen over de uitkomsten der onderzoekingen, van de Mindere Welvaartsoommiasie, naar het recht en de politie in de reaidente Bezoeki p. 40.
82
ficatieplannen inderdaad mochten leiden tot een nieuw ont- werp , ook daarin reeds weer verbeteringen zullen worden opgenomen; het onderzoek der Indische Maatschappij en van de bijzondere daarin heerschende toestanden staat niet stil, meer en meer belang wordt gesteld in het opsporen van mistanden daarin en de vraag gesteld of en in hoeverre de strafwet repressief daartegen kan optreden.
Volledigheidshalve moet ik hier nog eenige mede- deeling doen over wat in de allerlaatste jaren in Indië zelf reeds is gedaan tot verbetering van de toepassing der straffen voor Inlanders.
Als hoofdstraf kent het geldend recht voor Inlanders den dwangarbeid in en buiten den ketting voor zoover misdryven betreft, de tenarbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon voor zoover betreft overtredingen, beide geschoeid nog op de leest van de straf van kettingslag, reeds bestaande in de tyden van Oost-Indische Compagnie, straffen echter die, gelyk ze tot voor korten tijd algemeen en nu nog grootendeels, worden toegepast nagenoeg in elk opzicht niet voldoen aan de eischen aan welke een goed strafstelsel moet beantwoorden.
Ik denk hier niet in de eerste plaats aan de bezwaren bestaande tegen gemeenschappelijk ondergaan worden der straf, waartegen enkel gewaakt zou kunnen worden door invoering van een voor Inlanders absoluut ondeug- delijke cellulaire opsluiting, maar wel daaraan dat de straf noch eenigszins strekte tot afschrikking noch ook eenig element bevatte dat tot verbetering van den misdadiger werkzaam kon zijn.
38
Wel is WÉiar werden de zwaarste misdadigers naar de kolenm\jnen ter Sumatra's Westkust gezonden en gaf deze uitvoering aan den dwangarbeid eenigermate een afschrikkend karakter, maar op de duizenden dwang- arbeiders was het aantal daarheen gezondenen slechts een betrekkelijk klein percentage en dan nog ga ik thans de nadeelen voorbij die uit anderen hoofde deze tewerkstelling aankleven.
In 1871 ontwierp wel Mr. T. H. dee Kinderen een geheel nieuwe regeling van den dwangarbeid, die in menig opzicht verbetering zou hebben gebracht maar om redenen die thans niet ter zake doen heeft de Regeering van de uitvoering daarvan moeten afzien.
Eerst sedert 1904 wordt thans op andere wijze de hand geslagen aan verbetering, niet van het strafstelsel zelf, maar van de straf voor dwangarbeid in het bij- zonder.
Een nota van den toenmaligen resident van Peka- longan H. W. Steinmetz, thans voorzitter der mindere welvaartcommissie, gaf aanleiding tot het onttrekken van de woonerven van Gouvernementsambtenaren van de aldaar zonder ernstigen arbeid den dag doorbrengende tientallen dwangarbeiders. Tewerkstelling dier aldus vry- komende dwangarbeiders op meer bevredigende wyze volgde. Voortaan zullen z\j alleen nog by groote wer- ken van politiek of economisch belang worden geplaatst; daarnaast is begonnen met concentreering van groote getallen dwangarbeiders in enkele der grootste strafin- richtingen en met de oprichting daarin van werkplaat- sen voor ambachten van allerlei aard, een wyze van tewerkstelling, waardoor verkregen wordt dat de straf
3
34
door harden arbeid inderdaad als leed wordt gevoeld en dat tevens de gestraften, die op deze wyze een am- bacht kunnen aanleeren, economisch sterker worden.
Nog staat deze hervorming in haar begin maar de onttrekking van dwangarbeiders ook aan onbewoonde erven, de inrichting van gewestelyke centrale gevange- nissen, de oprichting van Gouvemements landbouw- ondememingen (als reeds in begin een aanwezig is in de met dwangarbeiders als werkkracht gedreven karet- cultuur op Noesa Kembangan) en meer andere vraag- stukken zijn aan de orde. Voor tenarbeid gesteld en is in overweging het denkbeeld hen als regel alleen overdag te werk te stellen met vrylating des nachts, ten eiiide aldus te ontkomen aan de verplichting van opsluiting, 's nachts, van daders van lichte vergrijpen met zware misdadigers in éèn inrichting. Dit alles zal niet nalaten van grooten, heilzamen invloed te zyn.
Bijna ben ik aan het eind van mijn taak.
Maar ik mag niet eindigen alvorens er nog op ge- wezen te hebben op een roeping welke naar het mij voorkomt de strafrechtswetenschap voor Indie nog heeft.
Zoo straks wees ik op de eerste roeping die ze bezig is te vervullen maar aan welker vervulling nog zoo heel veel staat te doen, de strafwetgeving te doen be- antwoorden aan de eischen der maatschappij. Voor haar geldt in de eerste plaats ook de eisch door Mr. Wichees op den len Mei 1848 by de plechtige invoering der nieuwe wetgeving op privaatrechtelijk gebied uitgesproken, dat zy moet zyn een „spiegel die het beeld der maat- schappij voor welke zij bestemd is, in duidelyke trekken terugkaatst."
35
Maar terecht is reeds door van Hamel de opmerking gemaakt, dat de moderne strafrechtswetenschap het alom uitspreekt dat zij, „in tegenstelling tot de klas- sieke, het zwaartepunt legt bij den dader", daarom „omdat de strafrechtswetenschap als juridische weten- schap is de leer van de strafrechterlijke aansprakelijk- heid, van hare voorwaarden en hare grenzen".
In onderscheiding met de taak die den rechter in civilibus is opgelegd, die een zaak beslist zonder aan- zien van persoon, blijft juist in criminalibus de persoon hoofdzaak. „Dans Ie proces pénal — zegt Qaeeaud ^) — c'est un individu et non un fait qu'il faut juger, un criminel et non un crime".
Welnu de wetenschap is voor Indië bezig de straf- bare daad na te sporen en, blyft op dit gebied nog veel te doen, ze toonde toch reeds aan tegen dat deel van haar taak opgewassen te zijn en die telkens beter te vervullen.
Maar naast de bestudeering van de strafbare daad hoe staat het met die van den dader? Een streng oor- deel is ten deze voor eenige jaren uitgesproken door Mr. I. A. Nederburgh die in Wet en Adat ^) op dit deel der wetenschap wees als op „een in Indië nog onontgonnen veld."
Misschien was dit oordeel te streng, want geheel zonder vrucht zijn de jaren gedurende welke wij aandacht hebben geschonken aan de nooden en behoeften der Inland- sche bevolking niet voorbijgegaan, maar waar is ook dat de ervaring, die wij reeds opdeden ons meer en meer
^) Traite theorique et pratique du droit péaal frangais, I. p. 8. *) Band I p. 10 e. v.
36
deed inzien dat de Inlander — om m\j nu tot dat deel van Tndies bevolking te beperken dat het grootste con- tingent der beklaagden oplevert — ook is wat Fekei schreef over den misdadiger in het algemeen: „een in- gewikkeld wezen, zoowel biologisch en psychologisch als maatschappelijk'* en dat een bijna oneindig arbeids- veld nog te bewerken valt voor wy de zekerheid kmi- nen hebben dat onze rechtspraak ten volle zal beant- woorden aan den eisch eener hoogere rechtvaardigheid.
De maatschappelijke invloeden die op den misdadiger kunnen werken zijn ons over het algemeen bekend, wij kennen tot groote hoogte de verhoudingen die heerschen ook in de dessa en toch, hoe moeil\jk is het vaak de redenen na te sporen die tot het plegen van een misdryf aanleiding geven. By de behandeling eener strafzaak voor den Landraad te Soekaboemi -— 't gold het opstootje dat ten vorige jare had plaats gehad te Karang Ten- gah — was het geheele voorloopig onderzoek nipt vol- doende geweest om de ware oorzaak die tot dit opstootje geleid had te ontdekken en bleek eerst op de zitting hoe het onrechtmatig afleiden door een hoofd van water uit een gemeenschappelijke waterleiding de ware oorzaak was geweest. Men oordeele hoe vaak wellicht uit gebrek van kennis der maatschappij, gepaard aan onvolledig vooronderzoek, de ware oorzaken van mis- drijven zijn verborgen gebleven voor den rechter.
Eerst in de laatste jaren is meer licht opgegaan over de verwaarloozing der belangen van ouderlooze min- derjarigen die naar het heet aan de zorgen van familie- leden zijn toevertrouwd en ik zelf ben in de gelegen- heid geweest ervaring op te doen omtrent de oorzaak
37
van criminaliteit die hierin gelegen kan zijn, maar hoe- veel misdrijven tot groote hoogte uit deze en dergelijke redenen verklaard konden zqn, wie zal het zeggen?
Set grootste bezwaar voor de strafrechtspraak zal zeker echter blij ven de onvoldoende bekendheid met den psycho- logischen aard van den inlander. Tal van reeds gevoerde processen hebben daaromtrent veel aan het licht gebracht en met dankbaarheid mag vermeld worden wat in de Gelders werk als resultaat van een bestudeering der juris- prudentie is vermeld. Wij kennen hem eenigermate in zijn fanatisme, in zijn wantrouwen eenerzijds, in zijn buiten- gewone licbtgeloovigheid en kinderlijk vertrouwen ander- zijds; niettemin doen zich telkens gevallen voor die met recht de vraag doen rijzen of wij ooit wel ten volle de ziel van den Inlander zullen peilen. Toch is dit nood- zakelijk willen wij dat eenmaal onze rechtspraak aan hare roeping zal voldoen.
En waar ik om de zooeven aangevoerde reden spreek over Inlanders, mag ik toch ook niet nalaten te denken aan de andere bevolkingsklassen, aan die der Indo- Europeanen, der Chineezen, Arabieren enz. wier ziele- leven vaak voor den Europeeschen ambtenaar evenzeer een gesloten boek is.
Ik wijs hier op moeilijkheden die overwonnen moeten worden, moeilijkheden die zonder twijfel aan Indië eigen- aardig zijn, maar waar ik dat doe daar heb ik tevens een hooge en eigene roeping aangewezen voor hen die de wetenschap van het Indisch strafrecht beoefenen zoo- wel als voor hen die dat recht moeten toepassen in de praktijk.
Wanneer zal men er in slagen die moeilykheden te
38
overwinnen? Dan, naar het my voorkomt, als telkens meer mannen uitgaan naar Indië, wetenschappelijk onder- legd, doordrongen van de moderne Europeesche rechts- beginselen, bezield met warme toewyding voor het land tot welks bestuur zij geroepen zullen worden en voor het daar levende volk aan welks rechtspraak zij zullen moeten deelnemen en die weten — daarop komt bet aan — die weten, wat daar vooral het voorwerp hun- ner studie behoort te zijn, waarop zij al hun aandacht moeten vestigen om ten volle berekend te zijn voor hun taak.
Het Universitair onderwijs in het Nederlandsch-Indisch Strafrecht moet er op gericht om in dien zin onze ambte- naren gereed te maken voor de taak die hen wacht.
Mijne heeren Curatoren dezer Hoogeschool! Het is mij een aangename plicht U mijn dank te betuigen voor de onderscheiding mij van Uwentwege ten deel gevallen door de voordracht welke geleid heeft tot mijne benoeming tot hoogleeraar in de Hoofdtrekken van het hedendaagsch recht, het strafrecht en de straf- vordering van Nederlandsch-Indië. Ernstig heb ik ge- aarzeld alvorens mij tot de aanneming eener eventueele benoeming bereid, te verklaren uit vrees vooral dat de vele jaren, in den praktischen Indischen staatsdienst doorgebracht, my minder geschikt zouden hebben ge- maakt voor de richtige vervulling der hoogp taak die my zou wachten, voor de plaats welke ik in deze om- geving van hooge wetenschap zou hebben in te nemen.
Dat ik toch daartoe besloot spruit wel hieruit het
39
meest voort dat ik overtuigd ben door een goede be- kleeding van deze leerstoel mede te kunnen werken ten nutte van het land dat ik door lang verbluf en door mijn werkzaamheid in verschillende ambten heb leeren liefhebben.
De vluchtige beschouwingen die ik in. mijne rede aan een der vakken, waarin ik onderwijs zal hebben te geven heb gewijd, mogen althans hiervan U de over- tuiging hebben geschonken dat ik het gewicht daarvan zeker niet te laag stel, het wetenschappelijk onderwijs in het Indisch strafrecht inderdaad acht te zijn een voorwaarde voor de goede opleiding van Nederlands landsdienaren in het verre Oosten.
En nauwelijks behoef ik het te zeggen dat ik zeker niet minder van belang acht het onderwijs in de straf- rechtspleging en dat in het Indisch positief privaat- recht dat — zij het, wat het laatste betreft, in minderen omvang — mede door mij zal worden gegeven. Dat de omvang van ééne rede niet toeliet ook aan die vakken de aandacht te schenken die ze verdienen, zult Gij zeker begrijpen.
Ik verzoek u de betuiging te aanvaarden dat het mijn streven zal zyn de goede meening te rechtvaardigen die Gij getoond hebt omtrent mij te koesteren
Mijne heëren Hoogleeraren! Nauwelijks uit Indië hier aangekomen, heb ik al dadelijk van velen Uwer de meest hartelijke welwillendheid mogen ondervinden welke mij de intrede in de academische wereld, meer dan ik had durven hopen , heeft vergemakkelijkt. Daar- voor betuig ik U mijn hartelijken dank. Dringend
40
verzoek ik U irijj die welwillendheid ook verder niet te onthouden en my ook uwe vriendschap te willen schenken waar ik zoo ten volle bereid ben die mynent- wege te geven.
In het byzonder richt ik dit verzoek tot U, Hoog- leeraren der Juridische Faculteit. Waar het Indisch positief recht zoozeer op den bodem staat waarop het Nederlandsche is gegroeid, zal ik vaak boven en behalve uw vriendschap , ook uw raad en voorlichting behoeven by het moeilyk werk dat my wacht. Hartelijk hoop ik daarop te mogen rekenen.
En hetzelfde verzoek mag ik tot U richten Hoog- leeraren in de Indologische wetenschappen, met wie ik het een voorrecht acht te mogen samenwerken tot het onderricht van aanstaande landsdienaren in Indië. ü vooral gelde de verzekering dat ik myn best zal doen myn arbeid zich aan den uwen te doen paren tot het verkrijgen van een door ons allen na te streven einddoel.
Bij de vreugde die my heden bezielt is er één feit dat my teleurstelt n.1. dat ik onder U — voortaan mijne ambtgenooten — niet begroeten mag den hoog- leeraar Van Vollenhoven dien ik nimmer nog persoon- lijk ontmoette, maar tusschen wien en my toch door gemeenschap van ideeën omtrent Nederlands roeping in Indië en, dat voel ik, gemeenschap van ideaal, een gemeenschap die door herhaalde briefwisseling is ver- sterkt, een — naar ik hoop te mogen zeggen — hechte band is gelegd. Hartelyk hoop ik dat by zyne terug- komst uit het land dat ik pas verliet, persoonlijke kennismaking die band nog hechter moge maken.
41
Mijne heeren Studenten! Het is mij moeilijk mij voor te stellen dat ik nu voortaan mede als uw Wetenschappe- lijke voorganger zal moeten optreden, waar ik mij zoo- zeer bewust ben zelf nog zooveel te moeten leeren.
En veel liever stel ik m\j dan ook voor met u samen te mogen werken op het breede veld der wetenschap waarop wellicht myne practische ervaring my een voor- sprong zal geven die u nog ontbreekt.
In het bijzonder richt ik my tot u, candidaat-ambtenaren voor den Indischen administratieven dienst die meer recht- streeks m\jne leerlingen zullen zyn, al behoeft het bijna geen betoog dat ik ten volle bereid zal wezen ook anderen , voomamel\jk de aanstaande leden der Indische rechterlijke macht -^ waartoe ik zoo lang heb behoord en welker nooden en behoeften ik zoo ten volle ken — van voorlichting te dienen.
Laat ik u dit nog zeggen.
Nederlandsch-Indiê waaraan gy later uwe krachten zult gaan wijden en het volk van Indië missen nog zooveel wat westersche landen al sinds tal van eeuwen zijn deelachtig geworden. Veel is voor Indië gedaan, maar oneindig veel kan en moet daarvoor nog gedaan worden, en, al is het mogelijk dat gy my van een- zijdigheid zult verdenken, ik aarzel toch niet het uit te spreken dat ik het meest noodzakelyk acht Indië een recht te geven overeenkomstig zijn rechtsbehoefte en een rechtspraak die geen hooger doelwit kent dan de bevordering der ware gerechtigheid.
In SiE. John Stracheys standaardwerk dat ik zoo straks aanhaalde, worden vooraan de volgende regelen afgedrukt :
42
From out the simset pour'd an alien race Who fitted stone to stone again; and Truth Peace, Love and Justice came and dwelt therein.
Ik weet niet of die hooggestemde woorden wel volkomen gelden kunnen voor Britsch-Indië. Ik betw\jfel het, maar wel weet ik dat ze althans nog niet ten volle gelden voor Nederlandsch-Indië. De ware Gerechtigheid héerscht daar nog niet onbeperkt.
Maar wel weet ik ook dit : dat wanneer g^ en zij die na U zullen komen evenals zoovelen die u zijn voor- gegaan naar Indië vertrekt met het oprecht verlangen u aan dat land en zyn volk geheel toe te wijden, dat dan de Gerechtigheid daar eenmaal heerschen zal.
Moge mijn werken met u u daartoe kunnen opwekken.
Een laatste woord nog tot u mijn Vader! wien hier te mogen begroeten ik als een oneindig groot voorrecht beschouw evenals ik van U weet dat Gij gelukkig z\jt mij als hoogleeraar te mogen zien optreden aan de Academie die ook Uwe Alma Mater was, gelijk ze 't was voor zoovelen van ons geslacht, in de stad waar mijne moeder werd geboren.
Moge het ons gegeven zyn nog lange jaren te ge- nieten van elkanders bijzijn en moge myn verblijf en mijn arbeid in Nederland bijdragen tot vermeerdering uwer levensvreugde.
