Toelatingbesluit
TOELATINGSBESLUIT. 57
TO se
TOELATINGSBESLUIT.
Herziening van de bepalingen omtrent de toelating en vestiging in Indo-
nesië van Nederlanders en Vreemdelingen.
(KB. v. 15 Oct. 1915 No. 32.) S. 16-17 jo. 17—765. (twg. 1-4-18.)
(Cj stralbep. in S. 18—446 art. 3*, Sw. 241-1°, 270.)
Met intrekking van alle daarmede strijdige voorschriften is bepaald :
Art. 1, (Gew. S. 20462.) (1) a. Nederlanders, niet uit in Indonesië gevestigde ouders geboren, noch ingezetenen van Indonesië zijnde,
b. vreemdeli gen, die niev zijn ingezetenen van Indonesië, z
mogen van buiten Indonesié komende zich enkel in de havens door den Gouverneur-Generaal aan te wijzen ontschepen of overschepen.
(Nedsch. lv., 12; ISR. 160; Toel. ord. 1; S. 49—332* hierachter.)
(2) Voor de ontscheping wordt eene schriftelijke vergunning vereischt van den door den Gouverneur-Gencraal aangewezen ambtenaar, die voor de tocpassing van dit besluit den titel voert van ontschepingsamb- tenaar.
(3) De vergunning tot ontscheping wordt — tenzij aan door den Gou- verneur-Generaal te bepalen voorwaarden wordt voldaan — niet gegeven aan hen, van wie blijkt dat zij krankzinnig, idioot of lijdende zijn aan eene besmettelijke ziekte, die geacht wordt gevaar voor de samen- leving op te leveren, dan wel tengevolge van hun lichamelijken toestand waarschijnlijk armlastig zullen worden. (S. 17—765* hierachter.)
Lid 4 en 5 \zijn bij S. 49—330 vervangen door de leden 4, 5 en 6:
(4) (Ing. S. 38—L72, £73.) De verginning tot ontscheping kan worden geweigerd aan : |
a. personen, die niet in het wettig bezit zijn van een geldig, door of vanwege de Regering, waaronder zij behoren, afgegeven paspoort of legitimatiebewijs, waaruit blijkt wie-de houder is en vanwaar hij komt ;
hb. vreemdelingen, wier paspoort of legitimatiebewijs niet is voorzien van een geldig visum voor-de-reis-naar- Indonesië ;
¢. vreemdelingen, van wie niét vaststaat, dat zij naar het land van hun geboorte of hun herkomst kunnen terugkeeren. / =
(5) Het bezit, van een geldig paspoort of legitimatiebewijs dan wel van een geldig visum voor de reis naar Indonesië is niet vereist voor de groepen van personen, die daarvan door de Gouy.-Gen. zijn vrijgesteld.
(6) De voorafeaande bepalingen zijn niet toepassclijk op hen, die in het wettig bezit zijn wan een seldige, opde voct van dit besluit ver- leende toclatingskaart.
i 48—2 21-170 Ingetrokken, waarbij was Benen’ dat Heb bezi de Treo rabe. voor bepaald omschreven Vr. Oosterlingen worked en niet vercist was, zodat dit vereiste SEES ere a ore aos Retell En nog slechts gehandhaafd voor de onderdanen v. Nw. Zeeland, Japan, Thailand, Vaticaanstad en de burgers der V.S. v. Amerika, is krachtens het bepaalde bij S. 41-33 van 15 Febr. 1941 af ook voor de vijf genoemden | komen te vervallen, van welken datum af de paspoorten van alle vreem: | delingen zonder onderscheid voor de reis naar Indonesië voorzien behoren te zijn van een Ned. visum. Zie LN 50—82 en 84, Noodwetten Paspoor- ten en Immigratierechten 1950, verderop in deze verzam,
(Gew. S. 20-462.) De gezagvoerder van een vaartuig, waarop zich reizigers bevinden, die met dat schip rechtstreeks, dan wel na oversche- ping, van buiten Indonesië komen, is verplicht om: _
onmiddellijk na aankomst van het schip in cen der in art. 1 bedoolde havens, aan den ontschepingsambtenaar een door hem onderteekende Opgave van deze reizigers te overhandigen ;
te beletten dat deze reizigers voor zoover onderworpen aan de Voorschriften van art. 1, aan wal gaan zonder voorzien te zijn van de
| : 58 TOELATINGSBESLUIT. | Ds ij i vereischte vergunning tot ontscheping of zich overschepen buiten de i in art. 1 bedoelde havens. 3. (Gew. S. 22-725 jo. 726; 24—53 jo. 257 ; 31-159 jo. 161; Ed | 397 jo. 608; 49-295 jo. 460, bekr. N.S. 50—94.) (1) De vergunning tot } ontscheping wordt aan boord uitgereikt en is onderworpen aan een be- 5 ping f=) Pp | ge ine van ( 100.— (één honderd gulden). (Toel.ord. 8; zie S. 49—297 ; op bl. 2396. z ee) De in het vorige lid bedoelde betaling wordt niet gevorderd yan | Nederlanders. : Here UUD Nr 41, th 1950, LN 50—83 ajat 1 pas. 3 dibatja sebagai } ervkut ; (1) (Diubah LN 50—83, m.b. 1-1-°51.) ,,Surat Izin Mendarat’’ diberikan diatas kapal dan dikenakan pembajaran sebesar R. 150.— (seratus lima | puluh rupiah). Pembajaran itu dilakukan dengan mata uang negara ; asing, dimana visum untuk bepergian ke Indonesia diminta olch Jang | poapentigan, dan sebelum visum itu diberikan kepadanja. ( Ajat 2 j pas. 3 dibatalkan-menurut UU Dar-Nr4i th b | Krachtens Noodwet No. 41, 1950 LN 5 mtr z | / o. 41, 1950, - 0—83 wordt art. 3, lid 1, gelezen } als volgt en is lid 2 ingetrokken. (1) (Gew. LN. 50—83, twg. 1-1-’51.)De | vergunning tot ontscheping wordt aan boord uitgereikt en is onderworpen | _ an een betaling van R. 150.— één honderd vijftig rupiah). Deze betaling geschiedt in de munt van het vreemde land, waar het visum voor de reis | A | me hehe eee 1s aangevraagd, en voordat dit eikt. | BEL Le | 608.) Bij Spdonnepipie wordt bepaald in welke | 2 ) WELK bedrag aanspraak bestaat ebetaling v . bet orchid. (Tocl.ord. 4.) ‘| Oks lca Bel EA 5 pee OM Eend door de ontschepingsambtenaar anders ee IJ 5 ban » 18 de immigrant verplicht zijn vergunning tot OEE Pees adelijk na het aan wal gaan persoonlijk op het in de ver- aca ef toch ees CLO aan te bieden ter inwisseling | rt. | 2) (Gew. = i Bel Ok een eroderen : L t. oor het Hoofd van dat Kant Tat coor NB a rah as boat rr Rue GPEBYE van naam of Roedanighia, of door ander Het vicrde lid san oO Resor of het legitimatiebewijs, bedoeld in etn a »1, dan wel het daarop gestolde visum voor de reis sai oant ie VERRE tot ontscheping hebben verkregen ; Ee aa Tend 2 Ontucht hun beroep maken ; sloten is, veroordecld Aina ier Bien aes e cen uitleveringsverdrag ge- a8 : ey Isdrijf, . 5 eee zou kunnen geschieden ; waarvoor krachtens dat ver- ite kms ae y a Indonesié is ontzegd zoomede aan hen: die gezin behoorlijk ku ae en, het onderhoud van zichzelf en hun | die geacht é | De toelatingen Tan met,'© leveren voor de openbare rust en orde. | doeld in het vierde ieee we Eeen ompce,redenen. „be: Bie oppor - 1, zom dà is | KE En veroordeeld. ede aan hen, die in Indonesië | lijk geacht wordt Slee kaart aan hen, wier tegenwoordigheid schade- | king kan afhankeliik e, Piacente belangen der Indonesische bevol- neur-Gencraal te a rele worden van het voldoen aan door den Gouver- | weigerd. (Bb 13539) Lia bijzondere voorwaarden dan wel worden ge: | 5. Vervallen: ody iss vervallen lid krachtens §. 49-295 yy, 460. 5a. (Toeg. S. 20-469 - | ; ony Gen, en Ba gee, 8. 49—330.) Overeenkomstig door de namens de Gecommitteerde See aa in Nederland door of | van Overzeese Rijksdelen, en in ien aie Deniere | € en Nederland | SS ee
TOELATINGSBESLUIT. 59 EE gelegen plaatsen door ambtenaren van de Immigratiedienst van Indo- nesié toelatingskaarten worden uitgereikt.
Ter uitvoering van art. 5a v.h. Toel.besl. is bij ie 8
I Febr. 1938, de Singapore-ver br ae ns dn A EE
welke te Singapore ambtenaren v.d. Immigratiedienst gevestigd zijn, die
naar de aanwijzingen v.h. Hoofd v.d. Immigratiedienst belast zijn met de
uitreiking van toelatinaskaarten,
- (Gew. laatstel. S. 49—330.) (1) Onverminderd het bepaalde bij art. 12, geeft de toelatingskaart de wettige houder het recht om, met inacht- neming van de bepalingen op het verkeer en verblijf, zich gedurende twee jaren in Indonesië op te houden.
(2) De in het eerste lid vermelde termijn kan op verzoek van de be- langhebbende eenmaal met twee jaar en nog cenmaal met zes jaar worden verlengd door het Hoofd van het Immigratiekantoor, binnen welks ressort zijn woonplaats is gelegen. De verlenging wordt door dit Hoofd op de toelatingskaart aangetekend.
(3) De verlenging kan door het Hoofd van het Immigratiekantoor worden. geweigerd om de redenen, bedoeld-in het-tweede lid van art. 4.
(4) De toelatingskaart verliest hare geldigheid ingeval van vertrek uit Indonesië, tenzij daarop vóór dit vertrek door het Hoofd van het | Immigratiekantoor, binnen welks ressort de belanghebbende verblijf | houdt, een vergunning tot terugkeer naar Indonesië is gesteld en de terugkeer plaats heeft binnen één jaar na de datum dier vergunning.
7, 8. Vervallen : S. 49—330.
8a. (Ing. S. 34—397 jo. 608.) (1) De Nedemander, aan wien binnen zes weken na zijn ontscheping de tociating is geweigerd, wordt, c.q. met zijn gezin, teruggezonden naar de, plaats van inscheping en wel door en ten laste van de scheepvaartmaatschappij of reedcrij met welker schip hij in Indonesië is aangekomen. ;
(2) (Gew. S. 49—330.) Zoo noodig wordt een bepaald schip van deze maatschappij of reederij door de Secretaris van Staat, Hoofd van het Dep. v. Justitie, dan wel de door deze daartoe aangewezen gezaghebbende voor de bedoelde terugzending-aangewezen;/de gezagvoerder van het aangewezen schip is verplicht den persoon, ten behoeve van wien de aanwijzing geschiedt, c.q. met zijn gezin, aan boord te nemen en te beletten, dat hij in Indonesië zich aan wal begeeft, dan wel voor de terug- zending van die persoon of personen voldoende zekerheid te stollen.
- (Gew. S. 27—2565, 383 ; 49— 330.) (1) Hij die, behoorende tot een der in het eerste lid van art. 1 bedoelde groepen van personen, in Indonesië | wordt aangetroffen zondcr in het wettig bezit te zijn van cen geldige | toclatingskaart of een nog geldig toelatingsbewijs, wordt gebracht voor | het Hoofd van het Immigratiekantoor, binnen welks ressort hij wordt | aangetroffen, dat hem alsnog van een toelatingskaart voorziet, tenzij hij | behoort tot dezulken, aan wie geen toelatingskaart zou zijn verleend, | indien hij op grond van het bepaalde in het eerste lid van art. 4 op het | Immigratiekantoor verschenen ware. (Bb. 13539.) |
(2) (S. 22-725 jo. 726; 24-53 jo. 257; 31-159 jo. 161; 49-295 | jo. 460.) Voor de krachtens het vorige lid uitgereikte toclatingskaart is | verschuldigd cen som van / 150.— (één honderd vijftig gulden), tenzij | de belanghebbende de wettelijke bepalingen op de ontscheping heeft over- | treden, in welk geval een som van / 250.— (twee honderd vijftig gulden) verschuldigd. is. 5 ‘
(3) Wanneer de belanghebbende wettig was toegelaten en hij het niet meer bezitten van zijn toclatingskaart ten genoegen van het Hoofd. van het Immigratiekantoor kan verklaren, wordt kosteloos een duplicaat uitgereikt. i Menurut UU Dar Nr 41, th 1950, LN 50—83, m.b. 1-1-'öl, dalam pas.
9, ajat 2, djumlah masing? R. 150.— (seratus lima OEL EC LEON (dua ratus lima puluh rupiah) diubah mendjadt masing” R. 250.— (dua ratus lima puluh rupiah) dan R. 500.— (lima ratus rupiah); pas.
60 TOELATINGSBESLUIT. ED a 9, ajat 3 dibatja : (3) (Diubah LN 5083, m.b. 1-1-'51.) Apabila jan berkepentingan dapat menjatakan dengan tjukup memuaskan Keno Kantor Imigrasì, bahwa ,,Kartu Izin Masuk’’nja telah hilang bukan karena salahnja, maka kepadanja dapat diberikan duplikat ,,Kartu Izin Masuk”’, dengan dikenakan pembajaran uang sebesar uang
» a s g penda- ratan jang disebutkan dalam pas. 3.
Krachtens Noodwet No. 41, 1950, LN. 50—83, iwg. 1-1-’51. wor bedragen, in art. 9 lid 2, resp. R.150.— en R. 250. Giiizled tn rebar R. 250.—(twee honderd vijftig rupiah) en R. 500.—(vijf honderd rupiah) : art. 9, lid 3 wordt gelezen : (3) (Gew. LN. 50-83, iwg. 1-1-’51.) Wanneer de belanghebbende ten genoegen van het Hoofd van het Immigratie. ~ kantoor kan verklaren dat zijn toelatingskaart buiten zijn schuld is verloren gegaan, kan aan hem een duplicaat-toelatingskaart worde uitgereikt, tegen betaling van cen bedrag ter grootte van het in art 5 geronde ontschepingsgeld.
a. (Ing. S. 49—330.) Aan personen, die enig ingevolo gaande bepalingen verschuldigd bedrag niet en de aon van het _Immigratiekantoor de toelatingskaart worden geweigerd aaa ae 8. ee oes Van he in de voorafgaande artt. bedoelde gen van het Hootd van het Immigratiekantoor is gedurende a ee pee ey Ries op de Secretaris van Staat, Hoofd van ree 5 > dan wel-op-een-door-deze daartoe aangewezen gezag-
(2) Het beroep wordt gedaan door tussenko
ordt mst van het L xk rn ed Ng dat in afwachting aide blits } © belanghebbende; indien hij niet in verzekerde bew ring wordt gehouden, van een voorlopi i BS oenen af , pig toelatingsbew ziet. at ce. (Ing. §. 49—330.) (1) Indien fee beroep raed ds EEE id van art. 9b bedoelde gezaghebbende gegrond wordt verkl ziet het betrokken Hoofd van het ema hota | bel ee bend ; — eventueel t intrekki 6 i eg alsnog van cok Be van -het-voorlopige toelatingsbewijs —
(2) Wordt het page yeas ae Ate verlenging: : wezen, of komt d ie eat ORE tegen de weigering van A ee
© verlenging in verzet, dan wordt d de i ie id
BREN ease , oor de in het eerste lid van aa ah Indo eae schriftelijk bevel tot zijn verwij-
(3) Desverlangd ‘wordt de b Î
ng trokkene een redelijk ij om orde op zijn zaken te stolle Pan gelaten n.
baat es A sate tet 9 3 toegelatene geacht wordt gevaar op te komst in Indonesië mocht ae Sons ee EAR eG naam, hoedanigheid of door on veroordeeld, of door valsche opgaven van Ee ae ive eon andere bedriegelijke middélen toelating heeft Generaal worden Eelen ELO door den Gouverneur- Indonesië worden uitgevaardigd. aes ocr ue peer naideting ot
(2) Den betrokkene é ZU ee ea desverlangd een termijn verleend om op
- (1) (Gew. 8. 229-795, 796. 5 Zij, op wie de RE ean hier: 257 ; 27255, 383; 49—273.) schouwd niet in Indonesië AOC csluit toepasselijk zijn, worden be- vergunning te hebben bekomen ke so 8 an sgat hie van het Departement eee oa © Secretaris van Staat, Hoofd mentshoofd aangewezen en An wel van een door dit Departe-
(Bb. 15337: het Hoof EAN
(2) Ter verkrijging ee d. Immigratiedienst als gezaghebb. aangewezen.
een vergunning t ; ié wendt de belanghebbende zich onder les Sg, Iraonesig bij verzoekschrift tot het Departe ane HOSE Rose bende, bedoeld in het eerste lid. Ble pee, ten, Wel de! gevaghel
TOELATINGSBESLUIT, 61 Ee ee (3) Het verzoekschrift en de toelatingskaart, bedoeld in het tweede
lid van dit art., worden door de belanghebbende open ingeleverd bij
' het Hoofd van het Immigratiekantoor in zijn woonplaats, of — indien aldaar geen Immigratiekantoor is gevestigd — bij het plaatselijk Bestuurs- hoofd, dat zorgdraagt voor onverwijlde doorzending, nadat het de
| belanghebbende heeft voorzien van cen ontvangstbewijs, waarin de inhoud van het verzoekschrift en van de toelatingskaart in verkorte vorm is opgenomen.
(4) Het ontvangstbewijs, bedoeld in het derde lid, geeft de belang- hebbende, zolang niet op zijn verzoek is beslist, dezelfde rechten als die, welke aan het bezit van de toelatingskaart zijn verbonden.
(5) Voor de vergunning tot vestiging is verschuldigd een som van /100.— (honderd gulden). Zij geldt mede voor. de wettige — niet van tafel en bed gescheiden — echtgenote en de wettige en wettelijk erkende minderjarige kinderen van de aanvrager, die ten tijde van de verlening der vergunning hun hoofdverblijf in Indonesië hebben. (8: 49—278 art. II bevat overgangsbep.; toelichting op deze wijziging ik Bo. 15308.)
Menurut UU Dar Nr 41, th 1950, LN 9083, m.b. I-1-’51, dalam pas. Li, ajat 5, vang sedjumlah R. 100.— (seratus rupiah), diubah mendjadt R. 300.— (tiga ratus rupiah) ; dan ditambahlan ajat ke 6 jang berbunji : (6) (Ditambahkan LN 50-83, m.b. 1-151 ) Apabila jang berkepentingan dapat menjatakan dengan tjukup memuaskan Kepala Kantor Imigrasi, bahwa „Surat Izin Penduduk’’nja telah hilang bukan karena salahnja, maka kepadanja dapat diberikan duplikat „Surat Izin Penduduk”, dengan dikenakan pembajaran uang sebesar jang disebutkan dalam ajat jang terdahulu.
Krachtens Noodwet No. 41, 1950; LN. 50 —83, twg. 1-1-2651, wordt in art. 11, lid 5, het bedrag R. 100:— gewijzigd. in R.300.— (drie honderd rupiah) ; voorts is een zesde lid toegevoegd, luidende ; (6) (Toegev. LN. 5083, iwg. 1-1-’51.) Wanneer de belanghebbende ten genoegen van het Hoofd van het Im migratiekantoor-kansverklaren dat zijn vergunning tot vestiging buiten zijn schuld verloren is gegaan, kan aan hem een duplicaat-vergunning tot vestiging worden uitgereikt, tegen betaling van het in het vorige lid genoemde bedrag. —_ 5
- (1) (Gew.,S, 27255 jo. 383.) De vergunning tot vestiging kan wor- den geweigerd in het belang van de openbare rust en orde, zoomede Wanneer de belanghebbende niet in staat wordt geacht behoorlijk in zijn onderhoud en dat van zijn gezin te voorzien of wanneer hij wegens misdrijf sedert zijne aankomst.in Indonesië mocht zijn veroordeeld.
(2) De weigering van de vergunningstot vestiging wordt met redenen omkleed en houdt tevens het-bevel in toteverwijdering van den verzoe- ker uit Indonesië. a
(3) Liet bepaalde bij het tweede lid van art. 10 is ten deze toepasselijk.
(Gew. S. 27—255, 383 ; 49—830.) Zij, aan wie de toelatingskaart, de verlenging van hun toelatingskaart dan wel de vergunning tot ves- tiging is geweigerd of wier toelatingskaart is ingetrokken, kunnen door het Hoofd van het Immigratiekantoor, binnen welks ressort zij worden aan- Betroffen, onder politietoezicht of in verzekerde bewaring worden gesteld.
(Gehandh. S. 17-497; gew. S. 24—53 jo. 257.) (1) Overtreding van het bepaalde bij art. 2 wordt gestraft met eene geldboete van f 200.— (twee honderd gulden) voor elken persoon, te wiens aanzien de overtreding 8 Sepleegd. (Als overtreding te beschouwen krachtens Invoeringsverord.
w. 7.)
(2) De opgelegde boete kan op het vaartuig worden verhaald.
(9) (Toeg. \S. 49330.) De Immigrant, die nalaat te voldoen aan de Krachtens het eerste lid van art. 4 op hem rustende verplichting, wordt Bestratt met een geldboete van ten hoogste / 1000.— (duizend gulden)
echtenis v te drie maanden. ‘
b (4) ( Toeg. aoe. da dit art. strafbaar gestelde feiten worden schouwd als overtredingen.
gm EE —— i f 62 TOELATINGSBESLUIT. i SS = :°0 0 H!..—!''''q_———_ | 15. (Gew. S. 17—497 ; 20—462.) Hij, die veroordeeld is terzake van de overtreding, bedoeld in art. 527 van het Wetboek van Strafrecht, wordt, i na de betaling der opgelegde boete dan wel de tenuitvoerlegging van 4 de straf, opnieuw uit Indonesié verwijderd. Die verwijdering geschiedt | ook na verval van het recht tot strafvordering door de vrijwillige beta- i ling, bedoeld in art. 82, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht en in geval van uitsluiting van de strafbaarheid na de uitspraak in hoogste \ ressort van den rechter. | 16. Afgeschalt Inv. Sw. 3 jo. 6-260°. N | 17. De bepalingen van dit besluit zijn niet toepasselijk op: a. van Landswege naar Indonesië gezonden personen met hunne ezinnen ; | ë b. consulaire ambtenaren met hunne gezinnen ; (gew. zie hieronder.) b. (Diubah LN 51—14, m.b. 1-1-’51.) wakil? diplomatik dan konsuler pada Pemerintah Republik Indonesia, para pegawai selama mereka bekerdja diperwakilan negara asing itu serta keluarganja. i b. (Gew. LNe-SI=14--iwg1-157.) diplomatieke en Consulaire verte- f genwoordigers bij de Regering der Republiek Indonesia, het personeel, i zolang dit werkzaam is bij die vertegenwoordigingen van vreemde mogend- | heden en hun gezinnen. : c. officieren en bemanning van tot de marine van eenige Mogendheid behoorende schepen ; N | d. gezagvoerders, officieren en schepelingen van koopvaardijschepen, tenzij bij aankomst of tijdens het oponthoud van het schip in cenige i haven hun dienstverband eindigt ; e. hen, die in Indonesië hun zeereis niet beéindigen, behoudens het te hunnen opzichte in art. 18 bepaalde. 18. (Gew. S. 49— 330.) (1) Indien iemand, behoorende tot de personen, | bedoeld onder e van art. 17, geacht wordt gevaar op te leveren voor de openbare rust en orde, wordt door de Secrètaris van Staat, Hoofd van het Dep. van Just., of de door deze daartoe aan te wijzen gezaghebbende, een schriftelijk bevel tot zijn verwijdering uit Indonesië uitgevaardigd. (2) In afwachting van zijn inscheping “kan de betrokkene, door het Hoofd van het Immigratiekantoor, binnen welks ressort hij vertoeft, onder politietoezicht of in verzekerde bewaring worden gesteld. 18 a. (Ing. S. 33438 jo. 491.) (1) Jaarlijks wordt bij regeeringsver- ordening vasigesteld : a. hoeveel vreemdelingen in totaal en b. hoeveel vreemdelingen per landaard in het volgend kalenderjaar kunnen worden toegelaten, onverminderd dé overigens voor deze toe- lating gestelde eischen. en Ha het vorig lid onder"bebedoeld aantal is voor alle landaar- e. Bij S. 33—492, 34—690, 35—603, 37— » 38— = af voor elk jaar het totaal mantel vee telden een sed op 12000, naar den landaard onderscheiden in 15 groepen elk van 800 Rersonen; gor, 1829 gesteld op 4000, zeven groepen van ten hoogste 600 18 b. (Ing. 8. 33—438 jo. 491.) (1) Zoolang in eenig kalenderjaar het aantal toegelaten vreemdelingen gebleven is beneden de ingevolge art. 18a, 1e lid, sub a vastgestelde grens, mag het krachtens het bepaalde onder 6 van dat lid vastgesteld aantal per landaard worden overschreden met ten hoogste 1/,, van het totaal aantal vreemdelin- gen van den betrokken landaard, dat in de 10 achtereen- volgende kalenderjaren, voorafgaande aan het jaar der inwerkingtreding van dezen alcomee- ; ; z oes Ba ie tregel van bestuur, in Indonesié is toegelaten. je i d wae te in den loop van eenig kalenderjaar de ingevolge art. 184 ane su Be „vastgestelde grens is bereikt, worden verder alleen toege- n vreemdelingen van landaarden, ten aanzien waarvan het onder 0
en : TOELATINGSBESLUIT. 63 ER ® van dat art. vastgesteld aantal nog niet is bereikt, tot ten hoogste het daaraan ontbrekend getal personen.
De Gouv.-Gen. is bevoegd van de bepalingen van dit besluit dis- pensatie te verleenen.
(1) Voorzoover nevens dit besluit en de tot zijne uitvoering ver- eischte voorschriften, nog andere voorzioningen ter verzekering zijner goede werking worden vereischt, worden deze door den Gouverncur- Generaal vastgesteld.
(2) Hij kan ten aanzien van werklieden, behoorende tot de met Indo- nesiérs gelijkgestelden, bijzondere van dit besluit afwijkende regelingen maken. (S. 17—694,* hierachter.)
Overgangsbepalingen.
I. (1) Het bopaalde bij het eerste en tweede lid van art. 1 is niet toc- passelijk op hen, die in het wettig bezit zijn van een geldige toclatings- kaart, vóór de inwerkingtreding van dit besluit verleend op den voct van de toen geldende..bepalingen-omtrent-de toelating in Indonesië van Nederlanders en Vreemdelingen.
(2) Zoodanige toelatingskaart geeft gedurende den termijn, dat zij volgens die bepalingen nog geldig is, dezelfde rechten en kan om dezelfde reden en op dezelfde wijze worden ingetrokken als de toclatingskaarten, die volgens dit besluit worden ingetrokken als de toelatingskaarten, die volgens dit besluit worden uitgereikt. Tegen dengene, wiens toclatings- kaart is ingetrokken, wordt door den Gouverneur-Generaal een schrif- telijk bevel tot verwijdering uit Indonesië uitgevaardigd.
(3) Op den in het vorig lid bedoelden termijn zijn het tweede en derde lid van art. 6 toepasselijk.
I. (Gew. 24-653 jo. 257.) Behoudens het sub IIT hieronder bepaalde, is art. 9 toepassclijk op hen, die, behoorende tot cen der in het cerste lid van art. 1 bedoelde groepen van personen, vóór de inwerkingtreding van dit besluit zich reeds in”Iudonésiëbevonden en aldaar daarna worden aangetroffen, zonder in het wettig bezit te zijn van cen geldige toelatingskaart, zullende in zoodanig-geval-voor de krachtens het eerste lid van voormeld art. 9 uitgercikte toelatingskaart verschuldigd zijn gene som van / 100.— (een honderd gulden). :
Menurut UU Dar Nr 41, th 1950, LN 50—83, m.b. 1-1-’51, djumlah wang sebesar R. 100.— (seratus rupiah) jang disebut pada achir sub II peraturan peralihan int, diubah mendjadt R. 150.— (seratus lima puluh rupiah).
Krachtens Noodwet No: 41, 1950, GN. 5083, iwg. 1-1-’51, wordt het afh slot van II dezer Overgangsbepalingen genoemd bedrag van R. 100.— gewijzigd in R. 150.— (één honderd vijftig rupiah).
II. (1) Art. 9 is niet toepasselijk op hen, die: ;
a. bij de inwerkingtreding van dit besluit verblijf houden in de afd, zoelan Toedjoeh van de residentie Riouw, zoolang hun verblijf aldaar uurt ; ‘ B
D. niet behoorende tot de personen bedoeld in het tweede lid van art. 20 van dit besluit, voor de inwerkingtreding daarvan ingevolge de Ord. van 15 Juni 1892, S. No. 138, geen toclatingskaart behoefden, zoolang zij in de residentie Oostkust van Sumatra verblijf houden.
(2) Desverlangd worden hun toelatingskaarten uitgereikt op den Voet van art. 4. " oi
(3) Zoolang aan hen geen toclatingskaarten verstrekt RL ZIJ om de reden in art. 18 genoemd, uit Indonesië ERE cap oen aan breek bij het eg lid van art. 10 en het derde
: S ten deze toepasselijk. | Banos bea bepaling. (1) Dit besluit: dat kan worden Abe enen
stip. (9 epee Npe Gn den Gouv.-Gen. Pp
Melee ten 8 r. Lo. Non as 5 Krachtens 8. upd 491 zi lid 2 en 3 vervangen door één nieuw lid.
: 64 TOELATINGS-ORDONNANTIE 1949. ene ee
(2) Bij regeeringsverordening kunnen van dit besluit afwijkende regelingen worden vastgesteld nopens: ’ :
a de toelating en vestiging in de onderafdeclingen Tandjong Pinang en Lingga en het buiten den Sumatra-wal gelegen gedeelte der onder. afdeeling Karimoen van de residentie Riouw; :
b. de toelating in een ander deel van Indonesié van personen, die in de onder a bedoelde gedeelten der residentie Riouw zijn toegelaten of gevestigd. (S. 49—4, zie hierachter bl. 2402.)
Toelatings-ordonnantie 1949. (Ord. v. 4 Nov. 1949.) S. 49— 331. (iwg. 12 Nov. ’49)
Consid. Dat Hij, het noodzakelijk achtend-de-bestaande releen ter verzekering vanrde-uitvoering en de goede werking van het Toelatings- besluit (S. 1916 N°. 47, zoals sedert gewijzigd en aangevuld) te herzien.
Onder intr. v. d. Toelatings-ordonnantie, S. 17—693 is bepaald :
Art. 1. Onverminderd de verplichtingen, krachtens het Toelatingsbesl. opgelegd aan degenen, die vallen onder de werking van dat besluit, is een ieder die, komende uit het buitenland, op het grondgebied van Indonesië aankomt, verplicht onverwijld in persoon van zijn aankomst mededeling te doen:
a. voorzover die aankomst plaats had in een der krachtens art. 1 ; van het Toelatingsbesl. door de. Gouv.-Gen. aangewezen onstschepings- havens: aan de ambtenaar van ‘dé lmmigratiedienst, belast met de functie van ontschepingsambtenaar aldaar.
b. voorzover die aankomst plaats had-buiten een der onder a bedoelde havens: aan de dichtsbijzijnde,door. de Gouv.-Gen. tot het ontvangen van deze mededelingen aangewezen gezaghebbende. (S. 49-—332* hiervoor.)
(2) De in het eerste lid bedoelde verplichting bestaat, niet voor:
a. personen, die zich aan boord van het hen naar Indonesië vervoerende of vervoerd hebbende vervoermiddel reeds bij de ontschepingsambtenaar hebben aangemeld.
b. doortrekkenden, die zich gedurende hun oponthoud in Indonesië niet buiten het door de Dienst der In- en Uitvoerrechten en Accijnzen gecontroleerde havengebeid begeven.
- (1) Uit het buitenland»aangekomen personen, die:
AN a. niet in het wettig bezit zijn van een geldig paspoort of legitimatie-
ewijs,
b. vallen onder één der in art. 1 lid 1 van het Toelatingsbesl. genoemde sroepen, en niet in het wettig bezit zijn van een geldige toelatingskaart, die zich melden bij- of worden aangetroffen door een in art. 1 lid 1 sub b bedoelde gezaghebbende, zullen, tenzij zij onverwijld en rechtstreeks doorreizen naar het buitenland of naar een krachtens art. 1 van het | Toelatingsbesl. aangewezen ontschepingshaven, door deze gezaghebbende, / zo nodig met behulp van de sterke arm, worden geleid vóór het Hoofd van het Immigratiekantoor, binnen welks ressort zijn standplaats is gelegen.
(2) De in art. 1 lid 1 sub 5 bedoelde gezaghebbenden, zullen de niet onder de werking van het eerste lid vallende, uit het buitenland aan-
| gekomen personen vergunnen het grondgebied van Indonesië vrijelijk
| te betreden, tenzij zij om andere dan de in lid 1 aangegeven redenen mochten worden aangehouden. Zij, die bij aankomst hun status niet : dammen bewijzen worden geacht onder de werking van het eerste lid
e vallen.
- Bij het binnenlopen van een der krachtens art. 1 van het Toe- ies tesluis Seer de Gouv.-Gen. aangewezen ontschepingshavens is de
n een schip, waarop zich reizigers bevinden, die, recht- | j
