Monumentenordonnantie
} | MONUMENTENORDONNANTIE 117 | eres ee | | ten worden, indien zulks mogelijk is, ter beschikking gesteld van den Directeur | van 's Lands Plantentuin te Buitenzorg; indien dit niet mogelijk is, worden zij | vernietigd. | 12. (1) Behalve de personen, die in het algemeen zijn belast met het opsporen | van strafbare feiten, zijn met het opsporen van de in deze ordonnantie straf- baar gestelde feiten mede belast: le. de daartoe door de Residenten aangewezen ambtenaren bij het Binnen- | landsch Bestuur; 2e. de boschbeheerders en de door hen aangewezen onder hen dienende ambtenaren en beambten; 3e. de personen belast met de uitoefening van het beheer over eenig natuur- reservaat of natuurpark; 4e. de leden van de in artikel 12 van de Jachtordonnantie Java en Madoera 1940 bedoelde Jachtcommissies. (2) De politioneele bevoegdheid van de in lid (1) onder le en 2e bedoelde per- } sonen strekt zich niet verder uit dan tot hun ambtsressort. (3) De in lid (1) onder le tot en met 4e bedoelde ambtenaren en personen wor- den door of namens het Hoofd van gewestelijk bestuur voorzien van een legi- timatiebewijs van een door den Directeur van Binnenlandsch Bestuur vast te | stellen model, waarin hun politioneele bevoegdheid is omschreven. | 13. (1) Alle op de bepalingen van de ,,Natuurmonumenten- en Wildre- servatenordonnantie”’ (Staatsblad 1932 No. 17) gegronde voorschriften en maat- | regelen blijven, voor zoover niet strijdig met de bepalingen van deze ordon- nantie, van kracht, totdat zij door andere, overeenkomstig de bepalingen van deze ordonnantie gegeven voorschriften of getroffen maatregelen zijn vervangen. (2) Waar in ordonnanties, regeeringsverordeningen en besluiten wordt gespro- ken van: a a. natuurmonument, t b. wildreservaat, rs wordt, zoolang niet anders is bepaald,-daarvoor gelezen: a. natuurreservaat, : b. natuurpark. (3) In door derden op het tijdstip van de "inwerkingtreding van deze ordon- nantie binnen bestaande wildreservaten uitgeoefende rechten wordt geen wij- ziging gebracht dan nadat terzake met de rechthebbenden overeenstemming is verkregen. Y 14. (1) Deze ordonnantie kan worden aangehaald als ,,Natuurbeschermings- ordonnantie 1941". (2) Zij is mede van toepassing op personen, behoorende tot de Inlandsche be- volking in rechtstreeks bestuurd gebied; die aande rechtsmacht van den in- heemschen rechter is onderworpen. 15. Deze ordonnantie treedt in werking met ingang van een nader door den | Gouverneur-Generaal te bepalen datum. i | Uitgegeven de dertienden Juni 1941 door de Algemeene Secretaris. | hermen dna) es MONUMENTENORDONNANTIE S. 1931—238. ; (Besluit van den Gouverneur-Generaal van 13 Juni 1931 No. 19). Hiermee vervallen verklaard: Artikel 528 van het Wetboek van Strafrecht voor Nederlandsch-Indié. ; ‘ Art. 1. (1) Onder monumenten worden in deze ordonnantie verstaan: a. door menschenhand tot stand gekomen onroerende of roerende zaken, dee- len of groepen van zaken, dan wel overblijfselen daarvan, die in hoofdzaak ou- der zijn dan 60 jaar of tot een tenminste 50 jaar oude stijlperiode behooren en voor de praehistorie, geschiedenis of kunst van groot belang worden geacht; b. voorwerpen, die uit een palaeontologisch oogpunt van groot belang wor- | i, eeens ä
EN. | | i 118 MONUMENTENORDONNANTIE | H —— | | | den geacht; La | | c. terreinen, waaromtrent gegronde aanwijzing bestaat, dat zij zaken als on- der a en b bedoeld bevatten; j
! een en ander voor zoover zijn in een daartoe door de’zorgen van het hoofd |
| van den oudheidkundigen dienst aan te leggen en bij te houden register, aan
| be coe als ad centraal monumentenregister, voorloopig dan wel de- initief zijn ingeschreven.
| (2) Met de in het vorig lid onder a bedoelde zaken worden gelijkgesteld en uit dien hoofde gelijktijding ingeschreven de roerende of onroerende zaken, welke | door hare oorspronkelijke of tegenwoordige bestemming daartoe behooren,
| alsmede terreinen, waarvan de beplanting, bebouwing of algemeene toestand erk belang is of worden kan voor de in het vorig lid onder a be- oelde zaken.
- (1) Omtrent voorgenomen inschrijving van aan den Lande of autonome ge-
| meenschappen toebehoorende of daarbij in beheer zijnde zaken wordt door den en moven en Eeredienst overleg gepleegd metde autoriteit, bij
wie de zaken in-beheer zijn: it |
(2) Inschrijving van aan particulieren toebehoorende zaken kan geschieden al
| dan niet op verzoek. In het laatste geval geeft de directeur van Onderwijs en Eeredienst aan den eigenaar of rechthebbende, per geadviseerden dienstbrief of zoo noodig telegrafisch, danwel door tusschenkomst van den betrokken re-
gent, voor zoover Java en Madoera betreft, en elders den plaatselijken be-
stuursambtenaar kennis van het voornemen tot inschrijving, waartegen de
| betrokkene binnen drie maanden na de dagteekening der kennisgeving bij ge-
noemd departementshoofd in verzet kan komen. Indien de eigenaar of rechtheb- f
bende geen bekend adres in Nederlandsch-Indië heeft en geen gevolmachtigde,
| of indien hij niet bekend is, geschiedt de kennisgeving door oproeping in de
| ne a Beet seit #2 mogelijk in het geese
| aarin de zaak . De oproe eschiedt t t en-
tijd van tenminste een maand: neen in dit BONDEN an sangetee |
A kend binnen drie maanden na-den datum van plaatsing der laatste oproeping.
(3) Indien binnen den vastgestelden termijn verzet wordt aangeteekend, wordt
i door den directeur van Onderwijs en Eeredienst het advies ingewonnen van den | voorzitter der oudheidkundige commissie, welk advies aan de Regeering wordt overgelegd, indien. de beslissing in eersten aanleg of h b bij Haar ice g of hooger beroep bij
(4) Zoodanig advies wordt eveneens gevraagd e ij ij Regee-
| fee Sea iN het hoofd van den BOE Cicer cect oan al de
1 recteur van Onderwijs en Beredienst idi inwilligi n
Ù verzoek tot inschrijving aanwezig tis Eeen uta
- Indien er, naar het oordeel van'den directeur van Onderwijs en Eeredienst,
Ee gedurende den tijd, dat een voorstel of een verzoek tot inschrijving in behan- deling ls, gevaar bestaat, dat de toestand, waarin de betrokken zaak zich be- va Rek verslechteren zal, kan hij last geven tot voorloopige inschrijving
| 3 enen aar nae monumentenregister. Deze geldt voor een termijn van
| IV es e termijn twee maal met een gelijken duur kan worden ver
ennen
| "One eigenaar of end eeen behoe
Definitieve inschrijving geschied
| Noor zoover betreft Sricsronde ene ee BE ari Ane
{ 7 :
ey en Er gen oen van Onderwijs en Bereden
| wordt onmiddellijk mededeeling gedaan in de
| Rane Aree even morse zij ter kennis gebracht van de autoriteit, bij wie
| zaak van den eigenaar of rechthebbend
| DG : a Eh
| se patrende nn ee Jaar kan door den eigenaar of rechtheb-
f MOPS van ; van dit artikel door den dieten Onde ed per ae den ten Bes rwijs en Eeredienst genomen be an a oa Gouverneur-Generaal worden gericht.
| an de definitieve inschrijving wordt, indien van de zaak een eigendoms-
/ ;
MONUMENTENORDONNANTIE 119 En ee ee acte bestaat, op de minuut en zooveel mogelijk ook op de grosse dier acte ko- steloos aanteekening gehouden door den griffier of anderen met de bewaring van bedoelde minuut belasten ambtenaar, die daartoe van elke inschrijving van het hoofd van den oudheidkundigen dienst mededeeling ontvangt.
- (1) Doorhaling van een voorloopige of definitieve inschrijving in het open- baar centraal monumentenregister geschiedt op last van den directeur van On- derwijs en Eeredienst indien zij door hem is bevolen en anders op last van den Gouverneur-Generaal.
(2) Ten aanzien van de doorhaling zijn van overeenkomstige toepassing de voor- schriften onder (2), (3), (4), (6), (7) en (8) van het vorige artikel.
- (1) Schade door den eigenaar of rechthebbende rechtstreeks tengevolge van de inschrijving van een zaak in het openbaar centraal monumentenregister ge- leden, wordt door het Land vergoed.
(2) Onmiddellijk na de inschrijving doet de Gouverneur-Generaal indien door den eigenaar of rechthebbende schade, als bedoeld in het vorige lid, is geleden, aan den belanghebbende een schadeloosstelling aanbieden. Indien dit aanbod niet binnen drie maanden-is-geschied;of-de-belanghebbende-met het aangebo- dene geen genoegen neemt, wordt de schadeloosstelling vastgesteld door drie deskundigen, van welke partijen er elk een en deze laatsten tezamen den derde aanwijzen.
- (1) De eigenaar of beheerder van een monument is verplicht dit in goeden staat te onderhouden. 5
(2) Bij nalatigheid kan hij door den directeur van Onderwijs en Eeredienst wor- den aangeschreven, de voor het onderhoud noodig geachte werken uit te voe- ren binnen een door dit departmentshoofd te bepalen termijn; hij is gehouden, . daarbij te volgen'de door of namens het-hoofd van den oudheidkundigen dienst gegeven aanwijzingen.
(8) Blijft de eigenaar of beheerder in gebreke de in lid (2) bedoelde werkzaam- heden uit te voeren, dan kunnen deze. van Landswege worden uitgevoerd, waarna de kosten geheel of gedeeltelijk op dien eigenaar of beheerder kunnen worden verhaald. 4
(4) Indien de bestemming van een monument schade berokkent aan of gevaar oplevert voor dat monument, kan het ten name van den Lande worden ontei- gend ook zonder voorafgaande verklaring, dat het algemeen nut onteigening vordert.
(5) Het hoofd van den oudheidkundigen dienst kan alsdan onmiddellijk inbe- zitneming van het monument gelasten; hij dient daarop zoo spoedig mogelijk een voorstel tot onteigening bij den Gouverneur-Generaal in.
(6) De Gouverneur-Generaal gelast of weigert de onteigening na raadpleging van den directeur van Onderwijs,en._Eeredienst.
(7) Indien onteigening wordt gelast, doet de Gouverneur-Generaal aan den ei- genaar of rechthebbende een schadeloosstelling aanbieden. Indien dit aanbod niet binnen drie maanden is geschied, of de belanghebbende met het aangebo- dene geen genoegen neemt, wordt de schadeloosstelling vastgesteld door drie deskundigen, van welke partijen er elk een en deze laatsten tezamen den derde aanwijzen.
(8) Wordt de onteigening geweigerd, dan wordt het monument onmiddellijk wederom ter beschikking gesteld van den eigenaar of rechthebbende en dezen de rechtstreeksche schade, door hem ten gevolge van de inbezitneming van het monument geleden, vergoed. Het bepaalde bij het vorige lid betreffende aan- bod en vaststelling der schadevergoeding vindt overeenkomstige toepassing.
- (1) Het is verboden zonder vergunning van het hoofd van den oudheid- kundigen dienst uit Nederlandsch-Indië uit te voeren: voorwerpen, welke voor- loopig of definitief in het openbaar centraal monumentenregister zijn ingeschreven of, ingevolge artikel 8 lid (2), geacht worden daarin voorloopig te zijn ingeschreven, zoomede voorwerpen, dateerende uit den vóór- Mohammedaanschen tijd, ook al zijn zij niet in genoemd register ingeschreven.
(2) Het is verboden zonder toestemming van het hoofd van den oudheidkun- digen dienst een monument te herstellen, te vernietigen, in het uiterlijk, den vorm of de bestemming daarvan verandering te brengen, onroerende zaken aan
120 MONUMENTENORDONNANTIE | nn if een monument te onttrekken dan wel tot een monument behoorende een mo- | nument uitmakende roerende zaken naar een andere plaats te vervoeren. |
(8) Aan de toestemming kunnen door genoemd diensthoofd voorwaarden wor- den verbonden. }
(4) Het toezicht op de verrichtingen, waartoe toestemming wordt verleend, berust bij den oudheidkundigen dienst.
(5) Op schriftelijk of telegrafisch verzoek van het hoofd van den oudheidkun- digen dienst doet de betrokken assistent-resident, voor zoover Java en Madoera betreft, en elders het hoofd van plaatselijk bestuur gelasten, dat, desnoods op kosten der overtreders, wordt weggenomen, belet of verricht hetgeen zonder de toestemming van dat diensthoofd, dan wel in strijd met krachtens lid (8) op- gelegde voorwaarden is verricht, ondernomen of nagelaten. Behalve in spoe- deischende gevallen geschiedt dit niet, dan nadat de eigenaar, rechthebbende of beheerder door of namens genoemd diensthoofd is gewaarschuwd.
| (6) Het hoofd van den outheidkundigen dienst is bevoegd te gelasten, dat mo- numenten, welke in strijd met het bepaalde bij lid (1) of (2) van dit artikel naar een andere plaats zijn of worden vervoerd; worden aangehouden en naar de plaats, waar zij zich hebben bevonden, worden teruggebracht.
(7) Aan het hoofd van den oudheidkundigen dienst, de door hem aan te wij- zen ambtenaren van zijn dienst, alsmede aan andere personen, voorzien van een schriftelijke machtiging van het diensthoofd, wordt door den eigenaar of be- heerder van, of den rechthebbende op een monument, toegang daartoe verleend. | Indien deze na een schriftelijk verzoek wordt geweigerd, kan de betrokkene zich door den betrokken assistent-resident, voor zoover Java en Madoera betreft, en | elders het hoofd van plaatselijk bestuur toegang doen verschaffen, behalve tot | die gedeelten, waarvan het betreden.volgens godsdienstige voorschriften of al- gemeen erkende godsdienstige opvattingen is verboden.
(8) Op een door of namens het hoofd van den oudheidkundigen dienst gedaan verzoek verleent de eigenaar of beheerder van of rechthebbende op een mo- nument zijn medewerking om dit te doen.opmeten, in teekening te brengen, te beschrijven en te fotografeeren: Bij weigering kan de hulp van den sterken arm worden ingeroepen om de gewenschte verrichtingen mogelijk te maken.
._ _ (9) De Gouverneur-Generaal beslist, of op de tot monument aangewezen ter- À reinen de uitoefening van landbouw- of boschbedrijf al dan niet zal zijn toegestaan.
- (1) In geval van overdracht van een monument is de eigenaar of rechtheb- bende gehouden het: hoofd van den oudheidkundigen dienst tenminste veertien dagen van te voren van het voornemen tot overdracht in kennis te stellen.
(2) Hij, die het bezit vaneen monument verliest of verkrijgt, is verplicht daar- | van binnen den in lid (1) genoemden termijn aldan niet door tusschenkomst van een bestuursambtenaar aan het hoofd van den oudheidkundigen dienst kennis | te geven, in het geval van verlies onder bekendstelling van de omstandigheden, waaronder dit heeft plaats gevonden.
(3) Van alle veranderingen van bezit van een monument, alsmede van verlies daarvan, wordt aanteekening gehouden in het openbaar centraal monumentenregister. i
- (1) De vinder van een schat in den zin van artikel 587 van het burgerlijk ij wetboek, waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed, dat zij een roerende | zaak, als bedoeld in lid (1) sub a of b of lid (2) van artikel 1 van deze ordon- | nantie, uitmaakt, is verplicht daarvan onverwijld mededeeling te doen aan den | regent, voor zoover Java en Madoera betreft, en elders het hoofd van plaatse- lijk bestuur, in wiens ressort de vinder zijn domicilie heeft, welke ambtenaar | eee aangifte, in belangrijke gevallen telegrafisch, het hoofd van den oud- |
6 undigen dienst in kennis stelt, onder mededeeling van de bijzonderheden, | die te zijner kennis zijn gekomen. ;
(2) Gevonden voorwerpen, als bedoeld in het vorige lid, alsmede de vindplaat- | sen, met een door den betrokken regent, voor zoover Java en Madoera betreft, | en elders het hoofd van plaatselijk bestuur aan te geven begrenzing, worden |
Beverst sie geacht als voorloopig te zijn ingeschreven in het openbaar ntenregister. De voorschriften van artikel 2, lid (5), zijn te de- |
MONUMENTENORDONNANTIE 121 | | zen van overeenkomstige toepassing. | (3) Het hoofd van den oudheidkundigen dienst kan voor de definitieve inschrij- | ving voor rekening en risico van den Lande, opzending der gevonden voorwer- | pen aan zijn adres te Batavia gelasten. | (4) De in het eerste lid bedoelde schatten kunnen ten name van het Land wor- | den onteigend ook zonder voorafgaande verklaring, dat het algemeen nut on- teigening vordert. Op deze onteigening is van toepassing het bepaalde bij artikel 5 lid (5) tot en met (8). i 9. Het is verboden opgravingen te verrichten naar zaken, als omschreven in i} het eerste lid van artikel 1 van deze ordonnantie sub a en b, zonder schriftelijke i vergunning van het hoofd van den oudheidkundigen dienst. Aan deze vergun- | ning kunnen voorwaarden worden verbonden. Niet nakoming van deze voor- | waarden kan intrekking van de vergunning ten gevolge hebben. 10. Tegen de door het hoofd van den oudheidkundigen dienst krachtens ar- tikel 6 leden (i) en (2) en artikel 9 genomen beslissingen, tegen de door-hem | krachtens artikel 6 lid (3) en artikel 9 gestelde voorwaarden, alsmede tegen de door hem krachtens artikel 5 lid (2) gegeven aanwijzingen, kunnen door be- langhebbenden binnen vier maanden na den datum van verzending van het des- betreffend schrijven van genoemd diensthoofd, bezwaren worden ingebracht bij den directeur van Onderwijs en Eeredienst. Deze beslist na ingewonnen ad- vies van den voorzitter der oudheidkundige commissie. 11. Ter uitvoering van deze ordonnantie-worden bij Regeeringsverordening | nadere voorschriften gegeven voor eigenaren van, rechthebbende op en beheer- | ders van monumenten ter verzekering van de instandhouding van die monu- | menten, alsmede met betrekking tot het openbaar centraal monumentenregister. | 12. (1) Overtreding van het bepaalde bij artikel 6 lid (1) of (2) of artikel 9, niet-nakoming van de verplichting, opgelegd bij artikel 7 lid (1) of (2) of artikel 8 lid (1), alsmede niet-nakoming van de ‘voorwaarden, gesteld krachtens artikel 6 lid (3) of artikel 9, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste vijfhonderd gulden. (2) Indien een bij het vorige lid strafbaar gesteld feit gepleegd is door of van- wege een rechtspersoon, wordt de strafvervolging ingesteld en de veroordee- ling uitgesproken tegen de bestuurders” of vertegenwoordigers in Nederlandsch-Indië. 2 (3) De voorwerpen bedoeld bij artikel 6 lid (1), artikel 7 leden (1) en (2), artikel 8 lid 1 en artikel 9, kunnen, voor zoover zij den veroordeelde toebehooren, wor- den verbeurd verklaard. (4) De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen. y 13. Behalve de personen die in het algemeen belast zijn met het opsporen van strafbare feiten, zijn met het opsporen van overtredingen van de bepalingen de- zer ordonnantie ieder binnen zijn ressort,-mede belast: j a. het hoofd van en de ambtenaren bij den oudheidkundigen dienst; b. het personeel bij den dienst van het boschwezen, vanaf den rang van op- ziener (opzichter); c. de met het plaatselijk toezicht op uitvoering van werken belaste ambtenaar der burgerlijke openbare werken. :
- Deze ordonnantie kan worden aangehaald onder den titel van » Monumentenordonnantie’’.
Ten derde: ; :
Deze ordonnantie treedt in werking met ingang van den dertigsten dag na dien harer afkondiging.
Uitgegeven den dertigsten Juni 1931 door de Algemeene Secretaris.
ee ee ES
