SPOORWEGVERORDENING
stellen zodanig, dat het kan worden verlaten;
op een stille, smalle weg keren, zonder de verkeersstrook te verlaten, waar- bij van het motorrijwiel mag worden afgestapt en dit mag worden voortgeduwd:
op een stijgend gedeelte van de weg het motorrijwiel tot stilstand en daarna weer in beweging brengen, zonder dat het daarbij noemenswaard achteruit rolt.
(3) Bij de proeven bedoeld in lid (2) moeten de verkeersregelen zorgvuldig in acht worden genomen en de voorgeschreven signalen en tekens op de juiste wijze worden gegeven.
Herkenningsteken.
- Het in artikel 110 lid (5) van de ,,Wegverkeersverordening" bedoelde her- kenningsteken bestaat uit een rode schijf van 15 cm middellijn, waaraan een wit handvat ter lengte van 50 cm is bevestigd, overeenkomstig model I.
Legitimatiebewijs.
- Het als model II vastgestelde legitimatiebewijs heeft een lengte van 250
mm en een breedte van 176 mm. Ontvangstbewijs.
11a. Het als model III vastgestelde ontvangstbewijs heeft een hoogte van 125 mm en een breedte van 176 mm.
Van dit model worden 25 stuks met doorslagen tot boekjes ingebonden.
- De modellen II en III worden ter Landsdrukkerij gedrukt en worden al- daar door de betrokken autoriteiten tegen door de Directeur van die instelling te bepalen prijzen betrokken.
Slotbepaling.
- Dit besluit kan worden aangehaald onder de naam van ,,Wegver-
keersbesluit - B.B." en treedt in werking op 1 Januari 1937. —— SPOORWEGVERORDENING S. 1928—200. E (Besluit van den Gouverneur-Generaal van 9 Juni 1928 No. 19).
- INLEIDENDE BEPALING. Art. 1. Omschrijvingen. In deze bepalingen en de krachtens deze vast te stel- len voorschriften wordt verstaan onder: J aia: j
a. aanleg: het tot stand brengen van nieuwe of het belangrijk wijzigen of uit- breiden van bestaande spoorwegen; fr .
b. ondernemer: voor zooveel den aanleg betreft, de gate ee dn. persoonen), voor wiens (wier) rekening devaaillegieny voor Zoonen ) Secaine tatie betreft, de natuurlijke of rechtspersoon(en), voor wiens (wier de exploitatie geschiedt; ‘ ;
c. Bestuurder voor zooveel den aanleg betreft, degene(n), die de en de leiding van den aanleg en, voor zooveel de exploitatie De poets ’ het dagelijksch bestuur en de leiding van dere dienst eet? we Bekele aange-
d. personeel: tot de uitoefening van eenig onderdeel van den © wezen personen, in dienst bij den oarder!
e. Directeur: de Directeur van ouvernem ’
f. Toezicht: de dienst, aan welken het toezicht op de spoor- en Aran egen door de Regeering is opgedragen; : = Pa
g. Soa a an pee er beheer van een voor den treindienst verantwoordelijken
1356 SPOORWEGVERORDENING ‘mmm mmm mm,
chef staande plaats, waar treinen hun loop kunnen beginnen of eindigen, met elkander mogen kruisen en (of) elkander mogen inhalen en waar al of niet rei-
zigers gelegenheid vinden in de treinen plaats te nemen of die te verlaten en | (of) goederen ten vervoer worden aangenomen en (of) afgeleverd;
h. stopplaats: een niet onder beheer van een voor den treindienst verantwoor- delijken chef staande plaats, waar reizigers gelegenheid vinden in de treinen plaats te nemen of die te verlaten en (of) goederen ten vervoer worden aan- genomen en (of) afgeleverd;
i, hoofdsporen: die sporen op de stations en op den weg, welke in gewone om- standigheden worden bereden door de treinen, waarin reizigers worden vervoerd;
k. electrische leiding: een samenstel van electrische geleiders met de inrich- tingen voor het steunen, bevestigen, isoleeren, beschermen enz. daarvan;
- sterkstroomleiding: een electrische leiding, welke uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor het overbrengen van electrisch arbeidsvermogen;
m. zwakstroomleiding: een electrische leiding, welke uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor het overbrengen van berichten, seinen en teekens door middel van electriciteit; ;
n, tractieleiding: het tot een spoorweg behoorende samenstel van sterkstroom- leidingen, uitsluitend of in hoofdzaak bestemd voor het overbrengen van het electrische arbeidsvermogen, benoodigd voor de voortbeweging van rollend ma- terieel over dien spoorweg, met inbegrip van de voor stroomleiding dienende spoorstaven en hare verbindingen;
o. contactleiding: het deel van een tractieleiding, uitsluitend of in hoofdzaak bestemd om electrisch arbeidsvermogen over te brengen op het rollend materieel;
p. trein: elk dienstdoend trekvoertuig, met de daaraan gekoppelde voertui- gen, indien deze aanwezig zijn, dat geen rangeer- of reservedienst op een sta- tion verricht;
q. nachttrein: een trein, loopende tusschen 9 uur 's avonds en 4 uur 's morgens;
r, trekvoertuig: een voertuig met aandrijfinrichting, al dan niet tevens bestemd voor vervoer van reizigers en (of) goederen;
s. locomotief: een trekvoertuig, niet bestemd voor vervoer van reizigers en (of) goederen;
| t. stoomlocomotief: een door stoom gedreven locomotief;
u. motorvoertuig: een trekvoertuig, tevens bestemd voor vervoer van reizi- gers en (of) goederen; :
v. rijtuig: een ander voertuig, geheel of ten deele bestemd voor het vervoer van reizigers en (of) bagage en (of) post;
W. wagen: een ander voertuig, uitsluitend bestemd voor het vervoer van goe- deren of levende dieren;
x. rollend materieel: trekvoertuigen, tenders, rijtuigen en wagens;
y. draisine: een voertuig, niet tot het rollend materieel behoorende, door me- chanische beweegkracht voortbewogen, dat niet met handkracht uit het spoor gelicht kan worden en niet bestemd is om trekkracht uit te oefenen;
z. storing in den dienst: de toestand, waarbij tengevolge van een ongeval of andere buitengewone omstandigheden, de treinenloop wordt gewijzigd in dier voege, dat kruisingen of inhalingen worden verlegd, of aansluitingen worden gemist, dan wel een of meer treinen worden opgeheven, zulks dat het vervoer van reizigers of goederen wordt onderbroken;
aa. staking van den dienst: de toestand, waarbij het aannemen ten vervoer van personen en (of) goederen over den geheelen spoorweg, of een gedeelte pare nese a blijvend in vollen omvang is opgeheven; ne ans apa a den OI gehoord: nadat aan den BRO maken: r enz. de gelegenheid is gegeven, zijn gevoelen kenbaar rd de dere locale ressorten, Provincién en binnen prove dige gemeenschappen; aera ae sal esclng dangewazenne
ad, ee meenen en Gemeenten buiten een Provincie;
: usschen zonsonder- en zonsopgang.
SPOORWEGVERORDENING 1357 ee DEEL I, AANWIJZING VAN DE GOED TE KEUREN ONTWERPEN. | 2. Goedkeuring van de ontwerpen van den spoorweg.(1) Voordat met de uit-
voering van den aanleg van den spoorweg een aanvang wordt gemaakt, moeten de hierna te noemen ontwerpen door den Directeur zijn goedgekeurd:
a. een plattegrondteekening op een schaal van tenminsten 1:2000, waarop de richting van den spoorweg met de bogen, stations met toegangswegen, doorsnij- dingen met andere ijzeren banen, uitwijkplaatsen, wissels en overwegen, de lengten der rechte gedeelten en der bogen, met vermelding van den kromte- straal, en de doorsnijdingen van rivieren of waterloopen nauwkeurig zijn aan- gegeven, terwijl, indien medegebruik van openbare wegen gewenscht wordt, mede duidelijk moet worden aangeduid, welke wegen of gedeelten van wegen in medegebruik worden verlangd;
b. een lengteprofiel op een schaal van tenminste 1:5000 voor de lengten en van tenminste 1:200 voor de hoogten;
c. de normaal-dwarsprofielen der aarden baan en van het ballastbed, op een schaal van tenminste 1:100; voorts bijzondere dwarsprofielen betreffende die plaatsen, waar van de normaal-dwarsprofielen moet worden afgeweken, be- nevens, indien medegebruik van openbare wegen wordt gewenscht, alle dwars- profielen, vereischt ter beoordeeling van de ruimte, welke ten behoeve van den spoorweg zal worden ingenomen en die, welke voor het gewone verkeer beschik- baar blijft;
d. de ontwerpen van gebouwen (met uitzondering van die van dienstwonin- gen) en van den onder- en bovenbouw van kunstwerken, voor zoover deze niet
i van metaal worden vervaardigd;
alles op een schaal van tenminste 1:100.
(2) De in lid (1) bedoelde teekeningen moeten in een door den Directeur te bepalen veelvoud bij hem worden ingediend door tusschenkomst van het be- trokken Hoofd van Gewestelijk Bestuur en, indien daarmede belangen van zelfstandige gebiedsdeelen gemoeid zijn, van den Raad in het betrokken zelfstan- ding gebiedsdeel.
(8) Indien verschillende werken volgens eenzelfde ontwerp worden uitgevoerd, kan de Directeur toestan, dat daarvoor typeteekeningen, instede van afzonder- lijke ontwerpen, ter goedkeuring worden aangeboden. KR
- Goedkeuring van de ontwerpen van andere werken.(1) Gelijke goedkeu- ring, als bedoeld in artikel 2, wordt vereischt voor:
a. de ontwerpen van:
den bovenbouw van den weg, waartoe zijn te rekenen de spoorstaven, met de daarbij behoorende laschplaten en bevestigingsmiddelen, de wissels, de kruis- stukken en de dwarsliggers;
den metalen onder- en bovenbouw der kunstwerken;
alle andere werken, bestemd om deel van den spoorweg uit te maken,
alles op voldoend duidelijke schaal, ten genoege van den Directeur;
b. voor electrische spoorwegen: ontwerpen van de tractieleidingen, ten ge- noege van den Directeur, ; :
ee spoorwegen van bijzondere inrichting: de teekeningen, woke ge DE recteur zal noodig achten, teneinde die bijzondere inrichting te kunn
beoordeelen; F
d. alle andere door den Directeur noodig geachte teekeningen en bescheiden op door hem te bepalen schaal. ' fj 8 (2) De in lid (1) Eene eeen OSE in een door den Directeur te
epalen veelvoud bij hem worden ingediend, :
(3) Indien sepeenillende werken volgens eenzelfde ontwerp WO ey ra kan de Directeur, behoudens het bepaalde bij lid (5), Kn oa sore
peteekeningen, instede van afzonderlijke ontwerpen, ter goedkeuring
Ingediend.
(4) Voor de goedkeuring der teekeningen van den meen Den den weg en van den metalen onder- en bovenbouw der kunstwer he Zaken belanghebbenden zich wenden tot den Gecommitteerde voor nee oe ae indien het ontwerp niet in Nederlandsch-Indié is opgemaakt, ©
1358 SPOORWEGVERORDENING genre Directeur. De goedkeuring in Indië wordt onnoodig, indien en voor zoover deze door den Gecommitteerde is verleend.
(5) Voor de toepassing van een reeds goedgekeurd type van metalen onder- en bovenbouw wordt voor elk kunstwerk de toestemming van den Directeur vereischt.
- Goedkeuring van de ontwerpen van nieuwe werken of tot wijziging en (of) uitbreiding.(1) Ook na de openstelling voor algemeen verkeer behoeven alle ontwerpen tot uitbreiding of wijziging van den spoorweg of de daartoe behoo-
rende werken, zoomede de aanleg van nieuwe gebouwen (met uitzondering van die van dienstwoningen) of andere werken, de goedkeuring van den Directeur.
(2) Voor de ‘wijze van indiening der in lid (1) bedoelde ontwerpen geldt het bepaalde bij artikel 2 lid (2) of artikel 3 lid (2).
- Indiening van de ontwerpen, betrekking hebbende op haventerreinen. De ontwerpen en teekeningen, omschreven in de artikelen 2, 3 en 4, voor zoover zij geheel of mede betrekking hebben op sporen, gebouwen en werken op ha- venterreinen, welke als zoodanig door den Gouverneur-Generaal zijn aange- wezen, moeten, behalve door de tusschenkomst van de in die artikelen reeds aangegeven personen en lichamen, mede door tusschenkomst van den Direc- teur der Burgerlijke Openbare Werken worden ingediend.
DEEL IL AANLEG VAN WEG EN WERKEN. HOOFDSTUK I. SPOORWEGEN DER EERSTE KLASSE
Geschiktheid voor de snelheid van 60 kilometer per uur of de vastgestelde grootste snelheid. Spoorwegen der eerste klasse moeten tenminste geschikt zijn om met een grootste snelheid van 60 kilometer per uur bereden te worden en, indien zij met grootere snelheid zullen worden bereden, voldoen aan hoogere eischen. Welke hoogere eischen aan den spoorweg, als gevolg van die grootere Se worden gesteld, bepaalt de Directeur voor elk geval afzonderlijk.
Afsluiting van den spoorweg. Elke spoorweg der eerste klasse moet, op de door den Directeur goed te keuren wijze en behoudens door hem te bepalen uit- zonderingen, door en op kosten van den ondernemer worden afgesloten.
Wat als voldoende afsluiting wordt beschouwd.( 1) Tenzij de Directeur hoo- gere eischen stelt, worden als voldoende afsluitingen beschouwd:
a. alle onmiddellijk langs den spoorweg zich uitstrekkende rivieren, ravijnen, moerasgronden en zoomen van dicht ineengewassen hout of struikgewas;
b. beken, kanalen, waterleidingen of slooten van tenminste een meter diepte en twee en een halve meter bodembreedte en gedurende den drogen tijd met tenminste een halven meter water gevuld;
c. dicht ineengewassen levende heggen, muren, schuttingen en rasterwerken, ter hoogte van tenminste een meter;
d. hekwerken, draadafsluitingen en afrasteringen van door den Directeur goed- gekeurde constructie.
(2) Een spoorweg wordt als voldoende afgesloten beschouwd op die gedeel- ten, waar de kruin door ingraving drie meter onder, of door ophooging drie me- ter boven het aangrenzende terrein is gelegen, tenzij de Directeur anders bepaalt.
- Afsluiting van de overwegen (1) De in een spoorweg der eerste klasse voor- Komende overwegen, moeten, behoudens het bepaalde bij lid (2), kunnen wor: AR afgesloten door middel van sterke, goed zichtbare sluitboomen of hekken.
e wijze, waarop voor elk(e) lijn of lijngedeelte deze beweegbare afsluitingen moeten worden ingericht, wordt door den Directeur op voorstel van den on- dernemer vastgesteld; hij kan toestaan dat smalle, alleen voor voetgangers en (of) vee dienende paden worden afgesloten door draaikruisen of slaghekken. k Oe Directeur kan, op verzoek van den ondernemer, gehoord het betrok- Een oofd van Gewestelijk Bestuur, dan wel in een zelfstandig gebiedsdeel den denke pibaad, een dat overwegen, gelegen in openbare wegen en pa- eae ete eer, mits die overwegen, ter beoordeeling van den Direc-
ur, voldoend overzichtelijk zijn, niet worden afgesloten, zoomede dat zoodanige niet afgesloten overwegen en paden niet worden bewaakt. Ee
SPOORWEGVERORDENING 1359 eae ___ USN (3) De in lid (1) bedoelde beweegbare afsluitingen moeten zoodanig aansluiten aan de vaste afsluitingen, dat aan alle zijden, zoowel aan voetgangers, als aan losloopende paarden of vee de gelegenheid benomen is, om op een andere wijze dan langs den weg, waarin de overweg ligt, op den spoorweg te komen.
(4) De vrije doorgangswijdte, in de vaste afsluiting mag in groote wegen en breede straten niet kleiner dan 7,40 meter, in voor voertuigen toegankelijke bin- nenwegen en minder breede straten niet kleiner dan 4 meter, in voor paarden en vee, doch niet voor voertuigen toegankelijke paden niet kleiner dan 1,50 me- ter en in voetpaden niet grooter dan 0,75 meter zijn.
(5) De Directeur kan, gehoord het betrokken Hoofd van Gewestelijk Bestuur, dan wel in een zelfstandig gebiedsdeel den betrokken Raad, voor de afsluiting van zeer breede wegen met druk verkeer, of elders, waar bijzondere omstan- digheden het noodig maken, een grootere doorgangswijdte dan 7,40 meter voorschrijven.
(6) Ter weerszijden van niet van beweegbare afsluitingen voorziene overwe- gen, gelegen in openbare wegen met gering verkeer, als bedoeld in lid (2), moe- ten op een afstand van tenminste tien meter, gemeten van de naastliggende spoorstaaf, door den bestuurder waarschuwingsborden worden geplaatst, Deze waarschuwingsborden moeten, daar, waar de Directeur zulks noodig acht, des nachts zijn verlicht of op andere wijze kenbaar gemaakt, Op den bestuurder rust bovendien de verplichting om, in overleg met ter zake belanghebbenden, zorg te dragen, dat langs den openbaren weg, ten genoege van den Directeur, vol- doende aanwijzingen worden gegeven ter tijdige waarschuwing van aankomende motorrijtuigen. :
- Spoorwijdte. Normaal profiel der vrije ruimte. Afstand van de sporen.(1) De spoorwijdte bedraagt 1067 m.M. of 1435 m.M. en moet over den geheelen weg nauwkeurig worden gehandhaafd, behoudens de in de bogen noodige ver- wijdingen en geringe plaatselijke afwijkingen, waarvoor regelen en grenzen door den Directeur kunnen worden vastgesteld. “|
(2) In de rechte strekking moet, behoudens het bepaalde bij lid (4), bij de spoor- wijdte van 1067 m.M. tenminste worden open gehouden het normaal prof iel van vrije ruimte, aangegeven op de teekening als Bijlage A bij deze verordening ge- voegd. Daarbij geldt [ voor den weg en de hoofdsporen der stations en Il voor de overige sporen. Voor spoorwegen of gedeelten daarvan, met contactleiding, worden, zoo noodig, aanvullingen van dit normaal profiel van vrije ruimte door den Directeur vastgesteld. :
(3) In bogen moet verder rekening worden gehouden: ;
a. met den schuinen stand van het profiel als gevolg van de verhooging van de bui : 4 3
Re (met dien verstande, dat het profiel met het bedrag dezer spoorverwijding wordt verbreed);
c. eventueel met de in artikel 25 lid (3) bedoelde verbreeding. :
(4) Binnen deze profielen mogen geen niet zijdelings Ce eee reat pen worden geplaatst, tenzij de Directeur zulks toestaat voor de a 7 Lael voor ladingmallen, voor postzakvanginrichtingen, voor eae ay GearTietde En
zijsporen, waarop uitsluitend wagens worden toegelaten, alsmede en : bij het inwerkingtreden van deze verordening binnen de grenzen der gel ends profielen, met gebruikmaking van de grenslijnen van de tevoren tocgep Een ‘in fielen, was tot stand gebracht. In dit laatste geval kan de Directeur een “sy vaststellen, binnen welken bedoelde voorwerpen moeten emoe
(5) Binnen de voor spoorwegen of gedeelten daarvan, met contactle1 B : reenkomstig den laatsten volzin van lid (2), vastgestelde aanvulling van het nor maal profiel mogen de geleiders der contactleiding met tbebehooren aanwezig zijn. SET j noodi.
(6) Wanneer zulks met het oog op de veiligheid van ie hide. pee ae wordt geoordeeld, kan de Directeur vouch tot van 2600 mM, boven
67 m.M. van een hoogte van ‚Ml, dein i den bovenkant der spoorstaven, buiten het vrije calm van 200 m.M. bij nieuwe kunstwerken en van 500 m.M. by a richten voorwerpen wordt gelaten. ‘
1360 SPOORWEGVERORDENING mmm
{7) Voor gedeelten van spoorwegen met 1067 m.M. spoorwijdte, welke door tandradtrekvoertuigen worden bereden, wordt, uitsluitend ten behoeve van de tandstaaf en daarover loopende overwegen, het profiel van vrije ruimte ge- wijzigd, als op bijlage A aangegeven, terwijl op de gedeelten, waar geen tandstaaf ligt, ten behoeve van de tandwielen door den Directeur de noodige verruiming van het profiel van vrije ruimte kan worden voorgeschreven.
(8) Bij de spoorwijdte van 1067 m.M. mag de afstand hart op hart van twee evenwijdige sporen niet minder bedragen dan 3500 m.M. In bogen wordt even- tueel rekening gehouden met de in artikel 25 lid (3) bedoelde verbreeding. De Directeur kan, onder door hem te stellen voorwaarden, een kleineren afstand toestaan. "
(9) De Directeur stelt voor de spoorwijdte van 1435 m.M. het prof iel van vrije ruimte, alsmede de maten, bedoeld in lid (7) en lid (8), vast. Hij kan voor spoor- wegen van deze spoorwijdte of gedeelten daarvan, met contactleiding, zoo noo- dig aanvullingen van het normaal profiel der vrije ruimte toestaan, waarop lid (5) van toepassing is.
- Aanwijzing van afstanden, bogen en hellingen.(1) Op den weg moeten pa- len worden geplaatst, welke den afstand van het begin- of aansluitingsstation langs de as van den spoorweg in kilometers en hectometers aangeven.
(2) Waar de as van den weg uit de rechte strekking in een boog, of van een waterpas gedeelte in een helling, of van een helling in een andere helling over- gaat, moeten aanwijzer worden geplaatst.
(3) Op de aanwijzers voor bogen moeten zijn aangegeven de straal en de lengte van den boog, zoomede de voorgeschreven spoorverwijding en verhooging van de buitenspoorstaaf.
(4) Op de aanwijzers voor de hellingen moeten zijn aangegeven de lengten van de waterpas liggende en van de hellende gedeelten, alsmede de sterkte der helling.
(5) Wanneer de helling niet sterker is dan 1:400, of het verschil in hoogte bij sterkere hellingen niet meer dan drie meter bedraagt, behoeven geene aanwij- zers te worden geplaatst.
- Grensmerken bij wissels en doorsnijdingen.(1) Tusschen twee samenloo- pende of elkander doorsnijdende sporen moet een door den Directeur goed te | keuren merk worden geplaatst, ter aanduiding van de grens, tot welke zich voertuigen op het eene spoor kunnen bewegen, zonder de beweging van voer- tuigen op het andere spoor te hinderen. Tusschen dit merk en den wissel of het doorsnijdingspunt mogen gelijktijdig op de beide sporen geen voertuigen wor- den geplaatst of voortbewogen.
(2) Bij de spoorwijdte van 1067 m.M. moeten deze merken worden geplaatst, waar de afstand tusschen twee sporen 3400 m.M. of meer bedraagt en moet even- tueel rekening worden gehouden met de in artikel 25 lid (3) bedoelde verbree- ding. De Directeur kan een kleineren afstand toestaan, waarbij hij de maatregelen voorschrijft, welke hij noodig acht.
(3) Voor de spoorwijdte van 1435 m.M. wordt de in lid (2) bedoelde afstand door den Directeur vastgesteld.
Werkkuilen, rolwagens en draaischijven in hoofdsporen. In de hoofdspo- ren mogen geen werkkuilen, weegbruggen, rolwagens of draaischijven worden aangebracht, behalve op de eindstations, met toestemming van den Directeur.
Oprichting van stations.(1) De Directeur, den ondernemer en de betrok: ken Hoofden van Gewestelijk Bestuur, dan wel in zelfstandige gebiedsdelen de betrokken Raden gehoord, bepaalt de plaatsen, waar stations zullen worden opgericht.
(2) Van de in lid (1) bedoelde beslissing van den Directeur is hooger beroep op den Gouverneur-Generaal toegelaten.
(3) De ligging der stopplaatsen wordt door den ondernemer zelf bepaald. |
HOOFDSTUK II. SPOORWEGEN DER TWEEDE KLASSE.
eb nGeochiktheld voor de vastgestelde grootste snelheid. Spoorwegen der
klasse moeten geschikt zijn om met de door den Gouverneur-Generaal
SPOORWEGVERORDENING 1361 — ee vastgestelde grootste snelheid bereden te worden. | 16. Ligging der sporen op den openbaren weg. Beschikbare ruimte langs gebouwen.(1) Indien de openbare weg voor den spoorweg wordt medegebruikt, bepaalt het gezag, dat met het beheer is belast, de juiste plaats, waar de sporen zullen komen te liggen.
(2) De breedte van den weg buiten het door den spoorweg ingenomen gedeelte en buiten het profiel der vrije ruimte, voor het gewone verkeer overblijvende, mag niet minder bedragen dan 5,50 meter op groote wegen en 4,50 meter op binnenwegen, terwijl de spoorweg zooveel mogelijk aan eene zijde van den weg moet worden aangelegd.
(3) Als breedte voor een weg wordt aangenomen de breedte, bestemd voor het vrije verkeer, bestaande uit, tezamen één geheel vormende, karrenwegen en voetpaden, wanneer daartusschen geen afscheiding door af rastering, boo- menrij, greppels, bermen of anderszins bestaat.
(4) Indien de spoorweg langs bewoonde erven of huizen loopt, moet tusschen het meest vooruitspringende gedeelte dier erven of huizen en het profiel der vrije ruimte eene breedte van tenminste een meter en, in straten, aan de an- dere zijde een breedte van tenminste 3,50 meter voor het verkeer overblijven.
(5) Op verzoek van den bestuurder kan de Directeur, in overeenstemming met het gezag dat den weg beheert, afwijking toestaan van de afmetingen, genoemd in lid (2) en lid (4).
- Bovenbouw van den spoorweg bij medegebruik van openbare wegen.(1) Het gebruik van verzonken spoorstaven is verplicht op de verharde openbare wegen en de daarin gelegen kunstwerken, indien buiten de spoorstaven eene
breedte beschikbaar blijft, kleiner dan 6,50 meter op groote wegen en 5,50 me- ter op binnenwegen, zoomede bij alle snijdingen van den spoorweg met bestaande wegen of uitgangen van woonerven.
(2) In overeenstemming met het gezag, dat den weg beheert, kan de Directeur afwijkingen van het bepaalde bij lid (1) toestaan.
(3) Het bovenvlak van verzonken spoorstaven moet gelijk vallen met het bo- venvlak van den weg.
(4) De wijdte van de gleuf voor de radkransen mag, wanneer dwangstaven of langsbalken zijn aangebracht, voor verzonken sporen, daar, waar het gewone verkeer zich in de richting van de spoorstaven beweegt, niet grooter dan 40 m.M. zijn: Voor gebogen gedeelten kan de Directeur een grootere gleuf wijdte toestaan.
(5) Wordt de noodige ruimte voor de radkransen op andere wijze verkregen, dan wordt het daaraan te geven profiel door den Directeur, den bestuurder ge- hoord, vastgesteld.
- werken ter verzekering van de veiligheid van het verkeer.(1) Het gezag, dat een openbare weg beheert, den ondernemer gehoord, met het 00g op de veiligheid van het openbaar verkeer langs of over den in medegebruik gegeven openbaren weg, bevelen, dat de ondernemer voor eigen petspine soda es oe ken uitvoert en maatregelen treft, als ter vee van de veiligheid van verkeer door dat gezag noodig worden geoordeeld, 4
(2) Van een Kvn bii lid (1) bedoeld, is beroep toegelaten op den B ee Indien deze tegen dat bevel bezwaar heeft en tusschen hem en het be go a
: beheerende gezag geen overtersste mining kan worden verkregen, roept hy beslissing van den Gouverneur-Generaal IN, A >
- dralen van den spoorweg.(1) Elke lijn of elk Hinged es ele (hetwelk) door een of meer treinen met Ben ee ea den Ei derhene kilometer per uur wordt bereden, moet door en Op Oed de betrokken Hoofden worden afgesloten, voor zoover de Directeur, genoor sdeelen de betrokken van Gewestelijk Bestuur, dan wel in zelfstandige gebiedsdee Rad, i ijk acht. Fel
| bear wordt, den bestuurder gehoord, door den Direc teur vastgesteld. 5
- A et iting van en waarschuwingsborden bij de neqwesen (Mee Directeur, gehoord het betrokken Hoofd van Gewesteli}f Nim it) on een zelfstandig gebiedsdeel den betrokken Raad, dit noo lijnen of lijnge- beweegbare afsluitingen worden aangebracht ter plaatse, waar
| 1362 SPOORWEGVERORDENING | SO | deelten, welke door een of meer treinen met een grootste snelheid van meer dan 30 kilometer per uur worden bereden, door openbare wegen of uitwegen worden doorsneden. (2) De Directeur kan voorschriften geven nopens vorm en samenstelling der in lid (1) bedoelde beweegbare afsluitingen. (3) De Directeur kan de plaatsing van waarschuwingsborden bij of ter weerszij- den van niet van beweegbare afsluitingen voorziene overwegen gelasten. Op den bestuurder rust bovendien de verplichting om, in overleg met ter zake be- langhebbenden, zorg te dragen, dat langs den openbaren weg, ten genoege van den Directeur, voldoende aanwijzingen worden gegeven ter tijdige waarschu- wing van aankomende motorrijtuigen. 21. Spoorwijdte. Normaal profiel der vrije ruimte. Afstand van de sporen.(1) De vastgestelde spoorwijdte moet over den geheelen weg nauwkeurig worden gehandhaafd, behoudens de in de bogen noodige verwijdingen en geringe plaat- selijke afwijkingen, waarvoor regelen en grenzen door den Directeur kunnen worden vastgesteld. (2) In de rechte strekking moet, behoudens het bepaalde bij lid (4), bij de spoor- wijdte van 1067 m.M. tenminste worden open gehouden het normaal profiel van vrije ruimte, aangegeven op de teekening, als bijlage B bij deze verordening ge- voegd. Daarbij geldt I voor den weg en de hoofdsporen der stations en If voor de overige sporen. Voor spoorwegen of gedeelten daarvan, met contactleiding, worden, zoo noodig, aanvullingen van dit normaal profiel van vrije ruimte door den Directeur vastgesteld. (3) In bogen moet verder rekening worden gehouden: a. met den schuinen stand van het profiel, als gevolg van de verhooging van ; de buitenspoorstaaf; b. met de spoorverwijding (met dien verstande, dat het profiel met het bedrag dezer spoorverwijding wordt verbreed); c. eventueel met de in artikel 25 lid (3) bedoelde verbreeding. (4) en deze profielen mogen geen niet zijdelings verplaatsbare voorwer- pen de ‘den eg tenzij de Directeur zulks toestaat voor de radkransgleuf, i see ‚ voor postzakvanginrichtingen, voor deuren van loodsen, voor ey ne VE uitsluitend wagens worden toegelaten, alsmede voor hetgeen ij werkingtreden van deze verordening binnen de grenzen der geldende ert met gebruikmaking van de grenslijnen van de tevoren toegepaste pro- en, was tot stand gebracht. In dit laatste geval kan de Directeur een termijn vaststellen, binnen welken bedoelde voorwerpen moeten worden opgeruimd. epg’ ac voor spoorwegen of gedeelten daarvan, met contactleiding, ove- stig den laatsten volzin van lid (2), vastgestelde aanvulling van het nor- tee profiel mogen de geleiders der contactleiding met toebehooren aanwezig (6) Wanneer zulks met het oog o ilighei i p de veiligheid van het trein-personeel noodig wordt i ze p Hi En ds aaa de Directeur voorschrijven, dat, bij de spoorwijdte van ae A eel ot Aen van 1000 m.M. tot een hoogte van 2800 m.M. boven van 200 m.M. bij eden Lig het vrije ruimteprofiel, nog een speling ! M. rd ee ; HEA veorverbentsmorddeclaven en en van 500 m.M. bij andere nieuw op te (7) Voor gedeelten van spoorweg gen met 1067 m.M. spoorwijd Ike door tandra P P ae Renee ee verden bereden, wordt, uitsluitend ten behoeve van de zigd: als over loopende overwegen, het profiel van vrije ruimte 8° wijzigd, als op bijlage B aangegeven, terwijl op de gedeelten; waar geen tandstaaf ligt, ten behoeve van de tandwielen door den Di ige verruimì Hare prof c dwie recteur de noodige verruiming ® ie ae iel van vrije ruimte kan worden voorgeschreven. de wel as spoorwijdte van 1067 m.M. mag de afstand hart op hart van twee wijdige sporen niet minder bedragen dan 3200 m.M. In bo dt even- tueel rekening gehoude in arti Fy ea Ee | n met de in artikel 25 lid (3) bed ing. De Ditécteur kânsorderdoor'h edoelde verbreeding ‘Ses : r door hem te stellen voorwaarden, een kleineren afstand (9) De Directeur stelt voor andere spoorwijdten h ij i alsmede dé*mat Pout rwijdten het profiel van vrije ruimte, en, bedoeld in lid (7) en lid (8), vast. Hij kan voor spoorwegen
SPOORWEGVERORDENING 1363 aen van die spoorwijdten of gedeelten daarvan, met contactleiding, zoo noodig aan- anon van het profiel der vrije ruimte vaststellen, waarop lid (5) van toe- passi
- Aanwijzing van afstanden en hellingen.(1) Op lijnen of liingedeelten, welke met eene grootste snelheid van meer dan 30 kilometer per uur worden bereden. moeten worden geplaatst: 4
a. palen, welke den afstand van het begin- of aansluitingsstation langs de as van den spoorweg in kilometers aangeven;
b. aanwijzers, aanduidende de punten, waar de baan van een waterpas ge- deelte in eene helling, of van eene helling in eene andere helling overgaat.
(2) Wanneer de helling niet sterker is dan 1:200, of het verschil in hoogte bij sterkere hellingen niet meer dan drie meter bedraagt, behoeven geen aanwij- zers te worden geplaatst.
- Grensmerken bij wissels en doorsnijdingen. (1) Op lijnen of lijngedeelten, welke met een grootste snelheid van meer dan 30 kilometer per uur worden be- reden, moet tusschen twee samenloopende of elkander doorsnijdende sporen een door den Directeur goed te keuren merk worden geplaatst, ter aanduiding van de grens, tot welke zich voertuigen op het eene spoor kunnen bewegen, zonder de beweging van voertuigen op het andere spoor te hinderen. Tusschen dit merk en den wissel of het doorsnijdingspunt mogen gelijktijdig op de beide sporen geen voertuigen worden geplaatst of voorbewogen.
(2) Bij de spoorwijde van 1067 m.M. moeten deze merken worden geplaatst, waar de afstand tusschen twee sporen 3200 m.M. of meer bedraagt en moet even- tueel rekening worden gehouden met de in artikel 25 lid (3) bedoelde verbreeding.
- Oprichting van stations (1) De Directeur, de betrokken Hoofden van Ge- westelijk Bestuur, dan wel in zelfstandige gebiedsdeelen de betrokken Raden gehoord, bepaalt op voorstel van den ondernemer de plaatsen, waar stations zullen worden opgericht.
(2) De ligging der stopplaatsen wordt door den ondernemer zelf bepaald; van de oprichting of opheffing van een stopplaats geeft hij acht dagen te voren ken- nis aan het betrokken Hoofd van Gewestelijk Bestuur, dan wel in een zelfstan- ding gebiedsdeel aan den betrokken Raad.
DEEL Ill. AANSCHAFFING EN KEURING VAN ROLLEND MATERIEEL § 1 Rollend Materieel In Het Algemeen.
- Normaal profiel der speelruimte. (1) Het rollend materieel voor 1067 m.M. spoorwijdte moet zoodanig gebouwd zijn, dat geen deelen daarvan vallen bui- ten het normaalprofiel der speelruimte, aangegeven op de teekeningen, er Ee lagen A en B bij deze verordening gevoegd. Voor het rollend hee } ue gebezigd wordt op spoorwegen of gedeelten daarvan, met contactlei ing, BS bovendien de door den Directeur zoo noodig vast te stellen aanvulling van a speelruimteprofiel, met dien verstande, dat binnen die aanvulling uitsluiten de stroomafnemers met toebehooren en bevestigingsdeelen aanwezig mogen zijn,
in dien zin, dat dit rollend materieel, wane de ta afgenomen zijn, binnen het normaal profiel der speelruimte moet D’ 7 :
© Bij het ontwerpen at rollend materieel moet (terwijl de Medi gas ei het bedrag der verwijding van het profiel der vrije ruimte in Ly a Sane) in artikel 10 lid (3) en artikel 21 lid (3) in aanmerking mag worden 8 rekenin ehouden: 5 =
a. ae one aaa en spelingen, welke aanleiding kunnen Sie ee lingsche verschuiving van het materieel, zoowel in dit materiee! 26 MS
| schen wiel n spoorstaven; 3 a it-
b. met den) veoreli deel ongunstigsten stand (dat is de Siang es 3 ee = Wijking het grootst is, onafhankelijk van den stand, welke aen an den voorkomt) van het materieel in een boog van den kleinsten in RI van 1067 komenden straal, doch van ten hoogste 150 meter voor OO SiN) ite plants m.M., met inachtneming van de spoorverwijding, detgrootste toegelater)
1364 SPOORWEGVERORDENING | a
selijke afwijking, als bedoeld in artikel 10 lid (1) en artikel 21 lid (1), zoomede
de grootste toegelaten afslijting van de radkransen;
c. met schommelingen, waarbij de verticale as van het materieel een hoek van 1°, maakt met de overeenkomstige as van het profiel en welke geacht kunnen worden plaats te hebben om het snijpunt van eerstbedoelde as met het vlak, gaande over de beide spoorstaafkoppen;
d. (in verticalen zin) met onbeladen en beladen toestand en, in het laatste ge- val, met de kleinst toelaatbare wielbanddikte en afmetingen van ashalzen en draagmetalen, met de grootste doorbuiging der veeren en met den grootsten in- vloed der veerschalmen, alsmede met andere mogelijke afwijkingen.
(3) De Directeur kan vergunnen voor trekvoertuigen, tenders en rijtuigen een grooteren straal te kiezen, dan bedoeld in lid (2) onder b, mits op de baange- deelten, waar het betrokken materieel zal worden toegelaten, het profiel van vrije ruimte, waar noodig, overeenkomstig zijn aanwijzingen is of wordt verbreed.
(4) De lijn ee van het speelruimteprofiel voor 1067 m.M. spoorwijdte is alleen geldig voor materieel, waarvoor de Directeur topassing van deze lijn toestaat. Deze toestemming wordt alleen verleend, als ook op de ,,overige sporen’’ de vrije
ruimte volgens de lijn gg van het desbetreffend profiel aanwezig is en-niet, als daar nog voorwerpen binnen deze grenslijn (tot aan de vroegere lijn ff) voor- Ed za dit laatste geval moet voor het speelruimteprofiel de lijn dd worden oegepast.
(5) Beneden 60 m.M. boven den bovenkant der spoorstaven mogen, ook bij de grootste afwijkingen, als bedoeld in lid (2) onder e en d, behalve de wielen slechts uitsteken de tegengewichten der wielen, de spoorstaafruimers, remblok- ken, zandstrooiers, koppelingen, noodkettingen en de onafhankelijk van de door- > buigingen der draagveeren bewegende deelen en wel:
a. de door de wielbanden steeds (ook in de bogen) gedekt wordende deelen ee if m.M, boven den bovenkant der spoorstaven;
. de overige genoemde deelen tot 50 m. spores. m.M. boven den bovenkant der | (6) Voor het rollend materieel yan 1067 m.M. spoorwijdte, dat op de tandrad- ban ku
een Ru nee nnen overgaan, wordt de onderbegrenzing van het profiel der
se cule ee EE zooals op de als bijlagen A en B bij deze verordening ge- .
ben tE nel en a terwijl de tandraderen der trekvoertuigen bui-
toeken gen komen volgens door den Directeur goed te keuren
(7) Voor bestaand materieel en voor v i
erdere toepassing van reeds bestaande typen, EED Af
yP 2 aes voor de postzakvanginrichting, kan verruiming van het speel- ruim i pen noel, door den Directeur worden toegestaan, mits het vrije A GEen Saat Slee ine zijn aanwijzingen tevens wordt verruimd. Hij kan wijzigd n, binnen welken het rollend materieel moet worden ge-
@) te a, de thans vastgestelde profielen
n ss = 9 Fea tags ee a dan die van 1067 m.M. worden het profiel der He vas ‘ oodig met eene aanvulling overeenkomstig den laatsten vol- (1), de in lid (2) onder b genoemde straal en de in lid (5) genoemde bore goor den Directeur vastgesteld s . Aanwijzi ; ; Sees pias ELO re keker ed en beschrijvingen van het - ET Tst: y epaalde bij arti 3
terieel in dienst worden gesteld, dan BAE Ee annen ola i
goedgekeurd: , ekening door den Directeur 1S
(2) De bestuurder moet d
eS aartoe v i j - ders, ritulsenGtravens nemat pty oa type van trekvoertuigen, ten
Biesteurti dienen: emens is in dienst te stellen, bij den
a. een duidelij ing in vi ; ; de algem eneen in viervoud, met ingeschreven maten, aangevende eer aanzicht, plattegrond en doorsnede, op een schaal 4 e 1:20 en verder teekeningen op grootere schaal di der- |
eelen, waarvoor dit door den Di i pee ene
b, een beschrijving in Bles e dn Heede Wordt geacht, deivcornaamste deelen Ee eeNer melding van de materialen, waarvan derheden, welke door den Directeur noodig, ee ae eerie eugene
en geacht.
SPOORWEGVERORDENING 1365 en
(3) De Directeur zendt, bij goedkeuring, een exemplaar der in h mi: bedoelde bescheiden, voorzien van het bewijs der Beaken n het vorige lid der terug. 8, aan den bestuur-:
- Goedkeuring in Nederiand van teekeningen en beschrijvingen van rollend materieel.(1) Wanneer de ontwerpen van het rollend materieel niet i Nederlandsch-Indië worden opgemaakt, kan de ondernemer de in artikel 26 be doelde goedkeuring van teekeningen en beschrijvingen aan den Beco unten voor Indische Zaken vragen, mits deze daarbij in het bezit wordt gesteld van "@)besredeuingn ined we a
uring in Indië wor ig, indi den Ee onnie. is verleend. Sl eae ceo eee ce cererducr
- Termijn voor den aanbouw van rollend materieel. Indien vijf jaren zijn verstreken, sedert de in de artikelen 26 en 27 bedoelde goedkeuring van tee- keningen en beschrijvingen is verleend, mag geen rollend materieel meer vol- gens die bescheiden worden aangeschaft.
; 29. Belangrijke wijzigingen van rollend materieel. De bestuurder moet ten aan- zien van ontworpen belangrijke wijzigingen van rollend materieel op gelijke wijze handelen als in de artikelen 26 en 27 betrekking tot nieuwen aanbouw is voorgeschreven.
- Ki euring van nieuw en onderzoek van belangrijk gewijzigd of hersteld rol- lend materieel. (1) Nieuw rollend materieel mag niet in dienst worden gesteld, dan na verkregen vergunning van den Directeur, die vergunning wordt niet ver- leend, dan nadat uit een keuring van Regeeringswege is gebleken, dat het ma- terieel is vervaardigd in overeenstemming met de goedgekeurde teekeningen
J en beschrijvingen en de bepalingen van deze verordening.
(2) Een gelijksoortige vergunning, na voorafgaand onderzoek, wordt vereischt voor de indienststelling van belangrijk gewijzigd materieel en van materieel, waa- raan ingrijpende herstellingen of vernieuwingen hebben plaats gehad.
(3) Bij de vergunning tot indienststelling wordt tevens aangegeven, op welke lijnen of lijngedeelten van den betrokken spoorweg het materieel mag rijden, zoo noodig met vaststelling van de grootste snelheid, waarmede dit mag geschieden.
(4) Wenscht de bestuurder het materieel ook te doen overgaan op de lijnen van derden, dan wel op lijnen of lijngedeelten van zijn eigen spoorweg, waarop dat materieel nog niet is toegelaten, dan moet daartoe vergunning worden ver- kregen van den Directeur, die bevoegd is daaraan de voorwaarden te verbin- den, welke hij voor de veiligheid noodig acht. f
- Voorschriften voor de electrische toestellen van rollend materieel.(1) De Directeur stelt technische voorschriften vast voor de opstelling en inrichting der motoren, generatoren, transformatoren, accumulatoren, toestellen en leidingen der trekvoertuigen, rijtuigen en wagens. ‘
(2) Geen teekeningen van het in lid (1) genoemde materieel worden volgens de bepalingen van artikel 26 lid (1), 27 lid (1) of 29 goedgekeurd, noch wordt de in artikel 30 lid (1) en (2) bedoelde vergunning tot ingebruikstelling verleend, tenzij blijkt, dat aan de in lid (1) vermelde technische voorschriften is volde,
- Regeeringsambtenaren belast met het toezicht op het r ollend eee es
(1) In den regel hebben de in deze verordening genoemde keuringen, on sicker kingen en beproevingen betreffende het rollend materieel door den betrokken ambtenaar van Toezicht plaats. i Bp
(2) De Directeur kan daarvoor ook andere deskundigen aanwijzen.
(3) Voor de in deze verordening voorgeschreven keuringen, onderzoekingen of beproevingen, moet de bestuurder zich rechtstreeks wenden tot de in lid (1) €n (2) b ingsambtenaren. 7 4
- DE ee. hearer of te onderzoeken rollend materieel. ( UG:
|, keuring of het onderzoek van rollend gen on rere ek feat e be laste ambtenaar dit noodig acht, de bestuurder zor, ‚ dat:
a, de trekvoertuigen en den boven een droog liggenden werkkuil geplaatst en voldoende schoon gemaakt zijn; =
b. de rijtuigen en igen zoodanig zijn geplaatst, dat het onderen: Sers schen de wielen en onder den vloer, zonder bezwaar kan geschieden.
1366 SPOORWEGVERORDENING mmm,
(2) De noodige werklieden en hulpmiddelen moeten door den bestuurder kos- teloos ter beschikking worden gesteld van den ambtenaar, met de keuring of het onderzoek belast, terwijl tevens de goedgekeurde teekeningen en beschrij- vingen, volgens welke het rollend materieel gebouwd is, dien ambtenaar ter in- zage moeten worden aangeboden. ; al
Seindragers. Al het rollend materieel moet voorzien zijn van de noodige inrictingen tot plaatsing van seinmiddelen. ‘
Merken van het rollend materieel, (1) Op het rollend materieel moet op een van buiten zichtbare plaats duidelijk zijn aangegeven de naam of naamlet- ters van de spoorwegonderneming en het volgnummer, terwijl de data van in. dienststelling en der laatste opneming op elk onderstel moeten zijn vermeld. |
(2) Voorts moeten zijn aangegeven:
a. op de trekvoertuigen en tenders: de naam van den fabrikant, het fa- brieksnummer en het jaar van aanbouw, zoomede op de trekvoertuigen de ma- ximaal toegelaten rijsnelheid;
b. op de trekvoertuigen, tenders, rijtuigen en wagens: het ledig gewicht, met inbegrip van dat der assen en wielen;
c. op de trekvoertuigen en tenders: het diensgewicht (waaronder moet wor- den verstaan het gewicht, met inbegrip van water, brandstof, uitrustingsarti- kelen en verdere onderdeelen);
d. op de wagens: het draagvermogen en het laadgewicht in kilogrammen;
e. op de rijtuigen: de klasse, waartoe elke afdeeling behoort, zoomede de klasseletter; jp
f. in de rijtuigen: in elke afdeeling de letter en het volgnummer van het rij- tuig; de aanduiding van de klasse van die afdeeling en het aantal personen, waar- : voor zij bestemd zijn;
g. indien vervoer op de balcons der rijtuigen door den bestuurder toegelaten is, het aantal personen, waarvoor zij bestemd zijn.
- Rollend materieel van bijzondere inrichting. (1) Blijkt met het oog op ee- nige bijzondere inrichting de toepassing van een of meer der met betrekking tot het rollend materieel gestelde bepalingen geheel of ten deele onnoodig, dan kan de Directeur die bepalingen geheel of ten deele buiten toepassing laten.
(2) Wanneer het gebruik van rollend materieel van bijzondere inrichting an- : dere regelingen noodzakelijk maakt, dan in deze verordeni ng zijn opgenomen, | kan de Directeur aan de indienststelling de door hem noodig geachte voorwaar- den verbinden.
(3) De krachtens lid (1) toegelaten afwijkingen van de bepalingen van deze ver- ordening en de ingevolge lid (2) gestelde voorwaarden worden in de desbetref- fende beschikkingen vermeld.
§ 2. Trekvoertuigen En Tenders,
Vereischten voor stoomlocomotieven en tenders, bestemd voor spoor- wegen der eerste klasse. (1) Elke stoomlocomotief moet zijn voorzien:
van veerkrachtige stoot- en trekinrichtingen en aan de voorzijde, zoomede bij tenderlocomotieven aan de achterzijde, van een koevanger;
b. behalve van de gewone hoofdkoppeling, van een borgkoppeling, ter ver- : binding van de stoomlocomotief aan den tender;
c. van een stoomfluit;
d. van een inrichting om het vliegen van vonken en brandende stoffen uit den schoorsteen zooveel mogelijk te voorkomen; he a een de vuurkist goed aansluitenden aschbak, voorzien van trek- neni ae € van de plaats van bediening van den machinist behandeld kun-
(2) Aan uitsluitend voor den rangeerdienst bestemde stoomlocomotieven be- hoeven geen koevangers te worden aangebracht. De Directeur kan voor andere stoomlocomotieven op verzoek van den bestuurder toestaan, dat geen koevan- ger wordt aangebracht.
(8) Elke tender moet zijn voorzien van veerkrachtige stoot- en trekinrichtin- gen, zoomede aan de achterzijde van spoorstaafruimers of, indien de Directeur
SPOORWEGVERORDENING 1367 In Ee dit noodzakelijk acht, van een koevanger.
(4) Behalve bij aanwezigheid van dubbele koppelingen, moeten aan stoomlo- comotieven en tenders noodkoppelingen worden aangebracht, waarvan de ophangpunten, behoudens door den Directeur toegestane afwijkingen, in het- zelfde horizontale vlak moeten liggen als de stoot- en trekinrichtingen.
(5) Elke tenderlocomotief en elke tender moet zijn voorzien van een krach- tige handrem, welke gemakkelijk en snel in werking kan worden gebracht.
(6) Stoomlocomotieven, bestemd voor den dienst op spoorwegen, waarin over een aaneengesloten lengte van een kilometer een of meer hellingen, sterker dan 1:75 voorkomen, moeten bovendien zijn voorzien van een mechanische remin- richting en van een inrichting om de wrijving tusschen wielbanden en spoor- staven te verhoogen, zooals zandstrooiers of andere toestellen met gelijk doel.
(7) Elke stoomlocomotief, bestemd voor het vervoer van snel- of exprestrei- nen, moet zijn voorzien van een reminrichting, welke het den machinist mo- gelijk maakt, hare rem tegelijk met de remmen van andere voertuigen in de trein in werking te brengen. Het remsysteem moet zoodanig zijn, dat bij het breken van koppelingen en scheiding van treindeelen de remmen van de locomotief en de andere voertuigen automatisch in werking treden.
- Vereischten voor stoomlocomotieven en tender, bestemd voor spoorwe- gen der tweede klasse. (1) Elke stoomlocomotief moet zijn voorzien:
a, van veerkrachtige stoot- en trekinrichtingen,
b. behalve van de gewone hoofdkoppeling, van een borgkoppeling ter ver- binding van de locomotief aan den tender;
c. van een stoomfluit en, behoudens ontheffing door den Directeur, van een helder klinkende bel;
d. van een inrichting om het vliegen van vonken en brandende stoffen uit den schoorsteen zooveel mogelijk te voorkomen;
e. van een aan de vuurkist goed aansluitenden aschbak, voorzien van trek- kleppen, welke van de plaats van bediening van den machinist of van den sto- ker behandeld kunnen worden.
(2) Elke tender moet zijn voorzien van veerkrachtige stoot- en trekinrichtingen.: trekinrichtingen.
(3) Behalve bij aanwezigheid van dubbele koppelingen, moeten aan stoomlo- comotieven en tenders, bestemd om treinen met een snelheid van meer dan 30 K.M. per uur te vervoeren, noodkoppelingen worden aangebracht, waarvan de ophangpunten, behoudens door den Directeur toegestane afwijkingen, in het- zelfde horizontale vlak moeten liggen als de stoot- en trekinrichtingen.
(4) Elke tenderlocomotief en elke tender moet voorzien zijn van een krach- tige handrem, welke gemakkelijk en snel in werking kan worden gebracht, dan wel van een voetrem, welke aan door den Directeur te stellen eischen voldoet.
(5) Stoomlocomotieven, bestemd voor den dienst op spoorwegen, waarin over een aaneengesloten lengte van een kilometer sterkere hellingen dan 1:75 voor- komen, moeten, indien de Directeur dit noodzakelijk acht, bovendien zijn voor- zien van een mechanische reminrichting en van een inrichting om de wrijving tusschen wielbanden en spoorstaven te verhogen, zooals zandstrooiers of an- dere toestellen met gelijk doel.
(6) De Directeur kan, den bestuurder gehoord, het aanbrengen van koevan- gers aan de stoomlocomotieven en Z00 noodig ook aan de tenders, zoomede van andere inrichtingen, dan die genoem din dit ee oe tot verhooging van de veiligheid van het verkeer op den spoorweg, Ae
- Ven voor trekvoertuigen, andere dan stoomlocomotieven, bestemd voor spoorwegen der eerste en tweede klasse. (1) Elk electrisch aangedreven trekv i ijn voorzien: é
a geene Ee stoot- en trekinrichtingen, zoomede de trekvoertuleen dienstdoende op spoorwegen der eerste klasse, aan de voor- en achterzijde ko : 2
DR ee mechanisch werkende fluit en, behoudens ontheffing door den Di- recteur, van een helder klinkende bel, behoudens ontheffing door den Di-
c. van een krachtige handrem zoomede, 1 Iban recteur, van een reminrichting, welke het den motorist moge’ :
1368 SPOORWEGVERORDENING TN van het trekvoertuig tegelijk met de remmen van andere voertuigen in den trein in werking te brengen. Het remsysteem moet zoodanig zijn, dat bij het breken van koppelingen en scheiding van treindeelen de remmen van het trekvoertuig en de andere voertuigen automatisch in werking treden.
(2) Behalve bij anwezigheid van dubbele koppelingen, moeten aan trekvoer- tuigen noodkettingen worden aangebracht, waarvan de ophangpunten, behou- dens door den Directeur toegestane afwijkingen, in hetzelfde horizontale vlak moeten liggen als de stoot- en trekinrichtingen.
(3) Indien niet alle assen door motoren worden aangedreven, moeten de trek- voertuigen zijn voorzien van een inrichting om de wrijving tusschen wielban- den en spoorstaven te verhoogen, zooals zandstrooiers of andere toestellen met gelijk doel, .
(4) De Directeur kan, den bestuurder gehoord, het aanbrengen van andere in- richtingen aan de trekvoertuigen, dan die genoemd in lid (1), lid (2) en lid (3), dienende tot verhooging van de veiligheid van het verkeer op den spoorweg,
elasten. 4 (5) Voor op andere wijze dan door electrischen stroom of door stoom aange- dreven trekvoertuigen kan de Directeur voorschriften vaststellen.
(6) Trekvoertuigen, waarmede vervoer van reizigers plaats vindt, moeten bo- vendien voldoen aan het bepaalde bij artikel 45 onder b tot en met f.
- Vereischten voor de assen, wielen en buffers van trekvoertuigen en ten- ders. (1) Assen en wielbanden moeten van staal zijn, tenzij de Directeur toe- stemming geeft tot het gebruik van ander materiaal.
(2) Voor de assen en wielen van trekvoertuigen en tenders zijn, behoudens door den Directeur toegestane afwijkingen, de onderstaande maten bindend, met dien verstande, dat van de kleinste dikte der radkransen kan worden afgewe- ken ten behoeve van radkransen der wielen van vaste assen, geplaatst tusschen twee uiterste vaste assen:
Spoorwegen met: O-misic hin liey inn g 1435 m.M. | 1067 m.M. spoorwijdte. | spoorwijdte. : Kleinste dikte van stalen wielbanden op den
loopcirkel, ongeacht plaatselijke verzwak —
kingen door boutgaten .… AS ot 25 m.M. 25 m.M. Kleinste dikte van stalen wielbanden, waarvan
de dwarsdoorsnede door een boven den
overgang van het loopvlak in den radkrans
gelegen bevestigingssponning is verzwakt,
op de verzwakte plaats... 19 m.M. 19 m.M. Kleinste hoogte van den radkrans boven
den loopcirkel Na, Seay Bitola ete 28 m.M. 27 m.M. Grootste hoogte van den radkrans boven der.
loopcirkel bij grootste afslijting..........| 35 mM. 35 m.M. | Kleinste dikte van den afgesleten radkrans
gemeten 10 m.M. onder den loopcirkel . .. . 20 m.M. 20 m.M. Kleinste speelruimte der radkransen in de
normale spoorwijdte na verschuiving der as
tot zij de eene rail raakt, gemeten 10 m.M.
onder den loopcirkel . Bie each end 10m.M. 5 mM. Kleinste breedte der wielbanden . °°° | 130 m.M. 120 m.M. Grootste breedte der wielbanden.......... 150 m.M. 140 m.M. Kleinste onderlinge afstand der wielbanden
ROSSI AB PEN. Te ORT -..... | 1857 mM. 998 m.M. Grootste onderlinge afstand der wielbanden
EAS »--..... | 13863 mM. 1002 m.M.
| SPOORWEGVERORDENING 1369 ee
(3) Voar de buffers van trekvoertuigen en tenders gelden de in lid (1) van ar- tikel 46 voor buffers van rijtuigen en wagens voorgeschreven maten.
| 41. Beproeving van stoomlocomotieven.(1) De ambtenaar met de keuring of het onderzoek van een stoomlocomotief belast, kan verlangen, dat deze vóór de indienststelling onder stoom wordt gebracht, om er een of meer proefritten mede te doen.
(2) De bestuurder moet zorg dragen, dat de stoomlocomotief vóór de beproe- ving op het vooraf te bepalen uur gereed staat met het noodige personeel, des- gewenscht ook met een trein van zoodanig gewicht, als door den in lid (1) bedoelden ambtenaar, in overleg met den bestuurder, noodzakelijk wordt geacht.
- Beproeving van trek voertuigen, andere dan stoomlocomotieven. (1) De
Directeur stelt, voorzoover hij dit noodig acht, voorschriften vast met betrek- king tot de beproeving vóór de indienststelling of na belangrijke wijzigingen of herstellingen, van trekvoertuigen, andere dan stoomlocomotieven en van de daartoe behoorende electrische en mechanische inrichtingen.
(2) De ambtenaar, met de keuring of het onderzoek van zulk een trekvoertuig belast, zorgt, zoo noodig, dat de beproeving overeenkomstig de in het vorige lid bedoelde voorschriften geschiedt en kan verlangen, met het voertuig een of meer proefritten te doen.
(3) De bestuurder moet zorg dragen, dat het trekvoertuig vóór de beproeving op het vooraf te bepalen uur gereed staat met het noodige personeel, desge- wenscht ook met een trein van zoodanig gewicht, als door den in lid (2) bedoel- den ambtenaar, in overleg met den bestuurder, noodazakelijk wordt geacht.
- Onvoldoende uitkomsten van keuring, onderzoek of beproeving van trek- voertuigen of tenders. (1) De ambtenaar, met de keuring, het onderzoek of de
} beproeving van trekvoertuigen of tenders belast, kan, behoudens nadere bes- lissing van den Directeur, eischen, dat vóór de indienststelling aan het mate- rieel de verbeteringen en (of) wijzigingen worden aangebracht, welke hij, in het belang van de veiligheid of ter voldoening aan de bepalingen van deze veror- dening, noodig acht.
(2) Hij geeft van zijne bevindingen schriftelijk kennis aan het Hoofd van Toe- zicht en aan den bestuurder. 3
- Vergunning tot indienststelling van trekvoertuigen of tenders. (1) Indien
| de keuring, het onderzoek en de beproeving van trekvoertuigen of tenders be-
| vredigende uitkomsten hebben opgeleverd en overigens voldaan is aan de be- palingen van deze verordening, geeft de betrokken ambtenaar een schriftelijke voorloopige vergunning tot indienststelling aan den bestuurder af.
(2) De voorloopige vergunning tot indienststelling wordt daarna vervangen door een door den Directeur uit te reiken vergunning tot indienststelling.
4 $ 3, Rijtuigen En Wagens.
- Vereischten voor rijtuigen en wagens. Rijtuigen en wagens moeten aan de vol ischen voldoen: ten
a. ai ee a elke wagen moet van veerkrachtige stoot- en trekinrichtingen zijn voorzien; 6
| ob de lelien moeten worden uitgerust met middelen voor voldoende
| luch i ot verlichting; '
| Ep Bae ra bestemd voor vervoer met een grootste Seon van meer dan 30 kilometer per uur, moeten van vaste, epee EE ze bare afsluitingen zijn voorzien. Voor de, ee rijtuigen kan met afsluiting
. 2 mn: esperar gue eal Neg balconafsluitingen in de lengtezijde der rijtuigen moeten in den stand loodrecht op de lengteas van het voertuig binnen
; het profiel den KE muimeeibitivens et tractieleiding, moeten op vol-
€. rijtuigen, dienstdoende op spoorwegen m ischen stroom op daar- doende wijze beveiligd zijn tegen overgang van electrische voor niet bestemde deelen; . : 5 .
f. de rijtuigen of rijtuigafdeelingen worden in en eee
scheiden, tenzij de Directeur, den bestuurder gehoord, daar
1370 SPOORWEGVERORDENING A It; poivataive bij aanwezigheid van dubbele koppelingen, moeten aan rijtuigen en wagens, bestemd om met een grootste snelheid van meer dan 30 kilometer per uur te worden vervoer, noodkettingen worden aangebracht, waarvan de ophangpunten, behoudens door den Directeur toegestane afwijkingen, in het- zelfde horizontale vlak moeten liggen als de stoot- en trekinrichtingen; h, rijtuigen, bestemd voor vervoer in expres-, snel- of motortreinen, welke een grootere snelheid dan 60 kilometer per uur bereiken, moeten zijn voorzien van een reminrichting, welke het mogelijk maakt, de rem tegelijk met die van het trekvoertuig in werking te brengen; zoodanige voertuigen moeten bovendien zijn voorzien van een handrem. +e 46. Vereischten voor de assen, wielen, buffers en vloerhoogte van rijtuigen | en wagens. (1) De hierna volgende maten zijn bindend voor rijtuigen en wagens: Spoorwegen met: Omschrijving 1435 m.M. | 1067 m.M. spoorwijdte. | spoorwijdte. Horizontale afstand der buffers midden op midden mamrritsed Ak oker Aer ets [1700-1800 m.M. df Normale hoogte van het midden der buffers boven het vlak, gaande over de beide spoorstaafkoppen ........ «uv oars eee 1050 m.M. 760 m.M. Grootste afwijking in den stand der buffers Naarbovent. sl NEN CA 5). B 30 m.M. 25 m.M. Grootste afwijking in den stand der buffers naar onderen bij beladen voertuigen..... . 100 m.M. 80 m.M. Kleinste afstand van het stootvlak van den ingedrukten buffer tot de bufferbalk .... … 370 m.M. 300 m.M. Kleinste middellijn van de bufferplaat .…. . … 350 m.M. 300 m.M. Grootste hoogte van het bovenvlak van den vloer der rijtuigen en wagens boven het vlak, : gaande over de beide spoorstaafkoppen.....] 1300 m.M. 1000 m.M. Grootste hoogte van bovenkant voetplanken der remmers boven het vlak, gaande over de beide spoorstaafkoppen............... | 2950 m.M. | 2100 m.M. (2) Voor voertuigen, dienstdoende op spoorwegen van 1067 m.M. spoorwijdte, kan de Directeur de toepassing van een grootere vloerhoogte dan 1000 m.M. toestaan. (3) De in artikel 40 lid (2) genoemde maten voor assen en wielen van trek- voertuigen en tenders zijn eveneens bindend voor de assen en wielen van rij- tuigen en wagens, met dien verstande, dat de geringste dikte van stalen wielbanden op den loopcirkel 21 m.M. en op de verzwakte plaats van door be- vestigingssponningen verzwakte wielbanden 17 m.M. bedragen mag. ; 47. Onvoldoende uitkomsten van keuring of onderzoek van rijtuigen of wa- gens. (1) De ambtenaar, met de keuring of het onderzoek van rijtuigen of wa- gens belast, kan, behoudens nadere beslissing van den Directeur, eischen, dat vóór de indienststelling aan het materieel de verbeteringen en (of) wijzigingen worden aangebracht, welke hij, in het belang van de veiligheid of ter voldoe- LE rn deze verordening, noodige acht. eeft van zijne bevindin iftelij i é - ae es aan den bestuurder, Bea aus eu earner Hooldan ges | | - Vergunning tot indienststelli tui ; - | ring of het onderzoek van ie Sees ane Ae opgeleverd en overigens voldaan is aan de bepali gende uitkomsten hé | geeft de betrokken ambt n de bepalingen van deze verordening, enaar een schriftelijk voorloopige vergunning tot in- | :
SPOORWEGVERORDENING 1371 A dienststelling aan den bestuurder af.
(2) De voorloopige vergunning tot indienststelling wordt daarna vervangen door een door den Directeur uit te reiken vergunning tot indienststelling.
DEEL IV. EXPLOITATIE. .
HOOFDSTUK I. SPOORWEGEN DER EERSTE KLASSE
§ 1. Seinen,
| 49. Algemeen Seinreglement. (1) De Directeur stelt een Algemeen Seinregle-
ment vast, geldig voor de spoorwegen in Nederlandsch-Indië, | (2) Zoolang aan het bepaalde bij lid (1) geen uitvoering is gegeven, blijft het bestaande, bij besluit van den Gouverneur-Generaal van 8 October 1920 No. 11 (Staatsblad No. 733) vastgestelde, Algemeen Seinreglement, zooals dat sedert is gewijzigd en aangevuld, van kracht, en is de Directeur bevoegd dat verder
te wijzigen en (of) aan te vullen.
- Bijzonder reglement.(1) De seinen tot verzekering van het veilig verkeer op den spoorweg moeten, met inachtneming van het in artikel 49 bedoelde Al- gemeen Seinreglement, in een bijzonder reglement, dat een onderdeel vormt van het dienstreglement, bedoeld in artikel 21 der ‚Bepalingen Aanleg en Bedrijf Spoorwegen'', worden aangegeven.
(2) Dat bijzondere reglement moet de door den spoorweg te bezigen middelen bevatten voor:
a. gezichtsseinen;
| b. gehoorseinen; en | c. door electrischen stroom over te brengen seinen, ter beveiliging van den treinenloop en ter verzekering van een regelmatig verkeer; en het gebruik daarvan zoodanig regelen, dat:
le. alle in deze verordening voorgeschreven seinen, alsmede, voor zoover de Directeur dit noodig oordeelt, de in het Algemeen Seinreglement opgenomen treinseinen er in voorkomen; :
2e. aan geen sein een beteekenis kan worden toegekend, afwijkende van die, | welke in het Algemeen Seinreglement daaraan is gegeven; < de. voor aanduidingen, waarvoor in het Algemeen Seinreglement seinen zijn | aangegeven, geen daarvan afwijkende seinen worden voorgeschreven, tenzij de Directeur voor de invoering van nieuwe seinen, bij wijze van proef, zulk een afwijking onder de door hem noodig geachte voorwaarden toestaat, in welk ge- val aan de bestuurders van alle spoorwegen van die toegestane afwijking en de daaraan verbonden voorwaarden wordt kennisgegeven. Gelijke vergunning en kennisgeving worden vereischt voor het in beproeving nemen van seinen, waar- van de beteekenis niet in het Algemeen Seinreglement is omschreven, 4 51. Afstands- en voorsignalen.(1) De stations, de doorsnijdingen op gelijke hoogte met andere ijzeren banen, de aansluitingen van spoorweglijnen en af bi sels in de hoofdsporen buiten de stations moeten, behoudens het pa : a lid (7), worden beveiligd door signalen, welke op zekeren afstand Me & ane | schermen. punten moeten worden geplaatst en afstandssignalen wo | eno 8 (2) Def stand van de afstandssignalen tot het te beschermen punt moet ten- minste 150 meter bedragen. a : De pang van de afstandsigalen mot zo gehen, da a. zij bij gewone weersgesteldheid voor den mac! 2 conor! derenden trein op zoodanigen afstand zichtbaar zijn, dat de ves te testes | veilige stand van het signaal door gen Seer EOS an Waargenomen, daarvoor tot stilstand kan wor ot ’ | b. rie bij stations rangeeren buiten de uiterste wissels kan voorkomende Tangeerende treindeelen in geen geval het signaal, dat den Es ts pang | tot het spoor, waarop gerangeerd wordt, dichter dan 50 mete naderen. Fe joni (4) De stand der afstandssignalen moet nabij de plaats van bedictng rechtstreeks kunnen worden waargenomen, of wel aldaar door
1372 SPOORWEGVERORDENING en ss halingssignalen worden kenbaar gemaakt. ne (5) Indien voorsignalen, dat zijn signalen, welke de machinisten (motoristen) inlichten omtrent den stand der afstandssignalen, worden toegepast, behoeft de plaatsing van laatstbedoelde signalen niet te voldoen aan het bepaalde bij lid (3) onder a, mits de voorsignalen zoodanig worden geplaatst dat, nadat de machinist (motorist) het voorsignaal bij gewone weersgesteldheid heeft kunnen waarnemen, de naderende trein voor het afstandssignaal tot stilstand kan wor- den gebracht. , (6) Door den Directeur kunnen voorschriften worden gegeven ten aanzien van:
a. hetgeen in verschillende omstandigheden moet worden aangemerkt als het in lid (2) bedoelde te beschermen punt;
b. den in lid (3) bedoelden zichtbaarheidsafstand;
c. de gevallen, waarin voorsignalen, als in lid (5) bedoeld, moeten worden toe- gepast en den afstand tusschen voor- en afstandssignaal;
een en ander in verband met de in den spoorweg voorkomende hellingen, de snelheid waarmede gereden mag worden en de remmiddelen, waarop te reke- nen valt;
d. de wijze van plaatsing der afstands- en voorsignalen ter zijde van of boven de sporen;
e. de plaatsing van waarschuwingsborden (baken), volgens door hem goed te keuren model, of-van andere door hem goed te keuren signalen voor de afstands- en voorsignalen.
(7) De Directeur kan voorts, onder door hem te stellen voorwaarden, onthef- fing verleenen van het bepaalde bij lid (1) voor doorsnijdingen met ijzeren ba- nen, waarop geen mechanische beweegkracht wordt toegepast en voor wissels in de hoofdsporen buiten de stations, zoomede van het bepaalde bij lid (2), lid (3) en lid (4), wanneer naar zijn oordeel de veiligheid door andere maatregelen
| op voldoende wijze kan worden verzekerd.
- Verbinding van wissels aan signalen en van signalen onderling.(1) Wissels in de hoofdsporen, welke tegen de punt worden bereden en de afstandssigna- len moeten zoodanig van elkander afhankelijk zijn, dat bij veiligen stand van het betrekkelijk signaal de vereischte stand van den wissel en de goede stand der tongen verzekerd zijn.
(2) De Directeur kan voor wissels, welke op andere wijze gesloten zijn, onder | door hem te stellen voorwaarden, ontheffing verleenen van het bepaalde bij lid (1). Onder „Besloten'" wordt hier verstaan: in den gewenschten stand gehou- Eeken een ne, of door eenige andere, door den Directeur goed-
rde, inrichting.
(3) De afstandssignalen van een station, van een doorsnijding en van een aansluiting van spoorweglijnen moeten zoodanig van elkander afhankelijk zijn, dat niet tegelijkertijd veilig kan worden gegeven aan treinen, welke met elkan- der in aanraking zouden kunnen komen.
(4) De Directeur kan, onder door hem te stellen voorwaarden. ontheff ing ver- leenen van het bepaalde bij lid (3), zoomede de onderlinge koppeling van an-
„ dere signalen en inrichtingen, dan in lid (1) en lid (3) genoemd, voorschrijven.
- Signalen op wissels en waterkranen.(1) De wissels in de hoofd- en, voor zoover de Directeur zulks noodig acht, ook in de andere sporen, moeten van goed f zichtbare wisselsignalen voorzien zijn. ‘ |
(2) Van de verplichting tot het voorzien van de wissels in de hoofdsporen van wisselsignalen kan de Directeur, bij toepassing van centrale wisselbediening op Dern ontheffing verleenen.
e stand van de uitlooppijpen der : jenst | op voldoenden afstand aber an Henk eee an at ee gi | Ae Reken eeuadelen. (1) De Directeur kan, indien hij zulks noor zijn Boland ER eat ingevolge artikel 51 lid (1) door signalen beveiligd en van andere bevende ae en stopblokken, ontspoortonge 4 delen aen Satan ny Zords de afhankelijkheid van zulke mid-
- (1) Normale stand der signalen (1) De afstandssignalen van 6 H stations en van aansluitingen van spoorweglijnen moeten in den Roemen stand het sein on
SPOORWEGVERORDENING 1373 nnn se veilig geven.
(2) Voor de overige niet verplaatsbare signalen moet een normale stand door
den bestuurder worden voorgeschreven.
(3) De signalen, Waarvoor de onveilige stand als de normale is voorgeschre- ven, mogen alleen uit dien stand worden gebracht, wanneer een naderende trein ze veilig mag voorbij rijden, en moeten op onveilig worden teruggebracht, zoo- dra de trein de door het signaal beschermde inrichtingen is voorbijgereden. Het voorbijgereden signaal mag eerder op onveilig worden teruggebracht:
a. indien de trein, na het voorbijrijden van het signaal, tot stilstand is gebracht,
| voordat de door het signaal beschermde inrichtingen zijn voorbijgereden, tenzij plaatselijke voorschriften anders bepalen;
| b. indien debeschermde inrichtingen, ook na het onveilig stellen van het sig- naal, niet in een anderen stand geplaatst kunnen worden, voordat de trein voor- bijgereden is.
(4) Van het bepaalde bij lid (1) en lid (8) kan door den Directeur, onder door hem te stellen voorwaarden, ontheffing worden verleend.
- Opstellen van signalen ter beveiliging van andere punten. Indien zulks voor de veiligheid van het verkeer noodig is, kan de Directeur, den bestuurder gehoord, het opstellen van signalen en andere inrichtingen tot het geven van seinen gelasten ter beveiliging van punten, niet in de artikelen 51 tot en met 55 genoemd.
§ 2. Onderhoud En Bewaking Van Weg En Werken.
| 57. Aanwijzing van beperking der grootste toegelaten snelheid. Onderhoud
| van gebouwen. (1) Gedeelten van den weg, welke niet met de grootste toege- laten snelheid kunnen worden bereden, moeten gedurende den dienst, ook al wordt geen trein verwacht, door voor de machinisten (motoristen) duidelijk waarneembare signalen aangewezen zijn. Gedeelten, welke niet kunnen wor- den bereden, moeten door op voldoenden afstand van de beide einden geplaat- ste haltseinen kenbaar worden gemaakt.
| (2) Gebouwen moeten steeds in goeden staat van onderhoud verkeeren.
- Registers en periodiek onderzoek van de werken.(1) De bestuurder moet
| een register (of kaarten), waarvan de inrichtifig door den Directeur moet zijn goedgekeurd, aanhouden en daarin (daarop) ten minste aanteekenen.
van elk kunstwerk: :
a. het nummer en de ligging, den datum en het nummer van de goedkeuring van het ontwerp, het jaar van indienststelling, het belastingschema (of, zoo dit niet bekend is, de zwaarste locomotief- en wagentypen, welke op het kunstwerk worden toegelaten) en het (de) voornaamste materiaal (materialen), waaruit het kunstwerk of de hoofdonderdeelen daarvan zijn samengesteld;
b. de wijzigingen, welke vorenstaande gegevens hebben ondergaan;
€. de data en de uitkomsten der in lid (2) bedoelde onderzoekingen;
van elke tractieleiding: 7
de data en de uitkomsten der in lid (2) bedoelde onderzoekingen.
(2) De bestuurder moet van elk kunstwerk op geregelde tijden onderzoeken, of het voldoet aan de eischen voor een veilig verkeer en bovendien bij spoor- Wegen of gedeelten daarvan, met contactleiding, of voldaan wordt aan de ne, den Directeur krachtens artikel 4 lid (2) der aleen Aanleg: en Bedeij Spoorwegen" gestelde eischen voor tractieleidingen. :
(3) De Dien ae voor elk geval in het bijzonder voorschriften Fon. 5 a : treffende de tijdsruimte waarbinnen en a wijze, waarop de in lid (2) bedoelde Onderzoeki n worden ingesteld. 2
Sone ae HE g van Ben ad (1) De spoorweg moet zoolang wor den bewaakt, als treinen worden verwacht. Pen
(2) Dagelijks moet de weg binnen de twee uren, wore toads aan Beta Waarop de eerste trein verwacht wordt, over zijn geheele lengte Worden geschouwd.
(3) Gotirende het etmaal moet de weg nog eenmaal ond 5 ee
(4) De Directeur kan aan de schouwing van bepaalde lijngedeelten s
1374 SPOORWEGVERORDENING ee eischen stellen, dan wel, onder door hem te stellen voorwaarden, afwijking van
het voorschrift in lid (3) toestaan. : : |
(5) Wanneer nachttreinen rijden met een grootste snelheid van meer dan 30 kilometer per uur, moeten de deelen van den weg, welke door deze treinen wor- den bereden, geschouwd worden binnen de twee uren, de komst van den eer- sten nachttrein voorafgaande. De Directeur kan toestaan, dat deze schouwing
t die, bedoeld in lid (3). (Enten chon wane moet inzonderheid worden gelet op den toestand van sporen, wissels, signalen en op de volkomen veiligheid van het spoor.
(7) Bij spoorwegen of gedeelten daarvan, met contactleiding, moet er op wor- | den gelet, dat de stand der contactleiding ten opzichte van het spoor zoodanig is, dat een ongestoorde stroomafneming verzekerd is, terwijl voorts moet wor- den gelet op de aanwezigheid der electrische spoorstaafverbindingen, zoomede, der aard- en andere veiligheidsverbindingen. i
(8) In tunnels moet de weg binnen het uur, het doorrijden van elken trein voo- rafgaande, worden geschouwd.
(9) Punten, waar gevaar bestaat, moeten voortdurend worden bewaakt.
- Wijze van bewaking, bediening en verlichting der afsluitingen van overwegen. (1) De beweegbare afsluitingen der overwegen moeten van 30 mi- nuten voor de komst van den eersten trein af tot na het voorbijrijden van den laatsten worden bewaakt en bediend door personeel, dat in de onmiddellijk na- bijheid daarvan aanwezig moet zijn.
(2) De Directeur kan, onder door hem te stellen voorwaarden, afwijking toe- staan of ontheffing verleenen van het bepaalde bij lid (1).
(8) Afsluitingen van weinig drukke openbare overwegen kunnen met goed- vinden van den Directeur, gehoord het betrokken Hoofd van gewestelijk bestuur, dan wel den Raad van het betrokken zelfstandig gebiedsdeel, op afstand wor- den bediend.
(4) Het personeel, dat de in lid (3) bedoelde afsluitingen bedient, moet van zijn post den overweg kunnen zien.
(5) Indien het personeel de, aan de in lid (3) bedoelde overwegen grenzende, gedeelten van den openbaren weg niet voldoende kan overzien, moet een toe- | stel worden geplaatst, waarmede de waarschuwing, dat tot sluiting zal worden
N overgegaan, wordt gegeven, alvorens de overweg wordt afgesloten. De wijze | van waarschuwing moet aan het Hoofd der bestuursafdeeling, dan wel den Voor- zitter van den Raad der Gemeente, waarin de overweg ligt, worden medege- deeld en door dezen algemeen bekend gemaakt.
(6) Draaikruisen of slaghekken behoeven niet te worden bewaakt. De beweeg: bare afsluitingen in de wegen, bedoeld in artikel 28 lid (2) der „Bepalingen Aan- leg en Bedrijf Spoorwegen’ moeten, wanneer zij niet door degenen, op wie de verplichting tot afsluiting rust, voortdurend worden bewaakt, gesloten zijn en alleen worden geopend, wanneer dit tot het doorlaten van voertuigen, voet- gangers of vee noodig is.
(7) De beweegbare afsluitingen in openbare overwegen moeten tijdig voor de komst van elken trein worden gesloten.
(8) Na het voorbijgaan van den trein of de treinen moeten deze beweegbare afsluitingen onmiddellijk worden geopend.
(9) Des nachts moeten de afsluitingen, zoolang zij gesloten zijn, worden ver- licht. Voor weinig drukke overwegen kan daartoe van de handlantaarn van den wachter gebruik worden gemaakt. Geen verlichting behoeft te worden aange- bracht bij de afsluitingen in de wegen, bedoeld in artikel 28 lid (2) der „Bepalingen Aanleg en Bedrijf Spoorwegen’ en bij draaikruisen en slaghekken.
$ 3. Onderhoud Van Het Rollend Materieel.
Eischen aan het onderhoud te stellen. Het rollend materieel, op den spoorweg in gebruik, moet zoodanig worden onderhouden, dat de treinen te al- len tijde met de grootste, overeenkomstig artikel 73 toegelaten, snelheid kun- nen rijden. |
Opneming van de locomotieven en tenders na de indienststelling. (1) Een
SPOORWEGVERORDENING 1375 ee opneming van iedere stoomlocomotief en iederen tender, waarbij de assen met
| wielen, de draagpotten, de veeren en de onderdeelen van het drijfwerk wor- | den losgenomen, moet periodiek naar behoefte plaats hebben, doch in elk geval om. de drie jaren.
(2) Gelijke periodieke opneming, waarbij de mechanische en electrische in- richtingen worden losgenomen en onderzocht en, indien de Directeur dit nood- zakelijk acht, opnieuw beproefd, moet plaats hebben voor andere locomotieven
dan stoomlocomotieven.
| (3) Wederingebruikneming van locomotieven en tenders mag eerst plaats heb- ben na volledige herstelling.
| (4) Het Hoofd van Toezicht kan aan den bestuurder vergunnen, de opneming voor een door hem te bepalen termijn uit te stellen.
| 63. Opneming van de motorvoertuigen, rijtuigen en wagens na de indienststel-
ling. (1) Een opneming van de motorvoertuigen en de rijtuigen zoomede van de wagens, bestemd voor vervoer met een grootste snelheid van meer dan 60 kilometer per uur, waarbij de assen met wielen, de draagpotten en de veeren worden losgenomen, moet plaats hebben telkens, nadat sinds de indienststel- ling of de laatste opneming 80000 kilometer zijn doorloopen, doch uiterlijk bin- nen één jaar na die laatste opneming. Deze termijn mag tot een maximum van drie jaren worden verlengd, zoolang een voertuig niet meer dan 40000 kilo- meter heeft doorloopen. ;
(2) Een gelijke opneming van elken anderen wagen moet plaats hebben bin-
nen een tijdsverlaop van drie jaren, gerekend van den datum der indienststel- | ling of der laatste opneming af,
(3) Wederingebruikneming van motorvoertuigen, rijtuigen en wagens mag eerst | plaats hebben na volledige herstelling.
(4) Het Hoofd van Toezicht kan aan den bestuurder vergunnen, de opneming voor een door hem te bepalen termijn uit te stellen.
- Registers van het rollend materieel. De bestuurder moet van het rollend | materieel een of meer registers (of kaarten) aanhouden en daarin (daarop) van | elk voertuig aanteekenen:
a. het volgnummer;
b. den naam van den fabrikant; —
c. den datum van indienststelling; :
d. de data van de opnemingen en de wederingebruiknemingen; voor de ketels
het nummer van de akte van vergunning;
e. de belangrijkste herstellingen van de verschillende deelen van het rollend | materieel; 7 Ee f. het aantal kilometers, doorloopen door trekvoertuigen, tenders en rijtui
gen, zoomede door wagens, bestemd voor vervoer met een grootste snelheid van meer dan 60 kilometer per uur, met dien verstande, dat voor door trekvoer- tuigen en tenders verrichten rangeerdienst, 7,5 kilometer per uur in rekening wor :
6 Se eee van de assen en wielen. De bestuurder moet van de Benen
wielen van het rollend materieel een of meer registers (of kaarten) aanho en daarin (daarop) aanteekenen:
a, r; an … i
b. nse ee de as, de wielen en de wielbanden zijn vervaardigd
en de naam van den fabrikant;
ce. de hoofdafmetingen; ling
d. den datum van indienstste j ; , F
oe enue A opnemingen en de wederingebruiknemingen, zoomede de
verrichte herstellingen; :
f. de voertuigen, en zij deel hebben uitgemaakt.
$ 4. Stations. tion en elke 66. Namen van de stations en stopplaatsen. De naan ar aes Se Stopplaats, waar reizigers gelegenheid vinden in de en ordeken die te verlaten moet met duidelijke, uit den trein leesbare, le
1376 SPOORWEGVERORDENING ‘mmm baar gemaakt. pn et
- Uurwerken op de stations. Elk station, waar reizigers gelegenheid vinden in de treinen plaats te nemen of die te verlaten, moet voorzien zijn van een goed loopend, voor de reizigers waarneembaar uurwerk, geregeld naar den wette- es. nee: en weegbruggen.(1) Op de stations, waar dit door den Di- recteur, den bestuurder gehoord, noodig wordt geacht, moet een ladingmal, aan- gevende de profielen van vrije ruimte en van laadruimte, aanwezig zijn.
(2) Op de stations, waar wagens op de lijnen van andere spoorwegonderne- mingen kunnen overgaan, moet, wanneer dit door den Directeur, den bestu- urder gehoord, noodig wordt geacht, een weegbrug aanwezig zijn.
- Reservetrekvoertuigen, materialen voor hulpverleening en verbandmid- delen. De Directeur wijst, den bestuurder gehoord, de stations aan, waar:
a. zoolang treinen onderweg zijn, een reservetrekvoertuig gereed moet staan om onverwijld dienst te kunnen doen; , 6
b. de noodige werktuigen en materialen of hulpwagens aanwezig moeten zijn om bij ongevallen den weg te ontruimen en zoo noodig te herstellen;
c. dedoor het Hoofd van den dienst der Volksgezondheid goed te keuren mid- delen beschikbaar moeten zijn om de eerste hulp aan gekwetsten te verleenen en om hen te vervoeren. é
- Verplichtingen van den stationschef.(1) De dienstdoende stationschef of, op de groote stations, de ambtenaar, met de leideng van den buitendienst be- last, moet voor de aankomst tot na het vertrek, zoomede bij het doorrijden van treinen op het perron aanwezig zijn.
(2) De dienstdoende stationschef of de ambtenaar, in lid (1) bedoeld, moet zorgdragen, dat bij de aankomst, het vertrek of het doorrijden van treinen de te berijden sporen vrij en onbelemmerd, de wissels en signalen in de juisten stand gesteld en de wissels zoo noodig bewaakt of gesloten zijn.
(3) Hij moet maatregelen nemen om te voorkomen, dat op de sporen staande voertuigen door den wind of door andere onvoorziene omstandigheden in be- weging worden gebracht en dat opvangwissels langer dan noodig in den niet voor het opvangen van voertuigen juisten stand blijven gesteld.
- Toezicht op de stationspleinen.(1) De bestuurder moet voorschriften vast- stellen ter handhaving van de goede orde op de stationspleinen, tenzij daarin op andere wijze is voorzien.
(2) Het personeel moet zorgdragen, dat deze, door den bestuurder vastgestelde, voorschriften worden nageleefd.
$ 5. Treinen In Het Algemeen.
- Soorten van treinen.(1) De treinen worden, naar gelang van het vervoer, waarvoor zij bestemd zijn, onderscheiden in:
a. expres-, snel- en personentreinen, welke uitsluitend of in hoofdzaak die- nen voor het vervoer van reizigers;
b. goederentreinen, welke in den regel uitsluitend dienen voor het vervoer van goederen;
c. gemengde treinen, welke dienen voor het vervoer zoowel van reizigers als van goederen;
d. werktreinen, welke dienen voor het vervoer van werklieden en materialen ten behoeve van den bouw of het onderhoud van den spoorweg;
€, hulptreinen, welke dienen voor het verleenen van hulp bij ongevallen.
(2) Bij gebruik van motorvoertuigen worden naast de in lid (1) genoemde soor- ten van treinen nog onderscheiden: motortreinen, bestaande uit een of meer egen, al dan niet met een of meer gekoppelde rijtuigen en (of)
(3) Voorts worden onderscheiden:
a. gewone treinen, welke op vaste tijden loopen;
b. facultatieve treinen, waarvan de uren van vertrek en aankomst vooruit zijn deden ld, doch welke slechts naar gelang van behoefte worden aangekon-
id
SPOORWEGVERORDENING 1377 ee
e. buitengewone treinen, waarvan de loop naar de behoefte van het oogen- | blik wordt geregeld. | 73. Snelheid van de treinen.(1) De grootste snelheid, waarmede de treinen
mogen rijden, bedraagt:
voor exprestreinen (ook expresmotortreinen) meer dan 75 K.M. per uur;
voor sneltreinen ten hoogste 75 K.M. per uur;
voor personentreinen ten hoogste 60 K.M. per uur;
voor gemengde, goederen- en werktreinen, zoomede voor alle treinen, waa- rin een stoomlocomotief, voorzien van een lossen tender achteruit rijdt ten hoog-
| ste 45 K.M. per uur;
voor geduwde en voor niet vooraf aangekondigde treinen ten hoogste 25 K.M. | per uur;
voor losse locomotieven ten hoogste 45 K.M. per uur; voor motortreinen ten hoogste 75 K.M. per uur.
(2) Bij proefritten en voor hulptreinen is het bepaalde bij lid (1) niet van toepassing.
(3) Exprestreinen (ook expresmotortreinen) mogen sneller dan 75 K.M. per uur rijden op lijnen of lijngedeelten, daartoe door den Directeur geschikt verklaard en moeten dan zijn samengesteld uit daartoe bijzonder aangewezen materieel.
(4) Voor spoorwegen met bijzondere hellingen kan de grootste toegelaten snel- heid door den Directeur worden verminderd.
(5) De snelheid moet, voorzoover dit voor de veiligheid van het verkeer nood- zakelijk is, verminderd worden bij het naderen en doorrijden van stations, van
| wissels op den weg, welke tegen de punt bereden worden, zoomede in bogen en op bruggen, waarvoor een verminderde snelheid is voorgeschreven.
| (6) De punten langs den spoorweg, waar de toegelaten grootste snelheid in een lagere overgaat, moeten door signalen worden aangeduid.
- Minimum aantal treinen per dag. De bestuurder is verplicht, dagelijks | tenminste drie voor reizigersvervoer bestemde treinen in elke richting te doen | rijden, tenzij de Directeur anders bepaalt, of in de concessie- voorwaarden een
andere regeling is opgenomen. $
| 75. Goedkeuring van de dienstregeling. (1) De bestuurders van onderling aansluitende spoorwegen moeten voor de vatstelling der dienstregeling, ter ver-
| krijging van een zoo goed mogelijke aansluiting van voor reizigersvervoer be- stemde treinen, met elkander in overleg treden. ei
(2) De dienstregeling der op vaste tijden loopende, voor reizigersvervoer be- | stemde treinen, moet voor de invoering door den Directeur, gehoord de Per- manente Militaire Spoorweg-Commissie, zijn goedgekeurd. ;
. (3) De aanbieding der in lid (2) bedoelde dienstregeling aan den Directeur moet
| plaats hebben tenminste zeven weken vóór den datum, waarop de bestuurder
| die wenscht in te voeren.
(4) Bij de in lid (3) bedoelde aanbieding moeten worden overgelegd:
a. een grafische voorstelling van den loop der vaste, voor reizigersvervoer be- stemde treinen in drievoud, op schalen van tenminste twee centimeter per uur en per tien kilometer. De uren van aankomst en vertrek der voor reizigersver- voer bestemde treinen van aansluitende spoorwegen moeten op de grafische voo i n aangegeven;
Pccnieeeas de en ten opzichte van de bestaande ee ling, met name ook voor wat betreft wijzigingen in de aansluitingen, we ie we het ontwerp zijn aangebracht, zoomede van de reizigersklassen, welke in elken trei i ijn. ; :
(5) Kan he Aine ae met de aangeboden ontwerpdienstregeling a vee eenigen en kan omtrent wijziging daarvan geen overeenstemming tussc ER en den bestuurder worden verkregen, dan beslist de Gouverneur Geen de
(6) Wijzigingen van ondergeschikten aard mogen in een een en eet | dienstregeling zonder nadere goedkeuring van de Directeur Ve ed ee =
mits die wijzigingen geen verandering brengen in bestaande bea sata helte lingen of aansluitingen en het aantal en de soort der in lid (2) bedoelde dezelfde blijven. A 7
- ne pave king van de dienstregeling. Het voornemen tot invoering van
1378 SPOORWEGVERORDENING ‘mmm een nieuwe of gewijzigde dienstregeling van den loop der vaste, voor reizi- gersvervoer bestemde treinen moet tenminste acht dagen vóór hare invoering door den bestuurder algemeen worden bekend gemaakt door aankondiging op de in artikel 25 der „Bepalingen Aanleg en Bedrijf Spoorwegen”’ aangegeven wijze. 77. Kennisgevingen aan Toezicht en den Post-, Telegraaf- en Telefoondienst. (1) Afdrukken van de grafische voorstelling der volledige dienstregeling van den treinenloop van den spoorweg, bevattende alle gewone en facultatieve, voor reizigers en goederenvervoer bestemde treinen, moeten onmiddellijk na de vast- stelling aan het Hoofd van Toezicht worden gezonden, zoomede aan de door hem | aan te wijzen ambtenaren, belast met het dagelijksch toezicht. | (2) Mede moeten afdrukken, als bedoeld in lid (1), zoo spoedig mogelijk wor- den gezonden aan het Hoofd van den Post-, Telegraaf- en Telefoondienst of aan door hem aan te wijzen ambtenaren van dien dienst. (3) Van het inleggen van buitengewone treinen moet ten spoedigste kennis | worden gegeven aan de ambtenaren, belast met het dagelijksch toezicht. | 78. Wat met expres- snel- en personentreinen vervoerd mag worden. (1) Met | exprestreinen mogen, behalve de reizigers en hunne bagage, nog vervoerd wor- | den brievenposten en pakketpostzendingen, bestelgoederen en goederen voor | snelvervoer, mits dit vervoer geschiedt in rijtuigen en wagens, welke behooren | tot het voor de samenstelling van exprestreinen bijzonder aangewezen mate- rieel, overeenkomstig het bij artikel 73 lid (3) bepaalde. (2) Met snel- en personentreinen mogen alle goederen worden verzonden, voor zoover dit geschieden kan zonder vertraging in den vastgestelden treinenloop | en zonder dat de reizigers van dit vervoer hinder ondervinden. 19. Normaal profiel der laadruimte. (1) Voor de spoorwijdte van 1067 m.M. geldt het normaal profiel der laadruimte, aangegeven op de teekening, als bij- lage A bij deze verordening gevoegd. (2) Voor andere spoorwijdten wordt het in lid (1) bedoelde profiel door den Directeur vastgesteld, 80. Belading van de goederenwagens.(1) De goederenwagens mogen niet on- gelijkmatig en nimmer boven hun draagvermogen worden belast. (2) Open goederenwagens van elk type moeten bovendien steeds zoodanig wor- den beladen, dat de lading, wanneer de wagen in recht spoor staat, nergens valt buiten het normaal profiel der laadruimte. (3) Met het oog op het rijden door bogen met kleinen straal moeten de breed- rin van ladingen van groote lengte zoodanig worden verminderd, dat zekerhe bestaat, dat het profiel der speelruimte niet wordt overschreden en | tevens, dat bij gebruik van wagens, voorzien van draaischamels, van schutwa- | gens, van een tusschenwagen of van koppelboomen, de lading op voldoenden | afstand blijft van mogelijk aanwezige zijwanden of rongen. | : (4) Goederen, waarvan de lading niet volgens het bepaalde bij lid (2) en (3) | ek geschieden, mogen met facultatieve of buitengewone goederentreinen wor- | Een en mits bij het vervoer nergens vallende buiten de aanwezige vrije 81. Hulpmiddel | bre EN — ae kr op elken trein aanwezig moeten zijn. (1) Op elken | a. de middelen om de seinen te even i i i i | b ee de onderdesl van het sean in het in artikel 50 lid (1) | » de noodige gereedschappen om bij kleine ongevallen in herstellingen van | a oa materieel te kunnen voorzien. elken voor reizigersvervoer bestemden trei : n, moeten de door het Hoofd van ; Á 8 Je eet eee der Volksgezondheid goed te keuren middelen aanwezig zijn om De p aan gekwetsten te verleenen en hen te vervoeren. a) tte = a van den trein vóór het vertrek. Vertrek van den trein. eeen an slan hij het station, waar hij is samengesteld, verlaat, Re, en Peondesheid op worden gelet, dat: DE i voorgeschreven aantal assen kan worden geremd en de toestellen zooveel mogelijk gelijkelijk over den trein zijn verdeeld
| | SPOORWEGVERORDENING 1879 | ee en goed werken; b. indien de trein voorzien is van doorgaand remwerk, dit goed werkt; c. de voertuigen geen gebreken vertoonen, welke voor het verkeer gevaar kun- | nen opleveren; | d. de voertuigen onderling voldoende gekoppeld zijn en de noodkoppelingen zijn ingehaakt; | e. het middel van gemeenschap tusschen den hoofdconducteur en den ma- | chinist of motorist, bedoeld in artikel 95 lid (4), aanwezig is; | f. de wagens niet ongelijkmatig en niet boven het daarop aangegeven draag- | vermogen zijn belast; | g. de rijtuigen zoo noodig behoorlijk zijn verlicht; h. de voorgeschreven seinmiddelen aanwezig en, zoo noodig, zijn aangebracht; | i. bij motortreinen, alle voor de voortbeweging noodige stroomafnemers in aan- raking zijn met de contactleiding. | (2) Het onderzoek, bedoeld in lid (1), moet gedurende den loop van den trein | bij elke wijziging in zijne samenstelling en, zoo dikwijls het oponthoud zulks toe- laat, voor zoover noodig worden herhaald. (3) Een trein mag niet vertrekken, voordat het daartoe voorgeschreven sein is gegeven. 83. Trekvoertuigen in dienst vaardigen staat. (1) Trekvoertuigen in dienstvaar- digen staat moeten voortdurend worden bewaakt. | (2) Bij stilstaande stoomlocomotieven moet de stoom zijn afgesloten, het ex- pansiehandel in den middenstand gesteld, de eylinderkranen geopend en de | handrem of, wanneer deze ontbreekt, die van den tender, zijn aangeslagen. (3) Bij stilstaande trekvoertuigen, andere dan stoomlocomotieven, moet het handel of de gangkruk in rust zijn gesteld en de handrem zijn aangeslagen. De motorist mag een door electriciteit aangedreven trekvoertuig niet verlaten, zon- der den sleutel van den controller mede te nemen. § 6. Samenstelling Der Treinen. | 84. Aantal wielassen in de treinen. (1) De lengte van een trein moet zijn, dat het totaal aantal wielassen der aan het (de) dienstdoend(e) trekvoertuig(en) ge- koppelde voertuigen niet meer bedraagt dan 100 voor expres-, snel- of perso- nentreinen, 150 voor gemengde treinen en 200 voor goederentreinen. (2) De Directeur is bevoegd, onder nader te stellen voorwaarden een hooger maximum aantal assen toe te staan of, indien bijzondere omstandigheden zulks naar zijn oordeel noodig maken, een lager maximum aantal assen voor te schrijven. ¢ : 85. Plaats van de locomotief. (1) De locomotief wordt in den regel geplaatst aan het hoofd van den trein. De motorist moet den trein steeds van het voorste platform, of van een daarmede gelijk te stellen plaats bedienen. (2) Het duwen van treinen door locomotieven is alleen geoorloofd: di a. tusschen de afstandssignalen der stations en zijsporen, zoomede op die zijs : 3 ee Lg lis hulptreinen en opvoe DE goederentreinen tuss ion en een naburige laadplaats o ber 5 on persian rijdende treinen op lijngedeelten, waarin een tandstaaf voorkomt; 5 . in bij digheden. 5 a i a Aue op de stations moet het voorste voertuig van een geduwden trein bewaakt zijn. : : 5 (4) Het achteruit rijden van stoomlocomotieven, voorzien yy Beetle re der, is in de gewone dienstregeling allen geoorloofd met ee Bat rae Directeur, die de te nemen maatregelen van voorzorg bepaalt, derscheid ge- gevallen bedoeld in lid (2). Bij tenderlocomotieven behoeft geen on tracht maakt te worden tusschen het rijden met den schoorsteen voor 0 den regel 86. Meervoudige tractie. (1) Aan het hoofd van een trein me i niet meer dan twee stoomlocomotieven onder stoom worden ot re ee ae (2) Alleen voor het oprijden van sterke hellingen of bij het verlate
1380 SPOORWEGVERORDENING DEN tions mag een opdruklocomotief achter den trein worden geplaatst.
(3) De Directeur kan voorschriften geven met betrekking tot het aantal trek- voertuigen, andere dan stoomlocomotieven, dat in een trein mag rijden, zoo- mede over de wijze, waarop die trekvoertuigen over den trein verdeeld moeten zijn. |
(4) Een stoomlocomotief en eenig ander trekvoertuig mogen nimmer gelijktij- dig een trein ter voortbeweging worden gebezigd.
(5) Afwijking van het bepaalde bij lid (1) en lid (2) kan in bijzondere gevallen en onder door hem te stellen voorwaarden door den Directeur worden toegestaan.
- Volgorde van de voertuigen. (1) In elken voor reizegersvervoer bestem- den trein, welke een grootste snelheid van meer dan 45 kilometer per uur be- reikt, moet onmiddellijk achter de locomotief tenminste een voertuig worden geplaatst, waarin zich geen andere personen, dan behoorende tot het personeel van den spoorweg of van den postdienst, mogen bevinden.
(2) Bedraagt de grootste snelheid 45 kilometer per uur of minder, dan is het voldoende, dat de eerste afdeeling van het op de locomotief volgende voertuig geen reizigers bévat.
(3) Tweeassige voertuigen mogen bij de samenstelling van expres-, snel- en mo- tortreinen niet vóór of tusschen drie- of vierassige voertuigen worden geplaatst.
Voor naar het oordeel van den Directeur daartoe geschikte tweeassige voertui- gen kan, op verzoek van den bestuurder, van deze bepaling ontheffing worden verleend; mede kan de Directeur, in bijzondere gevallen, het hier gestelde ver- bod ook voor andere treinsoorten van toepassing verklaren.
-(4) Wagens, beladen met goederen, welke ingevolge artikel 34 lid (2) onder e nummer | der „Bepalingen Vervoer Spoorwegen”’ voorwaardelijk tot vervoer worden toegelaten, wagens met afwijkende koppelingen en wagens, met langhout, spoorstaven en dergelijke beladen, moeten, indien in gemengde trei- nen vervoerd, achter de rijtuigen worden geplaatst en van deze door ten minste een wagen zijn gescheiden.
- Beremming van de treinen. (1) In elken trein moeten, behalve die van het trekvoertuig en den tender, tenminste zooveel remtoestellen aanwezig en
bediend zijn, dat daarmede het in de onderstaande tabel aangegeven aantal as- sen kan worden geremd. meer dan | meer dan 35] ten hoogste 45 K.M. t/m. 45 K.M. 35 K.M. Van 0 tot met 1:500 het 8e ged. É Sterker dan 1:500 t/m 1:300 het 6e Bn Eet es a het is Be) Sterker dan 1:300 t/m 1:200 | het 5e ged.| het 7e ged.| het 8e ged. | | Sterker dan 1:200 t/m 1:100 het 4e ged.| het 6e ged.| het 7e ged. Sterker dan 1:100 t/m 1: 60 het 3e ged. | het 4e ged.| het 5e ged. Srker dan 1s gm E40 (hete ged. het de ged.| het de ged. | | É WM alle alle het 2e ged. Sn nee nikon: der berekening van het aantal te beremmen assen niet misats Hebr 1s, moet afronding naar boven tot het volgende geheele getal (3) Bij het bepalen van het aantal assen tot toepassing van dit artikel wordt een voertuig met drie assen voor twee, en een as van een onbeladen wagen voor een halve as in rekening gebracht, ie mont den Beanie helling tusschen twee stations over een doorloopende er dan een kilometer voor, dan kan zij bij de berekening van het aantal remmen buiten beschouwing blijven. | (5) De bediende remtoestellen moeten zooveel mogelijk gelijkelijk over den trein |
SPOORWEGVERORDENING 1381 dende verdeeld zijn.
(6) Het laatste voertuig met bediende rem moet zoodanig worden geplaatst, dat daarachter niet meer assen volgen dan volgens bovenstaande tabel op één rem komen; bij hellingen sterker dan 1:200 en langer dan een kilometer, moet echter het laatste voertuig voorzien zijn van een bediende rem.
(7) Expres-, snel- en motortreinen, welke een snelheid van meer dan 60 ki- lometer per uur bereiken, zoomede door den Gouverneur-Generaal aan te wij- zen treinen, loopende op lijnen, waarin sterke hellingen voorkomen, moeten voorzien zijn van doorgaand remwerk, dat aan de volgende eischen voldoen:
a. de remmen moeten door den machinist of motorist van de plaats van be- diening uit, zoomede uit elk rijtuig en uit elke afdeeling voor verblijf van trein- personeel aangewezen, in werking kunnen worden gebracht;
b. de remmen moeten vanzelf in werking treden, zoodra de remleiding wordt verbroken. {
(8) Het stelsel van doorgaand remwerk, op de treinen toe te passen, behoeft de goedkeuring van den Directeur. Onder door hem te stellen voorwaarden kun- nen achter aan treinen, van doorgaand remwerk voorzien, voertuigen zonder dat remwerk, tot een voor elk geval te bepalen aantal, worden geplaatst. _
§ 7, Personeel Der Treinen. j JN
- Personeel, dat op de treinen aanwezig moet zijn. (1) Op elken trein moe- ten tenminste aanwezig zijn:
a. voor elke stoomlocomotief een machinist en een stoker (of een leerling- machinist, die voldoet aan de eischen voor stokers gesteld);
b. voor elk trekvoertuig, geen stoomlocomotief zijnde, een motorist;
c. een hoofdconducteur; :
d. een remmer voor elk te bedienen handremtoestel. i
(2) Op rangeerrende treindeelen behoeft het in lid (1) onder c en d genoemde personeel niet aanwezig te zijn. « ;
(3) Op losse trekvoertuigen, treinen van ledige rijtuigen en (of) wagens en goederen: of werktreinen van niet meer dan 12 assen, buiten die van één trek- voertuig, kan de machinist of motorist den dienst van hoofdeonducteur waarnemen. ;
(4) De Directeur kan in bijzondere gevallen toestaan, dat trekvoertuigen, geen stoomlocomotief zijnde, zonder motorist in de treinen worden vervoerd.
(5) De Directeur kan in bijzondere gevallen voorschrijven, dat, behalve de mo- torist, nog een leerling-motorist op den motortrein aanwezig moet zijn.
- Vereischten voor machinisten, leerling-machinisten en stokers. (1) Alvo- rens met het bedienen van een stoomlocomotief te worden belast, moet een Beene ten minste twee jaren in opleiding zijn geweest, met dS Ken stande, dat hij van dien opleidingstijd ten minste één jaar als hege neee (stoker) werkzaam moet zijn geweest en overigens als werkman in een fabriek, werkplaats of locomotiefdep6t; 5 5
b. toe proefritten en door een ondergaan onderzoek bewijzen hebben Ben a
van voldoende bedrevenheid in het bedienen en behandelen van stoo comotieven, zoomede van bekenheid met de te berijden ee ore
van bedrevenheid als bankwerker, voldoende om kleine, WW nf mende herstellingen van locomotieven naar eisch te kunnen ef
van voldoende bekendheid met de algemeene A ie ten, den spoorwegdienst en het gebruik ga atoms ae BIKE ae fijeen
c. een geneeskundig onderzoek hebben ondergaan, en gehoorscherpte vol- 8ezond, sterk gestel heeft en dat zijn ee doende Zijn te ACE NOS OSE oe aah Anata k oet den machinist door
(2) Van het met goeden uitslag ondergane onderzoe elk als bewijs van bek- den bestuurder een VON afgegeven, WEST Waamheid en geschiktheid geldt. nae len op verzoek
(3) De in lid (1) bedoelde leertijden kunnen in bens es eve aaa Van den bestuurder door den Directeur met ten hoogs
1382 SPOORWEGVERORDENING
TE
ie stokers moeten met de behandeling OE a On
bekend zijn om bij onverwachte noodzakelijkheid gedurende den loop van den in den machinist te kunnen vervangen.
Von. Vereischten voor motoristen leerling-motoristen.(1) Alvorens met het Je dienen van een trekvoertuig, geen stoomlocomotief zijnde, te worden belast, et een motorist: c 5 eae i gedurende tenminste twee jaren in opleiding zijn geweest, met dien ver- stande, dat hij van dien opleidingstijd tenminste een jaar als lesrling machinist (stoker) en (of) leerling-motorist werkzaam moet zijn geweest en overigens als werkman in een fabriek, werkplaats of locomotief-depöt, waarbij in acht moet worden genomen, dat: dl : :
een motorist van een motorvoertuig gedurende vorenomschreven oplei- dingstijd ten minste drie maanden leerling-motorist moet zijn geweest;
een motorist van een (niet door stoom gedreven) locomotief gedurende vor- enomschreven opleidingstijd ten minste drie maanden leerling-motorist en zes maanden werkman, belast met de bediening van apparaten, als bij deze soort locomotief voorkomen en (of) leerling-motorist moet zijn geweest;
b. door proefritten en door een ondergaan onderzoek bewijzen hebben gegeven:
- van voldoende bedrevenheid in het bedienen en behandelen van die trek- voertuigen, zoomede van bekendheid met de te berijden lijnen; \
‘2. van bekendheid met de werking der verschillende apparaten en het uit- voeren van kleine herstellingen daaraan;
3, van voldoende bekendheid met de algemeene verordeningen en voorschrif- ten, den spoorwegdienst betreffende; :
c, een geneeskundig onderzoek hebben ondergaan, waaruit blijkt, dat hij een gezond, sterk gesteld heeft en dat zijn gezichtsvermogen en'gehoorscherpte vol- doende zijn te achten voor een goede dienstvervulling. «
(2) Van het met goeden uitslag ondergane onderzoek moet den motorist door den bestuurder een verklaring worden afgegeven, welke als bewijs van bek- waamheid en geschiktheid geldt: ‘
(3) De in-lid (1) bedoelde leertijden kunnen in bijzondere gevallen, op verzoek van den bestuurder, door den Directeur worden bekort.
(4) De leerling-motoristen moeten met de behandeling van electrisch aange- dreven trekvoertuigen voldoende bekend zijn om bij onverwachte noodzake- lijkheid gedurende den loop van den trein den motorist te kunnen vervangen.
(5) Op treinen, waarop geen leerling-motorist dienst doet, moet de hoofdcon- ducteur in staat zijn om, bij onverwachte ontstentenis van: den motorist, alle maatregelen te nemen, ter voorkoming van gevaar voor reizigers of personeel en van schade aan den treìn. « : : |
(6) Voor de eischen, te stellen aan motoristen, dienstdoende op trekvoertui- gen, andere dan stoomlocomotieven, welke op andere wijze worden aangedre- ven dan door electrischen stroom, kan de Directeur voorschriften vaststellen.
- Bevel over den trein. Het bevel óver den trein is gedurende diens loop opgedragen aan den hoofdconducteur; de overige treinbeambten zijn aan hem ondergeschikt. — hu “ 3
‘93. Treinrapporten.(1) Voor elken trein moet een treinrapport worden op- gemaakt. Daarin moeten zoo volledig mogelijk worden aangeteekend: md
voor het vertrekt | krts adobe ; 5
a. de datum, het nummer van den trein en de uren van aankomst en vertrek op de verschillende stations volgens dienstregeling; et
b. de te verwachten kruisingen en inhalingen; ait .
voor het vertrek- en, bij verandering, gedurende den rit: c. de merken en (of) nummers van de trekvoertuigen, tenders en van de ove- rige voertuigen, waaruit de trein is samengesteld; den, OL cijg abracl „d, het aantal en de verdeeling van de bediende remmen’ "gedurende den rit: |«- Er
e. de werkelijke uren van aankomst en vertrek op de verschillende stations, zoomede de oorzaken der ondervonden vertragingen; | G(T) bit 1
f-alle vermeldenswaardige en buitengewone voorvallen, welke zich gedurende’
| SPOORWEGVERORDENING 1383 | mmm den loop van den trein voordoen. (2) De treinrapporten moeten gedurende tenminste een jaar door den bestu- urder worden bewaard. | 94. Voorschriften ter bevordering van de zorgvuldige uitoefening van den dienst. (1) De machinisten en motoristen moeten gedurende de uitoefening van hun dienst de beschikking hebben over een uittreksel uit het dienstreglement, bedoeld in artikel 21 der „Bepalingen Aanleg en Bedrijf Spoorwegen’’; zij moe- ten verder voorzien zijn van een tijdtafel van den door hen te rijden trein, dan wel van een grafische voorstelling van den loop der treinen op het door hen te berijden lijngedeelte, zoomede van een goed loopend uurwerk. De hoofdcon- ducteurs moeten gedurende de uitoefening van hun dienst de beschikking heb- ! ben over een uittreksel uit het evengenoemde dienstreglement, uit de ) , Bepalingen Aanleg en Bedrijf Spoorwegen’ en. de krachtens deze vastgestelde | voorschriften, uit de „Algemeene Bepalingen Spoor- en Tramwegen’’ en uit de „Bepalingen Vervoer Spoorwegen’ en voorzien zijn van een tijdtafel of grafiek, als hiervoren bedoeld, zoomede van een goed loopend uurwerk. : (2) Aan personeel, dienstdoende op trekvoertuigen en aan remmers mogen ge- durende den loop van den trein geen werkzaamheden worden opgedragen, noch | mag iets worden veroorloofd, waardoor-hunne aandacht zou kunnen worden afgeleid. ; 1 . :
- Veiligheidsvoorschriften door het personeel in acht te nemen. (1) Behou- dens in gevallen, waarin zulks voor de veiligheid van den trein of van de zich daarin bevindende reizigers van belang kan zijn, is het aan het personeel ver- boden, zich gedurende den rit van het eene voertuig naar het andere te bege- ven, tenzij overstapinrichtingen aanwezig zijn. inn
(2) Behalve wanneer een trein geduwd wordt, moet de machinist of motorist | gedurende den rit steeds het onbelemmerde uitzicht hebben op den te berijden spoorweg. ' ve { (3) Zoolang de trein in beweging is, moeten de remmers onafgebroken op hun | post zijn. Zij moeten steeds gereed zijn. om op de door den machinist of den mo- torist te geven seinen de hun aangewezen remmen onmiddellijk te bedienen. (4) De hoofdconducteur moet zich met-den machinist of motorist in verbin- ding kunnen stellen; de wijze, waarop dit geschiedt, behoeft de goedkeuring van | den Directeur. (5) Het personeel op de treinen moet in het bezit zijn van een middel om het sein tot stilhouden te geven. … 1 vAn ( : (2) De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op rangeerende treindeelen. shite ; } ‘ 4 | Ki } _ § 8. Beweging Der Treinen. 96. Verdeeling van den weg in baanvakken.(1) Elke spoorweg moet worden verdeeld in ter weerszijden door het afstandssignaal van een seinstation of sein- | post begrensde baanvakken, waarop zich telkenmale op hetzelfde spoor slechts | één trein mag bevinden. . Talis | (2) Op lijnen of lijngedeelten, waarop het blokstelsel is toegepast, mogen de | in-lid (1) bedoelde baanvakken verdeeld worden in blokken, waarop zich tel- kenmale op hetzelfde spoor slechts één trein mag bevinden.
_ (3) Een trein mag een baanvak, als bedoeld in lid (1), of een blok, als bedoeld in lid (2), slechts binnenrijden, wanneer zich daarin op hetzelfde spoor geen trein of draisine bevindt en het personeel, op of langs den weg dienstdoende, vanden loop van eerstgenoemden trein kennis draagt. Een draisine mag een voorafgaan-
| den trein op een tijdsafstand van tenminste 5 minuten over eenzelfde baanvak | (blok) volgen. RB een io Sites
(4) Van het bepaalde bij lid (3) mag alleen worden afgeweken voor hulptreinen,
- Verzekering van den regelmatigen en veiligen loop van den treinen. (1)
In het dienstreglement, bedoeld in artikel 21 der „Bepalingen Aanleg en Bedrijf
| Spoorwegen”’, moeten voorschriften worden opgenomen tot verzekering van den
| regelmatigen en veiligen loop treinen, onder meer betrettande: 1 :
a. de maatregelen, welke door de seinstations, seinposten of blokposten, aan
1384 SPOORWEGVERORDENING Eee en de uiteinden der in lid (1) van artikel 96 bedoelde baanvakken (blokken) gele- gen, langs telegrafischen, telefonischen of anderen weg moeten worden geno- men om den regelmatigen en veiligen loop der treinen en draisines te verzekeren, zoomede die, welke moeten worden genomen bij belangrijke treinvertragingen en bij storing der telegrafische (telefonische) gemeenschap, of van andere in- richtingen, waardoor de veilige loop der treinen verzekerd wordt;
b. de maatregelen, welke moeten worden genomen bij het stilhouden van trei- nen of draisines en het afbreken van treinen onderweg, als gevolg van een on- geval of door andere oorzaken; os ra
c. de maatregelen, welke moeten worden genomen bij het rijden van facul- tatieve, buitengewone, werk- en hulptreinen en het inleggen en aankondigen van zoodanige treinen;
d; de maatregelen, welke moeten worden genomen bij plotseling onberijdbaar worden van een of meer sporen op den weg en bij storing van het verkeer, zoo- mede die, welke noodig zijn om bij zoodanige storing of bij andere ongevallen het verkeer zoo spoedig mogelijk te herstellen;
e: de wijze, waarop het sein tot vertrek van een trein op een station wordt gegeven;
f. alles wat verder ter zake dienstig kan zijn.
Lorries en werkwagens. Voorschriften, betreffende het gebruik en de be- weging van lorries, werkwagens en door handkracht bewogen wagens, moeten in het dienstreglement, bedoeld in artikel 21 der „Bepalingen Aanleg en Bedrijf Spoorwegen”’, worden opgenomen.
Wijze van rijden bij dubbel spoor. (1) In gewone omstandigheden moeten, waar dubbel spoor ligt, alle treinen tusschen de stations het, ten opzichte van de richting waarin zij zich voortbewegen, rechts liggende spoor houden.
(2) Afwijkingen van dezen regel zijn geoorloofd:
a, indien zij, op voorstel van den bestuurder, door den Directeur, zoo noodig onder door hem te stellen voorwaarden, zijn toegestaan;
b. bij ongevallen, bij den dienst van en naar laadplaatsen en zijsporen langs den weg, bij herstellingen van de baan of de kunstwerken, voor werktreinen en voor terugkeerende, voor opdrukken gebezigde trekvoertuigen, een en an- der met inachtneming van alle in het belang der veiligheid gevorderde maatregelen.
Stilstaan van treinen onderweg. Ingeval een trein buiten een station moet stilhouden, mag het verkeer over den openbaren weg daardoor niet onnoodig worden bemoeilijkt of belemmerd.
Vertragingsstaten. Vóór of op den 10 den van elke maand moet over de afgeloopen maand, door of vanwege den bestuurder, een staat, in een door den Directeur vast te stellen vorm, aan den betrokken, met het dagelijksch toe- zicht belasten, ambtenaar worden gezonden, waarin moeten worden opgenomen:
a. een opgave van de expres-, snel-, personen- en motortreinen, welke meer dan 10 en van de overige treinen, welke meer dan 20 minuten te laat aan het eindstation, of aan een of meer aansluitingsstations zijn aangekomen . .
b. de gemiste aansluitingen.
- Buitengewone voorvallen. (1) Van alle feiten en omstandigheden op den spoorweg, welke hetzij den geregelden loop van de treinen, hetzij de veiligheid van reizigers, personeel of andere personen in gevaar hebben gebracht, moet, ook wanneer daaruit geen noodlottige gevolgen zijn onstaan, onmiddellijk te- legrafisch kennis worden gegeven aan de door het Hoofd van Toezicht aan te wijzen ambtenaren. * :
(2) De kennisgeving moet geschieden door de zorg van den hoofdeonducteur voor alles, wat gedurende den loop van den trein voorkomt, door die van den sectiechef of wegopzichter, voor feiten, betreffende het gedeelte van den spoor- weg of de daartoe behoorende werken en gebouwen onder zijn toezicht en door den stationschef. ‚ wanneer de onregelmatigheid op een station voorviel.
(3) Na ernstige ongevallen en onregelmatigheden moet de bestuurder zoo spoe- dig mogelijk een nauwkeurig verslag van het gebeurde aan het Hoofd van Toe- zicht zenden. Dit verslag moet bevatten: - zo: Do 5 ord
- een beschrijving van'hetgeen voorviel; © © “u
SPOORWEGVERORDENING 1385
b. de gebleken of de vermoedelijke oorzaak met, in het tweede geval, een op- gave van de gronden, waarop dit vermoeden berust;
c. de gevolgen (in het bijzonder de storingen, welke in den treinenloop plaats hadden) en de maatregelen, welke genomen zijn tot herstel van het verkeer;
d, bijzondere opmerkingen, waartoe het voorgevallene aanleiding geeft, de maatregelen, genomen om herhaling te voorkomen, zoomede alle verdere inlich- tingen door het Hoofd van Toezicht verlangd.
(4) Door het Hoofd van Toezicht wordt vastgesteld en ter kennis van den be- stuurder gebracht, wat onder ernstige ongevallen en onregelmatigheden moet worden verstaan.
(5) Indien het voorval de verwonding of den dood van een of meer personen ten gevolge heeft, moet daarvan onmiddellijk door de zorg van den chef van het naastbij zijnde station kennis worden gegeven aan het betrokken Hoofd van plaatselijk bestuur. :
i HOOFDSTUK II. SPOORWEGEN DER TWEEDE KLASSE, ,
§ 1. Seinen. ;
Seinreglementen. Het Algemeen Seinreglement, bedoeld in artikel 49, alsmede het bepaalde bij artikel 50, zijn van toepassing op de spoorwegen der tweede klasse, waarin lijnen of lijngedeelten voorkomen, welke door treinen met een grootste snelheid van: meer dan 30 kilometer per uur mogen worden bereden.
Seingeving op spoorwegen, waar de grootste toegelaten snelheid ten hoogste 30 kilometer per uur bedraagt. (1) Indien op spoorwegen, welke met een grootste snelheid van ten hoogste 30 kilometer per uur worden bereden, seinen op den weg, de emplacementen of de treinen toepassing vinden, moeten deze in overeenstemming zijn met de soortgelijke seinen, voorkomende in het Algemeen Seinreglement. tess
(2) De seinen op een spoorweg, als in lid (1) bedoeld, in gebruik, moeten wor- den aangegeven in het dienstreglement, bedoeld in artikel 21 der ,,Bepalingen Aanleg en Bedrijf Spoorwegen'’. ’
- Afstands- en voorsignalen. Het in artikel 51 voor de spoorwegen der eer- ste klasse bepaalde geldt mede voor de spoorwegen der tweede klasse, met dien verstande, dat: : : 4 7
4, stations, gelegen aan lijnen.of lijngedeelten, welke door treinen met een grootste snelheid van ten hoogste 30 kilometer per uur worden bereden, Z00- mede de wissels in de hoofdsporen, buiten de stations, niet door afstandssig- nalen behoeven te worden beveiligd; ;
b. in lid (2), instede van 150 meter, gelezen moet worden: 100 meter.
- Verbinding van wissels aan signalen en van signalen onderling, (1) De tegen de punt bereden uiterste wissels van stations, zoomede de enb sels van spoorlijnen, beide gelegen in-lijnen of lijngedeelten, welke door een oF meer treinen met een grootste snelheid yan meer dan 30 kilometer per dur On den bereden en de afstandssignalen, moeten zoodanig van elkander afhan Hae zijn, dat bij veiligen stand van het betrekkelijk Eee vereischte stand van den wissels en de goede stand der tongen verze FAL BG r
(2) De Hire a voor wissels, welke op andere, wijze gesloten zijn, ence door hem te stellen voorwaarden, ontheffing verleenen van het bepaalde bij (1), Onder ,,gesloten’’ wordt hier verstaan: in den gewenschten gant ge ae den door een veiligheidsslot of door eenige andere, door den Directeur go 8ekeurde, inrichting. ERE Hic ifs
(3) De Reece te van een station, van een aansluiting ee Ao nen, beide gelegen in lijnen of lijngedeelten, welke door een 0 ER met een grootste snelheid van meer dan 45 kilometer per uur we ica Ae 20omede de afstandssignalen van een doorsnijding, moeten zo ae ¥ NAE der afhankelijk zijn, dat niet tegelijkertijd veilig kan worden gegeven = nen, welke met elkander in aanraking zouden kunnen komen. theffing vers
(4) De Directeur kan, onder door hem te stellen voorwaarden onthe XS
1386 SPOORWEGVERORDENING
a a leenen van het bepaalde bij lid (3), zoomede de onderlinge koppeling van an- dere signalen en inrichtingen, dan in lid (1) en lid (3) genoemd, voorschrijven.
- Signalen op wissels en waterkranen.(1) De wissels in de hoofdsporen moe- ten, indien gelegen in lijnen of lijngedeelten, welke door een of meer treinen met een grootste snelheid van meer dan 30 kilometer per uur worden bereden, van goed zichtbare wisselsignalen voorzien zijn en, bij het tegen de punt berij- den door zoodanige treinen, gesloten of bewaakt zijn. -
(2) De stand van de uitlooppijpen der waterkranen, staande langs sporen, welke door een of meer treinen met een grootste snelheid van meer dan 45 kilometer per uur worden bereden, moet gedurende den dienst op voldoenden afstand door een signaal kenbaar zijn.
(3) De Directeur kan, onder door hem te stellen voorwaarden, afwijking toe- staan van het bepaalde bij lid (1). . :
Andere beveiligingsmiddelen. De Directeur kan, indien hij zulks noodig acht, op plaatsen, welke ingevolge artikel 105 door signalen beveiligd zijn, bo- vendien het aanbrengen van sluitboomen, stopblokken, ontspoortongen en van andere beveiligingsmiddelen, zoomede de afhankelijkheid van zulke middelen van de signalen voorschrijven.
Normale stand dersignalen. Het bepaalde bij artikel 55 geldt mede voor de spoorwegen der tweede klasse.
Opstellen van signalen ter beveiliging van andere punten. Indien zulks voor de veiligheid van het verkeer noodig is, kan de Directeur, den bestuurder gehoord, het opstellen van signalen en andere inrichtingen tot het geven van seinen gelasten ter beveiliging van punten, niet in de artikelen 105 tot en met 109 genoemd. ‘ = A cht
§ 2. Onderhoud En Bewaking Van Weg En Werken. :
- Onderhoud der verharding bij medegebruik van den openbaren weg Aanwijzing van beperking der grootste toegelaten snelheid. Onderhoud van gebouwen. (1) Tenzij de voorwaarden van concessie anders bepalen, is de be- ate daar, waar de spoorweg bij den eersten aanleg in het verharde gedeelte Monit oe ti weg is aangelegd, verplicht, ten genoege van het met het ee ere ok soe belaste gezag, op kosten-van den ondernemer, het ge- ae tata + aie weg tusschen de spoorstaven en de dan de buiten- Se eze liggende gedeelten, ter volle breedte van het onderbed, te
: en in een staat, gelijkwaardig aan dien van het overige gedeelte van Sena oe eee ae mede voor het door den spoorweg ingenomen ge- e van dé in de openbaren weg gelegen, in mede ik El denotatie een g gelegen, gebruik ror een brug
(2) Indien bij latere verlegging van sporen, als bedoeld in li
ge zE : in lid (1), door de - dernemer, dan wel bij uitbreiding of verbetering van de in Aes Ret elastin gezag, geen overeenstemming tusschen partijen over de verdeeling
er daaruit voortvloeiende hoogere kosten van onderhoud kan worden verkre: a8) Mae de beslissing van den Gouverneur-Generaal ingeroepen.. SZ epaalde bij artikel 57 geldt mede voor de spoorwegen der tweede
- Registers en periodiek onderzoek va nt
4 n de werken. iitar- baa ce geldt mede voor de spoorwegen der verde kn beende bij oe
. Bewaking en schouwing van den weg.(1) D ; -(1) De “8 bewaakt, als treinen worden get )De spoorweg moet zoolang wor- ijne f ee we nj 3 5 = anh en of lijngedeelten, welke door een of meer treinen met een grootste é van meer dan 30 kilometer per uur worden bereden, moeten per et= ips ue éénmaal worden geschouwd. Le
Directeur wijst, den bestuurder gehoord, de li inge eden aa
ded e linen of: enen DEE laate DephekBtntie tewsenen de
en eersten trein voorafgaande; ook kan ‘dé Dir ; urder gehoord, voor lijnen of lijnged “i De gedeelten;‘welke door-nachttrein
natin ; Bro Sed aa : bight acid reinen met een Behage gelasteh inenten onee hee worden Bereden, en
ee uren, de komst van de eersten nachttrein
SPOORWEGVERORDENING 1387 ks voorafgaande.
(4) Bij elke schouwing moet inzonderheid worden gelet op den toestand van Sporen; wissels, signalen en op de volkomen veiligheid van het spoor.
(5) Bij spoorwegen of gedeelten daarvan, met contactleiding, moet er op wor- den gelet, dat de stand der contactleiding ten opzichte van het spoor zoodanig is, dat een ongestoorde stroomafneming is verzekerd, terwijl voorts moet wor- den gelet op de aanwezigheid der electrische spoorstaaf verbindingen, zoomede : der aard- en andere veiligheidverbindingen.
(6) In tunnels moet de weg binnen het uur, het doorrijden van elken trein voor- afgaande, worden geschouwd. .
(7) Punten, waar gevaar bestaat, moeten voortdurend worden bewaakt.
(8) Voor spoorwegen, welke met een grootste snelheid van ten hoogste 30 ki- lometer per uur worden bereden, moet de schouwing door den bestuurder wor- den geregeld. + Sil ill!
- Nadere voorschriften van den Directeur betreffende afsluitingen van overwegen. Indien langs de spoorwegen beweegbare afsluitingen aanwezig zijn, kan de Directeur voorschriften geven betreffende de wijze van bediening, be- waking en verlichting van die afsluitingen en ook toestaan, dat afsluitingen, waar- mede weinig drukke openbare overwegen worden afgesloten, op afstand worden bediend.
‘ § 3, Onderhoud Van Het Rollend Materieel.
Eischen aan het onderhoud te stellen. Het rollend materieel, op den spoorweg in gebruik, moet zoodanig worden onderhouden, dat de treinen te al- len tijde met de grootste overeenkomstig artikel 126 toegelaten, snelheid kun- nerrijden. j ’ ‘ |
Opneming van de locomotieven en tender na de indienststelling.(1) Een opneming van iedere stoomlocomotief en iederen tender, bestemd voor het ver- voer van treinen met een een grootste snelheid van meer dan 30 kilometer per uur, waarbij de assen met wielen, de draagpotten, de veeren en de onderdeelen van hetdrijfwerk worden losgenomen, moet periodiek naar behoefte plaats heb- ben, ‘doch in elk geval om de drie jaren. :
(2) Gelijke periodike opneming, waarbij de mechanische en electrische inrich- tingen worden losgenomen en onderzocht en, indien de Directeur dit noodza: kelijk acht, opnieuw beproefd, moet plaats hebben voor andere locomotieven dan stoomlocomotieven. y
(3) De wijze van opneming van de locomotieven en tenders, bestemd voor ver- voer met een grootste snelheid van ten hoogste 30 kilometer per uur, moet door den. bestuurder, onder goedkeuring van den Directeur, worden geregeld.
(4) Wederingebruikneming van locomotieven en tender mag eerst plaats heb- ben na volledige-herstelling. ~ THOS ;
(5) Het Hoofd van Toezicht kan aan den bestuurder vergunnen, de opneming voor een door hem te bepalen termijn uit te stellen. ul mo f
- Opneming van de‘motorvoertuigen, rijtuigen en wagens na de indienst- stelling. (1) Een’ opneming! van de motorvoertuigen en de rijtuigen, bestemd voor vervoer met een grootste snelheid van meer dan 30 kilometer per uur en van: de wagens bestemd voor vervoer met een grootste snelheid van meer dan 60 kilometer per uur, waarbij de assen en wielen, de draagpotten en de veeren worden afgenomeén; heeft plaats telkens, nadat sinds de indienststelling of de laatste opneming 80000 kilometer zijn doorloopen, doch uiterlijk binnen een jaar na die laatste opneming. Deze termijn mag tot een maximum van drie jaren wor- den, verlengd, zoolang een vertuig niet meer dan 40000 kilometer heeft d d 5 ; :
(DEE gelijke opneming van elken anderen wagen, bestemd voor vervoer met een grootste snelheid van meer dan 30, doch ten hoogste 60 kilometer per uur, moet plaats hebben binnen een tijdsverloop van drie jaren, gerekend van den datum der indienststelling of. der laatste opneming af.
(3) De wijze van opneming van de rijtuigen en wagens, bestemd voor vervoer met een grootste snelheid van ten hoogste!30 kilometer per uur, moet door den
1388 SPOORWEGVERORDENING SS AMUN ee EE bestuurder onder goedkeuring van den Directeur, worden geregeld.
(4) Wederingebruikneming van motorvoertuigen, rijtuigen en wagens mag eerst plaats hebben na volledige herstelling. ‘
(5) Het Hoofd van Toezicht kan aan den bestuurder vergunnen, de opneming voor een door hem te bepalen termijn uit te stellen.
- Registers van het rollend materieel. De bestuurder moet van het rollend materieel een of meer registers (of kaarten) aanhouden en daarin (daarop) van elk voertuig aanteekenen:
a. het volgnummer; ;
b. den naam van den fabrikant;
c. den datum van indienststelling;
d. de data van de opnemingen en de wederingebruiknemingen; voor de ketels het nummer van de akte van vergunning;
e. de belangrijkste herstellingen van de verschillende deelen van het rollen materieel;
f. het aantal kilometers, doorloopen door trekvoertuigen en tenders, zoomede door rijtuigen, bestemd voor vervoer met een grootste snelheid van meer dan 30 kilometer per uur en door wagens, bestemd voor vervoer met een grootste snelheid van meer dan 60 kilometer per uur, met dien verstande, dat voor door trekvoertuigen en tenders verrichten rangeerdienst 7,5 kilometer per uur in re- kening wordt gebracht.
- Registers van de assen en wielen. Het bepaalde bij artikel 65 geldt mede voor de spoorwegen der tweede klasse.
§ 4. Stations. ;
Namen van de stations en stopplaatsen. Het bepaalde bij artikel 66 geldt mede voor de spoorwegen der tweede klasse, ,
Ladingmalien. Het bepaalde bij artikel 68 lid (1) geldt mede voor de spoorwegen der tweede klasse.
Reservetrekvoertuigen, materialen voor hulpverleening en ver- bandmiddelen. (1) De Directeur wijst, den bestuurder gehoord, de stations aan waar, zoolang treinen onderweg zijn, een reservetrekvoertuig gereed moet staan om onverwijld dienst te kunnen doen. Het aantal dier trekvoertuigen behoeft niet grooter te zijn, dan een op elke 75 kilometer spoorweg of gedeelte daar- van.
(2) Mede bepaalt de Directeur, op welke stations, gelegen aan lijnen of lijnge- deelten, welke door een of meer treinen met een grootste snelheid van meer dan 30 kilometer per uur worden bereden: : : rte
a. de noodige werktuigen en materialen of hulpwagens aanwezig moeten zijn om bij ongevallen den weg te ontruimen en zoo noodig te herstellen;
b. de door het Hoofd van den Dienst der Volksgezondheid goed te keuren mid- delen beschikbaar moeten zijn om de eerste hulp aan gekwetsten te verleenen en om hen te vervoeren. ’ ; '
- Verplichtingen van den stationschef.(1) De dienstdoende stationschef moet bij de aankomst en het vertrek, zoomede bij het doorrijden van treinen. op het perron aanwezig zijn. - eight En ;
(2) Hij moet zorg dragen dat bij de aankomst, het vertrek of het doorrijden van treinen de te berijden sporen vrij en onbelemmerd,-de wissels en signalen inden juisten stand gesteld en de wissels zoo noodig bewaakt of gesloten zijn.
(3) Hij moet maatregelen nemen om te voorkomen, dat op de sporen staande voertuigen door den wind of door andere onvoorziene omstandigheden in be- weging worden gebracht en dat opvangwissels langer dan noodig in den niet voor het opvangen van voertuigen juisten stand blijven gesteld. :
124, Toezicht op de stationspleinen. Het bepaalde bij artikel 71 geldt mede voor de spoorwegen der tweede klasse, ~~ ae BAS
‘ § 6. Treinen In Het Algemeen. «
- Soorten van treinen. Het bepaalde bij artikel 72 geldt mede voor de
SPOORWEGVERORDENING 1389 ee spoorwegen der tweede klasse, met dien verstande, dat in lid (1) onder a voor de woorden ,,expres-, snel- en personentreinen’’ moet worden gelezen „per- sonentreinen”’.
- Snelheid van de treinen. (1) De grootste snelheid, waarmede de treinen mogen rijden, wordt door den Gouverneur-Generaal, met inachtneming der voorwaarden van concessie, den bestuurder gehoord, voor elke lijn of elk lijnge- deelte vastgesteld, met dien verstande, dat op lijngedeelten, liggende op of langs den openbaren weg en daarvan niet door eene afrastering gescheiden, de groot- ste snelheid nimmer meer mag bedragen dan 30 kilometer per uur.
(2) Ook wanneer de op een spoorweg toegelaten grootste snelheid meer be- draagt, mag de snelheid voor de na te noemen treinsoorten niet worden opge- voerd boven:
45 K.M. per uur voor gemengde, goederen-en werktreinen, zoomede voor alle treinen, waarin een stoomlocomotief, voorzien van een lossen tender, achter- uit rijdt;
25 K.M, per uur voor geduwde en voor niet vooraf aangekondigde treinen;
45 K.M. per uur voor losse locomotieven;
5 K.M. per uur voor geduwde treinen binnen een bebouwde kom.
(3) Bij proefritten en voor hulptreinen is het bepaalde bij lid (2) niet van toepassing.
(4) Alvorens toe te staan, dat op eenig gedeelte van een spoorweg der tweede klasse een treinsnelheid van meer dan 30 kilometer per uur wordt ingevoerd of een toegestane grootste snelheid wordt vergroot, stelt de Gouverneur- Generaal, de betrokken Hoofden van gewestelijk bestuur, dan wel in zelfstan- dige gebiedsdeelen de betrokken Raden, in de gelegenheid, hun gevoelen ter zake kenbaar te maken.
(5) Het is verboden, op eenig gedeelte van den weg met een grootere dan de op dat gedeelte toegelatan snelheid te rijden.
(6) De snelheid moet, zoo noodig, worden verminderd, indien een sein tot ver- mindering der snelheid is gegeven, zoomede-overal, waar de grootste toegela- ten snelheid voor het verkeer over den spoorweg gevaar kan opleveren.
(7) De machinist of motorist moet bij het rijden, overal waar de spoorweg is aangelegd op of langs den openbaren weg, steeds nauwlettend acht geven op de omgeving om, zoo noodig, de snelheid te verminderen of den trein tot stil- stand te brengen.
(8) Waar de spoorweg op of langs den openbaren weg is aangelegd, kunnen voor plaatsen, waar dit in het belang van het openbaar verkeer door hem nood- zakelijk wordt geacht, door het betrokken Hoofd van gewestelijk bestuur, dan wel in een zelfstandig gebiedsdeel door den betrokken Raad, voorschriften wor- den gegeven met betrekking tot:
a. de vermindering der toegelaten grootste snelheid;
b. het stilhouden van.treinen vóór het berijden van aan te geven baangedeelten;
c. het doen voorafgaan van treinen over bepaalde baangedeelten door per- soneel, voorzien van een roode vlag of rood licht, i
(9) Van een voorschrift, als bedoeld in lid (8), wordt kennis gegeven aan het Hoofd van Toezicht; daarvan is beroep toegelaten op den Directeur. Indien deze tegen dat voorschrift bezwaar heeft en tusschen hem en het bevoegde gezag geen overeenstemming kan worden verkregen, roept hij de beslissing van den Gouverneur-Generaal in. er
(10) De punten langs den spoorweg, waar de toegelaten grootste snelheid in een lagere overgaat, moeten door signalen worden aangeduid. — mn
Minimum aantal treinen per dag. De bestuurder is verplicht, dadel s tenminste twee voor reizigersvervoer bestemde treinen in elke richting ie oen rijden, tenzij de Directeur anders bepaalt of in de concessievoorwaarden een andere regeling is opgenomen. 2
enone de dienstregeling. Het bepaalde bij artikel 75 geldt mede
t dien verstande, dat lid (2) alleen van voor de spoorwegen der tweede klasse, me a toepassing is op de dienstregeling, waarin op vaste tijden loopende, met een grootste snelheid van meer dan 30 kilometer per uur rijdende voor reizigersver-
1390 SPOORWEGVERORDENING Ol) eet SS ooo inen voorkomen. = à VE ACR van de dienstregeling. Het bepaalde bij artikel 76 geldt i e spoorwegen der tweede klasse. E iso. hevigere Toezicht en den Post, Telegraaf: en Telef oil ; ante Het bepaalde bij artikel 77 geldt mede voor de spoorwegen der ees aes a 131. Normaal profiel der laadruimte. (1) Voor de spoorwijdte van me wae geldt het normaal profiel der nn aangegeven op de teekening, als bij- ij deze verordening gevoegd. : : He von entice spoorwijdten wordt het in lid (1) bedoelde profiel door den
Id.
DE goederenwagens. Het bepaalde bij artikel 80 geldt mede er tweede klasse.
ase B Goederen mogen zoowel op de stations als elders
worden geladen en gelost behalve, waar de spoorweg op den openbaren weg
is aangelegd, op die plaatsen, waar dit in het belang van de veiligheid of op grond
van belemmering van het openbaar verkeer wordt verboden door het gezag, dat
met beheer van den weg is belast. an '
(2) Bij lading of lossing elders dan op plaatsen, waar het hierbij gebezigd rol- lend materieel onder toezicht van personeel staat, moeten tegen het ongewenscht in beweging komen van dat materieel voorzorgen worden genomen, hetzij door het vast aandraaien der remmen, hetzij door andere, door den Directeur goed te keuren, maatregelen.
Hulpmiddelen, welke op elken trein aanwezig moeten zijn. Het bepaalde bij artikel 81 geldt mede voor de spoorwegen der tweede klasse, met dien ver- stande, dat lid (2) alleen van toepassing is op treinen, welke een grootste snel- heid van meer dan 30 kilometer per uur bereiken.
Nazien van den trein voór vertrek. Vertrek van den trein. (1) Elke trein moet, voordat hij het station, waar hij is samengesteld, verlaat, geheel zijn nagezien.
Daarbij moet er inzonderheid op worden gelet, dat:
a, het in artikel 141 voorgeschreven aantal assen kan worden geremd en de bediende remtoestellen zooveel mogelijk gelijkelijk over den trein zijn verdeeld en goed werken;
b. indien de trein voorzien is van doorgaand remwerk, dit goed werkt;
c. de voertuigen geen gebreken vertoonen, welke voor het verkeer gevaar kun- nen opleveren;
d. de voertuigen onderling voldoende gekoppeld zijn en de noodkoppelingen zijn ingehaakt;
e. indien een middel van gemeenschap tusschen den hoofdconducteur en den machinist of motorist ingevolge artikel 146 is voorgeschreven, dit aanwezig is;
f. de wagens niet ongelijkmatig en niet boven het daarop aangegeven draag- vermogen zijn belast;
g. de rijtuigen zoo noodig behoorlijk zijn verlicht;
h. de voorgeschreven seinmiddelen aanwezig en, zoo noodig, zijn aangebracht;
i. bij motortreinen, alle voor de voortbeweging noodige stroomafnemers in aan- raking zijn met de contactleiding.
(2) Het onderzoek, bedoeld in lid (1) moet gedurende den loop van den trein, waar daartoe de mogelijkheid bestaat, voor zoover noodig worden herhaald. ‘ (3) Een trein mag niet vertrekken, voordat het daartoe voorgeschreven sein is gegeven.
- Trekvoertuigen in dienstvaardigen staat. Het bepaalde bij artikel 83 geldt mede voor de spoorwegen der tweede klasse.
: § 6. Samenstelling Der Treinen.
- Lengten van de treinen. (1) De lengte van een trein mag niet grooter zijn dan 120 meter op lijnen of lijngedeelten, welke op eigen baan zijn gelegen, niet grooter dan 200 meter.
(2) De Directeur is bevoegd, onder nader te stellen voorwaarden, een groo- tere maximum lengte toe te staan of, indien bijzondere omstandigheden zulks
SPOORWEGVERORDENING 1391 Eee naar zijn oordeel noodig maken, een kleinere maximum lengte voor te schrijven.
(3) Voor spoorwegen, welke met een grootste snelheid van meer dan 45 ki- lometer per uur bereden worden, geldt het bepaalde bij artikel 84.
- Plaats van de locomotief. (1) De locomotief wordt in den regel geplaatst aan het hoofd van den trein. De motorist moet den trein steeds van het voorste platform of van een daarmede gelijk te stellen plaats bedienen.
(2) Het duwen van treinen door locomotieven is alleen geoorloofd:
a. op de stations en op zijsporen;
b. voor werk- en hulptreinen en convooien, zoomede voor goederentreinen tusschen een station en een naburige laadplaats of zijspoor;
c. voor bergopwaarts rijdende treinen op lijngedeelten, waarin een tandstaaf voorkomt;
d, in bijzondere omstandigheden.
(3) Behalve bij het rangeeren op de stations moet het voorste voertuig van een geduwden trein bewaakt zijn.
- Meervoudige tractie. (1) Het rijden van treinen met twee stoomloco- motieven of twee andere trekvoertuigen is alleen geoorloofd op de wijze en on- der de omstandigheden, aangegeven in het dienstreglement, bedoeld in artikel 21 der „Bepalingen Aanleg en Bedrijf Spoorwegen’.
(2) Een stoomlocomotief en eenig ander trekvoertuig mogen nimmer gelijktij- dig in een trein der voortbeweging worden gebezigd.
(3) Afwijking van de in lid (1) bedoelde voorschriften kan in bijzondere ge- vallen en onder door hem te stellen voorwaarden door den Directeur worden toegestaan.
- Volgorde van de voertuigen. (1) In elken voor reizigersvervoer bestemde trein, welke een grootste snelheid van meer dan 45 kilometer per uur bereikt, moet onmiddellijk achter de locomotief tenminste een voertuig worden geplaatst, waarin zich geen andere personen, dan behoorende tot het personeel van den spoorweg of ‘van den postdienst, mogen bevinden.
(2) Bedraagt de grootste snelheid 45 kilometer per uur of minder, doch meer dan 30 kilometer per uur, dan is het voldoende, dat de eerste afdeeling van het op de locomotief volgende voertuig geen reiziger bevat.
(3) De Directeur kan, in bijzondere gevallen, voorschriften geven betreffende de plaatsing in de treinen van twee-assige voertuigen ten opzichte van drie- of vierassige.
(4) Wagens, beladen met goederen, welke ingevolge artikel 34 lid (2) onder e nummer Ider ‚Bepalingen Vervoer Spoorwegen’ voorwaardelijk tot vervoer worden toegelaten, wagens met afwijkende koppelingen en wagens, met langhout, spoorstaven en dergelijke beladen, mogen slechts worden vervoerd in treinen, waarvan de grootste snelheid ten hoogste 45 kilometer per uur be- draagt en moeten, indien die treinen voor reizigersvervoer bestemd zijn, tenzij de grootste snelheid niet hooger is dan 30 kilometer per uur, achter de rijtuigen geplaatst en van deze door tenminste een wagen gescheiden zijn.
- Beremming van de treinen. (1) Het bepaalde bij artikel 88 lid (1) tot en med lid (6) geldt mede voor de spoorwegen der tweede klasse, a
(2) Indien een trein, buiten de locomotief of het trekvoertuig, uit slechts vier assen bestaat, behoeven deze niet te worden beremd, tenzij de sterkste helling in de baan steiler is dan 1:100. : ie
(3) Bij het rijden over zeer steile en lange hellingen, over lijngedeelten Di Ge tandstaaf uitgerust, door de bebouwde kom van plaatsen en onder andere bui- tengewone omstandigheden kunnen door den Directeur, den in oa hoord, aan het remvermogen der treinen bijzondere eischen worden gesteld, 0 het gebruik van zelfwerkende en doorgaande remmen worden voorgeschreven.
§ 7. Personeel Der Treinen.
- Personeel, dat op de treinen aanwezig moet zijn. Het bepaalde pl on tikel 89 geldt mede voor de spoorwegen der tweede klasse, met dien verstande evenwel, dat op treinen, waarvan de grootste snelheid niet meer Pr a en eh, meter per uur bedraagt, een leerling-machinist of stoker niet behoeft aa ig
1392 SPOORWEGVERORDENING EE ER oo te zijn. . r
- Vereischten voor machinisten, motoristen, stokers en leerling-motoristen.
(1) Alvorens met het bedienen van een locomotief of trekvoertuig te worden be- last, moet een machinist of motorist door proefritten en door een ondergaan on- derzoek voldoende bewijzen van bedrevenheid in het behandelen van het hem toe te vertrouwen voertuig, zoomede van bekenheid met de voorschriften van zijn dienst en de te berijden lijnen gegeven hebben. Aan machinisten, onder- scheidenlijk motoristen, die met het vervoer van treinen met een grootste snel- heid van meer dan 45 kilometer per uur worden belast, moeten de eischen, genoemd in artikel 90 lid (1), onderscheidenlijk artikel 91 lid (1) worden gesteld; het bepaalde bij lid (3) dezer artikelen is dan tevens van toepassing.
(2) Van het met goeden uitslag ondergane onderzoek moet den machinist of motorist door den bestuurder eene verklaring worden afgegeven, welke als be- wijs van bekwaamheid en geschiktheid geldt,
(8) De stokers en leerling-motoristen moeten met de behandeling van loco- motieven of trekvoertuigen voldoende bekend zijn om bij onverwachte nood- zakelijkheid gedurende den loop van den trein den machinist of motorist te kunnen vervangen. ,
Bevel over den trein. Treinrapporten. Het bepaalde bij de artikelen 92 en 93 geldt mede voor de spoorwegen der tweede klasse, voorzoover het be- treft treinen, welke rijden met een grootste snelheid van meer dan 30 kilometer per uur.
Voorschriften ter bevordering van de zorgvuldige uitoefening van den dienst, Het bepaalde bij artikel 94 geldt mede voor de spoorwegen der twee klas- se, voorzoover het betreft treinen, welke rijden met een grootste snelheid van meer dan 30 kilometer per uur.
Veiligheidsvoorschriften door het personeel in acht te nemen, Het be- paalde bij artikel 95 geldt mede voor de spoorwegen der tweede klasse, met dien verstande, dat lid (4) alleen van toepassing is ten aanzien van treinen, welke een grootste snelheid van meer dan 45 kilometer per uur bereiken.
§ 8. Beweging Der Treinen.
147, Afstand tusschen de treinen. Verdeeli [
: } eeling van den weg in baanvakken Neng waarvan de grootste snelheid ten hoogste 30 kilometer per uur be-
4 gt, mogen een station verlaten drie minuten nadat een electrisch aange- ge dreven trein, of vijf minuten nadat een door stoom voortbevogen trein, met gelijke of grootere snelheid rijdende, van dat station in dezelfde richting is ver- poet Treinen, welke een grootste snelheid van meer dan 30 kilometer per eN eee en een station eerst afrijden, nadat aldaar bericht is
D € voorafgaande trein op het volgende station is aan Mi ekomen. 2) Zooveel mogelijk moet er tegen worden gewaakt, dat treinen in dezelfde Ee denn en tangevolge van ongelijke snelheid of van oponthoud ) naderen dan 200 meter voor electrisch aa ee ie San agr voortbewogen treinen. ngedreven en dan nen of lijngedeelten, welke door een of meer trei 5 , rtreinen = oe need van meer dan 45 Kilometer per uur worden Heen de Di r verdeeling in ter weerszijden door het afstandssignaal van i begrensde baanvakken voorschrijven, waarop zich Pe ene zonderingsgevallen ter beoordeeling 7 p zich telkenmale, senoudens in uit- trein mag bevinden en Toezicht, op hetzelfde spoor slechts één bindingen tusschen ‘die stations Pane seo eS a beche (ielsionische) yet: (4) De Directeur kan, ond e leenen van het bepaalde bij id Gee la on PAAR epthetfing pen
148 Verzekering va ; :
at nden jh 5 dienstreglement, bedoeld ea 1 in eenen In Net Spoorwegen’’, moeten voorschriften word Sy eek eae regelmatigen en veiligen loop der treir rte werdekering vanden dien ganzien NAD eel inen en betreffende de verplichtingen te
- Lorries en werkwagens. | e
/erkwagens, Het bepaalde bij artikel 98 geldt mede voor de
SPOORWEGVERORDENING 1393 en Ee EE spoorwegen der tweede klasse.
Wijze van rijden bij dubbel spoor. Het bepaalde bij artikel 99 geldt mede voor de spoorwegen der tweede klasse,
Stilstaan van treinen onderweg. Ingeval een trein buiten een station of uitwijkplaats moet stilhouden mag het verkeer over den openbaren weg daar- door niet onnoodig worden bemoeilijkt of belemmerd.
Waarschuwingen met fluit of bel. Afblazen van stoom.(1) Overal, waar dit tot waarschuwing van voetgangers of van rij- of voertuigen noodig is, moet de bel worden geluid of de fluit gebezigd. Het laatste mag echter alleen geschie- den in geval van nood of wanneer verwacht kan worden, dat het luiden met de bel niet de gewenschte uitwerking zal hebben.
(2) Met betrekking tot het gebruik van bel en fluit kunnen voor lijnen of lijnge- deelten, welke op eigen baan zijn gelegen, in het dienstreglement, bedoeld in artikel 21 der „Bepalingen Aanleg en Bedrijf Spoorwegen'', voorschriften wor- den gegeven, afwijkende van het bepaalde bij lid (1).
(3) Het afblazen van stoom is verboden, wanneer daardoor wegens de nabij- heid van dieren, gevaar voor het verkeer buiten den spoorweg kan antstaan.
- Buitengewone voorvallen. (1) Van alle feiten en omstandigheden op den spoorweg, welke hetzij den geregelden loop van de de treinen, hetzij de veilig- heid van reizigers, personeel of andere personen in gevaar hebben gebracht, moet, ook wanneer daaruit geen noodlottige gevolgen zijn ontstaan, door den bestuurder of het door hem aan te wijzen personeel zoo spoedig mogelijk schrif- telijk en bij ernstige ongelukken onmiddelijk telegrafisch kennis worden gege- ven aan de door het Hoofd van Toezicht aan te wijzen ambtenaren.
(2) Na ernstige ongevallen en onregelmatigheden moet de bestuurder zoo spoe- dig mogelijk een nauwkeurig verslag van het gebeurde aan het Hoofd van Toe- zicht zenden. Dit verslag moet bevatten:
a. een beschrijving van hetgeen voorviel;
b. de gebleken of de vermoedelijke oorzaak met, in het tweede geval, eene opgave van de gronden, waarop dit vermoeden berust;
ce. de gevolgen (in het bijzonder de storingen, welke in den treinenloop plaats hadden) en de maatregelen, welke genomen zijn tot herstel van het verkeer;
d. bijzondere. opmerkingen, waartoe het voorgevallene aanleiding geeft, de maatregelen, genomen om herhaling te voorkomen, zoomede alle verdere inlich- tingen door het Hoofd van Toezicht verlangd.
(3) Door het Hoofd van Toezicht wordt vastgesteld en ter kennis van den be- stuurder gebracht, wat onder ernstige ongevallen en onregelmatigheden moet worden verstaan.
(4) Indien het voorval de verwonding of den dood van een of meer personen tengevolge heeft, moet daarvan onmiddellijk door de zorg yan den chef van het naastbijzijnde station of den hoofdconducteur kennis worden gegeven aan het betrokken Hoofd van plaatselijk bestuur.
___DEEL V. SLOTBEPALINGEN.
Niet-toepasselijkheid van sommige bepalingen op den dienst der Staatsspoor- en on od Het bepaalde bij artikelen 43 lid (2) en 47 lid (2) is niet van toepassing op den dienst der Staatsspoor- en tramwegen. bend
Aanhaling van deze verand Deze verordening kan worden-aan- gehaald als ,,Spoorwegverordening’’ (S.V.
IL. Deze TRE treedt in werking met ingang van denzelfden dag als de ordonnantie van 11 Mei 1927, houdende vaststelling van „Bepalingen belge B fende den aanleg en het bechrijving Spoorwegen’ (Staatsblad 1927, No. 25 ).
Uitgegeven den dertigsten Juni 1928 door de Algemeene Secretaris.
