Hinder-Ordonnantie
B. 138 HINDER-ORDONNANTIE nn en HINDER-ORDONNANTIE. (*) Nieuwe bepalingen omtrent het oprichten van inrichtingen, welke gevaar schade of hinder kunnen veroorzaken. ; (Ord. v. 18 Juni 1926.) S. 26—226. (twg. 1 Aug. °26.)
Consid. Dat Hij, de bepalingen omtrent het oprichten van inrichtingen, welke gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken, willende herzien en opnieuw afkondigen.
| Hierbij is goedgevonden en verstaan :
| I. Met intr. van de resolutie van 3 Febr. 1836 No. 11 (S. No. 10), zooals die sedert is gew. en aangev., en van de ord. v. 29 Maart 1866 (S. No. 27), zooals gew. door art. 6 onder No. 26 der Invoeringsverordening Strafwetb. van 4 Mei 1917 (S. No. 497), te bepalen als volgt : zie beneden.
Il. Deze ord. treedt in werking met ingang van 1] Aug. 1926.
Art. 1. (1) Het is verboden om zonder vergunning op te richten de volgende inrichtingen: i
J. die, gedreven*door stoom= en gaskrachtwerktuigen, zoomede door electromotoren en andere inrichtingen bij welke stoom, gassen of dampen
| van hooge spanning worden gebezigd ; (Bb. 11629.) (?)
II. die, bestemd tot vervaardiging, verwerking en bewaring van
| buskruit en andere ontplofbare stoffen, waaronder de fabrieken en bewaarplaatsen van vuurwerken ; ‘ Val :
III. die, bestemd tot vervaardiging van chemicalia, waaronder be- grepen lucifersfabrieken ;
| IV. die, bestemd tot verkrijging, verwerking en bewaring van vluchtige producten ;
V. die, bestemd tot de droge ‘distillatie van plantaardige en dierlijke zelfstandigheden en de verwerking van de daardoor verkregen producten, waaronder (gasfabrieken ; prij ni
VI. die, bestemd tot de*bereiding van vetten. en harsen ;
VII. die, ‘bestemd tot-bewaring en=verwerking: van afval ;:
VIII. mouterijen, brouwerijen;branderijen, distilleerderijen, spiritus- en azijnfabrieken en raffinaderijen, meelfabrieken en bakkerijen, zoomede vruchtenstroopfabrieken; ; yf
| IX. slachterijen, vilderijen, penserijen, drogerijen, rookerijen en zouterijen van dierlijke stoffen, zoomede leerlooierijen ;
X. porselein- en aardewerkfabrieken, steen-„ pannen-, plavuis- en tegelbakkerijen, glasblazerijen, kalk- en gipsbranderijen, en kalkblus-
. scherijen ; 8
XI. metaalsmelterijen, gieterijen, smederijen, metaalklopperijen, plet- terijen, koper- en blikslagerijen"en ketelmakerijen;
XII. tras-, houtzaag- en oliemolens ;
() Bij 8. 40-14 zijn wijzigi | op 38 Hobe 2840s Aaen eee fo gate Bs 2,3, Oe op den voet van Het entel eveneens oes worden to zijn verleend cr, TD ode Se 70220, taanokken
9 a, : i |
No, 499/11, waart as one V8 Oe vd Crtsseor vld den publiek geen onnoodige moeilijkheden Re onde Be rae a Bj ae oprichting | van kleine inrichtingen of bedrijfjes. Voor een do lie hth ar oe osloten electrische koffiemolen is bijv. geen vergunning ° Selen re alkele Jectro- morarepehoott gevaar, schade of hinder op eee Wonschelik is 00 | 3 kilowatt (IC.W.), Bore) es clectromotoren van ten hoogs | art. 2 (1) der Hindorord. kunnen als Zon al : yorordenwgen bede nted | inrichtingen mede Aangewezen worden Gove: NS Ade Ms dreven
Bn hee eam ooren ayangecn omt ve Herd If |
7 vijzing is niet mogelijk buiten de ressorten der in art. 2 ( |
Bae Ad Gan art. 2 (2), doch ook daar wget door dep passing der Hinderord. gewenscht geacht j
CC HINDER-ORDONNANTIE. 139
XIII. scheepstimmerwerven, steenhouwerijen en zagerijen, molen- en wagenmakerijen, kuiperijen en timmermanswinkels ;
XIV. wagenverhuurderijen en melkerijen ;
XV. schietinrichtingen ;
XVI. tabakshangloodsen ; 4
XVII. cassavefabrieken ;
XVIII. fabrieken voor de verwerking van rubber, gummi, getahpertja of caoutechoue houdende stoffen ;
XIX. kapokloodsen, batikkerijen ;
XX. warongs in vaste gebouwen ;
zoomede alle andere inrichtingen, welke gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken.
(2) De voorschriften van deze ord. zijn niet toepasselijk op:
a. inrichtingen, benoodigd voor den aanleg, de instandhouding en de exploitatie van spoor- en tramwegen en van openbare werken ;
b. de ondernemingen, bedoeld bij art. 1 van de ,„Fabriekenordon- nantie” (S. 1899 No» 263), en die, waarop de ,,Fabriekenord.” van toe- passing is verklaard; (zie bl. 2/37.) i
c. Vervallen: S. 40—450.
d. (Toeg. S. 27—499.) inrichtingen bedoeld in de ,,Petroleumopslag- ordonnantie” (S. 1927 No. 199).
(3) (Gew. S. 40—14.) De in het eerste lid bedoelde vergunning wordt verleend binnen het ressort van:
a. groepsgemeenschappen, doch buiten het gebied van daarbinnen gelegen stadsgemeenten en gemeenten, door het college van gecommit- teerden of, indien zoodanig college niet bestaat, door den voorzitter van den groepsgemeenschapsraat! ;
b. stadsgemeenten en gemeenten, door het college van burgemeester en wethouders, of, indien zoodanig-college niet bestaat, door den burge- meester of, bij gebreke van zoodanigen functionaris, door den voorzitter van den gemeenteraad ; Ag.
c. andere locale raden buiten Javaren-Madoera, doch buiten het gebied van daarbinnen gelegen stadsgemeenten en gemeenten, door den voor- zitter van den raad; :
d. regentschapsraden, door het college van gecommitteerden of, indien zoodanig college niet bestaat, door den regent ;
e. buiten de onder a—d bedoelde gebieden door het Hoofd van plaat. selijk bestuur. a ’
- (Gew. S. 40—14.) (1) Bij verordening kunnen :
a. de stadsgemeente- en gemeenteraden,
b. de groepsgemeenschaps- en-regentschapsraden,
c. andere locale raden buiten Java en Madoera, dh,
a t/m. c. binnen hun ressort, doch wat raden betreft binnen wier ressort stadsgemeenten of gemeenten liggen, buiten het gebied dezer stadsgemeenten en gemeenten,
a. straten en wijken
b en c. straten, wijken, plaatsen en streken za
a t/m. c. aanwijzen, waar bepaaldelijk door hen aan te geven inrich- tingen, als bedoeld in art. 1 niet mogen worden opgericht, dan wel, in afwijking van de bepaling in het eerste lid van art. 1, zonder ver- gunning mogen worden opgericht. (Bb. 11629* in noot bij art. 1 sub I.)
(2) Buiten de ressorten van de in lid 1 genoemde raden is, op andere plaatsen dan hoofdplaatsen van gewesten, residenties, afdeelingen en onderafdeelingen, geen vergunning vereischt voor de oprichting van door den resident aan te wijzen inrichtingen, bestemd voor niet met mechanische kracht gedreven kleine bedrijven. 5
In de Vorstenlanden op Java geschiedt deze aanwijzing door den Gouverneur.
- (Gew. S. 40—14.) Bij verordening kan een stadsgemeenteraad of een gemeenteraad in het belang der openbare orde, veiligheid of gezondheid
nn nd
140 HINDER-ORDONNANTIE | mmm binnen zijn ressort verbieden een slachterij, vilderij, penserij, drogerij, | rookerij of zouterij van dierlijke stoffen, of een inrichting, bestemd tot bewaring of verwerking van bloed of dierlijken afval op te richten, te hebben of te gebruiken, indien in de stadsgemeente of gemeente een openbare inrichting aanwezig is, waarin belanghebbenden onder eveneens bij verordening vastgestelde voorwaarden het bedrijf kunnen uitoefenen, waartoe een inrichting wordt vereischt, als bij de verordening verboden is.
Bij het verzoek om vergunning wordt een nauwkeurige omschrij ving zoo noodig toegelicht door nauwkeurige teekeningen, overgelegd van de plaats, waar de inrichting zal worden opgericht, zoomede van de daarbij te bezigen machinerieën, werktuigen en hulpmiddelen en van hun plaat- sing in de inrichting, benevens een opgave van hetgeen in de inrichting zal worden verricht, vervaardigd, verzameld of bewaard.
(1) De gezaghebbende, die ingevolge het derde lid van art. 1 op het
| verzoek om vergunning te beschikken heeft, geeft van elke aanvraag,
| welke niet onmiddellijk-voor-afwijzing-in-aanmerking-komt, ten spoedigste sohriftelijk kennis aan de eigenaren, bezitters, beheerders en gebruikers van de aan het terrein, dat voor de inrichting bestemd is, grenzende perceelen of van de in art. 6, tweede lid II, letter ¢, No. 1 bedoelde lokalen, gebouwen en scholen.
(2) Hij legt het verzoek met bijlagenvop’ zijn kantoor voor een ieder ter inzage en geeft daarvan kennis aan het publiek door aanplakking van een in de Nederlandsche en Maleische taal gestelde bekendmaking op of in de onmiddellijke nabijheid van het betrokken terrein.
(3) Een ieder is bevoegd binnen een maand na de dagteekening der bekendmaking zijn bezwaren tegen ‘het verleenen der vergunning bij den in het eerste lid bedoelden: gezaghebbende kenbaar te maken.
(4) De gezaghebbende zal de-bezwaren onderzoeken en, voorzoover doenlijk, de aan het slot van het-eerste lid van dit art. bedoelde belang- hebbenden in hun belang kooren eneveneens onderzoeken of andere bezwaren bestaan tegen het verleenen. van de gevraagde vergunning.
- (1) Weigering van een-—vergunning- geschiedt bij met redenen omkleed besluit.
(2) Tot de weigering kunnen alleen leiden:
I. de voorschriften van een verordening als bedoeld in de artt. 2 en 3;
II. de bezwaren, ontleend aan vrees voor:
a. gevaar ; ;
b. schade aan eigendommen, bedrijven. of de gezondheid;
c. hinder van ernstigen aard, waartoe behoort :
het ter bewoning ongeschikt of minder geschikt maken van woon- huizen of gedeelten van woonhuizen, het belemmeren van het gebruik van scholen of van lokalen en gebouwen, bestemd tot ziekenverpleging of tot uitoefening van den openbaren eeredienst, binnen een kring van twee honderd meter van het gebouw of lokaal der inrichting gelegen, ieder overeenkomstig de bestemming, welke het gebouw of lokaal, tijdens het verzoek werd gedaan, had ;
het verspreiden van vuil of van walgelijke uitdampingen of geuren: |
(3) Vrees voor mededinging in eenig bedrijf, door belanghebbenden geuit, kan geen reden tot weigering zijn. |
- Indien door het stellen van voorwaarden aan het bezwaar van | gevaar, schade of hinder kan worden tegemoetgekomen, wordt de Ken voorwaardelijk verleend. |
; e vergunning wordt gest ker |
en zijn, rohoverkrijgenden. gesteld ten name van den verzoe | . *) Pl) de vergunning wordt een termijn gesteld, bi Iken de | eng voltooid en in werking eee ah ns a et al | „ (8) Indien de inrichting niet tijdig voltooid of in werking gebracht | Is, trekt de gezaghebbende, die de vergunning verleend heeft, haar: 12, | tenzij hij aanleiding vindt haar voor het verstrijke bedoelden | termijn met een nieuwen termijn te verlen: tet eni |
gen. á
EE lll HINDER-ORDONNANTIE. 141
(4) Termijnverlenging kan slechts éénmaal plaats hebben.
9, Een nieuwe vergunning is noodig om :
le. de inrichting uit te breiden of een andere wijze van bewerking, welke verandering van den aard der inrichting ten gevolge heeft, in te voeren ;
ge, eene inrichting, welke vier jaren heeft stil gestaan, opnieuw in werking te brengen ;
3e, eene inrichting, welke door eenig onheil, als gevolg van den aard of het gebruik maken der inrichting, is verwoest, te herstellen.
- (I) Aan de op een verzoek om vergunning genomen beschikking wordt onmiddellijk aan den verzoeker en tevens door aanplakking van een bekendmaking in do Nederlandsche en Maleische taal op of nabij het terrein, voor de inrichting bestemd, aan het publiek kennis gegeven.
(2) (Gew. S. 40—14.) Van de genomen beslissing staat beroep open:
a. wanneer zij gevallen is binnen een provincie, op het college van gedeputeerden of, indien zoodanig college ontbreekt, op den Gouverneur ;
b. in alle andere gevallen op den Gouverneur.
Tot dit beroep zijn gerechtigd de verzoeker en de belanghebbenden, ieder voorzoover hij bij de beslissing in het ongelijk is gesteld.
Het beroep op het college van gedeputeerden of den Gouverneur wordt ingesteld binnen veertien dagen na de in het eerste lid bedoelde bekendmaking.
(3) Hij, die het beroep instelt, geeft daarvan gelijktijdig kennis aan den gezaghebbende, die de in het eerste lid bedoelde beschikking nam. Deze zorgt voor onverwijlde openbare bekendmaking op de wijze, als in het eerste lid bedoeld. Indien het beroep wordt ingesteld door een ander dan den aanvrager der vergunning, wordt door bedoelden gezag- hebbende zoo spoedig mogelijk aan ‘den aanvrager bij aangeteekend schrijven kennis gegeven van hot ‘beroep.
(4) De in het vorig lid bedoelde gezaghebbende zendt daarop ten spoedigste alle stukken, vergezeld van zijn advies, aan den gezaghebbende, bij wien beroep is ingesteld. Deze, in. beroep beslissende, zal bij een met redenen omkleed besluit de beschikking bekrachtigen, aanvullen, wijzigen of vernietigen en in het laatste geval desgewild zelf beschikken of de aanvraag ter nadere behandeling aan den gezaghebbende, die de be- schikking genomen heeft, terugzenden.
(5) Het beroep heeft geen schorsende kracht.
(6) Overdracht van de verleende vergunning aan anderen is toegelaten.
- (1) De gezaghebbende, die de yergunning -verleend heeft, kan aan den vergunninghouder nieuwe voorwaârden-opleggen, indien de onder- vinding de noodzakelijkheid daarvan mocht aantoonen. —
(2) Geene nieuwe voorwaarden worden opgelegd, dan bij cen met redenen omkleed besluit, nadat de vergunninghouder is gehoord of behoorlijk opgeroepen. 3 ?
(3) (Gew. S. 40—14.) Op de beschikking is art. 10, tweede lid, van toepassing met dien verstande, dat het beroep alleen door den vergun- ninghouder kan worden ingesteld en dat de termijn van veertien dagen begint te tellen met den dag waarop de beschikking hem bij aangeteekend schrijven is bekend gemaakt.
(4) Hangende het beroep behoeven de bedoelde voorwaarden niet te worden nagekomen. Beas Rea ;
(5) Hij, die het beroep instelt, geeft daarvan gelijktijdig kennis aan den gezaghebbende, die de in het derde lid van dit art. bedoelde be- schikking genomen heeft. Deze laatste zendt daarop ten spoedigste alle stukken, vergezeld van zijn advies, aan den gezaghebbende, bij
wien beroep is ingesteld. Deze laatste handelt verder op de wijzo als aangegeven in de slotzinsnede van art. 10, vierde lid.
- (1) Wanneer naar het oordeel van den gezaghebbende, die de vergunning verleend heeft, van de gestelde voorwaarden wordt afge- weken, kan die gezaghebbende de gepleegde verzuimen binnen een
i ¥ i 142 HINDER-ORDONNANTIE. | PL door hem te stellen termijn doen herstellen, dan wel de vergunning | | intrekken. ij ; ie, | (2) Op de beschikking, waarbij de vergunning wordt getrokken, i zijn de bepalingen, in art. 11, derde en vijfde lid van toepassing. i (3) Hangende het beroep wordt de intrekking der vergunning op. | geschort. | 13. De in art. 1, derde lid, bedoelde gezaghebbenden zullen een nauwkeurig register houden van de bij hen binnenkomende aanvragen | om vergunning tot het oprichten van inrichtingen, als in art. 1 bedoeld, } zoomede van de daarop genomen beschikkingen. | 14. Indien een inrichting, als bedoeld in art. 1, wordt opgericht | zonder een schriftelijke vergunning van den tot het verleenen daarvan | bevoegden gezaghebbende, of in werking blijft nadat de betreffende N vergunning op grond van het bepaalde bij art. 8 of art. 12 is ingetrokken, | dan wel in werking blijft of gebracht wordt zonder de bij art. 9 bedoelde nieuwe vergunning of in strijd met een verordening, als bedoeld in de artt. 2 of 3, isde in hoofde van dit art. bedoelde gezaghebbende bevoegd zulks te beletten, de inrichting te sluiten en de daarvoor gebezigde ij machinerieën, werktuigen en hulpmiddelen te verzegelen of op andere i wijze buiten gebruik te stellen. | 15. (1) De eigenaar, bezitter, gebruiker of beheerder van een inrichting 4 als in art. 1 bedoeld, wordt gestraft : | a. met bechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van | ten hoogste vijfhonderd gulden indien hij zonder de vereischte vergunning | of op een andere plaats dan in de vergunning is aangegeven een inrichting i} als evenbedoeld opricht dan wel in werking brengt of houdt of in strijd Hy handelt met het verbod in de artt. 2 en She ; 4. met hechtenis van ten hoogste iwee weken of geldboete van ten hoogste twee honderd vijftig gulden, indien hij in strijd met de gestelde | voorwaarden handelt. (2) De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten worden beschouwd | als overtredingen. | 16. (1) Wanneer de uitvoering van de bepalingen dezer ord. of van i de krachtens deze genomen maatregelen dit vereischen, zijn de in art. H + lly derde lid, bedoelde gezaghebbenden, benevens de door hen schriftelijk gemachtigde personen, de laatsten op vertoon van deze machtiging, H bevoegd om de in art. 1 bedoelde richtingen, ook zonder vergunning i} van degenen, die de*daartoe behoorende gebouwen bewonen of anderszins i| in gebruik hebben, binnen»te. treden. Í (2) Zij, die krachtens dit art. een inrichting binnentreden, zijn ver- plicht tot geheimhouding van hetgeen het daarin uitgeoefende bedrijf betreft, voorzoover dit niet met de naleving der gestelde voorwaarden | in verband staat. 17. Deze ord. kan worden aangehaald onder den naam „Hinder: | | ordonnantie”. 18. (1) De bepalingen van deze ord. gelden ook voor vergunningen tot oprichting van fabrieken of neringen, verleend op den voet van de resolutie van 3 Febr. 1836 No. 11 (S. No. 10), zooals deze is gewijzigd en aangevuld, welke geacht worden op den voet van die bepalingen te zijn verleend. | (2) De in art. 1, derde lid, bedoelde gezaghebbende is. bevoegd die | vergunningen in te trekken, indien de daarbij bedoelde inrichtingen | op 1 Jan, 1927 nog niet zijn voltooid en in werking gobracht. | (3) Bij de inwerkingtreding van deze ord. bestaande inrichtingen, | tot de oprichting waarvan volgens het bepaalde bij art. 1 een vergunning | | Zou Zijn vereischt en waarvoor geen vergunning op den voet van de | | a het eerste lid genoemde bepalingen is verleend, worden geacht krach- | | ens een vergunning op den voet der bepalingen dezer ord. te zijn | opgericht. | | j
