ZEEBRIEVEN-EN SCHEEPSPASSENORDONNANTIE
ZEEBRIEVEN-EN SCHEEPSPASSENORDONNANTIE 1935. 1419 dring en 7 (2) Niet nakoming van de verplichting bedoeld bij de artt. 14, lid 2, 15, 16 lid 5, 19 lid 3 en 22 wordt gestraft met geldboete van ten hoogste duizend gulden.
(3) Indien de in het vorige lid bedoelde strafbare feiten worden begaan door of vanwege een rechtspersoon, wordt de strafvervolging ingesteld en de straf uitgesproken tegen de bestuurders en commissarissen.
(4) De in dit art. strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als over: treding.
Artt. II, V en VI van de ord. in S. 38-48 bevatten wijzigingen in de Overschrijvingsord., het reglement op de rechtsvordering en het wetb- v. strafrecht, die ter plaatse zijn aangebracht. Voorts bevat deze ord. nog de volgende artt. en overgangsbepalingen :
Artikel III.
Buiten werking worden gesteld de bepalingen van de artt. 30 en 48 en van het derde hoofdstuk van de bepalingen omtrent de invoering vanenden overgang tot de nieuwe wetgeving, afgekondigd bij publi- catie van 3 Maart 1848 (S. No. 10), voor zoover die betrekking hebben op den eigendomsovergang en inschrijving van en vestiging en doorhaling van hypotheken op schepen, mitsgaders op deinbeslagneming van schepen
Artikel IV.
De ordonnanties van 19 Dec. 1911 (S. No. 661), 14 April 1913 (S. No. 327), 12 Nov. 1913 (S. No. 646) — zooals de laatste is gewijzigd bij de ord. van 22 Juni 1915 (S. No. 425) — 3 Sept. 1917 (S. No. 543), 29 Aug. 1918 (S. No. 613) en 23 Juli 1924 (S. No. 334) worden ingetrokken. ~
ZEEBRIEVEN- EN SCHEEPSPASSENORDONNANTIE 1935. (Ord. van 10 Oct. 1935.) S. 35—492 jo. 565. (iwg. 1 Dec. 1935.) Afkortingen : ;
Z. en S. besl. of Zeebr. voor Zeebrieven- en Scheepspassenbesl. 1934 ; S. 34—78 jo. 35—565.
Z. en S. ord. voor Zeebrieven- en Scheepspassenord. 1935.
Z. en S. verord. voor Zeebrieven- en Scheepspassenverord. 1935 ; S. 35-564 jo. 565.
Consid. Dat Hij, ingevolge art. 15 van het Zeebrieven- en Scheepspas. senbesluit 1934 (N.S. 1933 No. 630, I.S. 1934 No. 78, jo. N.S. 1935 No. 25 en I.S. 1935 No. 89), nadere regelen willende vaststellen, welke met betrekking tot de nationaliteitsbewijzen van Indonesische schepen nog noodig zijn nevens het in genoemd besluit bepaalde ; enz.
Artikel I.
Met intrekking van de ordonnantie van 1 Mei 1915 (S. No. 342), zooals die laatstelijk is gewijzigd bij de ordonnantie van 11 Mei 1927 (S. No. 211), vast te stellen de volgende regeling, welke kan worden aangehaald als »,Zeebrieven- en Shee ERO met vermelding van den jaargang van het Staatsblad, waarin zij is geplaatst.
Art. 1. (1) De in deze ordonnantie gebezigde uitdrukkingen „„zee’’, eee Le zeeschip!’ en ,,kapitein’’ hebben dezelfde beteekenis als in het Zeebrieven-.en Scheepspassenbesluit 1934.
4 (2) In deze ordonnantie wordt verstaan onder „zeevissc her s- vaartuig’: een zeeschip uitsluitend gebezigd voor het vangen of bemachtigen van visch of andere zeevoortbrengselen, en /of het vervoeren daarvan en van al het benoodigde bij de uitoefening van het bedrijf, tenzij het schip een grootte heeft van 100 of meer m® bruto inhoud en tevens is voorzien van een mechanisch middel tot voortbeweging ;
1420 ZEEBRIEVEN-EN SCHEEPSPASSENORDONNANTIE 1935.
he a a »pleiziervaartuig’’: een zeeschip, ingeschreven bij een wettig
erkende roei-, motor- of zeilvereeniging, en uitsluitend als pl eiziervaartuig
gebezigd ;
„havenmeester: een beroepshavenmeester en een als haven- meester dienstdoende ambtenaar ;
»beroepshavenmeeste r’’: een landsdienaar die het ambt van havenmeester als hoofdbetrekking bekleedt ;
„zelfstandige gebiedsdeelen”’: locale ressorten, provin- ciën en binnen provinciën op den voet van art. 121 der Indische Staats- regeling aangewezen zelfstandige gemeenschappen.
- (1) De kapiteins van alle vaartuigen, met uitzondering van vaartui- gen in dienst van het Rijk, het Land, zelfstandige gebiedsdeelen of zelf- besturende landschappen, oorlogsschepen voerende de vlag eener vreemde mogendheid, en vaartuigen van minder dan een bij regeeringsverordening aan te geven bruto inhoud met een maximum van 5 m*, thuis behoorende in de daarbij aan te wijzen gebiedsdeelen zijn desgevraagd gehouden na aankomst uit zee en vóór vertrek naar zee, een zeebrief, scheepspas, of ander bewijs van nationaliteit te vertoonen aan de daartoe bij regeerings- verordening aan te wijzen ambtenaren. (Z. en S. verord. la.)
(2) By gemis van dergelijken zeebrief, scheepspas, of bewijs van natio- naliteit is het den kapitein verboden met zijn vaartuig naar zee te gaan ; voorzoover noodig wordt door de in het vorig lid bedoelde ambtenaren het vaartuig belet te vertrekken, totdat het vereischte stuk is overgelegd. (Z. en S. ord. 16 ; Z. en S. verord. 2.)
- (1) Zeebrieven worden verleend voor zeeschepen van 500 of meer m? bruto inhoud, welke niet zijn zeevisschersvaartuig of pleiziervaartuig.
ei Delzebucyen worden door den Gouverneur-Generaal voor onbe- paalden tijd verleend, en opgemaakt volgens een bij regeeri i vast te stellen model. (Z. en S. verord. 6v.) ee aes) gee
- (1) Scheepspassen worden verleend voor zeesche zeebrief wordt verleend ; zij worden onderscheiden in : ERR aa
a, ,,jaarpassen”’ : voor schepen van 20 of meer, doch minder dan 500 m? ae noe welke niet zijn zeevisschersvaartuig of pleiziervaartuig ;
. »Kleine passen’’: voor schepen van minder dan 20 m$ bruto inhoud, en voor zeevisschersvaartuigen en pleiziervaartuigen. oe) Scheer worden verleend door bij of krachtens regeerings-
erordening aan te wijzen ambtenaren, en 0 k bij e eae vast te stellen modellen. Dea mae oe gcse
(3) Jaarpassen worden voor ten hoogste één j ] ; er bij renee Baran en, An
Jaarpas langer dan een jaar, d ijfti c zal zijn. (Z. en S. verord. By.) eeen geldig
(4) Kleine passen worden voor onbepaalden tij AS t jaarlijks worden afgeteekend (Geviscont) op es aay atone bepalen wijze. (Z. en S. verord. 19v ) 2 EENS
- (1) (Gew. S. 37-591 ; 381, 2.) Bij
5 5: J; d6—I, 2.) By het ter bekoming van een zee- aia eersten Jaarpas in te dienen verzoekschrift EER over:
a. een schriftelijke verklaring, opgemaak =: : dening vast te stellen model, peat blijkt ae coe NIE ane Pale eae gesteld bij art. 2 van het Zeebrieven- a Raliconepassen
é „en waarin wordt verklaard dat het schip ni oorlog is ùitgerust, noohtin'etri het schip niet op voet van zoe yen oorlog zal uitgerust den AE De CE
- de grosse dan wel Evan Nea a nf vartange i on eee van ge akte van in- of overschrijving Ce ee » die cebriet of jaarpas aanvraagt, tenzij voor
genaar niet geldt de Regeling van de teb i Bebel o8d No! dente sin sevalecctttiner Keone ee ten genoege van den ezas hepbends di het oa ae vevelg andor moet worden overselasa: ©, dle het nationaliteitsbewijs verleent,
ZEEBRIEVEN-EN SCHEEPSPASSENORDONNANTIE 1935. 1421
c. de meetbrief van het schip. (Z. en S. ord. 9; Z. en S. verord. 6v., 14.)
(2) De in het vorige lid sub a bedoelde verklaring wordt afgelegd door den eigenaar, door iederen medeéigenaar of door den boekhouder, naar gelang het schip toebehoort aan één persoon, aan meer personen, of aan een reederij waarin een boekhouder is aangesteld ; wanneer eigenaar of medeëigenaar is een in het Koninkrijk gevestigde vennootschap onder een firma, een commanditaire vennootschap, een naamlooze vennootschap, een rechtspersoonlijkheid bezittende vereeniging of eene stichting, dan wordt bedoelde verklaring voor dezen afgelegd onderscheidenlijk door een der beheerende vennooten, of door een der bestuurders. Is de eigenaar of medeëigenaar níet in Indonesië gevestigd, dan wordt de verklaring afge- legd door den vertegenwoordiger in Indonesië. (Bw. 1690v.; K. l5v., 36v., 320v., 327 ; S. 19-27, bl. 857 ; S. 70-64, bl. 860 ; S. 33—108, bl. 862.)
(3) (Toeg. S. 37—591.) Bij gebreke van een akte van in- of overschrijving als bedoeld in het eerste lid onder b kan, door de bij regeeringsverordening aangewezen gezaghebbenden, in bijzondere gevallen worden toegestaan, dat een ander bewijs van gerechtigheid wordt overgelegd.
Wanneer de voor het bekomen van een zeebrief of eersten jaarpas benoodigde stukken in orde zijn bevonden, wordt, behoudens in de gevallen bedoeld in art. 8 van het Zeebrieven- en Scheepspassenbesluit 1934, de zeebrief of eerste jaarpas verleend, doch niet dan nadat door belangheb- bende, voorzoover het een zeebrief betreft, in ’s Lands kas is gestort het daarvoor verschuldigd bedrag, zijnde een twaalfde van het in het eerste lid van het volgend art. genoemde bedrag voor elke nog niet verstreken maand van het loopende jaar, gerekend van en met de maand waarin de zeebrief wordt verleend, dan wel, voorzoover het een eerste jaarpas betreft, het verschuldigde zegelrecht is voldaan. CENT ON
(1) Voor schepen, waarvoor zeebrieven zijn verleend, moet jaarlijks in de maand Januari opnieuw door een der in het tweede lid van art. 5 genoemde personen eene verklaring, als bedoeld in art. 5, eerste lid, sub a, worden ingediend, na storting in ’s Lands kas van een bedrag van drie cent per kubieken meter bruto inhoud van het schip volgens den meet- brief. Heeft bedoelde storting en de indiening van bedoelde verklaring niet tijdig plaats, dan vervalt de zeebrief.
(2) Door of namens den Gouverneur-Generaal kan in bijzondere geval- len, voor ten hoogste drie maanden, uitstel worden verleend van het be- paalde in het vorige lid. u
(3) Bij regeeringsverordening kan worden bepaald dat in de daarbij aan te geven gevallen ook terzake van de vernieuwing van een jaarpas de in het eerste lid bepaalde verklaring wordt gevorderd. (Z. en S. ord. 164; Z. en S. verord. 18.) ; erder
(Gew. S. 37—591.) Na de ontvangst van een aanvraag van een klei- nen pas wordt door de ambtenaren, tot wie belanghebbenden zich krach- tens het bepaalde in art. 9 ter bekoming van zulk een pas moeten wenden, onderzocht of het vaartuig voldoet aan de voorwaarden gesteld bij art. 2 van het Zeebrieven- en Scheepspassenbesluit 1934; voorzoover het cèn vaartuig betreft metende 20 of meer m® bruto inhoud vindt bij de aan- vraag het bepaalde in de leden 1 sub ben 3 van art. 5 overeenkomstige toepassing. ; Hebi :
Bij regeeringsverordening wordt bepaald tot wien de belanghebben- den zich met het verzoek tot bekoming van een zeebrief of scheepspas heb- ben te wenden, de wijze waarop de aanvraag moet geschieden, de beschel- den of gegevens welke naast die, reeds in deze ordonnantie genoemd, bij de aanvraag moeten worden overgelegd of verstrekt, en wat daarbij Zoo door belanghebbenden als door de betrokken ambtenaren, nevens het in deze ordonnantie bepaalde, moet worden in acht genomen. (Z. en S. verord. 6v., I4v.) * , e oy ate
( ty Tndien de voor het bekomen van een zeebrief of eersten jaarpas bij en krachtens deze ordonnantie gevorderde stukken in orde zijn bevon- den, kan, hangende de beslissing daarop van den gezaghebbende die den
1422 ZEEBRIEVEN-EN SCHEEPSPASSENORDONNANTIE 1935. nn zeebrief of jaarpas-verleent, ten behoeve van het betrokken vaartuig eene schriftelijke vergunning worden verleend voor het maken van ecn of meer reizen of het varen gedurende een in de vergunning aan te geven tijd, drie maanden niet te boven gaande, tusschen de in de vergunning te vermelden havens. - Fi (2) Een schriftelijke vergunning als bedoeld in art, 6, lid 4, van het Zeebrieven- en Scheepspassenbesluit 1934 wordt voor geen langeren ter- mijn dan drie maanden verleend ; voor een enkele rcis naar een andere plaats in Indonesié kan een vergunning als in dat artikellid bedoeld slechts worden verleend om het vaartuig aldaar te bezigen als binnenschip, te meten, te leveren, te herstellen, te sloopen, of van een ander bewijs van nationaliteit te voorzien. ee
(3) Bij regeeringsverordening worden de gezaghebbenden: aangewezen, bevoegd tot het verleenen van de vergunningen in het eerste lid bedoeld, en de modellen vastgesteld, volgens welke de vergunningen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden opgemaakt. (Z. en S. verord. 9, 16.)
(4) Wanneer misbruik is) gemaakt of, het vermoeden bestaat, dat mis- bruik zal worden gemaakt van eene vergunning als in dit art. bedoeld, kan die vergunning terstond buiten werking worden gesteld door een ge- zaghebbende, voor het verleenen van dergelijke vergunningen aangewezen.
- (1) Het is den kapitein verboden van eenigen zeebrief, jaarpas of tijdelijk voor zeebrief of jaarpas in de plaats tredende vergunning gebruik te maken, indien deze niet tevoren door hem in tegenwoordigheid van den havenmeester ter ligplaats van het schip, of wel, wanneer het schip zich buiten Indonesië bevindt, den Nederlandschen of kolonialen ambtenaar met de in- en uitklaring belast, of een Nederlandschen consulairen ambte- naar, van zijn gewone onderteekening is voorzien, en deze onderteekening niet door bedoelden ambtenaar is bekrachtigd. (Z. en S. ord. 16.)
(2) Het bepaalde in het eerste lid is bij, tijdelijke of definitieve vervan- ging van den kapitein mede van toepassing op diens vervanger. (K. 341d; Zen S. ord. 16.)
(3) Door den in het vorige lid bedoelden vervanger of door een der in het tweede lid van art. 5 dezer ordonnantje bedoelde personen, moet van: de vervanging mededeeling worden gedaan aan den krachtens het eerste lid bevoegden ambtenaar ter plaatse waar die vervanging geschiedt of, bij ontstentenis aldaar van een ambtenaar als bedoeld, op de eerstvolgende plaats, welke na de vervanging wordt bezocht, waar zulk een ambtenaar bescheiden is. (Z. en S. ord. 16.) yn a
(4). In buitengewone gevallen kunnen uitzonderingen op de bepalingen van het eerste en tweede lid worden toegestaan door den gezaghebbende, die den zeebrief, jaarpas of vergunning verleent ; en ten aanzien van een jaarpas of vergunning mede door den gezaghebbende die het betreffende stuk uitreikt. cf: 4
(5) Kleine passen worden vóór het gebruik onderteekend en bekrachtigd op de wijze als bij regeeringsverordening zal worden bepaald. (Z. en S.. verord. 19.) ; ¥ a ; ij
Zeebrieven en,scheepspassen, zoomede schriftelijke vergunningen, waaraan het recht ontleend wordt de Nederlandsche vlag te voeren, moe- ten op zee steeds aan boord aanwezig zijn. De kapitein van een schip waarvoor een zecbrief, jaarpas of schriftelijke vergunning is verleend en de eigenaar of, indien deze nict aan boord aanwezig is, de gebruiker van een schip, waarvoor een kleine pas is verleend, zijn. verplicht voor de nale- ving van dit voorschrift zorg te dragen. (K. 347 ; Z. en S. ord. 16.)
(1) Indien na het verleenen van den zeebrief of scheepspas het schip van eigenaar verandert, de zeebrief of scheepspas op grond van het bepaalde in art. 9 van het Zeebrieven- en Scheepspassenbesluit 1934 vervalt, of de inhoud van het schip dan wel een der kenmerken ervan, welke voorkomen in de beschrijving van het schip in den zecbrief of sohecpspas, wijziging ondergaan, moet daarvan aan de bij regeeringsyer-, ordening aangewezen, gezaghebbenden binnen een daarbij te bepalen
ZEEBRIEVEN-EN SCHEEPSPASSENORDONNANTIE 1935. 1423 SS eee termijn mededeeling worden gedaan, bij eigendomsovergang door den nieuwen eigenaar of voor dezen door een der in het tweede lid van art. 5 genoemde personen, overigens door de bij regeeringsverordening aan te wijzen personen. (Z. en S. ord. 16.)
(2) (Gew. S. 87-591.) Ten aanzien van schepen van 20 of meer m®
bruto inhoud vindt bij de in het vorige lid bedoelde mededeeling, voorzoo: ver die betreft den eigendomsovergang van het schip, het bepaalde in de leden 1 sub 6 en 3 van art. 5 overeenkomstige toepassing en moet voor: zoover die betreft de verandering van den inhoud van het schip, de nieuwe meetbrief worden overgelegd.
- (3) Bij eigendomsovergang, en bij verandering van den inhoud of een der kenmerken, als in het eerste lid bedoeld, van schepen, waarvoor een zeebrief is verleend, wordt, tegen intrekking van den ouden zeebrief, en na betaling van het verschuldigd zegelrecht ad f 1.50, een nieuwe zeebrief verleend.
(4) Van eigendomsovergang van het schip, zoomede van de verandering: van den inhoud of een der kenmerken, als in het eerste lid bedoeld, van schepen, waarvoor een scheepspas is verleend, wordt op den scheepspas aanteekening gehouden door de in het eerste lid bedoelde gezaghebbenden. (Z. en S. verord. 10, 17.)
- (1) Op schepen, waarvoor zeebrieven of jaarpassen zijn verleend, moet door de zorg van den kapitein met duidelijke, goed zichtbaro let- ters aan weerskanten op de buitenhuid van het voorschip de naam van het schip als genoemd in den zeebrief of jaarpas zijn vermeld, zoo- mede op de buitenhuid van het achterschip de naam van het schip en de plaats in Indonesië waar de eigenaar of diens vertegenwoor- diger woont of waar het bestuur, bedoeld in het vijfde lid van art. 2 van het Zeebrieven- en Scheepspassenbesluit 1934, over het schip wordt gevoerd. (Zen S. verord. 4): Dh Ie
(2) Bij regeeringsverordening worden voorschriften vastgesteld met betrekking tot de merken, waarvan de vaartuigen moeten zijn voorzien, waarvoor kleine passen zijn verleend, en met betrekking tot het aanbren- gen van bedoelde merken op die vaartuigen. (Z. en S. ord. 16; Z. en S- verord. 21.)
- (1) Bij regeeringsverordening worden de gezaghebbenden als bedoeld in art. 10, tweede lid van het Zeebrieven- en Scheepspassenbesluit 1934 aangewezen, aan wie vervallen nationaliteitsbewijzen moeten wor- den opgezonden. (Z. en S. verord. 9%, 10, 16%, 172.) :
(2) De Gouverneur-Generaal en de bij regeeringsverordening aan te wijzen gezaghebbenden zijn bevoegd om, onder daarbij vast te stellen voor- waarden, geheel of gedeeltelijk vrijstelling te verleenen van het bepaalde in het eerste lid van art. 12 van het Zeebrieven- en Scheepspassenbesluit. 1934. (Z.en§. verord.5.) ; . fe
- (1) Overtreding yan het bepaalde bij de artt. 2, tweede lid, 11, eerste, tweede en derde lid, 12, 13, eerste lid en 14, eerste lid wordt, voor- zoover het schepen betreft waarvoor zeebrieven en jaarpassen worden verleend, se met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geld- boete van ten hoogste vijfhonderd gulden. — te yrs
(2) Overtreding van het bepaalde bij de artt. 2, tweede lid, 12 en 13, eerste lid wordt, voorzoover het schepen betreft, waarvoor kleine peen worden verleend, gestraft mek heehienig van ten hoogste drie weken of eldboete van ten hoogste vijftig gulden. __ er es : (3) Hij die zonder daartoe bevoegd te zijn, de naam of merken, bedoeld in art. 14, aangebracht op een schip, wijzigt of onleesbaar maakt, wordt gestraft met hechvenia van, ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste vijfhonderd en. | Hike aly ti ry
(4) Hij die een schriftelijke verklaring als bedoeld in art. 5, eerste lid,
sub a, of art. 7, eerste en derde lid, overlegt van welke hij weet dat de inhoud niet geheel overeenkomstig de waarheid is, wordt gestraft met, gevangenisstraf van ten hoogste 5 jaar.
