Toelatings-Ordonanntie 1949
: 64 TOELATINGS-ORDONNANTIE 1949. ene ee
(2) Bij regeeringsverordening kunnen van dit besluit afwijkende regelingen worden vastgesteld nopens: ’ :
a de toelating en vestiging in de onderafdeclingen Tandjong Pinang en Lingga en het buiten den Sumatra-wal gelegen gedeelte der onder. afdeeling Karimoen van de residentie Riouw; :
b. de toelating in een ander deel van Indonesié van personen, die in de onder a bedoelde gedeelten der residentie Riouw zijn toegelaten of gevestigd. (S. 49—4, zie hierachter bl. 2402.)
Toelatings-ordonnantie 1949. (Ord. v. 4 Nov. 1949.) S. 49— 331. (iwg. 12 Nov. ’49)
Consid. Dat Hij, het noodzakelijk achtend-de-bestaande releen ter verzekering vanrde-uitvoering en de goede werking van het Toelatings- besluit (S. 1916 N°. 47, zoals sedert gewijzigd en aangevuld) te herzien.
Onder intr. v. d. Toelatings-ordonnantie, S. 17—693 is bepaald :
Art. 1. Onverminderd de verplichtingen, krachtens het Toelatingsbesl. opgelegd aan degenen, die vallen onder de werking van dat besluit, is een ieder die, komende uit het buitenland, op het grondgebied van Indonesië aankomt, verplicht onverwijld in persoon van zijn aankomst mededeling te doen:
a. voorzover die aankomst plaats had in een der krachtens art. 1 ; van het Toelatingsbesl. door de. Gouv.-Gen. aangewezen onstschepings- havens: aan de ambtenaar van ‘dé lmmigratiedienst, belast met de functie van ontschepingsambtenaar aldaar.
b. voorzover die aankomst plaats had-buiten een der onder a bedoelde havens: aan de dichtsbijzijnde,door. de Gouv.-Gen. tot het ontvangen van deze mededelingen aangewezen gezaghebbende. (S. 49-—332* hiervoor.)
(2) De in het eerste lid bedoelde verplichting bestaat, niet voor:
a. personen, die zich aan boord van het hen naar Indonesië vervoerende of vervoerd hebbende vervoermiddel reeds bij de ontschepingsambtenaar hebben aangemeld.
b. doortrekkenden, die zich gedurende hun oponthoud in Indonesië niet buiten het door de Dienst der In- en Uitvoerrechten en Accijnzen gecontroleerde havengebeid begeven.
- (1) Uit het buitenland»aangekomen personen, die:
AN a. niet in het wettig bezit zijn van een geldig paspoort of legitimatie-
ewijs,
b. vallen onder één der in art. 1 lid 1 van het Toelatingsbesl. genoemde sroepen, en niet in het wettig bezit zijn van een geldige toelatingskaart, die zich melden bij- of worden aangetroffen door een in art. 1 lid 1 sub b bedoelde gezaghebbende, zullen, tenzij zij onverwijld en rechtstreeks doorreizen naar het buitenland of naar een krachtens art. 1 van het | Toelatingsbesl. aangewezen ontschepingshaven, door deze gezaghebbende, / zo nodig met behulp van de sterke arm, worden geleid vóór het Hoofd van het Immigratiekantoor, binnen welks ressort zijn standplaats is gelegen.
(2) De in art. 1 lid 1 sub 5 bedoelde gezaghebbenden, zullen de niet onder de werking van het eerste lid vallende, uit het buitenland aan-
| gekomen personen vergunnen het grondgebied van Indonesië vrijelijk
| te betreden, tenzij zij om andere dan de in lid 1 aangegeven redenen mochten worden aangehouden. Zij, die bij aankomst hun status niet : dammen bewijzen worden geacht onder de werking van het eerste lid
e vallen.
- Bij het binnenlopen van een der krachtens art. 1 van het Toe- ies tesluis Seer de Gouv.-Gen. aangewezen ontschepingshavens is de
n een schip, waarop zich reizigers bevinden, die, recht- | j
TOELATINGS-ORDONNANTIE 1949, 65 ER streeks, dan wel na overscheping van buiten Indonesië komende, zich in die haven wensen te ontschepen, verplicht zijn schip op duidelijk zichtbare wijze de internationale seinvlag N te doen voeren, totdat de ontschepingsambtenaar aan boord zal zijn gekomen.
De Hoofden der immigratiekantoren zijn bevoegd personen, die nalaten de hun verleende vergunning tot ontscheping op het immigratie- kantoor aan te bieden ter inwisseling tegen een toelatingskaart, voor zich te doen verschijnen, desnoods met behulp van de sterke arm.
Personen, die voor het Hoofd van het immigratiekantoor niet aannemelijk maken dat zij voor toelating in aanmerking komen, kunnen, totdat over hun toelating zal zijn beslist, op last van genoemd Hoofd onder politietoezicht of in verzekerde bewaring worden gesteld.
De voor de vergunning tot ontscheping betaalde som wordt, indien de betrokkene niet wordt toegelaten, door het Hoofd van het betrokken immigratiekantoor terugbetaald, onder vermindering met hetgeen van- wege het Land is uitgegeven aan verblijfkosten en kosten van terug- zending van de betrokkene en behoudens verrekening met hetgeen uit anderen hoofde aan het Land verschuldigd mocht zijn.
Het Hoofd van het immigratiekantoor is bevoegd in gevallen, waarin niet dadelijk met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld of een persoon al dan niet kan worden toegelaten, bewijzen van voorlopige toelating uit te reiken, welke geldig zullen zijn totdat de beslissing over de toelating zal zijn gevallen, echter niet langer dan voor een jaar.
(1) Voor de toelatingskaarten, bedoeld bij art. 5a van het Toe- latingsbesl. is, behoudens het bepaalde in het tweede lid, verschuldigd een som van /100.— (honderd gulden).
i el De in lid 1 bedoelde betaling wordt niet gevorderd van Neder- anders.
Menurut UU Dar Nr 41, th 1950; LN 5063, m.b. 1-1-'51, djumlah vang dalam pas. 8, ajat 1, sebesar R100.— (seratus rupiah) diubah mendjadi R. 150. — (seratus lima puluh rupiah) ; ajat_2-pas. 8 dibatalkan.
Krachtens Noodwet No. 415 1950, -LN-50—83, iwg. I-1-’51, wordt het geldbedrag in art. 8, lid I, namelijk R. 100.—, gewijzigd in: R. 150.— (een honderd vijftig rupiah ) ; art. 8, lid 2 vervalt.
- Hij, die Indonesië binnen een maand na zijn aankomst verlaat, kan, onder aanbieding van zijn toelatingskaart of zijn/bewijs van voor- lopige toelating, vanhet Hoofd van het immigratiekantoor in welks ressort de haven van “vertrek is gelegen, de terugbetaling vorderen van de ingevolge het eerste lid»van art.-3-fan-het Toelatingsbesl. voor de vergunning tot ontscheping; dan wel van de ingevolge art. 8 van deze ord. voor de toelatingskaart betaalde som. i
10, Indien aan een Hoofd van een immigratiekantoor blijkt dat tegen betaling van de in het eerste lid van art. 3 van het Toelatingsbesl., dan Wel in art. S van deze ord: genoemde som aan iemand een vergunning |
tot ontscheping dan wel een toelatingskaart is uitgereikt, die hij niet behoefde, (of) waarvoor die betaling niet verschuldigd was, zal de Hoofd de ten onrechte betaalde som aan de belanghebbende terugbetalen.
21, (1) Hij, die nalaat te voldoen’ aan de krachtens art. 1 vanden Ord. op hem rustende verplichting wordt gestraft met een geldboete van ten hoogste f 1000.— (duizend gulden) of hechtenis van ten hoogste eT pjnaanden, d der, die nalaat
ezelfde straf wordt opgelegd aan de gezagvoerder, as oen aan de krachtens ae San deze ord. op hem rustende ver- ng. ; 5 (3) De in dit art. strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als To ingen. Is Toelatings-ordonnantie
Kk i ‘ oelatings-
DOR en (doot
‚en treedt in werking op de dag na die
U Nov. 1949.)
| 66 TOELATING VAN WERKLIEDEN. AT Afgifte van verklaringen van ingezetenschap.
Bij ord. v. 18 Nov. 1949, S. 49341, iwg. 24 Nov. 1949, is op grond der overweging, dat wegens intrekking der Toelatingsord. 1917 (S, 17—693) moet worden overgegaan tot vaststelling van nieuwe regelen voor afgifte v. verklaringen v. ingezetensch., het volgende bepaald ;
Art. 1, (1) Aan ingezetenen van Indonesië kan, op hun verzoek, door het Hoofd van het Immigratiekantoor, binnen welks ressort hun woonplaats is gelegen, een verklaring van ingezetenschap worden af- gegeven. ;
(2) De modellen van de, in lid 1 van dit art. bedoelde, verklaring worden vasigesteld door de Secretaris van Staat, Hootd v. h. Dep. | v. Justitie.
Bijzondere regelingen ten aanzien van de Toelating onder meer van werk- lieden, behoorende tot de met Indonesiërs gelijkgestelden. (Ord-van 29° Nov. 1917.) S.17=694:
Art. 1. (Gew. S. 22—323.) (1) De bepalingen van het Toelatingsbesluit (S. 1916, No. 47) zijn niet toepasselijk op werklieden, behoorende tot de met Indonesiërs gelijkgestelden, die buitenlands aangeworven zijn om voor het Land of op den voet van eene bij eene koelieordonnantie voor-
| ‚__geschreven werkovereenkomst te arbeiden. (2) (Gew. S. 22—728 ; 24-259 ; 31-160 jo. 161.) Komt de overeen- | komst niet tot stand, wordt de registratie daarvan geweigerd of wordt f de gesloten overeenkomst niet mccr nageleefd, dan is het Toelatings- besluit op den werkman van toepassing, met dien verstande echter, dat voor de ingevolge art. 9 van dat, besluit uit te reiken toclatingskaart een som van / 150. (één honderdvijftig gulden) verschuldigd is.
(3) (Toeg. S. 19-746.) In-de-in het vorig lid bedoelde gevallen kan de werkman, totdat òf hem een’toelatingskaart zal zijn verstrekt òf hij wordt ingescheept ter terugzending-naar-de plaats van aanwerving, op | last van het hoofd van plaatselijk bestuur in een immigranten verblijf | worden opgenomen. |
- (1) (Gew.\S. 22—323 ; 31—160 jo. 161.) Aan de in art. 1 bedoelde werklieden kunnen na de ontbinding der door hen gesloten immigratie- contracten, indien zij die gedurende den daarbij overeengekomen termijn hebben nageleefd, door het Hoofd van plaatselijk bestuur (in gutsl. v.
Jav. en Mad. den ass.res.) op den voct van art. 4 van het Toelatings- besl. toelatingskaarten ‘worden»uitgéreikt« Voor deze toelatingskaart is verschuldigd een som van f 75.— (vijfen zeventig gulden).
(2) De kaart moet binnen een maand na de ontbinding der werkover- eenkomst worden aangevraagd.
Het oorspronkelijke art. 3 is vervallen krachtens S. 31—160 jo. 161.
- (Ing. S. 32568 jo. 638.) (1) Aan de in art. 1 bedoelde werklieden kunnen door het Hoofd van plaatselijk bestuur op den voet van art. 4 van het Toelatingsbesluit toelatingskaarten worden uitgereikt, indien te hunnen aanzien door de betrokken ondernemers onherroepelijk afstand | is gedaan van het hun ingevolge art. 37 der Koelieordonnantie 1931 toe- | komende klachtrecht bij het niet nakomen door den arbeider van zijn | contract. |
(2) V oor deze toelatingskaart is verschuldigd een som van f 1.50 (een | gulden vijftig cents). |
- Deze ord. treedt in werking op | April 1918. |
| { | | a
en
TOEPASS. TOELATINGSBESL. IN GEDEELTEN y. RIOUW. 67 <r Opheffing v.d. ord. v. 18 Febr. 1918 (S. 1918 No. 92) voor de ingezetenen vd. onderafdn. Tandjong Pinang, Lingga, alsmede in het buiten de Sumatrawal gelegen gedeelte van de onderafd. Karimoen van de res.
Riouw. 5 (Ord.v. 8 Jan. 1949.) S. 494, (iwg. 24 Jan. 49.)
Consid. Dat Hij, het noodzakelijk oordelende het » Toclatingsbesluit” volledig van kracht te doen zijn in de onderafdn. Tandjong Pinang, Lingga alsmede in het buiten de Sumatrawal gelegen gedeelte van de onderafd. Karimoen van de res. Riouw en in verband daarmede enige overgangsregelen willende vaststellen.
Art. 1. De ord. van 18 Febr. 1918 (S. 1918 No. 92) zoals sedert gewijzigd en aangevuld wordt ingetrokken.
De personen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze ord. woonachtig zijn in de onderafd. Tandjong Pinang, de onderafd. Lingga zomede in het buiten de Sumatrawal gelegen gedeelte van de onderafd. Karimoen-der-Residentie-Riouws en op dat tijdstip in het wettig bezit zijn van een vergunning tot vestiging, afgegeven krachtens art. 1 van de in het vorige art. bedoelde ordonnantie, worden geacht in het wettig bezit te zijn van een vergunning tot vestiging, als bedoeld in art. 11 van het Toclatingsbesluit,
Vreemdelingen-niet-Kuropeanen die woonachtig zijn in het in art. 2 bedoelde gebied, zijn, indien bun binnen achttien maanden na de inwerkingtreding van deze ordonnantie op grond van het bepaalde bij art. 9 van het Toelatingsbesluit een toelatingskaart wordt uitgereikt, vrijgesteld van de betaling van het krachtens lid 2 van genoemd art. voor die toelatingskaart verschuldigde bedrag. (Gew. S. 49—208.)
4, Deze ord. treedt in werking met ingang van de tiende dag na die harer afkondiging. (Afgek. 14-1-1949.)
