Stadsvormingsordonnantie
122 STADSVORMINGSORDONNANTIE | En | STADSVORMINGSORDONNANTIE | S. 1948—168. | (Besluit van de Luitenant-Gouverneur-Generaal | van 23 Juli 1948 No. 13). | HOOFDSTUK I. INLEIDENDE BEPALINGEN. Art. 1. Definities. In deze ordonnantie en de krachtens haar vast te stellen | | voorschriften wordt verstaan: i | met betrekking tot de Overheid onder: | | Secretaris van Staat: het hoofd van het departement van Waterstaat en | Wederopbouw: Gemeente: zowel de gemeente, bedoeld in het Decentralisatiebesluit en de Lo- | cale Raden-ordonnantie-als_de stadsgemeente, bedoeld in de Stadsgemeente- i ordonnantie en de’ Stadsgemeente-ordonnantie Buitengewesten; Raad: de raad der gemeente; Burgemeester en Wethouders: het college van burgemeester en wethouders der gemeente; Resident: de resident, binnen-wiens ressort de betrokken gemeente of plaats is gelegen; ; Tijdstip van indiening: bij (enig gezag): het tijdstip van ontvangst door (dat gezag); met betrekking tot algemene begrippen onder: | Stadsvormingsvoorschriften: de verordeningen, bedoeld in de artikelen 4,5, 6, en 7; | Planelement: elke aanduiding in eên plan of verordening, waardoor een aan een bepaalde ligging gebonden bestemming, grens of ontworpen verwezen lij- | king daarvan wordt aangegeven; | Perceel: een aaneengesloten grondstuk, dataan éénzelfden rechthebbende of i groep van rechthebbenden toebehoort; i met betrekking tot bestemmingen en grenzen onder: | | Stadsareaal: het als stad georganiseerde of te organiseren gebied; H Bebouwingshoofdkring: het gebied, bestemd voor bebouwing; 2 | | | Openluchthoofdkring: het gebied, bestemd voor onbebouwd openbaar gebruik, | zoals voor plantsoenen, begraafplaatsen, sportterreinen enz.; | | | Verkeershoofdkring: het gebied, bestemd voor verkeersstroken, en verkeer” | sinrichtingen op het land; } Water- en leidingen hoofdkring: het gebied, bestemd voor natuurlijke en | kunstmatige wateren of voor waterberging, alsmede voor het onderbrengen van i leidingen en vuilnisbelten; Agrarischen- en natuurhoofdkring: het gebied, noch aangewezen voor een be- | stemming, begrepen onder een der andere hoofdkringen, noch uitdrukkelijk aan” if gewezen als geen vastgestelde bestemming te hebben; ul Bestemmingskring: elk gebied, onderdeel van een hoofdkring, waarvoor een Ky bepaalde nadere bestemming is gegeven; HH Bouwkring: de bestemmingskring, aangewezen voor een of meer bepaalde soor- I ten of typen van gebouwen; ! | Wegkring: de bestemmingskring, aangewezen voor openbaren weg; Leidingstrook: de bestemmingskring, aangewezen zowel voor bouwkring 4s | voor het onderbergen van leidingen; f Erfrooilijn: de grens van de bebouwingshoofdkring; Erf: het stuk grond, bestemd tot aanhorigheid van een gebouw of van een groep | van gebouwen met gemeenschappelijke bestemming, met inbegrip van den door | die gebouwen ingenomen grond; Hi Verkaveling: de onderverdeling van een bouwkring in erven; | Gevelrooilijn: de grens van het erfgedeelte, bestemd voor opgaande bebouwing, } met betrekking tot werken en handelingen onder: | Aanlegwerken: alle werken, die geen bouwwerk zijn;
STADSVORMINGSORDONNANTIE 123
Aanleggen: het nieuw tot stand brengen, geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen, uitbreiden, herstellen, gewoon onderhouden en slopen van aanlegwerken;
Bouwwerken: a. gebouwen, zomede andere werken op erven;
b. verbindingen van erven met wegen en leidingen;
c. die onderdelen van aanlegwerken, die in de bouwverordening als bouw- werken worden aangewezen;
Bouwen: het tot stand brengen, geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veran- deren, uitbreiden, herstellen, gewoon onderhouden en slopen van bouwwerken;
Bouw- of aanleghandeling: een handeling, strekkende tot bouwen of aanleggen.
Herstellen: de aanleg- of bouwhandelingen ter vernieuwing van bestaande werken, die gewoon onderhoud te boven gaan, doch generlei verandering bren- gen in den bestaanden toestand naar indeling, omvang, afmetingen, bouw- of aanlegwijze, samenstelling en wijze van afwerking, waarbij slechts gebruik ge- maakt wordt van dezelfde of geheel gelijksoortige materialen en waarbij geen algehele demontage plaats vindt;
Vernieuwen of veranderen: de aanleg of bouwhandelingen aan bestaande wer- ken, die niet zijn gewoon onderhoud, herstellen of slopen.
Uitbreiding: die vernieuwing, of verandering, tengevolge waarvan door het werk een groter grondvlak wordt ingenomen; we
Publieke bouwwerken: de bouwwerken met ene publieke bestemming, zoals overheidskantoren, gebouwen voor den openbaren eredienst, scholen, theaters, markten, zwembaden.
- Bepalingen van algemenen aard. (1) Indien het bestuur van de gemeente bestaat uit een raad en een burgemeester worden de bij deze ordonnantie aan burgemeester en wethouders toegekende of opgedragen bevoegdheden en ver- richtingen uitgeoefend door den burgemeester. :
(2) De Gouverneur-Generaal is bevoegd anderen dan de Resident aan te wijzen tot uitoefening van de aan deze toegekende of opgedragen bevoegdheden en verrichtingen. In dat geval moeten-de voorgeschreven verrichtingen in plaats van ten kantore van de Resident of dedoor deze-ingevolge het bepaalde in ar- tikel 52 aangewezen gezaghebbende,.geschieden ten kantore van de aangewe- zenen en geschieden de in artikel 52 bedoelde uitgifte van dwangschriften eveneens door de aangewezenen. i {
(8) Deze ordonnantie noch de stadsvormingsvoorschriften zijn van kracht voor wat betreft ’s Lands defensiewerken met het daartoe behorend, door de Gouverneur-Generaal aangewezen gebied. :
HOOFDSTUK II. VAN DE STADSVORMINGSVOORSCHRIFTEN. § 1. Het Stadplan En De Stadsvormingsvoorschriften.
- Stadsplan. (1) De raad stelt, met inachtneming van bij regeringsverordening te stellen eisen, bij besluit een stadsplan vast, waarbij voor zijn gehele gebied worden aangegeven de bestaande stedebouwkundige toestand in hoofdzaken, de reeds vastgestelde detailplannen, de verder ontworpen bestemming van den grond, met onderscheiding van de vijf bestemmingshoofdkringen en hunne dif- ferentiatie door middel van bestemmingskringen, alles in hoofdzaken, doch zo- danig, dat de voornaamste elementen der verdere stadsvorming, inbegrepen de verbetering van bestaande stadsdelen, daaruit in onderling verband blijken, alsmede de ontworpen grens van het stadsareaal. 3
(2) De raad is bevoegd het stadsplan bij gedeelten vast te stellen, indien zulks naar zijn oordeel urgent is en de vorming van een deugdelijk geheel niet verstoort.
(8) Onverminderd zijn taak om het stadsplan nar behoefte te wijzigen, zal de raad het plan algemeen herzien en opnieuw vaststellen telkens uiterlijk binnen tien jaren. Deze termijn kan door den raad bij gemotiveerd besluit tot ten hoog- ste vijftien jaren worden verlengd.
- Detailplannen. (1) De raad stelt, met inachtneming van bij regeringsveror- dening te stellen eisen, bij verordening detailplannen vast voor die delen van zijn gebied, waarvoor de bestaande bebouwing of aanleg, dan wel de voorzien-
~ a
124 STADSVORMINGSORDONNANTIE | mT | | bare intensivering of uitbreiding van de bebouwing of den aanleg dit nodig maakt, | (2) De detailplannen bepalen, op den grondslag van het stadsplan, gedetail- | leerd en in verband met de bestaande aanleg- en bouwwerken de planelemen- ten, die algemeen verbindend behoren te zijn, waaronder de bestemmings- | kringen, de rooilijnen en de grens van het stadsareaal. (3) De detailplannen treden voor het door hen bestreken oppervlak in de plaats van het stadsplan. (4) De verordeningen, bedoeld in lid (1), kunnen van de bouwverordening af- wijkende voorschriften geven. | (5) Burgemeester en wethouders zijn bevoegd schrijf- en tekenfouten in de | detailplannen te verbeteren, echter niet ten nadele van een houder van een ' aanleg- of bouwvergunning, tenzij met zijn toestemming. B. Ontsluitingszônes. (1) De raad kan, met inachtneming van bij regerings- | verordening te stellen eisen, bij verordening de bouwkringen der ontworpen | bebouwing verdelen in ontsluitingszônes en de tijdstippen vaststellen van hun | openstelling. | (2) In de gesloten zônes mogen geen bouwvergunningen worden verleend voor nieuwbouw, alsmede voor gehele vernieuwing of verandering van gebouwen, } uitbreiding en toevoeging van verdiepingen, — hetzij voor alle bebouwing, het- | zij voor bepaalde soorten of typen van gebouwen, hetzij voor dezulke met een bepaalde situatie —, een en ander behoudens door den raad te verlenen | ontheffing. 6. Planelementen. (1) De raad kan ingeval van noodzaak, met inachtneming | van bij regeringsverordening te stellen eisen, afzonderlijk bij verordening op den y grondslag van het stadsplan gedetailleerd en in verband met de bestaande ! i aanleg- en bouwwerken de ligging vaststellen van enkele planelementen, die hij algemeen verbindend wil doen zijn; voorzover dat nog niet is geschied in een Ki detailplan. (2) De leden (3), (4) en (5) van artikel 4 zijn van overeenkomstige toepassing. i 7. Bouwverordening. (1) De raad stelt een bouwverordening vast, houdende : ten minste de voorschriften, waaraan moet worden voldaan bij aanleggen en bouwen, alsmede de eisen testellen aan bestaande aanlegwerken en bouwwer- } ken, aan erven en aan binnen het stadsareaal gelegen terreinen. (2) De bouwverordening bepaalt in bijzonderheden, wat/zal worden verstaan onder aanlegwerk, bouwwerk, gebouw, geheel zomede’ gedeeltelijk vernieu- wen of veranderen, en gewoon onderhoud. (8) Zij geeft voor de gebieden, waarvoor geen detailplannen of afzonderlijke | planelementen gelden, voorschriften omtrent de situering van gebouwen, mede | in verband met hun soort:of type: (4) Zij geeft voorschriften ten-minste betreffende: a. de onderscheiding van verschillende soorten of typen van bouwwerken en | gebouwen, mede in verband met hunner bestemming; | b. de in de onderscheiden bestemmingskringen toegelaten aanleg- €! | | bouwwerken; | | c. de wijze, waarop aanleg- en bouwvergunningen moeten worden aange: vraagd en verleend, en de daarbij geldende termijnen. § 2. Bestaande Werken En Percelen. 8. Bestaande werken. (1) De bouwverordening regelt de werking der verschil lende planelementen ten aanzien van aanleg- en bouwhandelingen aan bestaande „werken met inachtneming van het volgende: 4. het gewoon onderhouden en het verrichten van kleine herstellingen mag niet uithoofde van strijdigheid met enig planelement worden verboden; ; b. het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen en het in geringe mate uitbrei den van een aanlegwerk, in zijn geheel of grotendeels gelegen in een bestem: mingskring, waarin de nieuwe aanleg van zulk een werk niet ware toegelaten: mag uit dien hoofde slechts worden verboden, indien en voorzover dat werk door die ligging kennelijk in strijd is, en na die aanleg- of bouwhandelingen 20U blijven, met de orde’ in de stadsaanleg:
STADSVORMINGSORDONNANTIE 125 |
4 |
c. het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen en het in geringe mate uitbrei- | den van een gebouw van bepaalde soort of type, geheel of grotendeels gelegen in een bouwkring, waarin de oprichting van zulk een gebouw niet ware toege- laten, mag uit dien hoofde niet worden verboden, indien de soort of het type van het gebouw verwant is aan die soort of dat type, waarvoor die bouwkring
is bestemd;
d. het vernieuwen of veranderen en het uitbreiden: ‘
le. van een erfafscheiding, die de erfrooilijn overschrijdt;
2e. van elk ander bouwwerk op een erf, geen gebouw zijnde, dat de erfrooi- | lijn overschrijdt;
3e. van een gebouw, dat de gevelrooilijn overschrijdt, mag op grond dier over- schrijding slechts worden verboden ten aanzien van de voor die lijnen liggende gedeelten dier werken. '
(2) De Raad kan de werking der volgens lid (1) aan bestaande werken opgelegde beperkingen geheel of ten dele opheffen, mits dit geschiedt: ;
a: volgens algemene regels in de bouwverordening te stellen;
b. in bijzondere gevallen, voorzien in de ingevolge artikel 4, 5 of 6 vastgestelde verordeningen. Hi
(3) De bouwverordening regelt den omvang, waarin bij het gedeeltelijk ver-
‘ nieuwen of veranderen, dan wel uitbreiden van bestaande aanleg- of bouw- werken door Burgemeester en Wethouders de plicht kan worden opgelegd tot het aanbrengen van verbeteringen ter aanpassing van de overige delen van het werk en van het erf aan de voorschriften nopens nieuwen aanleg; of nieuwbouw.
De bouwverordening houdt tenminste de bepaling in, dat een billijk verband wordt in acht genomen tussen aard, omvang en kosten der handelingen, waar- voor vergunning is gevraagd en de te vorderen verbeteringen. :
(4) De in de leden (1) en (3) bedoelde voorschriften blijven buiten toepassing, indien en voorzover de betrokken aanlég- of bouwhandelingen krachtens wet- telijk voorschrift door de overheid zijn gelast: _
- Erfrooilijn. De bouwverordening-is bevoegd:
a. te verbieden, dat een perceel voorde erfrooilijn enige andere opgaande af- scheiding hebben dan een levende heg; TR
b. de verplichting te regelen, om in de erfrooilijn een erfafscheiding aan te brengen. ‘ i
» _ 8 3. De Vaststelling.. } ; 4
- Stadsplan-procedure. (1) Bij de voorbereiding van het stadsplan plegen Burgemeester en Wethouders overleg met; ~~ <—
a. de openbare diensten, die bij de vaststelling van de bestemming der gron- den belang hebben: = pe {
b. de overheid van de autonome gebiedsdelen of van de zelfbesturende landschappen binnen wier gebied, en de Resident binnen wiens ressort, het ge- bied is gelegen, waarvoor het stadsplan wordt opgemaakt;
-c. in voorkomende gevallen de overheid van het autonome gebiedsdeel of het zelfbesturend landschap, grenzend aan de plaats, waarvoor het stadsplan wordt opgemaakt; ij (
d. de ondernemingen van transport en die tot voortbrenging, verdeling of le- vering van electriciteit, water of gas, alsmede die tot exploitatie van een tele- foonnet, voozover deze ondernemingen werken binnen de gemeente hebben.
(2) Nadat Burgemeester en Wethouders het overleg schriftelijk geéindigd heb- ben verklaard, brengen de geraadpleegden binnen een maand schriftelijk ad- vies uit aan den raad. «… .
(3) Het besluit tot vaststelling van een stadsplan behoeft de goedkeuring van de Gouverneur-Generaal; het wordt daartoe met de kaarten en de in lid (2) be- doelde adviezen door Burgemeester en Wethouders door tussenkomst van de Resident bij de directeur ingediend. k ”
(4) De Resident zendt de stukken, vergezeld van zijn advies, binnen een maand na ontvangst door naar de Directeur, die dezelve binnen een maand, vergezeld van zijn advies, aan de Gouverneur-Generaal doet toekomen. De Gouverneur-
| a |) | Hl 126 STADSVORMINGSORDONNANTIE | | << —- q i Generaal besluit binnen twee maanden na ontvangst; hij kan zijn besluit twee if malen voor ten hoogste twee maanden verdagen. il (5) Indien de Gouverneur-Generaal niet binnen de in het voorgaande lid be- “| doelde termijnen besluit, is 's raads besluit geldig zonder goedkeuring. i} (6) Indien de goedkeuring van 's raads besluit is geweigerd, onderwerpt de raad || binnen een jaar na het besluit van de Gouverneur-Generaal, een nieuw besluit El aan de goedkeuring van de Gouverneur-Generaal, waarbij diens beslissing is in 4) acht genomen. HI, (7) Het van kracht geworden besluit van den raad wordt afgekondigd in het 4, officiële nieuwsblad, met uitzondering van de bijbehorende kaarten, die van den | dag der bekendmaking af voor een ieder ter inzage liggen ten kantore van de { gemeente. | (8) Op besluiten tot wijziging en gedeeltelijke of hernieuwde vaststelling van 4 het stadsplan zijn de voorgaande leden van dit artikel van toepassing. | 11. Detailplannen-procedure. (1) De raad legt met ingang van een bij besluit ] te bepalen dag.de-ontwerp-verordening-tot-vaststelling-van-een detailplan neer oi ten kantore van de gemeente. De ontwerp-verordening ligt met de kaarten van i) het plan van dien dag af tot de vaststelling toe voor een ieder ter inzage ten’ 4 kantore voornoemd. De Burgemeester kondigt vóór deze neerlegging haar aan in de dagbladen van alle bevolkingsroepen, die binnen zijn ressort verschijnen | of anders aldaar gewoonlijk gelezen worden: Hij zorgt bovendien voor een ge- noegzame bekendmaking aan de ongeletterde bevolking. | De aankondiging waarschuwt, dat belanghebbenden gedurende een maand na den aanvang van de nederlegging inlichtingen kunnen inwinnen en bezwaren bi kunnen indienen ten gemeentekantore. Onder belanghebbenden worden mede i | | verstaan de door het plan bestreken Indonesische gemeenten alsmede andere ii wettig bestaande lichamen, mits deze daarbij binnen hun werkkring blijven. Ee (2) De raad stelt de verordening vast-binnen twee maanden na den aanvang | van de nederlegging en beschikt daarbij op de tijdig ingebrachte bezwaren. | | (3) Van de beschikkingen varvden raad op de ingebrachte bezwaren wordt aan | | bezwaarden onverwijld mededeling gedaan bij aangetekend schrijven. | I . (4) Bezwaarden kunnen binnen-één-maand na den dag van ter post bezorging i van de beschikking van den raad in beroep komen bij de Gouverneur-Generaal | \ door tussenkomst van burgemeester en wethouders. kers 1 | (5) De verordening tot vaststelling van een detailplan behoeft de goedkeuring ie van de Gouverneur-Generaal; het bepaalde in de leden (3) tot en met (6) van | het voorgaande artikel is daarop van overeenkomstige toepassing, met dien ver- | stande dat aan de Gouverneür-Generaal met het detailplan en de kaarten te- | vens worden toegezonden delingebrachte bezwaren en dat op deze bezwaren | gelijktijdig wordt beschikt. We si ; : ; (6) De van kracht geworden verordening van den raad wordt afgekondigd in | het officiële nieuwsblad, met uitzondering van de bijbehorende kaarten, die va" | | ae dag der bekendmaking af voor een ieder ter inzage liggen ten gemeentekan- } ore, . bart | (7) Op de verordeningen tot wijziging van detailplannen zijn de voorafgaandé leden van dit artikel van toepassing. 12. Planelementen-procedure. Op de totstandbrenging van verordeningen, als bedoeld in artikel 6, alsmede op verordeningen tot wijziging van bestaande plan- | elementen zijn de bepalingen van artikel 11 van overeenkomstige toepassing: | 13. Bouwverordening-procedure. (1) Vaststelling, wijziging en intrekking V8" de bouwverordening behoeven de goedkeuring van de Gouverneur-Generaal- (2) Burgemeester en wethouders dienen de vastgestelde verordening daarto® genome a de Resident in bij de Directeur. De Resident zendt of ve, vergezeld van zijn advies, binnen een maand na ontvangst door naar Directeur, die haar, vergezeld van zijn advies, binnen een maand na de ontvangst | doet toekomen aan de Gouverneur-Generaal. . net | ae) ee Bpalewmetn Ceneraal besluit binnen twee.maanden, nadat hij de vee : van de Directeur ontving. Hij ij ; e | voor ten hoogste één ne = =a SU ag i (4) Indien de Gouverneur-Generaal niet besluit binnen de in het voorgaand? |
TT = 1 | STADSVORMINGSORDONNANTIE 127 | SD | “i ‘ lid bedoelde termijnen, is de verordening geldig zonder goedkeuring. | § 4. Duldplichten. | 14. Wegen. (1) De rechthebbenden op den grond, ingenomen door: a, openbare wegen; : ; b. voor het openbaar verkeer openstaande wegen; c. wegen, waarlangs zijn gelegen erven, bebouwd of waarvoor een bouw- of aanlegvergunning is verleend, zijn verplicht te gedogen, dat door of met ver- gunning van burgemeester en wethouders in, op of boven die wegen leidingen en bijbehorende werken, alsmede straatnaamborden, straatverlichting en ver- keerstekens worden aangebracht, onderhouden, vernieuwd of opgeruimd. (2) Zij, die met de zorg voor die leidingen, bijbehorende werken, straatnaam- borden, straatverlichting of verkeerstekens zijn belast, zijn te allen tijde bevoegd daartoe de in lid (1) onder ce genoemde wegen te betreden. 15. Leidingstrook. (1) De rechthebbenden op den grond, die tot leidingstrook is bestemd, zijn verplicht te gedogen, dat in, op of boven dien grond door of met vergunning van burgemeester en wethouders leidingen en bijbehorende wer- ken worden aangebracht, onderhouden, vernieuwd of opgeruimd. (2) De leidingstrook mag niet liggen binnen het erfgedeelte, blijkens de stadsvormingsvoorschriften bestemd voor opgaande bebouwing. (3) Ondergrondse leidingen met bijbehorende ondergrondse werken moeten met hun bovenzijde ten minste,0.25 M. onder de oppervlakte gelegen zijn. Bo- vengrondse leidingen moeten met hun onderzijde tenminste 4 M. boven de op- pervlakte gelegen zijn. Putten en steunpunten mogen geen groter oppervlak innemen (noch aan de oppervlakte van de leidingstrook, noch daaronder, noch daarboven) dan 1/20 deel van het oppervlak van de leidingstrook binnen een- zelfde erf. wid Ke | (4) Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het hoogtepeil van de op- pervlakte te bepalen, waaruit de in lid (3) bedoelde hoogten zullen worden ge- meten, mits dit peil in-hoofdzaak met het-werkelijk hoogtepeil der omgeving strookt. fi , y (5) Zij, die met de zorg voor de leidingen en bijbehorende werken zijn belast, zijn te allen tijde bevoegd daartoe op en in de leidingstrook werkzaam te zijn en zich daarheen over het perceel te begeven. (6) De werkzaamheden moeten zodanig geschieden, dat, daaruit voor de rechthebbende zo min. mogelijk ongerief voortvloeit; het erf moet zoveel mo- gelijk in zijn vorige staat worden hersteld. ; 16. Leidingen op erven. (1) De rechthebbenden op percelen, waarop gebou- wen voorkomen, zijn verplichtte gedogen, dat deze gebouwen op de ter plaatse gebruikelijke of voorgeschreven wijze worden aangesloten op de leidingnetten der distributie van water, gas electriciteit en telefoon, alsmede op.rioleringen. (2) Artikel 15, leden (5) en (6) zijn van overeenkomstige toepassing. » 17. Gravingen, piketten enz. (1) Wanneer voor de vaststelling van plannen of planelementen of de voorbereiding daarvan op het terrein gravingen, op- metingen of het stellen van tekenen in of op iemands grond of werk nodig ge- acht worden, moet de recthebbende dit gedogen mits hem dit tweemaal vier en twintig uren te voren door den burgemeester schriftelijk is aangezegd. (2) Artikel 15 lid (6) is van overeenkomstige toepassing. (8) De schade daardoor veroorzaakt,. wordt door de burgemeester begroot en uit de gemeentekas vergoed. ' Pa § 6. Vergunningen. ; 18. Aanlegvergunning. (1) De bouwverordening regelt het verbod tot het ver- richten yan aanleghandelingen, anders dan overeenkomstig ene aanlegvergun- ning, verleend door burgemeester en wethouders op grand van een door hen goedgekeurd aanlegontwerp. .. - ; od (2) De bouwverordening wijst de aanleghandelingen aan waarvoor: a. met een kennisgeving kan worden volstaan; ;
a 128 STADSVORMINGSORDONNANTIE | EE | | b. vergunning noch kennisgeving is vereist. Dit laatste is steeds het geval bij gewoon onderhoud van werken. (3) De aanlegvergunning mag alleen en moet worden geweigerd: a. indien het aanlegontwerp in strijd is met enig stadsvormingsvoorschrift, gel- dende op het ogenblik der beschikking, behoudens het bepaalde in lid (4) onder a; | b. indien de aanleg een stelselmatige stadsvorming in gevaar zou brengen of | zou leiden tot een voortijdige bebouwing of andere bestemmingsverwerkelij- king, die buitengewone lasten voor de overheid zou veroorzaken; c. op grond van artikel 20 lid (2). (4) Burgemeester en wethouders mogen aan de vergunning bepalingen ver- binden betreffende: : a. het brengen van overeenstemming tussen het aanlegontwerp en de betrok- | ken stadsvormingsvoorschriften; b.-het verlenen, krachtens bestaande stadsvormingsvoorschriften, van vrij- stelling daarvan, zo nodig onder voorwarden; | c. het stellen-vannadere’eisen; hetzij krachtens bepaalde*stadsvomingsvoor- | schriften, hetzij krachtens artikel 23, hetzij op grond van verkregen overeen- | stemming met den aanvrager; | d. den kostelozen afstand aan de gemeente van, dan wel prijsgeving van de ; rechten op in het aanlegontwerp begrepen werken en gronden; | e. de betaling aan de gemeente van een geldsom. H (5) De voorwaarden en eisen, bedoeld in lid (4) onder b enc mogen uitsluitend } strekken tot bevordering van de belangen; die door het betrokken stadsvor- | mingsvoorschrift worden beschermd. H (6) Afstand van ‘werken en gronden-of de prijsgeving van rechten, bedoeld } | in lid (4) onder d, mag allen worden gevorderd, indien en voor zover: | a. de vergunning betreft het nieuw tot stand brengen, het geheel of gedeel- telijk vernieuwen of veranderen, dan wel het uitbreiden van aanlegwerken, en b. deze aanlegwerken dienen tot de stedebouwkundige uitrusting van bouwterreinen: ~ ; Indien de waarde van een en ander meér bedraagt dan hetgeen van de rechthebbenden als aanlegbijdrage’of baatheffing zou kunnen worden gevor- derd, is de gemeente verplicht het meerdere te vergoeden. f (7) De betaling, bedoeld in lid (4) order e, mag alleen worden gevorderd boven den afstand van\werken en gronden of rechten, en dan slechts ter voorkoming | van kosten voor de gemeente, die anders grondslag zouden zijn voor de heffing van een aanlegbijdrage. = + (8) De beschikking op eenaanvrage tot aanlegvergunning wordt door burge: meester en wethouders in-geschrift.uitgereikt binnen een in de bouwverorde- ning te bepalen termijn na de-volledige indiening van de aanvrage te haren kantore. De beschikking is’bij weigering met redenen omkleed. ° (9) De aanvragers kunnen in beroep komen bij den raad. : (10) Het: beroep kan worden ingesteld: | a. wegenis het uitblijven van een beschikking na afloop van den in lid (8) be: doelden termijn; : : b. tegen weigering der vergunning; c. tegen de bepalingen der vergunning, met inbegrip van het niet verlenen van een vrijstelling. (11) Het beroepsrecht vervalt, indien het beroep niet binnen één maand nà de uitreiking of na het verstrijken van den voorgeschreven termijn van uitre king is ingediend ten gemeentekantore. | (12) De raad beschikt niet op het beroep dan na burgemeester en wethouders „en den bezwaarde in de gelegenheid te‘hebben gesteld hem hun zienswijze ker” | baar te maken. E oo) Elke uitspraak wordt aan de aanvragers medegedeeld bij aangetekende 19. Bouwvergunnifig.(1) De bouwverordening regelt het verbod tot het ver | eg Pepe tandelingen anders dan overeenkomstig ene bouwvergunning | r burgemeester en wethouders, op grond van een door hen’ goed | gekeurd bouwontwerp. 2 d i ; |
ree Te err | STADSVORMINGSORDONNANTIE 129 nn EE
(2) De leden (2), (3), (4) punten a, b, enc, (5) en (8) van art 18 zijn van over- eenkomstige toepassing.
(3) Aan de bouwvergunning mag mede een bepaling verbonden worden betref- fende de afstand aan de gemeente van, dan wel prijsgeving van de rechten op het voor de erfrooilijn gelegen gedeelte, van het perceel, waarop de aanvraag betrekking heeft.
(4) De afstand of de prijsgeving, bedoeld in lid (3), mag alleen worden gevor- derd, indien de vergunning betreft het nieuw tot stand brengen, het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen, dan wel het uitbreiden van gebouwen of van de erfafscheiding op de erfrooilijn. De gemeente is, onverminderd de toe- passing van de artikelen 41 en 42 verplicht de waarde van gronden of rechten te vergoeden, berekend met de overeenkomstige toepassing van artikel 39 lid (2).
(5) De aanvragers kunnen in beroep komen bij de Raad. De leden (10), (11), (12) en (13) van arikel 18 zijn van overeenkomstige toepassing.
- Monumenten. (1) Met betrekking tot monumenten in den zin der Monumenten-ordonnantie,.zomede.tot.locale cultuur~en.natuurmonumenten die geen monumenten zijnde in eerstgenoemden zin, krachtens dit artikel door den raad als locaal cultuur- of natuur-monument zijn aangewezen, mogen geen aanleg- of bouwhandelingen plaats vinden, ook niet dezulke vereist voor het ge- woon onderhoud, zonder een aanleg- of bouwvergunning.
(2) Met betrekking tot de monumentenin den zin der Monumenten-ordonnantie wordt een aanleg- of bouwvergunning niet verleend, tenzij blijkt, dat het aan- leggen of bouwen geschiedt in overeenstemming met die ordonnantie.
(3) Indien het Hoofd van den Oudheidkundigen Dienst voorwaarden heeft ge- | steld met betrekking tot aanleg- of bouwhandelingen aan het monument, ver- | binden burgemeester en wethouders deze voorwaarden aan de vergunning.
- Stedebouwkundige uitrusting van bouwterrein. (1) De bouwverordening regelt het verbod tot het nieuw tot stand brengen, het geheel vernieuwen of veranderen en het uitbreiden van gebouwen, alsmede het toevoegen van ver- diepingen aan gebouwen, waarvan-het-erf-niet-gelegen is aan wegen, die vol- doen aan de in de stadsvormingsvoorschriften gestelde eisen.
(2) Die eisen worden onderscheiden naar de soort of het type der gebouwen.
(3) De bouwverordening bepaalt de gevallen of omstandigheden, waarin van dit verbod vrijstelling kan of moet worden verleend bij de bouwvergunning.
(4) De bouwverordening regelt de verlening van bouwvergunningen in afwij- king van dit verbod, doch onder voorwaarde, dat de vergunning tot in gebruik- neming eerst wordt verleend, nadat aan de in lid (1) bedoelde eisen is voldaan.
(5) De bouwverordening bepaalt, aan welke verdere eisen van stedebouwkun- dige uitrusting terreinen moeten voldoen, zal daarop het nieuw tot stand bren- gen, het geheel vernieuwen of veranderen dan welhet uitbreiden van gebouwen, alsmede het toevoegen van verdiepingen aan gebouwen mogen plaats hebben. De leden (2), (8) en (4) zijn hierbij van overeenkomstige toepassing.
- Aanhouden van beschikkingen. (1) De raad kan, bij een in het officiële nieuwsblad te plaatsen besluit, het voornemen aankondigen voor een bepaald gebied een detailplan of planelement vast te stellen. :
(2) Van de dag van verschijning dezer aankondiging in eerstgenoemde bladen af kan de beschikking worden aangehouden op aanvragen om een aanlegver- gunning of een bouwvergunning, waarop de vast te stellen voorschriften be- trekking zullen hebben. ;
(8) Het besluit vervalt één jaar na de verschijning der aankondiging. Het kan niet worden verlengd noch voor het zelfde gebied binnen 3 jaar na het verval- len worden herhaald. -
(4) Van het aanhouden’ der beschikking wordt door burgemeester en wethou- ders mededeling gedaan aan de aanvrager. nerd
(5) Deze kan in beroep komen bij de raad wegens het aanhouden der beschik- king op zijn aanvrage instrijd met dit artikel.
Het beroepsrecht vervalt, indien het beroep niet ‘binnen één maand na de ontvangst der mededeling is ingediend ten gemeentekantore. ~
(6) Dit artikel geldt niet voor aanvragen om vergunning tot het verrichten van kleine herstellingen aan of gewoon onderhoud van aanleg- en bouwwerken.
|
| > } | 130 STADSVORMINGSORDONNANTIE Hl OOO | ; 23. Gebruiksvergunning. (1) De bouwverordening regelt het verbod om anders f dan krachtens een door burgemeester en wethouders verleende ge- | bruiksvergunning: … . : | a. een nieuw aangelegd of gebouwd werk in gebruik te nemen; | b. een aanlegwerk of bouwwerk, waarvan en voor Zover het gebruik werd on- f derbroken, omdat eraan werd aangelegd of gebouwd, opnieuw in gebruik te ne- men; c. een aanlegwerk of bouwwerk te gebruiken in afwijking van-de bestem- ming, daarvoor in een verleende gebruiksvergunning vermeld; d. een aanlegwerk of bouwwerk te gebruiken tot een andere in de stadsvor- | mingsvoorschriften onderscheiden bestemming dan de bestaande. (2) De gebruiksvergunning wijst de bestemming van het betreffende werk aan in overeenstemming met de stadsvormingsvoorschriften, behoudens dat in de gevallen a en b van lid (1) geen bestemming mag worden aangewezen, die af- ~ | wijkt van ene genoemd in de aanleg- of bouwvergunning voor dat werk. | (3) De gebruiksvergunning. mag alleen en moet worden geweigerd: | a. in de gevallen, bedoeld onder a en b van lid (1): le. indien is aangelegd of gebouwd in afwijking van de aanleg- of bouwver- gunning of de overeenkomstig de stadsvormingsvoorschriften gegeven nadere | voorschriften; i 2e. indien is aangelegd of gebouwd zonder vereiste aanleg- of bouwvergunning;
3e. indien de aanleg of de bouw niet is voltooid, met inbegrip van de oprui-
ming der hulpwerken; : : | b. in de gevallen, bedoeld onder c en d van lid (1), wegens strijd met de stadsvormingsvoorschriften.
(4) De bouwverordening wijst de uitzonderingen aan op het bepaalde in de le- den (1), (2) en (3). q : |
(5) De bouwverordening regelt het-beroep tegen de weigering dezer vergunning. Ait vari
(6) Artikel 20 is op deze vergunning van.overeenkomstige toepassing.
§ 6. Lastgevingen. \
- Verbeteringslastgeving. (1) De bouwverordening regelt de schriftelijke last- geving door burgemeester en wethouders tot het aanbrengen van verbeterin gen ter naleving van de eisen, waaraan moet worden voldaan door bestaande aanlegwerken, bouwwerken, terreinen en erven: f
Van de verbeteringslastgeving wordt, voorzover hun woonplaats bekend is, een afschrift uitgereikt aan hen, op wier naam op het betrokken perceel is It: geschreven een recht van hypotheek, van credietverband of van oogstverband, mee aan occupanten. Deze personen zijn belanghebbenden in den zin van
- 2 ad een van Ee artikelen 18 en 19 gelden onverminderd voor wer
, eren ingevolge een verbeteringslastgeving.
(3) Belanghebbenden kunnen in beroep komen bij den raad: Het beroep schorst
de werking van de lastgeving.
(4) Het beroepsrecht vervalt, indien het beroep niet binnen een maand na de
eng der lastgeving is ingediend ten gemeentekantore. Artikel 18, leder
(12) en (13) zijn van overeenkomstige toepassing.
ade bouwverordening regelt de bevoegdheid tot het van gemeentewege tref”
- ee aN Bey van verbetering bij daadwerkelijke urgentie. aastobn uwverordening regelt de bevoegdheid van burgemeester en wethou” ers tot buitengebruikstelling van een werk, terrein of erf, indien en zolang; nà een veroordelend strafvonnis terzake, de last tot verbetering binnen een te ste!
En see wederom niet is uitgevoerd. a
» Last tot buiten gebruikstelling. (1) De bouwverordening regelt de PE en van de raad om de buitengebruikstelling te gelasten van aanlegw er oman hetzij omdat gevaar bestaat voor de veiligheid of de
Beten etl omdat het onmogelijk is door het anit
en, de eisen te vervullen, waaraan moet worden voldaa"
| STADSVORMINGSORDONNANTIE 131 a door bestaande werken,
(2) De buitengebruikstelling kan worden gelast: ' ;
a. geheel of voor een gedeelte;
b. dadelijk of binnen een te stellen termijn;
c. tijdelijk of voorgoed;
d. voor bepaalde of voor alle bestemmingen.
(3) De tweede zinsnede van lid (1) en de leden (3) en (4) van artikel 24 vinden overeenkomstige toepassing.
(4) De bouwverordening regelt de bevoegdheid om bij.daadwerkelijke urgen- tie de onverwijlde ontruiming van een werk te gelasten. ;
- Opruimingslastgeving. (1) De bouwverordening regelt de bevoegdheid van de raad om de opruiming te gelasten van aanlegwerken of bouwwerken, die ook bij buitengebruikstelling gevaar opleveren voor de veiligheid of de gezondheid van personen mits:
a. daarin niet door een last tot verbetering kan worden ‘voorzien, of
b. zulk een lastgeving,na-een-veroordelend-strafvonnis-terzake, binnen een te stellen termijn wederom niet is uitgevoerd.
(2) De bouwverordening regelt de bevoegdheid van burgemeester en wethou- ders, om de opruiming te gelasten: ’
a. van hetgeen is aangelegd of gebouwd zonder de vereiste vergunning of in strijd met een verleende vergunning (artikel 18 en 19);
b. van onafgebouwde werken of bouwvallen, die ernstige schade aan den wel- stand toebrengen. Le ; : 4
(3) De tweede zinsnede val lid (1) en de leden (2), (3) en (4) van artikel 24 vin- den overeenkomstige toepassing.
(4) De bouwverordening regelt de bevoegdheid tot het van gemeentewege tref- fen van maatregelen van opruiming bij daadwerkelijke urgentie.
- Dwangmaatregelen plannen. (1)'De Gouverneur-Generaal zal, indien de raad nalatig is in de vaststelling van besluiten en verordeningen tot vaststelling of herziening van enig plan, een termijnsstellen-binnen welke de raad alsnog tot die vaststelling moet overgaan. cae
(2) De Gouverneur-Generaal.besluit eerst, nadat hij de raad de gelegenheid heeft gegeven hem zijn zienswijze kenbaar te maken. Zijn besluit is met rede- nen omkleed.
(3) dien de raad in gebreke blijft, of vóór afloop van de gestelde termijn wei- gert, stelt de Gouverneur-Generaal opnieuw een termijn binnen welke burge- meester en wethouders tot de vaststelling moeten overgaan. De artikelen 10 leden (8) tot en met (5) en lid (7) en 11, leden (1) toten met (6) zijn van over- eenkomstige toepassing: - , p
(4) De ingevolge het derde lid'tot stand gebrachte verordening geldt als door de raad vastgesteld. Het formulier dezer verordening is als volgt: ‘
, Burgeemester en wethouders van ........-...++-
„lettende op artikel 27 lid (3) van de , ,Stadsvormingsordonnantie’’, stellen vast de volgende verordening:
(Titel der verordening) ; , (Inhoud der verordening) (Dagtekening) . . De burgemeester van oes venrrsensenn (Handtekening).
(5) Indien burgemeester en wethouders in gebreke blijven of weigeren vóór afloop van de gestelde termijn, — dan wel, indien door de raad of burgemeester en wethouders vastgestelde verordening de vereiste goedkeuring niet verwerft — draagt de Gouverneur-Generaal de burgemeester op de arbeid onverwijld over te nemen. De burgemeester handelt, met de hem ondergeschikte gemeentedie- naren, te dezen verder onder de bevelen van de Gouverneur-Generaal, De le- den (3) en (4) zijn op hem van overeenkomstige toepassing. ,
(6) Burgemeester en wethouders dan wel de burgemeester brengen de uitga- ven, die voortvloeien uit hun verplichtingen, krachtens dit artikel, ten laste van
» | 132 STADSVORMINGSORDONNANTIE OEE de gemeentebegroting, ook voor zover daarin op die uitgaven niet is gerekend. | 28. Dwangmaatregelen bouwverordening. (1) De Gouverneur-Generaal kan, | nadat hij de raad de gelegenheid heeft gegeven hem zijn zienswijze kenbaar te maken, een termijn stellen, binnen welke de raad de bouwverordening of een te omschrijven herziening daarvan moet vaststellen. Zijn besluit is met redenen omkleed. | (2) Indien de raad in gebreke blijft of voor afloop van de gestelde termijn wei- | gert, stelt de Gouverneur-Generaal opnieuw een termijn, binnen welke burge- | meester en wethouders tot de vaststelling moeten overgaan. Artikel 13 is van | overeenkomstige toepassing. : (8) De ingevolge het tweede lid tot stand gebrachte verordening geldt als door den raad vastgesteld. Het formulier dezer verordening is als volgt: „Burgemeester en wethouders van … … … … … | „lettende op de artikelen 28 lid (2) van de , ,Stadsvormingsordonnantie”’ stel- | len vast de volgende verordening: _ | (Titel der verordening) AA | (Inhoud der verordening) i (Dagtekening) | ‘De burgemeester van „sn h (Handtekening). ~— ' | (4) Artikel 27 lid (5), eerste en tweede zin, alsmede de leden (2) en (3) van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing. : } § 8. Boüwtoezicht. : 29. De bouwverordening regelt: ne a. het toezicht op de naleving. der stadsvormingsvoorschriften; | b. de bevoegdheid van de mét dat toezicht belaste personen om tot handha- | ving der stadsvormingsvoorschriften politiemaatregelen te nemen; | c. de verplichting van bijzondere personen, om tot de uitoefening van dat toe- | zicht hun medewerking te verlenen. = __…—” … | HOOFDSTUK Ill. VAN DE SCHADELOOSSTELLINGEN. | ; A St § 1. Rechten Op Schadeloosstellingen. | | 30. Recht op vergoeding. wegens vaststelling van planelementen. (1) De | rechthebbenden zijn bevoegd van.de gemeente vergoeding te vorderen van de | voorzienbare schade, die rechtstreeks voortspruit uit: | a. de vaststelling binnen het stadsareaal van een agrarische of natuurkring | b. de vaststelling van een bouwkring, doch alleen voor zover daarvoor be | staande, in dien kring gelegen, gebouwen met hunne erven in waarde achter- | uitgaan en deze achteruitgang in waarde meer dan 10 percent bedraagt; | c. de vaststelling van een herverkaveling, doch alleen ten aanzien van be- | staande percelen, indien ook hier de achteruitgang in waarde meer dan 10 per | cent bedraagt; | d. de vaststelling van een gevelrooilijn, doch alleen indien het aan bebouwing | onttrokken erfgedeelte de in de bouwverordening te bepalen coëfficiënten | overschrijdt. | | (2) Het recht op schadevergoeding ontstaat in de gevallen, bedoeld in lid (1) | onder c end; eerst nadat het planelement bij nieuwbouw, geheel of gedeeltelijk vernieuwing of verandering dan wel uitbreiding is verwezenlijkt en de vergur” | ning tot ingebruikneming van het gebouwde is verleend. | | (8) Indien planelementen zijn vastgesteld ten gerieve van andere overheders ek door haar aan de gemeente de door haar te betalen schadebedrager | ver 5 ; BEN : | 31. Recht op vergoeding wegens werkzaamheden in ‘leidingstroken. D& _ | rechthebbenden zijn bevoegd van degene, voor wiens rekening eenen ander | 1"
nT ea edere STADSVORMINGSORDONNANTIE 133 mmm geschiedt, vergoeding te vorderen van de voorzienbare schade rechtstreeks ver- oorzaakt door de werkzaamheden tijdens het aanleggen, onderhouden en oprui- men van leidingen en bijbehourende werken in, op of boven leidingstroken. 32. Recht op afkoop bij gronden, bestemd voor publieke bouwwerken. (1) In- dien de raad bapaalde terreinen heeft bestemd voor publieke bouwwerken en deze bestemming nog niet is verwezenlijkt, terwijl de meerderheid der omrin- gende bouwterreinen reeds bebouwd is en de omliggende aanlegwerken in hoofdzaak voltooid zijn, is de rechthebbende op de grond bevoegd van de ge- | meente te vorderen dat zij of de bijzondere bestemming van de grond intrekke, | of de grond, onderscheidenlijk de daarop rustende rechten afkoope. (2) De gemeente is bevoegd om in plaats van geld een grondstuk in betaling | aan te bieden. (3) Indien de rechthebbende en de gemeente niet tot overeenstemming kun- nen komen, is de eerste bevoegd bij de gewone dagelijkse rechter de veroor- | deling van de gemeente te vorderen: a. in het geval, bedoeld in lid (1), tot betaling van de waarde van de zaak; | b. in het geval, bedoeld in lid (2);tot betaling varvhet verschil tussen de waarde van de zaak en de waarde van de in betaling aangeboden grond. | De rechten op de zaak gaan op de gemeente over tengevolge van de betaling, als hoedaning ook zal gelden de deponering van het bedrag bij de rechter. Indien echter overgang moet plaats hebben van rechten, waarvan openbare akten worden opgemaakt, heeft de overgang plaats tengevolge van de overschrij- ving, die door de bevoegde ambtenaar wordt verricht op overgave van een af- schrift van het vonnis en een bewijs van betaling. | (4) Van het vonnis van de rechter staat hoger beroep open. | (5) Artikel 30 lid| (3) is van overeenkomstige toepassing. | 33. Recht op afkoop van onbruikbare percelen. (1) De rechthebbende op be- | bouwde of onbebouwde percelen is bevoegd’ de aankoop daarvan dan wel de | afkoop van de daarop rustende rechten van-de gemeente te vorderen, indien en voor zover tengevolge van de vaststelling van planelementen de grond re- | delijkerwijs niet meer geschikt is noch te maken. is, voor de in de stadsvor- | mingsvoorschriften, aangegeven bestemming. |
(2) Dit recht ontstaat eerst tervaanzien-van: |
a. bebouwde percelen, op het tijdstip, dat de bestaande bebouwing niet meer door herstelling in goed bruikbaren aan een normale opbrengst verzekerenden staat is te brengen of te houden; |
b. onbebouwde percelen, op het tijdstip, dat het planelement wordt | verwezenlijkt. ) |
(8) De leden van (2) tot en met (5) van artikel 32 zijn-van overeenkomstige | toepassing. ,
- Verval van recht op schadeloosstelling: (1) De vordering tot schadever- goeding of tot aankoop dan wel afkoop van rechten, bedoeld in de artikelen 30,
32 en 33, vervaltt, indien een verordening tot een wijziging van het schadever-
oorzakend planelement, dat de schade opheft, is afgekondigd, vóórdat
vonnis is gewezen, hetzij in eerste aanleg, hetzij in hoger beroep. De rechter ver- | oordeelt alsdan de gemeente in de kosten van het geding.
(2) Een terzake in kracht van gewijsde gegaan vonnis tegen de gemeente is gedurende een maand niet uitvoerbaar.
Indien vóór het verstrijken van dien termijn een ontwerpverordening tot wij- | ziging van het schadeveroorzakend planelement is neergelegd, de gemeente haar | gedingkosten en die der wederpartij heeft betaald en het bedrag tot betaling | waarvan zij is veroordeeld in gerechtelijke bewaring heeft gesteld, blijft de uit- | voerbaarheid van het vonnis opgeschort. |
(8) Het vonnis vervalt, zodra de neergelegde verordening is afgekondigd. |
(4) Het vonnis wordt uitvoerbaar: : |
a. zodra aan de nedergelegde verordening tot wijziging van een detailplan | goedkeuring is onthouden; |
b. bij overschrijding der termijnen, bedoeld in art. 11; |
€, indien de neergelegde verordening tot wijziging van het planelement niet | binnen één jaar na de nederlegging is afgekondigd. |
| |
Ee, 134 STADSVORMINGSORDONNANTIE | ES 35. Schadeloosstelling in andere gevallen. (1) Het bepaalde in de artikelen 30 | tot en met 33 doet niet af aan de bevoegdheid van de gemeente om in afwijking | daarvan of in andere gevallen in schadeloosstelling te voorzien. | (2) De goedkeuring van stadsvormingsvoorschriften kan afhankelijk worden gesteld van voorzieningen tot schadeloosstelling in afzonderlijke gevallen.
- Rechten van hypotheekhouders. (L) Ingeval rechthebbenden ingevolge het bepaalde in artikel 30 enige schadeloosstelling van de gemeente te vorderen heb: ben, komt aan hen, op wier naam op het betrokken perceel is ingeschreven een recht van hypotheek van credietverband of van oogstverband, het recht toe om met in achteneming van de rangorde van hun rechten hun vordering, ongeacht of zij opeisbaar is of niet, tot het beloop daarvan bij voorrang op de schadeloos- stelling te verhalen, behoudens het bepaalde in artikel 1139 sub le van het Bur- gerlijk Wetboek.
De gemeente is gehouden, op straffe van aansprakelijkheid, de schadeloos- stelling tot het beloop der door de hypotheek en/of verband gedekte vordering onder zich te houden, teneinde de houder van het recht van hypotheek of van crediet- of oogstverband’ in de gelegenheid te stellen zijn verhalsrecht daarop uit te oefenen. |
(2) Het bepaalde in het vorig lid is van overeenkomstige toepassing op de koop- som, ingeval de gemeente ingevolge het bepaalde bij de artikelen 32 en 33 tot gehele of gedeeltelijke aankoop van'een perceel onderscheidenlijk afkoop van het daarop rustende recht overgaat.
In dit geval vervalt de hypotheek of het verband, voor zover rustend op het aangekochte, van rechtswege.
Van het vervallen van de hypotheek of het verband wordt op vordering en op kosten van de gemeente op de minute en grosse van de desbetreffende ge- rechtelijke akte aantekening gehouden:
(3) Ingeval een zakelijk recht, waarop een recht van hypotheek of crediet- of | oogstverband rust, op grond van het tweede lid van artikel 32 of van het derde | lid van artikel 33 worde geruild;-wordenrde daarop rustende rechten op vor:
dering van de gemeente doorgehaald, doch niet vóórdat oop enkel verzoek van de houder van het recht van hypotheek of crediet- of oogstverband, de rechten volgens hun rang op het door de gemeente in ruil gegeven zakelijk recht zijn overgeschreven. Dit verzoek moet op straffe van verval van recht zijn ingediend uiterlijk drie maanden, nadat de gemeente de houders van de rechten van de
ruil in kennis heeft gesteld. mis 4
Na deze kennisgeving kan het door de gemeente door de ruil verkregen ver hypothekeerd of verbonden zakelijk recht niet meer door de houders worden geëxecuteerd, noch kan door hen worden gebruik gemaakt van het beding, be-
doeld in het tweede lid van-artikel 1178 van het Burgerlijk Wetboek.
(4) De in het vorig lid bedoelde overschrijving is vrij van zegelrecht; de ove rige kosten komen ten laste van de gemeente. Artikel 30 lid (3) is van overeen: komstige toepassing.
{ §.2. Bepaling Van Schadebedragen En Waarden.
- Bepaling van schadebedragen. (1) Ter bepaling van de schade gelegen " de waarde van bebouwde of onbebouwde percelen door de vaststelling van planelementen, wordt vergeleken de werkelijke waarde van het geheel op het tijdstip van het ontstaan van het recht op schadevergoeding, achtereenvolgens zende en met mederekening van de invloed van de schadeoorzaak. 8
(2) Onder werkelijke waarde wordt verstaan; hetgeen artikel 37 van de Of! ke ene dzaronder verstaat. zi
- verband tussen bestemming en waardebepaling. (1) Bij de toepassing V' de artikelen 18 lid (6), 19 lid (4), 32 en 33 en Aken de Schadeloos- stelling bij onteigening geschiedt de bepaling der.waarde van gronden of gr ond: rechten met inachtneming van de volgende voorschriften.
(2) Geen rekening wordt gehouden met een bestemming in de stadsvor mingsvoorschriften tot openluchtkring, verkeerskring, water- of Jeidingenkring of tot een erf voor publieke bouwwerken.
À
arr ee) STADSVORMINGSORDONNANTIE 135 Den EO er een ne nennen en
(8)-Grond, gelegen buiten de grens van het stadsareaal en niet binnen een bouwkring, wordt niet als bouwterrein gewaardeerd.
(4) Bij de waardebepaling van grond als bouwterrein worden in rekening ge- | bracht de lasten, voortvloeiende uit de bepalingen, bedoeld in artikel 18 leden | (6) en (7) en uit de heffingen, welke krachtens de artikelen 41 en 42 kunnen worden opgelegd.
- Waardebepaling bij onteigening van perceelsgedeelten. (1) Met afwijking in zoverre van het bepaalde in de artikelen 37 en 38 van de onteigeningsordon- nantie, wordt bij onteigening van gedeelten van percelen, ter bepaling van de schade aan het goed geleden, vergeleken de werkelijke waarde van het na de onteigening overblijvend gedeelte.
(2) Indien echter die onteigening plaats heeft ten behoeve van een werk welke kosten ook op de rechthebbende op het overblijvend perceelsgedeelte verhaald kunnen worden middels heffing van een aanlegbijdrage of een boetheffing, wordt vergeleken de werkelijke waarde van het geheel vóór de onteigening met de werkelijke waarde van het overblijvende gedeelte na de onteigening en na de uitvoering van het werk, waartoe onteigend wordt.
- Waardebepaling bij aanleg- or bouwhandelingen op te onteigenen gron- den. (1) Indien met vrijstelling van enig stadsvormingsvoorschriften betreffende de bestemming van gronden een aanleg- of bouwvergunning js verleend, ge- schiedt zulks steeds onder het stellen der voorwaarden, dat bij de opvolgende onteigening ter verwerkelijking van die bestemming de meerdere waarde van het onder vrijstelling aangelegde of gebouwde voor de berekening der schade- loosstelling niet in aanmerking komt.
(2) In geval van herstelling van bestaande aanleg- of bouwwerken kunnen bur- gemeester en wethouders vóór de beschikking op de aanvraag om aanleg- of
bouwvergunning de aanvrager aanzeggen, dat het werk weldra zal moeten wor- den onteigend. Alsdan zal bij onteigening binnen twee jaren niet meer worden vergoed dan de waarde vóór het verlenen van de vergunning. HOOFDSTUK IV »VAN-DE‘KOSTEN.
- Aanleg bijdrage. (1) Indienrderaadin-het algemeen of in bepaalde ge- vallen de ten laste der gemeente komende uitgaven tot rechtstreekse stedebouw- kundige uitrusting of verbeterde uitrusting van erven op belanghebbenden wil: verhalen, is hij bevoegd daartoe onder den naam „aanleg bijdrage’’ een belas- ting vast te stellen naar de volgende beginselen. : i
(2) De belasting strekt.tot goedmaking der kosten van aanleg of verbetering van die werken, daaronder. begrepen de bijkomende kosten zoals de uitgaven voor grondaankoop opmetingen, opmaken van plannen en renteverlies.
(3) De gronslagen dezer belasting.worden zodanig vatgesteld:
a. dat ten aanzien van aanleg of verbetering niet meer geheven wordt dan de werkelijk gemaakte kosten;
b. dat niet meer geheven wordt dan de kosten van hetgeen naar de, uit de stadsvormingsvoorschriften af te leiden maatstaven voor de op de betrokken gronden toegelaten soort van bebouwing, ene normale stedebouwkundige uit- rusting is te achten;
c. dat de omslag over gronden die in stedebouwkundig opzicht gelijksoortig zijn, naar een gelijke maatstaf geschiedt. De belastingverordening regelt de mo- gelijkheid om de belasting te betalen in grond.
(4) De invordering der belasting wordt over een billijk aantal jaren — zoveel mogelijk dertig niet te boven gaande — verdeeld, en in betrekking gebracht tot aanmerkelijke wisselingen in huurwarde gedurende het tijdvak van invordering.
(5) Echter kan worden bepaald, dat de belasting dadelijk in haar geheel ver- schuldigd is met betrekking tot erven waarop tot nieuwbouw of gehele verniu- wing of verandering van een gebouw bouwvergunning wordt verleend.
(6) De belastingverordening kan voorzien in ene voorlopige heffing op een grondslag van de geraamde kosten van aangevangen aanleg- of verbeteringswer- ken. Het betaalde bedrag wordt met de aanslag in de definitieve: heffing verrekend. ;
On —. —e
EE,
136 STADSVORMINGSORDONNANTIE
| Rn
| 42. Baatheffing. (1) De raad is bevoegd onder de naam baathef. fing een be-
| lasting vast te stellen wegens de ten laste der gemeente komende uitgaven voor
bepaald aan te wijzen stedebouwkundige werken geen gebouwen — indien en zover binnen het stadsareaal gelegen gronden daardoor boven hun normale en rehtstreekse' stedebouwkundige uitrusting zijn gebaat.
(2) De grondslagen dezer belasting worden zodanig vastgesteld:
a. dat niet meer geheven wordt dan de werkelijke kosten (de bijkomende ko- sten daaronder begrepen) en voor zover die niet reeds tot grondslag van de hef- fing ener anlegbijdrage strekken;
b. dat het gebied wordt aangewezen waarbinnen de belasting zal worden geheven;
c. dat binnen evengenoemd gebied kringen worden aangewezen, waar we- gens merkelijk verschil in baat naar verschillende maatstaf behoort te worden belast;
d. dat binnen elk evengenoemde kringen de belasting naar een gelijke maat- staf wordt geheven. :
(3) Artikel 4l-lid"(4)rissvanvovereenkomstige toepassing.
| 43. Verrekening. (1) Bij de heffing van een aanlegbijdrage of een baatheffing
| wordt rekening gehouden met de bijzondere waardebepaling, voorgeschreven
| in artikel 19 lid (4) en in artikel 39 lid (2), ook wanneer die bij minnelijke aan- koop is toegepast en met devaamveen aanlegvergunning verbonden bepalingen, als bedoeld in artikel 18 lid (4) onder c en d.
(2) Het om te slaan bedrag wordt-verhoogd en de betrokken aanslagen wor- den verlaagd met het bedrag waarvoor de gemeente door deze bijzondere waar- debepaling en de aan de vergunning verbonden bepalingen is gebaat.
- Toepasselijkheid gewone bepalingen van belastingheffing. Op de belas- tingverordeningen, bedoeld in de artikelen 41 en 42 zijn van toepassing alle voor- schriften ter zake, van belastingheffing door de betrokken gemeente vastgesteld.
HOOFDSTUK V“OVERGANGS~EN SLOTBEPALINGEN.
- Invordering kosten politiedwang.(1)De bouwverordening regelt de wijze, waarop de kosten gemaakt bij de handhaving van deze ordonnantie en van de stadsvormingsvoorschriften, alsmede van de bepalingen der vergunningen en der lastgevingen door middel van politiedwang, worden vastgesteld en aan de overtreder bekend gemaakt, zomede de termijn — niet/minder dan acht dagen — binnen welke het bedrag in de gemeentekas moet zijn gestort. f
(2) De invordering van niet tijdig gestorte gelden geschiedt bij dwangschrift met overeenkomstige toepassing;van het bepaalde in de ordonnantie van 27 Au- gustus 1926 (Staatsblad No. 372) met de daarin aangebrachte of aan te brengen wijzigingen.
- Vernietigingen. (1) Elk krachtens deze ordonnantie of daarop steunende verordening, genomen besluit kan door de Gouverneur-Generaal bij een met ré- denen: omkleed besluit worden vernietigd.
(2) Het betrokken gezag besluit opnieuw met inachtneming van de motieven van het vernietingsbesluit.
Termijnen. Indien van enig besluit of van enige beschikking, krachtens deze ordonnantie of daarop steunende verordeningen genomen, beroep na afloop van de daarvoor gestelde termijn wordt ingesteld, kan het tot het ontvanger van het beroep bevoegd gezag de bezwaarde alsnog ontvankelijk verklaren, 1° dien te zijnen genoege blijkt, dat de indiening binnen de gestelde termijn re- delijkerwijs niet heeft kunnen plaats hebben. y
Verantwoordelijkheid. (1) Burgemeester en wethouders zijn voor hun uit: voering van de stadsvormingsvoorschriften en van deze ordonnantie ver On aan de raad. |
urgemeester en wethouders geven te dien i ijk als al” zonderlijk, alle door de raad Ernie tach anaes tual de
ei, Neeap cmschriftere (1) De bouwverordening bepaalt: -
: > in plaats van indiening van bescheiden het afleggen van mon delinge verklaringen ten gemeentekantore geoorloofd is; ä
Oe STADSVORMINGSORDONNANTIE 137
b. de wijze, waarop ten behoeve van belanghebbenden moet blijken van de uitreiking aan hen en de indiening door hen van bescheiden of van inhoud en tijdstip hunner mondelinge verklaringen.
(2) Indien tegen een besluit of beschikking hogere voorziening open staat, wordt aan belanghebbenden schriftelijk medegedeeld, bij welke autoriteit, binnen welke termijn en onder welke andere bepalingen zulks mogelijk is.
(8) Alle besluiten tot onthouding van goedkeuring of machtiging en tot beschik- king op bezwaren, klachten of beroep worden met redenen omkleed.
- Jaarverslag. (1) Jaarlijks dienen burgemeester en wethouders aan de di- recteur en aan de raad een verslag in over de werking van deze ordonnantie en van de stadsvormingsvoorschriften; de raad kan voorschriften geven met be- trekking tot de inrichting dier verslagen.
(2) Van die gedeelten van het verslag, welke betrekking hebben op monu- menten in den zin der Monumentenordonnantie of op locale cultuurmonumen- ten, wordt een afschrift gezonden aan het Hoofd van den Oudheidkundigen Dienst; van die welke betrekking hebben op locale natuurmonumenten aan de Hoofdinspecteur, Hoofd vande. Dienst van het. Boswezen.
- Toepassing. (1) Deze ordonnantie is van kracht voor steden en andere plaatsen, welk een zodanige daadwerkelijke of te verwachten stedebouwkun- dige ontwikkeling vertonen, dat het vaststellen van stadsvormingsvoorschrifen voor haar gebied noodzakelijk moet worden geacht.
(2) De Gouverneur-Generaal wijst aan welke steden en andere plaatsen vol- doen aan het bepaalde in het eerste lid.
(3) Deze ordonnantie is mede van toepassing op personen, onderworpen aan de rechtsmacht van rechters, die recht spreken op de voet van de ordonnantie van 18 Februari 1932 (Staatsblad 1932 No- 80).
- (1) Indien de Gouverneur-Generaal ingevolge het bepaalde in het tweede lid van het vorige artikel steden of andere plaatsen heeft aangewezen, welke nog niet als een gemeente zijn geconstitueerd dan wel, naar zijn, bij de aan- wijzing bekend te stellen, oordeel-nog niet-beschikken over gemeentelijke or- ganen van voldoende ontwikkeling om de-voorschriften dezer ordonnantie in toepassing te brengen, worden tot-een.door de Gouverneur-Generaal te bepa- len tijdstip de bij de deze ordonnantie aan de’Raad, aan burgemeester en wet- houders en aan de burgemeester toegekende of opgedragen bevoegdheden en verrichtingen uitgeoefend door de Resident. '
(2) De Resident is bevoegd de aan burgemeester en wethouders en aan de bur- gemeester toegekende of opgedragen bevoegdheden en verrichtingen te doen uitoefenen door een door hem aangewezen gezaghebbende.
(3) De voorgeschreven verrichtingen, welke ten gemeentekantore moeten ge- schieden zullen tot het in het eerste lid-bedoelde tijdstip plaats vinden ten kan- tore van de Resident of de door deze aangewezen gezaghebbende.
Behoudens het bepaalde in het volgende artikel zullen de rechten en verplich- tingen, welke krachtens deze ordonnantie ten bate en ten laste komen van de gemeente, tot evengenoemd tijdstip op overeenkomstige wijze ten bate en ten laste komen van het Land. De invordering bij dwangschrift, bedoeld in artikel 45 lid (2), geschiedt tot evengenoemd tijdstip met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in het Koninklijk Besluit van 3 Juli 1879 No. 27 (Staatsblad No. 267), zoals dit sedert is gewijzigd en aangevuld. De uitgifte van de dwangschriften geschiedt door de Resident.
- Overgangsbepaling. De bouwverordening stelt de overgangsbepalingen vast, die nodig zijn wegens de trapsgewijze aanpassing der bestaande verorde- ningen, besluiten en plannen aan de voorschriften dezer ordonnantie. ;
54, In werkingtreding en Titel. (1) Deze ordonnantie treedt in werking op een door de Gouverneur-Generaal voor de onderscheidene gebiedsdelen afzonder- lijk te bepalen tijdstip.
(2) Zij kan worden aangehaald als ,,Stadsvormingsordonnantie’’.
Uitgegeven de 9de Augustus 1948 door de Algemene Secretaris.
nn a
