Teritoriale Zee En Maritieme Kringen-Ordonnantie 1939
46 TERRITORIALE ZEE EN MARITIEME KRINGEN-ORDONNANTIE 1939
geregelde onderwerpen vindt men thans achtereenvolgens in Sw. 77, 78; Sw. 8-9 en Sw. 76. ;
35, Niemand mag in hechtenis worden genomen dan op bevel van het daartoe, ingevolge de wettelijke bepalingen op de strafvordering, bevoegd gezag, en op den voet en de wijze bij die bepalingen omschreven. (ISR. 141; AB. 36.) : é É
- Het bepaalde bij de artt. 26 en 35 maakt geene inbreuk op de be: voegdheid van den Gouverneur-Generaal tot het nemen van zoodanige politieke maatregelen van bedwang en voorzorg, als waartoe hij door den Koning is of zal worden gomagtigd. (ISR. 35v.)
SLOTBEPALINGEN.
37, Wanneer de Gouverneur-Generaal de wijziging of opheffing ecner van den Koning uitgegane wettelijke bepaling noodig oordeelt, zal hij daar- toe kunnen overgaan, doch niet anders, dan onder ’s Konings nadere goedkeuring, behoudens de bijzondere gevallen, waarin de bevoegdheid tot wijzigingrof opheffing -uitdrukkelijk~aan~den™ Gouverneur-Generaal is opgedragen. (ISR. 92v.)
De aldus door den Gouverneur-Generaal, onder ’s Konings nadere goed- keuring, vastgestelde bepalingen, hebben inmiddels in Indonesië kracht van wet, tot dat hare intrekking, op de bij art. 1 omschreven wijze, door afkondiging is openbaar gemaakt. (ISR. 94.)
Territoriale zee en maritieme kringen-ordonnantie 1939. (Ord. v.18 Aug. 1939.) S: 39-442. (ig. 25 Sept. 1939.) (Cf. bijlagen) handelingen Volksr. ziltingsj. 1939-1940, onderw. 3.)
„ Consid. Dat Hij, in verband met eenige nader noodig gebleken voor- zieningen ter handhaving van de orde en veiligheid in het Indonesisch
geegebied, de, desbetreffende voorschriften opnieuw willende vaststel- len ; enz.
Art. I. Met intrekking van de „Territorlale zee e; ariti sTi u ordenende, vastgesteld bij art. I sub c (lees : art. DAA Erben ie Ae 5 (8. No. 497), zooals deze is Bewijzigd bij de ord. van 3 Mei 28 G No: eo vast te stellen de volgende regeling, welke kan worden
nee ea 5 vin ereltorlale zee en maritieme kringenordonnantie 1939”. gestelde voorschrifte. pions, van de bij art. I ingetrokken regeling vast: gestel deon bn REGN pefoudens, uitdrukkelijico intrekking over-
d ling nm deze ordonnantie, van k . ae Danen vijf jaren vóór de inwerkingtreding Eerd Kehl Xe oe ae. Reen ek geacht op den voet der bepalingen bij de inwerkingtreding ee aes de overige vergunningen komen Art, III. Overal waar in wettelijke be
schrift OY GaSe palingen en administratieve voor: Van deze ordonnantie made con go, ei oogenblik van het in werking treden zee en maritieme kri ö er artt, Len 8 t/m 14 van de „Territoriale
het > 0. 497) wordt verwezen, en ghanitieme kingen ordonnantie emee art. van de „Territoriale zee oe ae ae otbepaling. Deze ordonnantie treedt in werking
met ingang van di oe 7 26 dug. 1939, “Cn dertigsten dag na dien harer afkondiging. ( Afek.
Art. 1, (1) In dez ing en i voorschriften ate geel en in de krachtens haar uit te vaardigen
eae n onder :
- Ndonesische torritori
1g het zeegebicd, dat zich z, eeen drie zeemijlen van d
gebied behoorende eiland, dn len of d en mede verstaan de rotsen, riffen of banken, welke bij laagsten water-
stand ij ener ctor an eeens Zijn op ten hoogste drio zeemijlen van de
tot het Indonesisch grondgebied behoorende eilan-
re ee
TERRITORIALE ZEE EN MARITIME KRINGEN-ORDONNANTIE J939. 47
den of gedeelten van eilanden ; met dien verstande, dat:
A. ter plaatse van cen baai, zeearm, rivier- of kanaalmonding, waarvan Indonesië de eenige oeverstaat is, die afstand van drie zeemijlen wordt gemeten van cen rechte lijn af, dwars door de opening van zulk een baai, zeearm, rivier- of kanaalmonding getrokken ; indien bedoelde opening tien zeemijlen overschrijdt, zal die lijn wor: den getrokken dwars door de baai, zeearm, rivier- of kanaalmonding, zoo dicht mogelijk bij den ingang op het eerste punt waar de opening tien zeemijlen niet overschrijdt ;
B. ter plaatse van een groep van twee of meer eilanden, die afstand van drie zeemijlen, wordt gemeten van de rechte lijnen af die de uiterste punten verbinden van de laagwaterlijnen van de eilanden aan den buitenkant der groep, ter plaatse waar de afstand tusschen die punten zes mijlen niet overschrijdt ;
C. ter plaatse van een zeestraat, die twee open zeeën verbindt en waar- van Indonesië-de-eenige-oeverstaatris;als territoriale zee zal worden beschouwd het gedeelte der straat gelegen tusschen twee lijnen, welke aan weerszijden van de straat de beide oevers verbinden, zoo dicht mogelijk bij de open zee, op het eerste punt waar de breedte der straat zes zeemijlen niet overschrijdt, ook al heeft tusschen die beide lijnen de straat elders een grootere breedte ;
D. ter plaatse van een twee open zeeën verbindende zeestraat, die niet breeder is dan zes zeemijlen, en waarvan Indonesië niet is de eenige oeverstaat, de scheidingslijn tusschen de territoriale zee van Indo- nesië en van den vreomden staat getrokken zal worden over het midden van de straat;
II. het zeegebied, gelegen aan do zeezijde van het onder I omschreven zeegebied, doch binnen vastgestelde reedegrenzen ;
2 Indonesisch zeegebied (territoriale wateren). de Indonesische territoriale zee, benevens het aan de landzijde van de: territoriale zee gelegen gedeelte van :
a. de kustzee ; ‘
b. het watergebied van baaien, zeearmen, rivier- en kanaalmondingen ;
Indonesische binnenwateren: alle wateren gelegen aan de landzijde van de Indonesische territoriale zee, met name ook alle rivieren, kanalen, meren en plassen binnen Indonesië :
Indonesisch watergebied: de Indonesische territoriale zee benevens de Indonesische binnenwateren ;
Maritieme kringen: de als zoodanig door den Gouverneur- Generaal aangewezen of-aansterwijzen gedeelten van het Indonesisch watergebied, (S. 41622.)
(2) De zeemijlen, in het vorige lid“bedoeld, zijn die van zestig in een breedtegraad.
- (1) In deze regeling en de krachtens haar uit te vaardigen voor- schriften wordt verstaan onder ,,visschen’’ of ,,de visscherij uitoefenen”:
a. het verrichten in het algemeen van eenige handeling welke direot. of indirect gericht is op het verzamelen, bemachtigen of dooden van voortbrengselen van de zee ;
b. het in een maritiemen kring door een vaartuig aan boord nemen van visch of andere voortbrengselen van de zee van een ander vaar- tuig, tenzij die zeeproducten dienen tot eigen gebruik van de opvarenden van het eerstbedoelde vaartuig, zoomede het aldaar door een vaartuig verrichten van eenige andere handeling welke ten doel heeft de uitoefe- ning van de visscherij met behulp van een ander vaartuig mogelijk te maken of te vergemakkelijken ;
c. het door natuurlijke of rechtspersonen, vennootschappen onder een firma of bij wijze van geldschieting, maatschappen en reederijen te hunnen behoeve of voor hunne rekening doen verrichten van de in lid (1) sub a en 6 van dit art. bedoelde handelingen door derden.
48 TERRITORIALE ZEE EN MARITIEME KRINGEN-ORDONNANTIE 1939,
(2) Onverminderd het bepaalde bij lid (3) van dit art. worden de in het vorige lid sub b bedoelde verrichtingen niet als visscherij beschouwd indien zij geschieden :
a. voorzoover betreft schepen en vaartuigen voerende de vlag van een staat met welken het Koninkrijk der Nederlanden in vriendschap is, binnen de reedegrenzen van een zeehaven alsmede binnen de reedegrenzen van een kustplaats, welke ingevolge de „Indische Scheepvaartwet 1936” (S. No. 700) voor het betreffende schip openstaat dan wel — deze reede- grenzen niet vastgesteld zijnde — op de gebruikelijke reeden dier zee- havens en kustplaatsen ;
b. voor zoover betreft vaartuigen onder Nederlandsche vlag op de sub a bedoelde reeden, zoomede binnen de reedegrenzen dan wel — deze niet vastgesteld zijnde — op de gebruikelijke reede van een kustplaats alwaar een (hulp)tolkantoor gevestigd is of (buiten het tolgebied) een ambtenaar van het Binnenlandsch Bestuur of een (dienstdoend) haven meester is bescheiden.
- Door of namens den Commandant der Zeemacht kunnen in een maritiemen kring zeehwvens en kustplaatsen worden aangewezen, waar de in lid (1) sub b van dit art. bedoelde verrichtingen slechts dan inge- volge het vorige lid niet als visscherij worden beschouwd, indien zij plaats vinden op een door den betrokken havenmeester aan te geven ligplaats ter reede.
Behoudens het bepaalde in de-artt. 4 en 5 is de uitoefenine van de visscherij in maritieme kringen verboden: %
(1) De visscherij mag in maritieme kringen worden uitgeoefend door hen, die behooren tot de Indonesische bevolking,
(2) Voor zoover bij die uitoefening der visscherij van vaartuigen wordt
gebruik gemaakt, mogen daarvoor slechts worden gebezigd. vaartuigen onder Nederlandsche vlag en waarvan alle opvarenden behooren tot de Indonesische: bevolking.
- (3) Door of namens den Commandantder Zeemacht kan in bijzondere gevallen, desgewenscht onder daarbij té-stellen voorwaarden, geheele of gedeeltelijke vrijstelling van de in het vorige lid gestelde vereischten worden „verleend, Dente
- (1) Door of namens den Commandant der Zeemacht kan aan Neder- Tn ations Laney VR tot de tof van de visscher aietieven niet EN n verleend, indien maritime belangen zich ee eek pero die geen Nederlandsch onderdaan zijn, of
paringen “voor Wuropéanen” vallende rechtspersonen, vennootschappen onder een firma of by-wijze van geldschietine, maat- schappijen of reederijen kan door of namens den Command ‘a Ze macht onde hetzelfde voorbehoud slechts in de volgende Bevallen a fae vag de uitoefening van de visscherij in maritieme kringen wor-
le. wanneer zij, op wie het verbod, b i de, ud op Ww: À » bedoeld in art. 3 S- ane is, de visscherij bij de inwerkingtreding dezer eaten Ze EEn eae ae de vergunning tot de uitoefening van de € gd, als rechtmatig beroe if) ui ; 2 Pp (bedrijf) uitoefenen ; de Banker Reede er bestaat, dat de ER alleen ten ee ppelijke doeleinden of bij wijze van tijdverdrijf 3e, wanneer de bel; i rene belangen. van de Indonesische bevolking door het i le ver, i 6 Sunning wordt verleend aan de or wiens rekening de Visscherij zal worden uit- aar en vervalt vanrechtswege bepaalde in het volgende lid. Been sbehomen et
We
TERRITORIALE ZEE EN MARITIEME KRINGEN-ORDONNANTIE 1939, 49
(3) Bij overlijden van den vergunninghouder zijn diens erven of rechtverkrijgenden bevoegd de visscherij alsnog krachtens de aan den overledene verleende vergunning gedurende ten hoogste drie maanden, gerekend van den datum van overlijden, voort te zetten.
(4) De vergunning wordt verleend voor ten hoogste vijf jaren doch kan binnen dien termijn te allen tijde door of namens den Commandant der Zeemacht zonder opgave van redenen worden ingetrokken.
(5) Zij is, indien de viss herij door middel van (een) schip (schepen) of vaartuig(en) wordt uitgeoefend, slechts geldig voor het (de) in de vergunning aangegeven schip (schepen) of vaartuig(en).
(6) Aan de vergunning kunnen bepaalde voorwaarden worden verbonden.
6, (1) Ten bewijze dat een vergunning, als in art. 5, lid (1) bedoeld, is verleend, wordt een vergunningsbewijs uitgereikt volgens een door den Commandant der Zeemacht vast te stellen model.
(2) In het vergunningsbewijs worden vermeld:
ten name van wien en de duur waarvoor de vergunning is verleend ;
indien de vergunning voorwaardelijk, is-verleend + de voorwaar- den, welke bij die verleening zijn gesteld ; x
c. indien de visscherij door middel van (een) schip (schepen) of vaar- tuig(en) wordt uitgeoefend: het (de) schip (schepen) of vaartuig(en) waarop de vergunning betrekking heeft ;
d. indien de visscherij niet door middel van (een) schip (schepen) of vaartuig(en) wordt uitgeoefend : de wijze van uitoefening dier visscherij.
- (1) De gezagvoerder van een schip of vaartuig, of degene die als zoodanig optreedt, is, behoudens het bepaalde in lid (2) van dit art. verplicht:
a. zorg te) dragen dat een geldig vergunningsbewijs als bedoeld in art. 6, lid (1), hetwelk op zijn schij of vaartuig betrekking heeft, zich steeds aan boord daarvan bevindt ;
b. zoodanig bewijs, op verlangen'van-de in het algemeen of bij dan wel krachtens deze ordonnantie*met»de opsporing van strafbare feiten be- laste personen, te toonen:
(2) Het bepaalde in lid (1) van dit art. is niet van toepassing ten aan- zien van den gezagvoerder van een schip of vaartuig, waarmede de visscherij wordt uitgeoefend voor rekening of ten behoeve van een, door den Commandant der Zeomacht aangewezen persoon’ of instelling aan wien of aan welko.een vergunning als bedoeld in art. 5; lid (1) is verleend.
- (1) De Commandant der Zeemacht is bevoegd om de uitoefening van de visscherij door hen, die daartoe ingevolgorde artt. 4 en 5 gerech: tigd zijn, in maritieme kringenvof gedeelten daarvan te verbieden of te beperken, alsook om in maritieme kringen of gedeelten daarvan de scheepvaart te verbieden of te beperken.
(2) Maatregelen, als in het vorige lid bedoeld, worden bekendgemaakt
in de Javasche Courant.
- (1) Het is verboden om zonder een door of namens den Comman- dant der Zeemacht verleende vergunning of opdrasht :
a. landverkenningen uit te voeren of hydrograbsche opnemingen te verrichten in het Indonesisch watergebied ;
b. te teekenen of te fotografeeren binnen maritiem» kringen of aldus te teekenen of te fotografeeren, dat een maritieme kring of een gedeelte daarvan op de teekening of de foto komt; =
€. gegevens of aanwijzingen te verzamelen, welke op ven maritiemen kring betrekking hebben en welke voor de defensie van lelang kunnen zijn ;
d. in maritieme kringen — buiten de watervlakken, wolke krach- tens art. 4 van het ,,Luchtvaartbesluit 1932” (S. 1938 No. 118) voor de luchtvaart gesloten zijn of zullen worden — met een vliegtuig, hetwelk noch behoort tot de Koninklijke Marine of aan den Lande noch ten dienste van de Koninklijke Marine of van den Lande gebezigd wordt, te landen of op te stijgen.
EEE RE
50 TERRITORIALE ZEE EN MARITIEME KRINGEN-ORDONNANTIE 1939
(2) Het is aan vreemde militairen verboden zich, zonder door of namens den Commandant der Zeemacht verleende rg, binnen maritieme <ring. begeven of zich aldaar op te houden. é Oma. in de voorgaande leden ae dit art. bedoelde vergunningen kunnen voorwaarden worden verbonden. 4
(4) Zoodanige vergunningen kunnen te allen tijde door of namens den Commandant der Zeemacht zonder opgave van redenen worden ingetrokken. aoe é
ie, (oes S. 49—113,.) Een vergunning als bedoeld in lid (1) sub a is | niet vereist voor landverkenningen en hydrografische opnemingen, uit te voeren door het Departement van Scheepvaart.
- (1) Behoudens het bepaalde in art. 11 is het den gezagvoerder van een schip of vaartuig of dengene die hem vervangt verboden om met zijn schip of vaartuig binnen maritieme kringen ten anker te gaan of drijvende te blijven, tenzij zulks in verband met een veilige navigatie noodzakelijk is.
(2) Aan de| gezagvoerders — of degenen die,hen- vervangen — van sche- pen of vaartuigen bestemd voor de uitoefening van de visscherij doch daartoe ter plaatse niet gerechtigd, is bovendien het ten anker gaan of drijvende blijven met hun schepen of vaartuigen in het Indonesisch zeegebied buiten maritieme kringen. verboden, tenzij zulks in verband met een veilige navigatie noodzakelijk is.
(3) Door of namens den Commandant der Zeemacht kan in bijzon- dere gevallen en desgewenscht onder daarbij te stellen voorwaarden dispensatie worden verleend van de in de beide vorige leden bedoelde verboden.
(4) Alle krachtens het vorige lid van dit art. verleende dispensatie vervallen van rechtswege, indie eh voor zoover zij in strijd zouden zijn met een maatregel als bedoeld in-lid (1) van art. 8, tenzij een andere dag is bepaald, met ingang vanden dagna dien waarop die maatregel door plaatsing in de Javasche Courant. is bekendgemaakt.
(5) Alsdan kunnen echter op den voet van lid (8) van dit art. nieuwe Giepensstis van de in de leden (1) en (2) bedoelde verboden worden verleend.
- (1) Behoudens het bepaalde in de volgende leden van dit art. zjn de in de leden (1) en (2) van art. 10 omschreven verboden niet in
oepassing op:
a. schepen en vaartuigen, welke behooren tot de Koninklijke Marine of aan den Lande danwel ten-dienste “van” de Koninklijke Marine of van den Lande gebruikt worden ;
b. schepen en vaartuigen voerende de vlag van een staat met welken het Koninkrijk der Nederlanden in vriendschap is, binnen de reede- grenzen van een zeehaven, alsmede binnen de reedegrenzen van een kustplaats, welke ingevolge de „Indische Scheepvaartwet 1936” (S. No. 700) voor het betrefiende schip openstaat dan wel — deze reede-
grenzen niet vastgesteld zijnde — op di ikelij ier zee- on Ga kustplaatsen ; IJ p de gebruikelijke reede dier zee:
¢. schepen en vaartui waar de sub b van dit a,
© gebruikelijke reede van een kustplaats alwaar tolgebied) een ambte-
naar i van het Binn stdoend) havenmeester
is bescheiden ; d. se. fi rn & eeen. oe vaartuigen, welke uitsluitend gebezigd worden voor Pas waarin zij die ae reclen, Ken zoover betreft den maritiemen Ee 5 Sscherij ingevolge de artt. 5 vi 7 nantie mogen uitoefenen ; Bevolg: 4 en 5 van deze ordon
e. engen onder Nederlandse
of meer tot de Ind he vlag, eigendom zijnde van een
onesische bevolking behoorende personen en waarvan
TERRITORIALE ZEE EN MARITIEME KRINGEN-ORDONNANTIE 1939, 51
alle opvarenden behooren tot die bevolking, welke in een zeehaven of een kustplaats, liggende binnen den maritiemen kring geregistreerd zijn, voor zoover betreft dien maritiemen kring.
(2) Door of namens den Commandant der Zeemacht kunnen zee-
havens en kustplaatsen binnen maritieme kringen worden aangewezen, waar, in afwijking van het in het vorig lid van dit art. bepaalde, het ten anker gaan of drijvende blijven met schepen en vaartuigen op andere dan door den betrokken havenmeester aan te geven plaatsen ter reede is verboden. _ (3) Het bepaalde in lid (1) sub 5 t/m e van dit art. is niet van toepassing, indien en voor zoover het in strijd zou komen met een maatregel, als bedoeld in art. 8, behoudens een krachtens lid (5) van art. 10 te ver- leenen nieuwe dispensatie.
- (1) Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste vijfhonderd gulden wordt gestraft :
a. hij, die, zonder daartoe krachtens art. 4 dan wel ingevolge een hem op denvoet vanart. 5 verleende, geldige vergunning gerechtied te zijn, in een maritiemen kring de visscherij uitoefent ; i
b. hij, die zonder daartoe krachtens lid (3) van art. 4 gerechtigd te zijn, handelt in strijd met lid (2) van dat art. ;
c. hij, die een vergunningsbewijs als bedoeld in art. 6, lid (1) vervreemdt dan wel zoodanig vergunningsbewijs tegen betaling of om niet aan een ander ten gebruike of anderszins afstaat ;
d. hij, die zich niet houdt aan eenige aan een hem krachtens art. 5 verleende vergunning verbonden voorwaarde ;
e. hij, die niet voldoet aan de hem bij lid (1) van art. 7 opgelegde verplichtingen ;
f. hij, die zonder daartoe ingevolge een hem verleende dispensatie gerechtigd te zijn, handelt in strijd met een krachtens het bepaalde in art. 8 genomen en bekendeomaakten maatregel ;
g. hij, die eenige verbodsbepaling als“vervat in art. 9 overtreedt dan wel zich niet houdt aan eenige aan een hem krachtens dat art. ver- leende vergunning verbonden voorwaarde?
h. hij, die zonder daartoe ingevolge de artt. 10 en/11 gerechtigd te zijn, met een \schip of vaartuig in een maritiemen/kring dan wel in Indonesisch zeegebied ten anker gaat of drijvende „blijft. ‘
(2) Indien bij het plegen van de in het vorige lid/sub a, b, den f om- schreven strafbaresfeiten visscherij wordt uitgeoefend met behulp van een vaartuig, wordt gestraft met hechtenissvan ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste vijfhonderd gülden : onde: are
«. de opvarende van het vaartuig, tenzij aannemelijk is dat hij niet aan die visscherij heeft deelgenomen of daarbij direct of indirect hulp heeft verleend ;
b. de leider van het visscherij-bedrijf waarin het vaartuig wordt gebezigd, tenzij deze tijdens het plegen dier strafbare feiten niet aan boord was van het vaartuig en tevens aannemelijk is, dat hij het redelijke heeft gedaan om de visscherij te voorkomen; t »
c. hij, die den leider van het visscherij-bedrijf ten aanzien van die visscherij aan boord van het vaartuig als zoodanig vervangt.
(3) Indien in de gevallen bedoeld bij het vorige lid, de leider van het visscherij-bedrijf of degene, die hem als zoodanig vervangt, zich aan boord van het vaartuig bevindt worden de andere opvarenden slechts dan gestraft, indien zij opzettelijk aan de visscherij hebben deelgenomen of daarbij direct of indirect hulp hebben verleend.
(4) De in dit art. omschreven strafbare feiten worden beschouwd als overtredingen. 3
(5) De voorwerpen — waaronder begrepen schepen of vaartuigen — waarmede of met behulp waarvan het strafbare feit is gepleegd, evenals de voorwerpen welke door middel daarvan zijn verkregen, kunnen worden verbeurd verklaard.
52 TERRITORIALE ZEE EN MARITIEME KRINGEN-ORDONNANTIE 1939
(6) De in dit art. bepaalde strafmaxima Reener bold indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn ver Se sedert een vroegere veroordeeling van den schuldige wegens een der in dit art. omschreven overtredingen onherroepelijk is geworden
(7) Indien de in dit art. vermelde strafbare feiten worden peer door of vanwege een rechtspersoon, wordt de strafvervolging Aes en de straf uitgesproken tegen de in Indonesië gevestigde bestuurders en commissarissen en bij afwezigheid of ontstentenis van deze personen, tegen den vertegenwoordiger van den rechtspersoon in toepass
(8) Het bepaalde bij het vorige lid vindt overeenkomstige Haglonest ten opzichte van rechtspersonen, optredende als bestuurder of verte- genwoordiger van een anderen rechtspersoon. _ E
- (1) Met de handhaving van en het toezicht op de naleving van de bepalingen dezer ordonnantie zijn belast de Commandant der Marine te Soerabaja, de commandanten van Harer Majesteits oorlogsschepen en van marinevliegkampen, de gezaghebbers van de schepen der Gouver- nements Marine sen-de-gezagvoerders-van-de „schepen-der Bebakening en Kustverlichting, de onder de bevelen van deze commandanten. gezaghebbers en gezagvoerders gestelde personen die daartoe door hen van een opdracbt zijn voorzien, de officieren van de Gouvernement: Marine, belast met het bevel-over een gewestelijk vaartuig, de haven- meesters en de als zoodanig dienstdoende ambtenaren, de loodsen, als- mede de djoeragans der gewestelijke vaartuigen en de verder door den Commandant der Zeemacht aan te wijzen personen.
(2) Voorzoover zulks voor de verzekering van ’s Lands rechten noodiz is, zijn met de handhaving en het (toezicht bedoeld in het eerste lid, mede belast de ambtenaren der: in. en uitvoerrechten eu accijnzen.
14, Behalve de personen, die in. het. algemeen belast zijn met het opsporen van strafbare feiten, zijnde in het vorige art. genoemde personen bevoegd tot het opsporensvaurderbij of krachtens deze ordon- nantie strafbaar gestelde feiten, alsmede. van de overtredingen van de verbodsbepalingen betreffende invoer, uitvoer en vervoer over zee en van de strafbare feiten omschreven in de artt. 167 en 168, voor zoover deze artikelen betrekking hebben op het wederrechtelijk binnendringen van loodsstationsschepen, lichtschepen en kustlicht-instellingen, 198 t/m 109, 324 t/m\326, 438 t/m 443, 447 t/m 451, 473, 474 en 564 t/m 566 van het Wetboek yan Strafrecht.
- (1) De met het opsporen van de in het yorigeart. bedoelde strafbare feiten belaste personen zijns met inachtneming van het bepaalde in art. 17, bevoegd om schepen en vaartuigen, welker opvarenden verdacht worden van het plegen of voorbereiden van handelingen in strijd met de bepa- lingen, bij of krachtens deze ordonnantie vastgesteld, dan wel van de overtredingen en misdrijven bedoeld in het vorige art. en te onderzoeken. Voor zoover de djoeragans der g
den eigenaar daarvan, de plaats w: zonderheden, welke voor het onde (3) Zij zijn bevoegd de voorwe vaartuigen — waarmede of met het strafbare feit is gepleegd als; moed wordt, door middel van he 16. Gel . Gelijke bevoegdheden als in het vorige art. omschreven orien Been tend: indien een schip of vaartuig in het Indonesisch eee giek gedraagt op zoodanige wijze, dat inbreuk wordt en a Op de veiligheid, de openbare orde, dan wel andere rechts- ngen van het Land, alsmede indien redelijkerwijze mag worden
aar het tehuis hoort en andere bij- Tzoek dienstig kunnen zijn.
Tpen — waaronder begrepen schepen behulp waarvan, naar vermoed wordt, mede de voorwerpen, welke, naar ver- t strafbare feit zijn verkregen, in beslag
kunnen
TERRITORIALE ZEE EN MARITIEME KRINGEN-ORDONNANTIE 1939, 53
vermoed, dat het voornemen tot zoodanige gedraging bestaat. Voor zoover het betreft een zich in de territoriale wateren bevindend schip van vreemde nationaliteit, kan aan dat schip worden gelast, zich uit be- doelde wateren langs de kortste of een eventueel aan te geven route te verwijderen en kan het zoonoodig met geweld daartoe worden gedwongen.
- (1) Andere dan Nederlandsche of Indonesische schepen en vaartiugen mogen, behoudens het bepaalde in het tweede lid, slechts in het Indonesisch watergebied worden aangehouden en onderzocht.
(2) De vervolging van een vaartuig van vreemde nationaliteit terzake ven een binnen Indonesië gepleegd strafbaar feit mag, indien zij een aanvang heeft genomen, terwijl het betrokken vaartuig zich in het Indonesisch watergebied bevond, ook daarbuiten worden voortgezet, zoolang zij niet onderbroken wordt. De vervolging houdt in elk geval Op, zoodra het achtervolgde schip zich bevindt in de territoriale zee van een vreemden staat.
(3) Alvorens tot de in lid (2) bedoelde achtervolging wordt overgegaan, moet voorts gan de volgende voorschriften zijn-voldaan :
1e. door hoekmeting of op andere wijze moet, ongeacht de plaats, waar de opsporingsambtenaar zich bevindt, geconstateerd zijn dat het in overtreding zijnde schip of een van zijn sloepen, waarmede of met behulp waarvan het strafbare feit is gepleegd, zich binnen het Indo- nesisch zeegebied bevindt,
2e, een visueel of geluidssein, met opdracht om te stoppen, moet gegeven zijn binnen zoodanigen afstand dat het vreemde schip het sein heeft kunnen waarnemen.
- Het schip of vaartuig met de opvarenden. kan worden opgebracht naar een nabijgelegen Indonesische: haven in de volgende gevallen :
a. bij ontdekking op heeterdaad van een misdrijf of overtreding als bedoeld in art. J4, alsook wanneer gedragingen worden geconstateerd als bedoeld in art. 16;
b. indien een redelijk vermoeden bestaat, dat een strafbaar feit als bedoeld in art. 14 is gepleegd-of-een-gedraging als bedoeld in art. 16 heeft plaats gehad en tevens gevaar bestaat, dat het schip zich door vertrek uit het Indonesisch watergebied, vlucht of anderszins aan een nader onderzoek zal onttrekken ;
c. indien het schip m het Indonesisch zeegebied’ wordt aangetroffen zonder in het bezit te zijn van een nog, geldig nationaliteitsbewijs of een daarmede gelijkstaand document ;
d. indien het schip in het Indonesisch zeegebied wordt aangetroffen zonder in geoorloofde doorvaart te zijn en met lading aan boord, waar- voor in Indonesië rechten zijn=verschuldigd ; fi
e. indien het schip bestemd voor de uitoefening van vissol erij en daartoe binnen het Indonesisch zeegebied niet gerechticd zijnde, behoudens in geval van overmacht of nood, in dat gebied wu ‘dt aange- troffen zonder in geoorloofde doorvaart te zijn. 8
- Bij of krachtens regeeringsverordening kunnen bepalingen worden vastgesteld, welke bij de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in de artt. 13 t/m 18 in acht moeten worden genomen.
D Bij S. 35—525 is ter witvoering van art. 14 der vorige ord., thans art. 19,
ALE en (1) Het onderzoek van schepen en vaartuigen tot ontdekking van overtredingen en misdrijven op zee mag buiten dringende noodzakelijk- heid niet plaats hebben tusschen zonsondergang en zonsopgang.
(2) Dringende noodzakelijkheid is altijd aanwezig in geval van ontdekking op heeterdaad.
Art. 2. (1) Van elk onderzoek als bedoeld in art. 1 wordt een proces- verbaal opgemaakt op den eed aan den Lande door den betrokken lands- Ge bij de aanvaarding zijne Bedionneyeteulee a) dan wel, voorzoover
Ted € Ard
(Dy Wh pe ay de redenen, die tot het onderzoek hebben Beleid, en de bevindingen daarbij verkregen on geeft zoo nauwkeurig mogelijk Aan op welke plaats het onderzochte schip zich tijdens het onderzoek bevond.
(3) Voorts worden in het proces-verbaal de belangrijkste bijzonderheden
54 TERRITORIALE ZEE EN MARITIEME KRINGEN-ORDONNANTIE 1939.
vermeld, voorkomende op zeebrief, pas of ander geldig bewijs van natio- naliteit, meetbrief, certificaat en andere bij het onderzoek vertoonde docu- menten, waarbij de merken op het schip aangebracht dienen te worden vergeleken met de gegevens van de betrokken certificaten.
(4) Omtrent elk onderzoek en het resultaat daarvan wordt eene aantec- kening gesteld in het scheepsjournaal van het onderzochte schip, indien aan boord aanwezig.
Bij of krachtens regeeringsverordening kunnen bepalingen worden vastgesteld nopens de registratie van zeevisschersvaartuigen van vreemde nationaliteit, welke gerechtigd zijn tot de uitoefening van de visscherij binnen het Indonesisch zeegebied of in maritieme kringen, zoomede nopens de merken en onderscheidingsteekenen waarvan die vaartuigen moeten zijn voorzien. (S. 38-201: registratie-verordening vreemde zee- visschersvaartuigen.)
Bij of krachtens regeeringsverordening kunnen bepalingen worden vastgesteld ter bescherming van telefoon-, telegraaf- en andere onder- zeesche kabels, ter voorkoming van verontreiniging van het zeewater door schepen, en-andere, bepalingen-in-hetsbelang-van ven goede orde en een veilig verkeer in liet Indonesisch zeegebied.
