Reglement Op De Rechterlijke Organisatie En Het Beleid Der Justitie In Indonesie
RO,
REGLEMENT OP DE
RECHTERLIJKE ORGANISATIE EN HET
BELEID DER JUSTITIE IN INDONESIË. (!)
(afgekondigd bij Publikatie van 30 April 1847—S. No. 23 jo. S. 1848—67, i.w.g. 1 Mei 1848.) Zie LN. 50—30, organisatie, bevoegdheid, rechtsreg]. Mahkamah Agung Indo-
nesia en LN. 51—9, noodwet betr. procedure burgerl. rechterlijke instanties,
- in deze verzamel. achter RO,
HOOFDSTUK I. Algemeene bepalingen. (+)
Dit hoofdstuk is behoudens afwijkingen ook toepasselijk op de buiten- gewesten, ingevolge art. 2 Rechtsregl, Buitengow.
- (Gew. 8. 14-317.) De rechterlijke macht in Indonesië wordt, onverminderd de rechtsmacht aan den militairen rechter toegekend, uitgeoefend door: (ISR. 182,-135; RBg-1; Bb. 446, 1316, 1321, 2133, 2495.)
de districtsgerechten ; (RO. 77v.)
de regentschapsgerechten ; (RO. 81v.)
de landraden ; (RO- 89v.)
de landgerechten ; (RO. 116big v:)
de residentiegerechten ; (RO. 116a ‘v.)
de raden van justitie en (RO. H7v.)
het hooggerechtshof. (RO. 151v:)
De bestaande verordeningen omtrent het regtswezen in de residentiën Soerakarta en Djokjakarta blijven in volle kracht, totdat daaromtrent nader zal zijn beschikt. (8. 1903—7,-8-enze-zie aant. achter RO.)
De regtbanken en geregten in de bezittingen buiten Java en Madura blijven vooreerst derzelver tegenwoordige benaming en samenstelling behouden. (*) ie
- De kennisneming en beslissing van alle geschillen over eigendom of daaruit voortspruitende regten , over schuldvorderingen of burgerlijke regten, en de toepassing van alle soort van wettig bepaalde straffen, zijn bij uitsluiting opgedragen aan de regterlijke Det, volgens de verdee- lingen van regtsgebied, de. regterlijke bevoegdheid, en de wijze bij dit reglement omschreven. (ISR--134, 137 ;-Rv. 99, 130; Sv. 10lv., 126v., 177v., 260v.)
De zaken, welke uit haren aard, of krachtens wettelijke bepalingen, ter beoordeeling staan van het administratief gezag, blijven daaraan onderworpen.
Alle geschillen over bevoegdheid tusschen de regterlijke magt en het administratief gezag worden door den Gouverneur-Generaal beslist, volgens algemeene bepalingen, nader door den Koning vast te stellen. (ISR. 188 en overg.bep. 1, bl. 219 ; S. 1849-61 ; Bb. 2192.)
2a. (Ing. S. 31—367 jo. 368.) Alle vorderingen betrekkelijk tot een arbeidsovereenkomst, dio geheel of gedeeltelijk in Indonesië moet wor- den ten uitvoer gebracht, staan, ongeacht welk recht op de overeenkomst van toepassing is, zoolang de arbeider in Indonesië woonachtig is, uit-
() Voor de gewesten buiten Java en Madoera is bij S. 1927—227 het „‚Rechtsregloment Buitengewesten” afgekondigd, i.w.g. 1 Juli ’27, in deze verzameling opgenomen,
Bij art, 2 van genoemd Rechtsregl. Buitengew. zijn de hoofdstukken I, VI en VII van RO., toepasselijk verklaard op de buitengewesten, en bij art. 101 ook hoofdstuk V van RO., in beide gevallen behoudens eenige afwijkingen.
1
2 REOHTERLIJKE ORGANISATIE.
sluitend ter beslissing van den Indonesischen rechter of van in Indo- nesië verblijvende scheidslieden.
Van het bepaalde in het vorig lid kan alleen bij overeenkomst, na het ontstaan van het geschil gesloten, worden afgeweken.
- (Gew. S. 37—116.) (1) Overal, waar rechtspraak genoemd bij art. 134, tweede lid der Indische Staatsregeling, niet door afzonderlijke be- palingen wordt beheerscht, kan de uitvoering van de krachtens dat voor- schrift gedane uitspraken, indien zij niet vrijwillig geschiedt, niet anders plaats hebben dan langs den gewonen weg van rechten en na executoir- verklaring door het hoogste Indonesische rechterlijke colloge. (ISR. 134, 136 ; S. 31—53*, bl. 365.) .
(2) In geval van verschil over de competentie in de bij het vorige lid bedoelde zaken beslist de Gouverneur-Generaal. (ISR. 139.) (*)
Zie de bepalingen betreffende de Priesterrechtspraak, S. 82-152, op bl. 362.
Sa. (Ing. S. 35—102.) (1) Rechtzaken van welke de kennisneming volgens het adatrecht tockomt aan rechters van kleine rechtsgemeen- schappen (dorpsrechters) blijven aan die kennisneming onderworpen.
(2) Het bepealde.in-het vorig lid Jaat-onverkortde=bevoegdheid van partijen om te allen tijde hare zaak aan de beslissing der in de artt. 1, 2 en 3 bedoelde rechters te onderwerpen. (IR. 86a, 101, 103, 1202, 135a; RBg. 104, 116v., 120, 143a, 16la.)
(3) De in het eerste lid bedoclde rechters spreken recht naar adatrecht; zij mogen geen straffen opleggen.
- Bij K.B. v. 3 Nov. 1866 No. 73 in 8. 67—10 is met wijziging van art. 4 een nadere regeling voor het forum privilegiatum voor I nd. vorsten en hoofden vastgesteld, thans als vervallen te beschouwen.
5, Niettegenstaande de weigering van het in bovenstaand art. vermelde verlof, zal de regterlijke vervolging van andere in de zaak betrokkene
rsonen worden voortgezet, tenzij de Gouverneur-Generaal, aan wien
oor den betrokken ambtenaar-van-het openbaar ministerie vooraf zal worden kennis ee van de-yoorgenomene vervolging, zich, met in- achtneming der bij art. 179 voorgeschreven vormen, tegen die vervolging mogt verzetten.
- Wanneer| personen, uit hoofde van hunnen landaard, stand of be- trekking, aan de regismagt vau onderling in rang verschillende regtban- ken of geregten, onderworpen, in ééne en dezelfde zaak betrokken zijn, staan zij, zoowel, in burgerlijke als in strafzaken, gezamenlijk voor de hoogste dier regterlijke autoriteiten te regt. (ISR. 131, 136; RO. 116k; AB. 12; Sv. 109.) . is
(Ing. S. 12~521.) Indien. achter in burgerlijke zaken een borg voor een in rang hoogeren rechter zou moeten verschijnen dan de hoofdschul- denaar, staan zij ieder voor zich térecht voor hun eigen rechter.
6a. (Ing. S. 24-449 jo. 499.) (1) De op het tijdstip, waarop het straf- geding aanvangt, bevoegde rechter verliest zijne bevoegdheid niet door veranderingen na dat tijdstip opgekomen in staat, ambtelijke of maat- schappelijke hoedanigheden van verdachte of beklaagde.
(2) Onder het tijdstip, waarop het strafgeding aanvangt, wordt voor de toepassing van dit art. verstaan het tijdstip, waarop de met de ver- volging belaste autoriteit op de wettelijk voorgeschreven wijze de zaak bij den rechter aanhangig maakt, met dien verstande dat, indien de be- reohting zonder dagvaarding of verwijzing geschiedt, uitsluitend het
ee dalccactpsont
en nders, of tusschen met dezen van gelijken landaard, gerezene burgerlijke derne gene ery patie
dienstige wetten of de zeden en oude herkomste ter beslissing staan van hunn AES Serkan bij ve during vadorworpes © priesters of hoofden, blijven daaraan bij voort” je uitvoering van de aldus gedane uitspraken kan, indie: iet vrijwillig geschiedt, niet anders plaats hebben dan langs den Sooner van en Chee erence eins edoan het pockets Inlandsche regterlijke collegie. e over de compete! ‚ be- doelde zaken, beslist de Gouverneur Generaal. ed
N.
RO.
st
RECHTERLIJKE ORGANISATIE, 3
tijdstip, waarop de behandeling der zaak ter terechtzitting aanvangt, in aanmerking komt.
- (Gew. S. 01-306 jo. 02-85, 14—317.) Wanneer Indonesiërs of met hen gelijkgestelde personen in burgerlijke of strafzaken in cersten aan- leg elders dan voor het landgerecht als verweerders of beklaagden be- trokken zijn, wonen,
voor zooveel Mohammedanen aangaat, de hoofdpanghoeloe of met gelijksoortige functie belaste persoon dan wel degene, die hem volgens aanwijzing van het gerecht of van den voorzitter der rechtbank vervangt,
en voor zooveel de overigen betreft, een of twee hoofden, en, bij ont- stentenis, een of twee geschikte personen van den landaard en godsdienst dier verweerders of beklaagden, door het gerecht of door den voorzitter der rechtbank aan te wijzen,
als adviseurs de terechtzitting bij en zal het gevoelen van zoodanige adviseurs worden ingewonnen ten aanzien van de ter zake betrekkelijke godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken, ten einde daarop bij het doen der, uitspraak worde gelet.
Deo regel, in het-vorige lid-gesteld,lijdt_uitzondering:
a. ten aanzien van verweerders of beklaagden, die den christelijken godsdienst. belijden ; ;
b. ten aanzien van verweerders in burgerlijke zaken, die met opzicht tot de aanhangige zaak aan het voor de Europeanen vastgestelde burger- lijk en handelsrecht zijn of zich vrijwillig hebben onderworpen ;
c. wanneer, ter beoordeeling van den rechter, geen aan. de vereischten voor adviseur voldoende persoon beschikbaar is ;
d. (Toeg. S. 34-558 jo. 587.) bij de summiere procedure in strafzaken voor de landraden, in welke gevaticn het bepaalde in de twee volgende leden mede buiten toepassing blijft.
De inhoud der uitgebrachte adviezen of het toepassen der uitzondering vermeld in het tweede lid wordt-in ‘het proces-verbaal der terechtzitting opgenomen. Tk
In het vonnis wordt vermeld dat dewdviseurs geraadpleegd zijn dan wel de grond, waarop zij bijttitzondering niet zijn geraadpleegd. (Sv. 166, 174; IR. 292, 1319 ; RBG 426182) mete tif
- (Gew. S. 1901-306 jo. 02-85.) De adviseurs, welke, krachtens het bepaalde bij hef voorgaande art, de teregtzittingen ‚bijwonen, zullen vooraf in handen van den regter den navolgenden eed afleggen :
, Uk beloof en weer de aan pgedragene werkzaamheden met ijver „en trouw te zullen. waarnemen ; dat ik al di “mij gedane vragen, „hetzij in geschrift, hetzij bij monde, opregt en maar mijn beste kennis „zal beantwoorden, en zonder. parti cid opgeven, wat de geschrevene „wet of van ouds gevestigdegewoonteis cnniets, dat niet met zoodanige „wet of gewoonte overeenkomstig is; dat ik mijn gevoelen, wanneer „mij dit door den regter wordt afgevraagd, naar waarheid en in alle „opregtheid zal uitbrengen, en dat ik geene gaven of geschenken heb aan- „genomen noch zal aannemen, die mij zijn of mogten worden aangebo- „den om mij hiervan te doen afwijken”. (S. 34—150*.) =
De bepaling van het voorgaande lid van dit art. is niet toepasselijk op de adviscurs die door of naar aanleiding van hunne betrekking zijn aan- gewezen en vóór het aanvaarden dier betrekking ambtelijk zijn beëedigd.
- (Gew. S. Ol—15, 201, 270; 14-317 ; 22-387 ; 31118.) De rech: terlijke ambtenaren mogen buiten hun eigen of eenige andere rech- terlijke betrekking geen ambt bekleeden en geen beroep uitoefenen, noch ook zijn zaakgelastigden, executeurs, voogden of curators van personen, die hun verder dan in den derden graad van bloed verwantschap of zwager- schap bestaan, alles tenzij de Gouverneur-Generaal om bijzondere rede- nen van dat verbod vrijstelling heeft verleend. (Ov. 69; RO. 37; Bw. 379; Rv. 34; Sv. 156; S. 04-199.)
De Gouverneur-Generaal kan, op voordragt van het hooggerechtshof, aan de substituut-griffiers tijdelijk opdragen de waarneming der functiën
4 RECHTERLIJKE ORGANISATIE,
van advocaat, procureur of notaris, ter plaatse waar het regterlijk collegie, waarbij zij behooren, gezeteld is. f
(Gew. S. 41—81 jo. 98.) De verbodsbepalingen van dit art. zijn niet toepasselijk op de leden der Indonesische rechtbanken, die geen rechts. kundigen zijn, zoomede niet in de gevallen, waarin aan een administratieve bediening de uitoefening van rechterlijke functiën wordt verbonden. (IR. 374; RBg. 702.)
- (Gew. S. 31-118.) De regterlijke ambtenaren zullen tevens mogen zijn leden van de commissiën van openbaar onderwijs en van alle andere bijzondere en openbare inrigtingen, wanneer die betrekkingen niet als eigenlijke ambten kunnen worden beschouwd. (ISR. 41.)
In geval van twijfel of eenige betrekking van laatstgenoemden aard met de regterlijke bestaanbaar zij, zal zulks door den Gouverneur-Generaal worden beslist. (Bb. 2035.)
- (Gew. S. 01-15, 273 ; 39-283.) Bloedverwanten of aanverwanten, tot den derden graad ingesloten, kunnen, zonder dispensatie van den Gouverneur-Generaal, niet tezamen zijn raadsheeren, regters, bijzitters als bedoeld invart--192, ambtenaren. van het openbaar ministerie of griffiers in, bij of van hetzelfde rechterlijke college of gerecht.
Indien de zwagerschap eerst mogt zijn ontstaan na de benoeming, zal degene, die dezelve heeft aangegaan, zijn ambt niet kunnen blijven be- houden, zonder vergunning van. den Gouverneur-Generaal. (ISR. 9; RO. 35; Bw. 290v.)
Deze bepalingen zijn niet toepasselijk op de substituut-griffiers.
- (ew. laatstel. S. 4l—31 jo. 98.) (1) De bepalingen van het voor- gaande art. zijn mede niet van toepassing op de leden der Indonesische rechtbanken, die geen rechtskundigen zijn.
(2) Nochtans zal bij het doen van aanbevelingen en benoemingen zooveel mogelijk op die bepalinger worden gelet.
- (Gew. IS, 01=15, 168, 273-17=555 jo. 18—171.) De|bij dit reglement genoemde rechterlijke ambtenaxen-en,rechters zullen, alvorens in bedie- ning te treden, den navolgenden eed. of belofte afleggen :
„Ik zweer (beloof) dat ils houwen getrouw zal zijn aan den Koning „en aan den Gouverneur-Generaal van Jndonesië als des Konings „vertegenwoordiger; dat ilk middellijk noch onmiddellijk, onder welken „naam of voorwendsel ook, tot het verkrijgen mijner aanstelling, aan „iemand, wie hij ook zij, iets beb gegeven of beloofd, noch zal geven of „beloven; dat ik nimmer eenige giften of geschonken zal aannemen of ontvangen van“cenigen persoon, welken ikweet of vermocd eenig „rechtsgeding of eenige zaal te hebbenvof té zullen krijgen, in welke „mijne ambtsverrichtingen-zouden kunnen te pas komen ; dat ik voorts „mijn post met eerlijkheid, näuwgezetheid en onzijdigheid, zonder aan- „zien van persoon, zal waarnemen en mij in de uitoefening mijner be- „„diening zal gedragen, zooals cen braaf en eerlijk rechterlijk ambtenaar „(rechter) betaamt”, (RO. 14; ISR. 1, 173; S. 34—159.)
Indien van twee rechterlijke bedieningen eene als bijkomende bedie; ning aan de andere verbonden is, wordt volstaan met den ambtseed bij de aanvaarding der bediening, waaraan de uitoefening der bijkomende bediening verknocht is.
Hetzelfde geldt in de bijzondere gevallen, dat aan een administratieve bediening de uitoefening van rechterlijke functiën wordt verbonden.
- De eed (belofte) wordt door de benoemden, die te Djakarta aan- wezig zijn, afgelegd in handen van den Gouverneur-Generaal, of van een ambtenaar door denzelven daartoe gemachtigd, en door hen, die zich elders bevinden, in handen van den (*) ambtenaar, met het hoogste admi- nistratief gezag bekleed ter plaatse, waar de benoemde zich moet vesti- gen. (ISR. llgv., 173; Ov. 103; Bb. 810, 1706.)
De substituut-griffiers leggen den eed (belofte) af in handen van den
@) L.p.v. ,,ambtenaar, .... bekleed” wordt in de gvtsl. v. Jav. Mad. gelezen * »gouverneur, den resident-afd.hoofd of den ‘ass_-res,” (8. 31-108 jo. 423.)
— an
BEOHTERLIJKE ORGANISATIE, 5
president, in een openbare terechtzitting van het college, waarbij zij zijn aangesteld. (RO. 13.)
14a. (Ing. S. 20-346, 508 ; gew. 25—72, 73.) (1) Behoudens het bepaalde in het tweede lid genieten gegradueerde rechterlijke ambtenaren (8) eene bezoldiging naar gelang van het door hen bekleede ambt in verband met hun voor de toekenning van weddeverhoogingen medetellenden diensttijd, volgens door den Gouverneur-Generaal te stellen regels.
(2) Ten aanzien van de gegradueerde rechterlijke ambtenaren (9), die een keuze-ambt als bedoeld in art. 16 bekleeden, is de Gouverneur- Generaal bevoegd te bepalen, hetzij dat zij eene vaste bezoldiging zullen genieten, hetzij dat hun bezoldiging in geen geval minder dan een bepaald minimum zal bedragen. (RO. 76a.)
14b. (Ing. S. 20-346, 508.) De rechterlijke ambten, welke niet be- hooren tot die, bedoeld in het tweede lid van het vorig art., worden door den Gouverneur-Generaal, na raadpleging van het Hooggerechtshof en den Raad van Indonesië, naar hunne belangrijkheid in groepen gerangschikt. (S. 20—508, ten tweede; RO. 76a.)
- (Gew. §. 05-37, 06—118, 20—346, 508.) (1) Gegradueerden (4) worden bij hunne benoeming tot een ambt bij de rechterlijke macht op de ranglijst van de gegradueerde rechterlijke ambtenaren geplaatst onmiddellijk na dengene, die van de tot een ambt derzelfde groep be- noemden het laagst op de ranglijst staat.
(2) Bij benoeming dadelijk tot een keuze-ambt wordt de benoemde gerangschikt onmiddellijk na dengene, die van de tot een keuze-ambt met gelijke bezoldiging of, indien een gelijke bezoldiging niet bestaat, met de dichtstbijkomende hoogere bezoldiging benoemden het laagst op de ranglijst staat.
(3) Zij die op denzelfden dag tot ambten derzelfde groep of tot gelijk bezoldigde keuze-ambten worden benoemd, worden gerangschikt naar het nummer der benoemingsbesluiten ;in-geval van benoeming bij één- zelfde besluit geschiedt de rangschikking-naar de volgorde, waarin zij in het besluit genoemd worden.
(4) Hij die ’s Lands dienst verlaat of een ander dan een rechterlijk ambt aanvaardt, wordt van de ranglijst geschrapt.
(5) (Ing. 8. 22—450 jo. 22-246.) Hij die bree van de aanvaarding van een ander dan een rechterlijk ambt zijn plaats op de ranglijst heeft verloren, neemt «zijne vroegere plaats weder in, wauneer hij zonder intusschen den openbaren dienst te hebben verlaten,’ wederom tot een rechterlijk ambt wordt benoemd.
(6) De ranglijst is openbaar. Bezwaren tegen de rangschikking kunnen slechts worden gemaakt op-grond-van-verkeorde toepassing of schending van dit art. en worden, op schriftelijk verzoek der belanghebbenden, door het Hooggerechtshof besliste{S. 05—37 art. M1; 15-369, jis 41—31, 98.)
(7) (Toeg. S. 30-82.) De Gouverneur-Generaal is bevoegd na raad- pleging van het Hooggerechtshof, in bijzondere gevallen, waarin de billijkheid dit eischt, met betrekking tot de plaatsing op de ranglijst van gegradueerde rechterlijke ambtenaren (#) van het bepaalde in dit art. af te wijken. (RO. 76a.)
(a) Bij S. 34—484 art. I Cis bepaald: Overal, waar in dit reglement (op de rechterlijke organisatie enz.) sprake is van „gegradueerde rechterlijke ambte- naren”, van „een gegradueerd rechterlijk ambtenaar”, van ‚niet gegra- dueerde Europeesche rechterlijke ambtenaren’, en van ,,gegradueerdon”’ wordt daaronder onderscheidenlijk verstaan : ,,de rechterlijke ambtenaren, die („een rechterlijk ambtenaar, die”, ,,de Europeesche rechterlijke ambte- naren die niet”, „zij, die’) aan een Nederlandsche Universiteit dan wel aan de Rechtshoogeschool te Batavia verworven hebben (heeft):
hetzij den graad van doctor in de rechtsgeleerdheid of in de rechtsweten- schap, hetzij de hoedanigheid van meester in de rechten, mits deze hoedanig- heid is verkregen op grond van het afleggon van eon examen in het Neder- landsch of Indonesisch burgerlijk- en handelsrecht, staatsrecht en strafrecht’. (Zie RO, 14a, 15, 16, 18, 20, 20a, 200.)
6 RECHTERLIJKE ORGANISATIE.
- (Gew. S.20—346, 508; 25—72, 13 ;26—114 jo. 3249 ; 4181 jo. 98.) Indien het ambt openvalt van vice-president, lid of griffier van het Hoog- gerechtshof, van president of vice-president van één der raden van justitie, van lid van één der raden van justitie op Java, van president van den krijgsraad te Tjimahi, van voorzitter van een der landraden te Djakarta, Bandoeng, Semarang of Soerabaja, van procureur-generaal of advocaat- generaal bij het Hooggerechtshof of van officier van justitie bij een der raden van justitie dan wel van officier van just. bij landraden, wordt in de vacature voorzien, òf door benoeming bij keuze uit de gegradueerde rechterlijke ambtenaren (8), met dien verstande dat. bij gelijke geschikt- heid voor het opengevallen ambt de ranglijst den doorslag geeft òf door benoeming buiten de ranglijst. (RO. 15.)
(2) (Gew. S. 23-174.) De benoeming van gegradueerde rechterlijke ambtenaren (4) tot ambten eener hooger gerangschikte groep geschiedt, behoudens de voorwaarde van geschiktheid voor het te vervullen ambt, naar de ranglijst. In het belang van den dienst kan, het Hooggerechtshof en den procureur-generaal gehoord, in bijzondere gevallen zoodanige benoeming geschi in afwijking van de ranglijst. (S. 05—37 art. IIL.)
16a. (Ing. 8. 25-72 jo. 73.) De presidenten van de raden van justitie op Java worden, van buitenlandach verlof in Indonesië teruggekeerd, met inachtneming van het tijdstip hunner terugkomst, en by gelijk- tijdigen terugkeer, met inachtneming van de dagteekening hunner oorspronkelijke benoeming tot dat ambt, bij de eerste vacature weder in hun vorigen rang benoemd, tenzij zij verklaren zoodanige herbenoeming niet te wenschen of reeds vóór het ontstaan der vacature met hunne toestemming in een andere betrekking mochten zijn aangesteld.
- (Gew. 8, 07-393 ; 20346, 508, 590.) (1) Wanneer eene plaats van vice-president van het Hooggerechtshof openvalt en geene herbe- noeming in vorigen rang krachtens de bepalingen van het Reglement op het beleid der Regeering van Indonesië moet plaats hebben, zenden de president, de procureur-generaalven “de andere vice-president tot hare vervulling eene met redenen omkleede aanbeveling aan den Gou- verneur-Generaal.
(2) (Gew. 9. 25-72 jo. 73.) Wanneer eene plaats van lid van het Hooggerechtshof of president van één der raden van justitie op Java openvalt en geen herbenoeming in vorigen rang krachtens de bepalingen van het Reglement op het beleid der Regeering van Indonesië of het voorgaand artikel\moet plaats hebben, zoomede/ wanneer eene plaats openvalt van president van een der raden van justitie buiten Java, van vice-president of lid. van een raad van justitie, dan wel van rechts- kundig voorzitter of vice-president eener Indonesische rechtbank, van rechtskundig residentierechter of-van landrechter, zenden de president, de procureur-generaal en de vice-presidenten van het Hooggerechtshof eene met redenen omkleede aanbeveling aan den Gouverneur-Generaal.
(3) Wanneer de plaats van procureur-generaal openvalt zendt de president van het Hooggerechtshof tot hare vervulling eene met redenen omkleede aanbeveling aan den Gouverneur-Generaal.
(4) De ambtenaar, die bij belet, afwezigheid of ontstentenis den
resident, den procureur-generaal of één der vice-presidenten van het
ooggerechtahof vervangt, neemt geen deel aan het opmaken der aanbe- veling voor de vervulling eener in het eerste of tweede lid bedoelde ase hooger bezoldigd dan de zijne. De ambtenaar, die den presi- dent vervangt, doet geen aanbeveling voor de vervulling der betrekking van procureur-generaal.
(5) Wanneer bij het openvallen der in het eerste en derde lid bedoelde plaatsen ingevolge het vierde lid geen aanbeveling kan worden gedaan, wordt zonder aanbeveling tot de benoeming overgegaan.
(6) De aanbevelingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden
(a) Zie noot RO. 14a.
RECHTERLIJKE ORGANISATIE. 1
opgemaakt bij volstrekte meerderheid van stemmen : wordt geen vol- strekte meerderheid verkregen, dan wordt de candidaat aanbevolen, die de meeste stemmen heeft verkregen ; bij staking van stemmen heeft de president een beslissende stem.
(7) (Gew. S. 4131 jo. 98.) Ten aanzien van eene openvallende plaats in het openbaar ministerie bij de Europeesche rechterlijke colleges of de krachtens het eerste lid van art. 93 a door den Gouv.-Gen. aangewezen landraden zendt de procureur-generaal, wanneer deze plaats door een gegradueerd rechterlijk ambtenaar moet worden vervuld, tot hare ver- vulling eene met redenen omkleede aanbeveling aan den Gouy.-Gen., behalve in de gevallen, dat aan een administratieve bediening de functie van magistraat bij den landraad is verbonden.
(8) Wanneer eene plaats van griffier van een Europeesch rechterlijk college openvalt, zendt de president van dat college tot hare vervulling een met redenen omkleede aanbeveling aan den Gouverneur-Generaal.
(9) Voor eene opengevallen plaats syorden ten minste twee personen aanbevolen.
(10) Do aanbevelingen worden ingediend door tusschenkomst van den directeur van justitie en, zoo er ingewonnen adviezen zijn, worden die daarbij overgelegd.
(11) De in art. 18 bedoelde, niet met bovordering gepaard gaande benoeming tot ecn ander rechterlijk ambt in het belang van ’s lands dienst, geschiedt niet dan op voorstel of na raadpleging van het Hoog- gerechtshof. (RO. 76a.) ay
18, (Gew. 8. 01-201, 270 ; 82-64 ; 336 jo. 33.) (1) De gegradueerde rechterlijke ambtenaren (#) met uitzondering van den president, de vice- president en de raadsheeren vari bet Hooggerechtshof van Indonesië worden eervol, uit hun ambt ontslagen ; ‘
a. wanneer zij den leeftijd van-G0-jaren hebben bereikt; -
- wanneer zij onder eurateele-zijn-gesteld ; /
c. bij gebleken ongeschiktheid-voorrhet- bekleede amb.
(2) (Ing. S. 82—64.) Zij kunnen na räadpleging van het Hooggerechts- hof eervol uit hun ambt worden ontslägen, wanneer zij den leeftijd van ~ 55 jaren hebben bereikt en het maximum aantal jaren, dat voor bere- kening van pensioen op den voet van het Ind. Burgerlijk Pensioens- reglement in aanmerking kan komen, in ’slands dienst zijn geweest en voor bevordering niet geschikt worden geacht
(3) Ook kunnen, zij eervol uit hun ambt ontslagen worden wegens geringe vergrijpen tegen de waardigheid van het“ambt en ambtelijke verzuimen, zoomede wegensvandere redenensvansstaatsbelang. (RO. 76a.)
(4) (Gew. S. 20-346, 508 >\82=64:) Buiten de in het eerste, tweede en derde lid van dit art. genöemde govallen kan alleen ontslag uit het ambt worden verleend op eigen verzoek. Ook benoeming tot een ander rechterlijk ambt, welke niet met bevordering gepaard gaat, geschiedt alleen op eigen verzoek dan wel in het belang van ’slands dienst (RO. 17.
(5) In eo gevallen, in het eerste lid, sub a, en in het tweede lid bedoeld, brengt het ontslag uit het ambt eervol ontslag uit ’s lands dienst mede. In de gevallen, in het eerste lid, sub b en e bedoeld, kan de uit het ambt ontslagene tevens eervol uit ’slands dienst ontslagen of op non-activiteit met wachtgeld gesteld worden. In het geval, bedoeld in het derde lid, wordt de uit het ambt ontslagene gelijktijdig tot een. ander — al dan niet rechterlijk — ambt benoemd of op non-activiteit met wachtgeld gesteld.
8 (6) In het geval in het eerste lid sub b bedoeld, wordt het ontslag uit ’s lands dienst, in het geval, in het eerste lid sub e bedoeld, wordt het ontslag uit het ambt en uit ’s lands dienst, in het geval, in het derde lid bedoeld, wordt het ontslag uit het ambt niet verleend dan op voorstel
(a) Zie noot RO, 14a,
8 RECHTERLIJKE ORGANISATIE,
of na raadpleging van het Hooggerechtshof, dat vooraf den betrokken ambtenaar in de gelegenheid stelt om zijne verdediging voor te dragen.
- (Gew. S. 20-346, 508.) (1) Onder bevordering wordt verstaan benoeming tot een in een hoogere groep gerangschikt ambt en benoeming tot een keuze-ambt, indien deze verhooging van bezoldiging voor den benoemde medebrengt.
(2) Geene bevordering vindt plaats van den ambtenaar :
1°. die buitenlandsch verlof geniet ;
2°. die verzocht heeft daarvoor niet in aanmerking te komen — z00- lang zonder bezwaar aan dat verzoek kan worden voldaan ;
3°. die op eigen verzoek buiten bezwaar van den Lande op non- activiteit is gesteld, en, voor bevordering in aanmerking komende, de non-activiteit wenscht te zien bestendigd — indien tegen de vervulling van dien wensch geen bezwaar bestaat ;
4°. aan wien met ontslag uit zijn ambt, in het belang van ’slands dienst werkzaamheden zijn opgedragen — zoolang die opdracht duurt.
- (Gew. S-01=201;-270-5-33—6-jo--33-)-(1)-De-gegraduecrde rechter- lijke ambtenaten met uitzondering van den president, den vice-president en de raadsheeren van het Hooggerechtshof van Indonesié kunnen op voorstel of na raadpleging van het Hooggerechtshof, dat den betrokken ambtenaar vooraf in de gelegenheid stelt om zijn verdediging schriftelijk voor te dragen, slechts uit runvambt-worden ontzet ;
a. (Gew. S, 17—497.) wanneer zij wegens misdrijf of wegens overtreding van de bepalingen betreffende ’s lands middelen en pachten tot hechtenis of tot een zwaardere straf zijn veroordeeld ;
b. (Gew. 8. 87-590.) wanneer zij in staat van faillissoment zijn ver- klaard, surséance van betaling. hebben verkregen of wegens schulden zijn gegijzeld ;
c. wegens, wangedrag of onzedelijkheid of bij voortdurende achte- loosheid in de waarneming van hun ambt ; ae rhe overtreding der-yerbodsbepalmgen van de artt. 9, 21,
of 41.
(2) Overtreding van de bepalingon-onder.d vermeld, kan alleen grond tot ontzetting oploveren, wanneer de overtreder reeds voor gelijke over- treding is gewaarschuwd.
(3) In de gevallen, sub a, 6 en c bedoeld, brengt/ontzetting uit het ambt ontslag uit ’slands dienst mede; in de gevallen, sub d bedoeld, kan, op voorstel, of na raadpleging van het BEA aercehtehof, ontslag uit ’slands dienst,…al dan niet eervol, daaraan worden verbonden.
20a. (Ing. S. O1=201,-2707 331 jo. 83e) (1) Wanneer tegen een (2) gegraducerd rechterlijk “ambtenaar — met uitzondering van den president, den vice-president en,de raadsheeren van het Hooggerechtshof van Judonesië — hetzij een bevel tot gevangenneming of gevaiigen- houding, hetzij machtiging tot opneming in cen huis van bewaring of geneeskundig gesticht voor krankzinnigen is verleend of op hem. lijfs- dwang is ten uitvoer gelegd, wordt hij daardoor in zijn ambt geschorst. _ (2) Wanneer tegen een ambtenaar, als bedoeld in het vorige lid, rechts- ingang zonder bevel van gevangenneming of gevangenhouding is ver- leend, of uit een administratief onderzoek, ingesteld wegens een der redenen, bedoeld in art. 18, eerste lid sub c, en 20, gewichtige bezwaren. zijn gebleken, kan de Gouvernour-Generaal, na raadpleging van den president van het Hooggerechtshof, hem in zijn ambt schorsen.
(3) De schorsing wordt door den Gouverneur-Generaal niet opge- heven dan na gaadpleging van den president van het Hooggerechtshof.
(De schorsing brengt mede dat de betrokkene op wachtgeld wordt gesteld.
(5) Heeft de schorsing plaats gehad wegens eene strafrechterlijke vervolging, welke niet tot veroordeeling tot straf heeft geleid of naar
(a) Zie noot RO, 14a,
|
OO EE O_O
REOHTERLIJKE ORGANISATIE. 9
N. aanleiding van een administratief onderzoek, dat noch tot ontslag,
RO. noch tot ontzetting uit het ambt heeft geleid, dan wordt den ambtenaar uitbetaald het verschil tusschen het sedert die schorsing genoten wacht- geld en hetgeen hij zonder die schorsing als activiteitstractement zou hebben genoten.
20b. (Ing. S. 01-201, 270; gew. 17497; 37-590; 41—31, 98.) (1) De niet gegradueerde rechterlijke ambtenaren (a) kunnen wegens veroordeeling ter zake van misdrijf of van overtreding van de bepalingen betreffende *slands middelen en pachten tot hechtenis of tot eene zwaardere straf, of wanneer zij in staat van faillissement zijn verklaard, surséance van betaling hebben verkregen, dan wel wegens schulden zijn gegijzeld of wegens wangedrag of onzedelijkheid, of bij voort- durende achteloosheid in de waarneming hunner bediening niet uit hun ambt worden ontzet dan op voordracht of na raadpleging van het Hooggerechtshof en nadat zij door dit college in de gelegenheid zijn gesteld om hunne verdediging voor te dragen.
(2) (Gew. S, 26-236. jo 296.)-Zij-kunnen-wegens-dezelfde redenen of wegens een eeen vermoeden, dat zij een strafbaar feit, ala bedoeld in het eerste lid van dit art., gepleegd hebben, niet in hun ambt worden geschorst dan op voordracht of na raadpleging van het Hooggerechtshof en nadat zij door dit College in do peleventeid zijn gesteld om hunne verdediging voor te dragen.
(3) (Toeg. S. 26-236 jo. 296.) Indien het belang van den dienst dringend eene voorziening eischt, kan een ingevolge het vorige lid geschorste ambtenaar uit zijn ambt worden ontslagen, met bepaling, dat naar aanleiding van den uitslag van de strafrochterlijke vervolging of het administratief onderzoek, ‘op woordracht of na raadpleging van het Hooggerechtshof nader zal worden beslist, of dit ontslag moet worden. aangemerkt als eene ontzetting uit het ambt dan wel als een eervol verleend ontslag. Wordt beslist, dat het ontslag moet worden aangemerkt als te zijn verleend eervol,-dau wordt den ambtenaar uitbe- taald, hetgeen hij zou hebben genoten, indien dat ontslag niet in de plaats van de schorsing ware getreden.
14 20¢. (Ing. S. 01-201, 270.) (1) De presidenten van de Europeesche rechterlijke colleges zijn bevoegd om aan de vice-presidenten, leden, griffiers en substituut-griffiers van het college, die de waardigheid van hun ambt verwaarloozen of zich schuldig maken aan achteloosheid in de waarneming van het ambt of aan greep der verbodsbepalingen van de artt. 9, 21, 37 of 41, na hen to hebben gehoord, de noodige schrif. telijke waarschuwing te geven, De presidenten der raden van justitie doen ten spoedigste ecn afschrift daarvan-toekomen aan den president van het Hooggerechtshof, bij wien, binnen veertien dagen na nitreiking der waarschuwing door den griffier van den raad van justitie, in beroep kan worden gekomen. De bekrachtiging of tenietdoening wordt den betrokken ambtenaar en den president van den raad van justitie bij griffiersmissive medegedeeld. 5
(2) (Gew. S. 14—317 ; 41—31 jo. 98.) Gelijke bevoegdheid tot schrifte- lijke waarschuwing heeft de prooureur-generaal ten aanzien van de ambtenaren van het openbaar ministerie bij de Europeesche rechterlijke oolleges en de krachtens het eerste lid van art. 93 a door den Gouv.-Gen. aangewezen landraden en de president van het Hooggerechtshof ten aanzien van de presidenten der raden van justitie, van de rechtskundige voorzitters der Indonesische rechtbanken, van de rechtskundige residen- tierechters en van de landrechters,
(3) De waarschuwingen, door den procureur-generaal gedaan, worden door hem, de overige waarschuwingen door den griffier van het Hoog- gerechtshof in een daartoe bestemd register eteekend. In dit register worden mede aangeteekend de schorsingen en de, ingevolge besluit van de vergadering van president, vice-presidenten van- en „procureur-
| generaal bij het Hooggerechtshof, daartoe aangewezen ernstige tereoht-
10 RECHTERLIJKE ORGANISATIE,
wijzingen, welke een van ’s hofs kamers of een in revisie rechtsprekende raad van justitie aan rechterlijke ambtenaren doet toekomen.
- (Gew. S. 01-15, 273 ; 14-317 ; 20-683; 37—572.) (1) De rechterlijke ambtenaren hebben hun vast en voortdurend verblijf binnen vijf paal van de plaats, waar het gebouw, voor de terechtzittingen bestemd, gelegen is, en, voor zoover zij aan meer dan één college of gerecht verbonden zijn, ter plaatse, door den Gouverneur-Generaal aan te wijzen binnen denzelfden afstand van het gebouw.
(2) De landrechters en hunne fiscaal-griffiers moeten hunne woon- plaats vestigen op zóódanige plaats binnen hun ressort, als door den Gouverneur-Generaal zal worden aangewezen. (*)
(3) De president van het Hooggerechtshof is in bijzondere gevallen bevoegd om aan de in dit art. bedoelde ambtenaren te vergunnen buiten de hun daarin aangewezen grens te wonen.
(4) (P'oeg. 8. 41—31 jo. 98.) Het bepaalde in lid (1) is niet van toe- passing op de leden der Indonesische rechtbanken, die geen rechtskun- digen zijn, zoomede nietin de gevallen, dat aan eon administratieve be- diening de uitoefening van rechterlijke functiën wordt verbonden.
- (Gew. 8. 01-15, 273; 14-317.) (1) Ieder rechterlijke ambtenaar kan, ook zonder daartoe bekomen verlof, zieh van zijn vast en voort- durend verblijf, of, voor zooveel betreft den landrechter en den fiscaal- griffier, buiten: zijn ressort, verwijderen, mits, en dat zelfs in den tijd der vacantiën, niet langer dan drie dagen.
(2) (Gew. 9. 2U—846 ; 42-546 ; 41—31 jo. 98.) Verloven van ten hoogste drie maanden, de verlengingen inbegrepen en met uitzondering van de zoogenaamde korte verloven naar plaatsen buiten Indonesië gelegen, worden verleend: (?) ;
door de hoofden van gewestelijk ‘bestuur aan de hoofddjaksa’s en djaksa’s ; (in de buitengew. door de residenten, S. 38—370, 264* bl. 232.)
door den procureur-generaal aan de gegradueerde rechterlijke ambte- naren, werkzaam bij de parketten en-het hoofdparket ;
door de officieren van justitie bij landraden aan de ongegradueerde ambtenaren, werkzaam. bij hun-parket en bij de parketten van de land- raden in hun ressort ; \
door de presidenten van rechterlijke colleges en door de alleen recht- sprekende rechters aan alle andere in of bij hun college of gerecht werk- zame rechterlijke «ambtenaren ; “ ff
door den president van het Hooggerechtshof aan de presidenten van rechterlijke colleges en.aan de alleen rechtsprekende rechters.
(3) (Gew. S. 23-175.) Alle-andere verloven worden door of namens den Gouverneur-Generaal verleend.
(4) De rechterlijke ambtenaren, die gebruik maken van de hun bij het eerste lid verleende bevoegdheid, blijven aansprakelijk voor de nadeelen, die uit hunne afwezigheid voor den dienst der Justitie mochten voort- vloeien.
(Gew. S. 01-15, 273.) De bepalingen van art. 22 zijn niet toepas- gelijk op de rechterlijke ambtenaren die als zoodanig of uit anderen hoofde geene vaste bezoldiging van den lande genieten, noch op degenen, die eene administratieve bediening bekleeden, waaraan de uitoefening van rechterlijke functiën wordt verbonden. Zij moeten echter steeds van hun voornemen om zich te verwijderen intijds kennis geven aan den voor- zitter van het college, waartoe zij behooren of aan den rechter, bij wien zij fungeeren.
Bij het Hooggeregtshof en de raden van justitie zijn jaarlijks vaste vacantién, de ééne aanvangende met den laatsten Zaterdag vóór Kerst- mis en eindigende met den tweeden Maandag in Januari, de andere be-
() Bij S, 22-511 Is bepaald, dat de landrechters en hunne fiscaal-griffiers pane woonplaats moeten hebben ter plaatse, waar het nageseont geven:
ie, *) Kort verlof naar plaatsen buiten Indonesië, S. 10—643 jo. 32—547.
17
N, RO. 15
16
u
DE ES
RECHTERLIJKE ORGANISATIE. 11
N. _ginnende met den eersten Zaterdag in Juli en eindigende met den twee-
RO. den Maandag in Augustus; voorts nog van Paschen en Pinksteren tot op en met den eersten na die feesten volgenden Woensdag.
18 25. Er zullen gedurende de vacantiën tenminste drie leden van de raden van justitie in dienst blijven, ten einde de zaken, die spoed ver-
R. eischen of de werkzaamheden, welke door commissarissen te verrigten
I.D. zijn en geen uitstel kunnen lijden,-af te doen.
11 Van de leden van het Hooggeregtshof mogen, zelfs in den tijd der vacan- tiën, niet meer dan twee gelijktijdig met verlof afwezig zijn.
Voor de behandeling van strafzaken heeft geene vacantie plaats.
- De verschillende regterlijke collegiën houden zitting in de hoofd- plaats van hun regtsgebied.
De Gouverneur-Generaal is bevoegd om, wanneer gewigtige redenen het noodzakelijk doen voorkomen, tot de behandeling en afdoening eener bijzondere zaak, de zittingen van het Hooggeregtshof, of van eenig ander regterlijk collegie, op eene andere plaats van deszelfs regtsgebied te doen houden, de magtiging-daartoe,op-voordragtrof narraadpleging van het Hooggeregtshof, te verleenen. (RO. 90.)
N. 27. Er wordt alom in Indonesië regu gesproken im naam en van wege
RO. den Koning. (G. 156; ISR. 130; Rv. 435; Sv. 416 ; Ldg. 81 ; IR. 382;
21 RBg. 710; 8. 91-188.) | ‘
- De vonnissen van het Hooggeregtshof worden arresten genoemd. | (Gew. S. 01—124, 269.) De arresten en vonnissen, gewezen met een | ander, of, waar geen vast getal is aangegeven, met een minder getal | rechters, dan in dit reglement is bepaald, zijn nictig. _
(Gew. S. Ol 124, 269.) Telkens wanneer een vast getal rechters wordt
aangegeven, is de voorzitter, of die,dezen vervangt, daaronder begrepen. (RO. 92, 121, 154; Rv. 61.) „
20 29. In alle zoowel burgerlijke als strafzaken wordt het regtsgeding, op de teregtzittingen, in het openbear—gehouden, tenzij bij de wettelijke bepalingen anders mogt zijn—vastgesteld, of de regter, om gewigtige redenen in het proces-verbaal of de notulen der zitting te vermelden, mogt bevelen, dat de teregtzitting-geheelof gedeeltelijk met geslotene deuren zal plaats hebben. (G. 1685 ISRV 146; RO7 31 ; Ry. 22; Sv. 126, 266.)
Met uitzondering der beslissingen in revisie van strafzaken en der beschikkingen op eenvoudige verzoekschriften, worden/alle arresten en vonnissen door den regter in het openbaar uitgesproken. (Bw. 43; Rv. 64, 209, 837 ; Sv.133, 323 ; IR. 179, 317 ; RBg. 190, 616.)
203 80. Alle arresteren vonnissen moeten, de grondén inhouden waarop zij berusten, en daarenboyen in strafzaken het misdrijf of de overtreding
| uitdrukken. ~~ Lip J
| In de arresten en vonnissen, die op stellige wettelijke bepalingen zijn
| gegrond, moeten deze vermeld ‘worden. (G. 168; ISR. 146; RO. 31; IR. 184, 319; RBg. 195, 618.)
- (Gew. S. 19-10; 20—498.) De bepalingen van de beide vóór-
gaande artikelen moeten op strafie van nietigheid worden in acat geno- | men. Echter beeft niet-nakoming van de voorschriften van art. 30 in een | aan revisie onderworpen vonnis geen nietigheid tengevolge en zijn deze voorschriften niet verbindende voor de Indonesische gerechten en Indonesi- ache rechtbanken, welke door een niet rechtskundigen ambtenaar worden voorgezeten. (ISR. 146 ; Bb. 1006.) : . ws 22 82. Alle regterlijke collegiën zijn verpligt om berigt, consideratién en advijs te geven, wanneer zulks door of van wege den Gouverneur- Generaal wordt gevraagd. (Bw. 274 ; S. 1833 —53 ; 1862—3.) - i Indien nogtans de zaak, waaromtrent berigt, consideratién en advijs zijn gevraagd, bereids aan de daartoe aangezochte regterlijke autoriteit ter beslissing is onderworpen, of het te voorzien is dat zulks zal geschie- den, kan die autoriteit volstaan met het geven van eenvoudig berigt. (RO. 33, 56, 157; Rv. 35-4°.) : 5 25 83. De regterlijke collegién en ambtenaren zijn onderling verpligt aan
12 RECHTERLIJKE ORGANISATIE.
letteren-requisitoriaal, ten dienste der justitie, wettig gevolg te geven. (RO. 32, 157 ; Bw. 1944; Rv. 173, 204, 233 ; Sv. 57v.; IR. 143; RBg. 170.)
34, In alle gevallen, waarin de wettelijke bepalingen de benoeming van raadsheeren- of regters-commissarissen of rapporteurs vorderen, en geene andere wijze van benoeming voorschrijven, geschiedt deze door den president.
De presidenten zijn buitendien bevoegd om, telkens wanneer zij dit dienstig oordeelen, een rapporteur te benoemen.
- Geen lid van eenig regterlijk collegie zal tot commissaris of tot rapporteur worden benoemd in eene zaak, in welke een zijner bloedver- wanten of aanverwanten, tot den derden graad ingesloten, als advocaat of procureur werkzaam is of geweest is. (Bw. 290v. ; Rv. 35 ; Sv. 268-1°.)
36, De gevallen, waarin regterlijke ambtenaren kunnen gewraakt wor- den of zich mogen verschoonen, worden geregeld bij de wettelijke bepa- lingen op de burgerlijke regtspleging en op de strafvordering. (RO. 44; Rv. 35v.; Sv.268v.;.Ldg..74; IR. 374; RBg. 702.)
- (Gew. Si 01=201; 270:)-Geen rechter. mag in.een geschil, dat voor hem aanhangig is, of waarvan hij redelijker wijze moest vermoeden, dat het voor hem aanhangig kan worden, rechtstreeks of zijdelings, aan par- tijen of hare advokaten of procureurs raad geven of hulp bieden, tenzij hem dit bij algemeene verordening is opgedragen. (Bw. 1468; Rv. 34v.)
Deze bepaling is mede toepasselijk op de ambtenaren van het openbaar ministerie, mitsgaders op de griffiers en de substituut-griffiers, met be- trekking tot alle zaken, waarin zij ambtshalve werkzaam moeten of kun- nen zijn. (RO. 55, 63; Rv. 322.)
- De leden der regterlijke collegiën, die met personele commissiën zijn belast, zorgen dat zij de daaruit voortvloeijende werkzaamheden op zoodanigen tijd verrigten, dat daardoor in de afdoening van de bij het collegie aanhangige zaken geene verhindering of vertraging worde ver- oorzaakt. :
39, (Gew. S. 01-201, 270.) Imalle bij de rechterlijke colleges behandeld wordende zaken doet de president hoofdelijk omvraag, beginnende met den commissaris of rapporteurjen-vervolgens aan de verdere leden, van den jongste als lid van het college tot den oudste; de president brengt het laatst zijn advies uit. Ieder lid is verplicht om zijn gevoelen met redenen te omkleeden. 4
(Ing. S. 39-288.) In het geval bedoeld in art. 192 wordt de omvraag begonnen met de twee bijzitters yan den jongste af.
Ter bepaling van den ouderdom van het lidmaatschap van Europeesche rechterlijke colleges wordt de vroegere diensttijd in denzelfden of in een hoogeren rang medegeteld"bij dien sedert de laatste benoeming verstreken.
Voor zooveel de Indonesische-rechtbanken betreft, wier leden tot de Indonesische of daarmede gelijkgestelde bevolking behooren, wordt de zaak bij de beraadslaging in omvraag gebracht naar de volgorde van den rang der leden. Daartoe begint de president met het lid hetwelk den laagsten, en eindigt met dat hetwelk den hoogsten rang bekleedt. Bij gelijkheid in rang wordt degene, die het laatst tot het door hem bekleede ambt is benoemd, als laagste in rang beschouwd; in geval van twijfel of onzekerheid omtrent den rang beslist de president.
(Gew.S.07—20ó art. 8 jo. 19-816.) Bij Indonesische rechtbanken, waarin deels Europeanen, deels Indonesiërs of met hen gelijkgestelden als lid zit- ting hebben, wordt eerst door laatstgenoemden, met inachtneming van het derde lid, en daarna door eerstgenoemden, overeenkomstig het eerste lid advies uitgebracht.
Een afwezend lid kan zijn advies noch door een zijner medeleden doen voordragen, noch het schriftelijk indienen, tenzij hij, commissaris of rapporteur zijnde, wegens wettige redenen verhinderd wordt om de beraadslagingen bij te wonen. In dat geval wordt zijn rapport of advies voorgelezen, maar niet bij het opnemen der stemmen of het opmaken van het besluit medegerekend.
R, LD, 34
OT ren eenn
RECHTERLIJKE ORGANISATIE. 13
N. 40, Het besluit wordt opgemaakt bij volstrekte meerderheid van
RO. stemmen, en bij staking van stemmen :
27 in burgerlijke zaken, in eersten aanleg, ten voordeele van den verweer- der; en in hooger beroep, revisie of cassatio, ter bekrachtiging van de beklaagde uitspraak ; (Pr. 117v., 457.)
101 in strafzaken, steeds ten behoeve van den beklaagde.
28 41, (Gew. S. 01-201, 270.) De rechterlijke ambtenaren zijn verplicht het geheim te bewaren omtrent de gevoelens, die in raadkamer ten aan- zien van aldaar behandelde zaken zijn geuit. (Sw. 322.)
Deze bepaling is mede van toepassing op de door de regterlijke colle- giën te raadplegen advijseurs, voor zoover deze, ingevolge de wettelijke bepalingen op de burgerlijke regtspleging en op de strafvordering, bij de beraadslaging en de stemming kunnen tegenwoordig zijn. (RO. 7.)
42, Buiten de gevallen, waarin de wettelijke bepalingen zulks uitdruk- kelijk voorschrijven, is het den regters niet geoorloofd bij de notulen der vergadering aanteekening te doen houden van het gevoelen, door hen vóór of tegen eens beslissing, van welken aard ook en Over welk onder- werp ook, geuit, doch het staat hun vrij hun advijs schriftelijk ter ver- gadering over te leggen, om door den griffier in een daartoe afzonderlijk aan te leggen geheim register te worden opgenomen.
43, Alle erresten en vonnissen in strafzaken moeten door al de regters die over de zaak gezeten hebben, mitsgaders door den griffier, worden onderteekend. (Sv. 174-7°; IR. 319-1-6°, 320°; RBg. 618-1-6°, 620.)
De overige uitspraken en beschikkingen, notulen en processen-verbaal van teregtzittingen, worden onderteekend door den president. of het lid hetwelk dezen vervangt en den griffier. De van het collegie uitgaande dienstbrieven, berigten, advijzen-en rapporten worden door den president of het hem vervangende lid en, „„ter ordonnantie van het collegie’’, door den griffier onderteekend. (Bb. 1006.) A k
44, Buiten de bij de wettelijke bepalingen uitdrukkelijk voorziene gevallen, mag geen lid van -een-regterlijk-collegie zich verschoonen of uit- gesloten worden van de kennisneming van eenige zaak, of het deelnemen aan eenigerhande beraadslaging, noch een ambtenaar van hot openbaar
R. ministerie zieh onthouden of uitgesloten worden van de uitoefening
LD. zijner functiën. (RO. 36; Rv. 35, 37; Sv. 268v.; IR. 374; RBg. 702.)
27, 45. De regterlijke collegién en geregten bepalen vaste dagen voor hunne
29 gewone teregtzittingen en vergaderingen; zij houden daarenboven 200 vele buitengewone zittingen en vergaderingen als de dienst der justitie zal vereischen. De dagen en uren der gewone teregtzittingen worden, voor zooveel de europeescho regterlijke collegiën betreft, bekend ge- maakt door aanplakking.in degehoorzaalen door aankondiging in het officieel nieuwsblad. (Ov. 106; IR. 84, 100.)
De daarin te maken veranderingen moeten, twee maanden vóór dat zij in werking worden gebragt, op dezelfde wijze worden bekend ge- maakt. (RO. 91.) 5 x My
26, 46. De presidenten der onderscheidene regterlijke collegién zijn belast
48, met de handhaving der orde bij de teregtzittingen en vergaderingen en
49 met de leiding der beraadslagingen. De vonnissen worden door hen uit- gesproken. (Rv. 22, 29, 61 ; Sv. 126, 161, 254, 257a ; Ldg. 73; IR. 179, 263v., 271, 317, 372; RBg. 700.)
Zij hebben de bevoegdheid om, tenzij het eene zaak gelde voor welker be- handeling een head getal regters is aangewezen, te gelasten, dat alde leden ter vergadering tegenwoordig zijn. (RO. 121, 154; Sv. 68, 102, 114.)
39 47. De presidenten bepalen de orde, waarin de zaken zullen worden behandeld, daarbij zorgende, dat die welke spoed vereischen, en inzonder- heid de strafzaken, het eerst worden afgedaan, en in het algemeen, dat aan ieder onvertogen regt geschiede. (Rv. 296.) ns f
61 48. In zaken, waarin de stukken, volgens de wettelijke bepalingen, ter griffie moeten worden opgezonden of nedergelegd, bepaalt de president (voor zooveel noodig) den tijd, gedurende welken zoowel de raadsheeren
14 RECHTERLIJKE ORGANISATIE.
ofregters, als de ambtenaren van het openbaar ministerie en de practizijns, daarvan inzage kunnen nemen. (Rv. 140, 154.) É
49, Alle brieven en andere stukken, aan de regterlijke collegién gerigt, worden door den president ontvangen en geopend, en, in de eerste ver- gadering, aan het collegie, of de betrokkene commissarissen medegedeeld of ter hand gesteld. :
De aan de regterlijke collegién gerigte verzoekschriften worden door partijen of van harentwege ingeleverd bij den president, of wel ter griffie, om van daar ten spoedigste aan den president te worden bezorgd.
(Gew. S. 01-201, 270.) De presidenten der verschillende rechterlijke colleges zijn in het bijzonder belast met het houden van een nauwkeurig toezicht op de handelingen der griffiers en substituut-griffiers. Zij kunnen aan de griffiers en substituut-griffiers en aan de verdere ondergeschikte ambtenaren aangaande den dienst zoodanige bevelen geven, als zij ver- meenen te behooren.
(Gew. S. 01-201, 270 ; 02-183 ; 05-470, 580 ; 09-209; 20-346, 590 ; 33—6 jo. 83:)Ingeval-van belet;afwezigheid of-ontstentenis wordt de president van hét Hooggerechtshof vervangen door den vice-president en bij belet, afwezigheid of ontstentenis van dezen wordt het voorzitterschap waargenomen door het oudste lid als zoodanig;
(Gew. S. 336 jo. 33.) Ingeval van belet, afwezigheid of ontstentenis wordt de vice-president van het” Hooggerechtshof vervangen door het oudste lid als zoodanig der door hem voorgezeten kamer.
(Gew. S. 26-197, 198 ; 37—631.)-In geval van belet, afwezigheid of ontstentenis, wordt de president van den raad van justitie vervangen door den vice-president of, zoo er meer vice-presidenten zijn, door een van hen, naar volgorde van ouderdom als zoodanig ; indien door belet, afwezigheid of ontstentenis geen vice-president kan optreden, wordt het voorzitterschap waargenomen door het oudste lid als zoodanig, alles tenzij de Gouverneur-Generaal het noodig acht in de waarneming van het voor- zitterschap op andere wijze te-yoorzien,
De presidenten der Europeesche rechterlijke colleges kunnen aan de vice-presidenten bepaalde „gedeelten hunner werkzaamheden opdragen en, wanneer het belang van den dienst zulks vordert, hun gelasten als lid zitting te nemen. ; S be
(Gew. S. 01-201, 270; 09—209;20—346, 590.) Ter/bepaling van den ouderdom als vice-president of als lid van een Europeesch rechterlijk college of van één zijner kamers, wordt de vroegere diensttijd, in denzelf- den of in een hoogeren rang, medegeteld bij dien sedert de jongste benoe- ming verstreken.
(Gew. laatstel. S. 41—81 jo. 98:) (1) Het openbaar ministerie bij de Europeesche rechterlijke colleges-en bij de krachtens het eerste lid van art. 93 a door den Gouv.-Gen. aangewezen landraden wordt uitgeoefend :
bij het hooggerechtshof:
door den procureur-generaal, of namens dezen door substituten, den titel voerende van advocaat-generaal ;
- bij de raden van justitie:
a. zoowel bij de meervoudige, als bij de enkelvoudige kamers (politie- rechters) door officieren van justitie bij die raden, of namens hen zoowel door substituut-officieren, voor zoover die hun zijn toegevoegd, als door buitengewone officieren van justitie en substituut-buitengewone officieren van justitie, „welke laatste functies ambtshalve zullen worden bekleed door de officieren van justitie bij landraden binnen het ressort van den betrokken raad en de gegradueerde substituut-officieren, voor zoover die hun zijn toegevoegd ; 3
b. uitsluitend bij de enkelvoudige kamers (politierechters) door ambte-
— naren van het openbaar ministerie bij die kamers (politierechters) ;
- bij de krachtens het eerste lid van art. 93 a door den Gouv.-Gen. aangewezen landraden :
a. door de officieren van justitie bij landraden, of namens hen door substituut-officieren, voor zoover die hun zijn toegevoegd;
14
N.
enen
RECHTERLIJKE ORGANISATIE. 15
b. door de magistraten bij die raden, of namens hen door adjunct- magistraten, voor zoover die hun zijn toegevoegd.
(2) Wanneer in het algemeen wordt gesproken van „„openbaar ministerie bij de raden van justitie” of „ambtenaren van het openbaar ministerie bij de raden van justitie” zijn daaronder niet begrepen de ambtenaren, uitsluitend met het openbaar ministerie bij de enkelvoudige kamers (politierechters) belast, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald. (RO. 60. 62.)
- (Gew. S. 64—52.) Het openbaar ministerie is bijzonderlijk belast met de handhaving der wettelijke bepalingen en der besluiten van het openbaar gezag; met de vervolging van alle misdrijven en overtredingen en met het doen uitvoeren van alle strafvonnissen. (RO. 37, 62, 70, L16octies, 131d, 134, 137, 144, 168, 170, 179v., 182 ; Bw. 65, 86v., 381, 435, 439, 442, 445, 457; Rv. 319, 32lv.; Sv. lv., 9v., 2lv., 27v., 40a v., 338; RBg. 518v.; S. 64—52 jo. 08—522* bij Rv. 318 ; Bb. 1884, 2240, 2414, 2702.)
56, (1) De ambtenaren van het openbaar ministerie zijn verplicht om de bevelen na.te-komen,.welke.hun,.in-hunne.ambtsbetrekking, door of van wege den Gouverneur-Generaal zullen worden’gegeven. (RO. 5,179v.)
(2) Zij zijn tevens gehouden, om, desgevorderd, den Gouverneur-Gene- raal en de collegiën, bij welke zij geplaatst zijn, met allen spoed te dienen van bericht, consideratién en advies. (RO. 5, 32.)
De ambtenaren van het openbaar ministerie zijn, behoudens het bepaalde bij de eerste zinsnede van het voorgaande art, verplicht om gevolg te geven aande bij hen inkomende klachten betrekkelijk misdrij- ven en overtredingen ; onverminderd hunne verplichting om ambtshalve te handelen, wanneer daartoe gronden bestaan. (RO. 179 ; Sv. 6, Ov.)
Ingetr. bij Si 74-149 (voor Java en Mad.) en 22—522,* bl. 359.
De ambtenaren van het openbaar ministerie or geen ander aandeel of voordeel van eenige cóufiscátiën, boeten of breuken, dan bij de wettelijke bepalingen is vastgesteld en-hun bij regterlijk gewijsde of bij, ten overstaan van den regter-geslotene, transactie zal zijn toegekend. Zij mogen in geen geval tot het sluiten vân‘zoodanige transactie overgaan, zonder daartoe door het bevoegd administratief gezag gemagtigd te zijn, noch gedoogen, dat zulks door-hunnevondergeschikten geschiede ; alles op verbeurte van hunne ambten en onverminderd de vervolging tot straf, wanneer daartóc termen bestaan. (
(Gew. S. 20-786, 787.) De procureur-generaal en de advocaten- generaal genieten: in geen geval eenig aandeelof voordeel van confiscatién, boeten of breuken. ~~ : : / 4 és
- De ambtenaren. van het openbaar ministerie mogen niet bij de beraadslagingen der regterlijke collegién in ‘raadkamer tegenwoordig zijn.
Zij kunnen daarentegen alle teregtzittingen, zoo openbare als mot gesloten deuren, bijwonen, en zijn daartoe verpligt, wanneer er zaken behandeld worden, waarin zij volgens de wettelijke bepalingen moeten worden gehoord, of waarin zij ambtshalve als partij optreden. (RO. 55; Ry. 319, 322; Sv. 171; IR. 292, 317, 323, 348v.; RBg. 611, 636.) |
(Gew. 8. 41—31 jo. 98.) De procureur-generaal, de officieren van justitie bij de raden van justitie en de officieren van justitie bij landraden zijn bevoegd om den dienst bij de terechtzittingen door hunne substituten te doen waarnemen. Gelijke bevoegdheid hebben de magistraten bij de landraden ten aanzien van hunne adjuncten. (RO. 54.)
- (Gew. S. 41—31 jo. 98.) (1) Behoudens het bepaalde in het volgende lid, wordt in geval van afwezigheid, belet of ontstentenis van den procu- reur-generaal de dienst waargenomen door de advocaten-generaal en bij afwezigheid, belet of ontstentenis ook van deze, door een der raadsheeren van het hooggerechtshof, daartoe door den president van dat college te benoemen. % ER
(2) Nochtans zal, in geval van langdurige afwezigheid, belet of ont- stentenis van den procureur-generaal, de opdracht der tide eae neming van diens betrekking aan cen raadsheer van het hooggerechts a kunnen plaats vinden, niettegenstaande één of beide advocaten-generaa: aanwezig zijn.
16 REOHTERLIJKE ORGANISATIE.
(3) Van elke opdracht der waarneming van de functiën van het open- baar ministerie aan eenen raadsheer van het hooggerechtshof, wordt door den president van het college onverwijld kennis gegeven aan den Gou- verneur-Generaal, blijvende het recht van dezen onverlet om in die tijdelijke waarneming nader te voorzien in voege als hij zal meenen te behooren. : q
(4) In geval van afwezigheid, belet of ontstentenis van een officier van justitie bij een raad van justitie, wordt de dienst waargenomen door zijne substituten en bij afwezigheid, belet of ontstentenis ook van deze door een der leden van den betrokken raad, door den president van dat college te benoemen. k i
(5) In geval van afwezigheid, belet of ontstentenis van een officier van justitie bij landraden, wordt de dienst waargenomen door zijne gegra- dueerde substituten en bij afwezigheid, belet of ontstentenis ook van deze, door eon van de aan den officier van justitie bij den betrokken raad van justitie ondergeschikte ambtenaren van het openbaar ministerie, door dezen daartoe to benoemen.
(6) In geval van afwezigheid, bolet of ontstentenis van een magistraat bij een landraad, wordt de dienst waargenomen door een door den officier bij dien landraad aangewezen anderen ambtenaar van het openbaar ministerie bij dien landraad.”
- (Gew. S. 25—497 ; 41-31 jo. 98.) Bij de miet onder art. 54 vallende Indonesische rechtbanken en gerechten wordt het openbaar ministerie uitgeoefend door de djaksa’s. (RO. 114; IR. 46v.; RBg. 48lv.)
e bepalingen, voor het openbaar ministerie vastgesteld, zijn slechts in zoo ver op hen toepasselijk, als overeen te brengen is met hunne bij- zondere instructién en. met hunne ‘ondergeschiktheid aan de hoofden der afdeelingen, welke bij deze wordt gehandhaafd. (RO. 57.)
Ingeval van afwezigheid, belet of ontstentenis van een djaksa, worden dn funotiën waargenomen door den-onmiddellijk in rang volgenden
jaksa.
Bij afwezigheid, belet of ontstentenis vam dezen, worden do functiën van het openbaar ministeriertijdelijk-door den president aan cen lid van het collegie opgedragen. (Bb. 263, 505, 511, 750, 1031, 2345, 4714.)
63, De griffiers, en bij hunne afwezigheid, belet of ontstentenis, de substituut-griffiers, en in het algemeen allo beambten’ wettelijk met de waarneming der functiën van griffier belast, moeten de teregtzittingen en vergaderingen bijwonen van de regterlijke collegiën, waarbij zij zijn aangesteld, en naauwkeurig aanteekening houden van hetgeen in die teregtzittingen en vergaderingen»wordtverhandeld. (RO. 37; Rv. 28, 62, 209, 237; Sv. 176; IR. 186, 322; RBg. 197, 622; Bb. 2864.)
(Gew. S. 01-201, 270.) Zij zijn verpligt om de leden, die met bijzondere commissiën zijn belast, in derzelver werkzaamheden bij te staan, en zich overigens in alles te gedragen naar de instructiën, welke zij krachtens de voorschriften van art. 51 van de presidenten ontvangen. (RO. 37.)
63 a. ( Ing. S. 11—470.) Aan de griffiers van Indonesische rechtbanken, welke organiek niet worden voorgezeten door rechtskundigen, kunnen door de ambtenaren met het voorzitterschap belast ook andere werkzaamheden worden opgedragen dan bij dit reglement zijn voorgeschreven, voor zoo- veel zoodanige opdracht vereenigbaar is met een behoorlijke vervulling van de functién van griffier, welke immer hoofdzaak moeten blijven.
- (Gew. S. 73-236 ; 01-15, 273 ; 14—317.) De rechterlijke colleges en gerechten met uitzondering van de landgerechten, hebben de bevoegd- heid om, ingeval de dienst dit vereischt, buiten bezwaar van’s Lands kas een buitengewoon substituut-griffier te benoemen.
(Gew, 8. 13704 ; 17555 jo, 18171.) De benoemde legt vóór de aan- vaarding in handen van den voorzitter of rechter den bij art. 13 voorge- schreven eed (belofte) af. (S. 34—159*.)
Van de benoeming en eedsaflegging, zoowel als van het ontslag, wordt kennis gegeven aan den directeur van justitie en aan het Hooggerechtshof;
6d 66
a] a)
63
61
BECHTERLIJKE ORGANISATIE, 17
door de residentiegerechten en de Indonesische rechtbanken mede aan den raad van justitie, binnen wiens ressort zij gevestigd zijn.
- De griffiers van alle regterlijke collegiën zijn verpligt om een register of eene rol te houden van alle burgerlijke zaken, zonder onderscheid of die ter teregtzitting worden behandeld, of buiten dezelve worden afgedaan. Op dit register wordt een afzonderlijk nummer gegeven aan iedere zaak en aanteekening gehouden van al hetgeen daarin voorvalt, :
Van de strafzaken wordt een gelijk register gehouden. (Rv. 23v., 62, 293 ; Sv. 418; IR. 186, 384; RBg. 197, 712.)
66, In strafzaken, waarin volgens de wettelijke bepalingen de proces- stukken ter griffie moeten worden opgezonden of nedergelegd, zijn de griffiers verpligt om binnen vier en twintig uren aan de ambtenaren van het openbaar ministerie kennis te geven van de ontvangst dier stukken ter griffie. (Sv. 319; RBg. 660-2°.)
67, Alleen de leden van het collegie en de ambtenaren van het openbaar ministerie bij hetzelve zijn bevoegd om de processtukken, ter griffie berus- tende, ten hunnen huize te vorderen, doch niet. dan tegen behoorlijk regu.
De minuten, registers en stukken aan het collegie behoorende, mitsga- ders de stukken van overtuiging, mogen, buiten de gevallen bij de wettelijke bepalingen uitdrukkelijk voorzien, niet van de griffie worden verplaatst dan ter inzage van het geheele collegie, en niet van een bijzonder lid of ambte- naar. (Sv. 170; IR. 316; RBg. 615.)
De bevoegdheid en de verpligtingen der griffiers, met betrekking tot de afgifte van grossen, expeditién, afschriften en uittreksels van de ter griffie berustende acten en vonnissen, worden bij de wettelijke bepalingen op de burgerlijke regtapleging en de strafvordering geregeld. (RO. 143; Rv. 64, 66, 853, 856, 858; Sv. 417, 419, 421; IR. 385; RBg. 713; Not. 66.)
- De griffiers ontvangen de; boeten, welke mooten worden geconsig- neerd bij het gebruik maken van eenig middel van hooger beroep, van welken aard ook. (S. 72—13:) cad a
De wijze van verantwoording dier’boeten wordt bij bijzondere bepalin- gen geregeld. (RO. 76.) a 5
De griffiers zijn persoonlijk verantwoordelijk voor de minuten, doeumenten, acten, stukken, protocollen, registers, boeken, gelden en papieren van geldswaarde, of andere voorwerpen, ter griffie in bewaring gegeven, geconsigneerd, of uit anderen hoofde berustende. (RO. 66, 75, ld4lv.; Bw. 133, 1023, 1057. 1406 ; BS. 17v.; K. 23; Sv. 417; IR. 383 ; RBg. 711; Not.48.) f
Van alle uitspraken, houdende veroordeeling tot geldboeten of proces-kosten ten behoeve. van den lande, doen de griffiers, zoodra die uitspraken in kracht van gewijsde zijn overgegaan, behoorlijke afschriften geworden aan het openbaar minieterte bij het college waartoe zij behooren.
RO. 55. 71, (Ges, S. 01-124, 269 ; 09-98.) De leges en belooningen door de griffiers en substituut-griffiers van het Hooggerechtshof en de raden van justitie, de residentiegerechten en de landraden, krachtens wettelijke bepalingen te ontvangen, komen ten bate van ’s lands kas, (S, 183306 ; zie Tarieven; Bb. 2864, 4264, 4593, 5348, 7031.) rte :
De wijze van \ erantwoording dier gelden wordt bij bijzondere bepalin- gen geregeld.
(Bij 8. 01-308 is bepaald, dat griffiere van het Hooggerechtshof en de
Raden van Justitie hat comptabel beheer over de door hen krachtens wet-
telijke bepalingen te ontvangen leges en belooningen zullen voeren.
Cf Bb. 7031. Bij S. 09-100 is hetzelfde bepaald ten opzichte van de grif
fiers bij de residentiegerechten en de landraden op Java en Madoera.)
- (Gew. S. 41-511 jo. 613.) In ‘de regtagedingen, gevoerd door en aan wie door dn regter de bevoegdheid ig verleend om eren loos of togen verminderd tarief te procederen, mogen de griffiers of de substituut-griffiers geene onderacheidenlijk slechts halve salarissen in
18 BEOHTERLIJKE ORGANISATIE.
rekening brengen, dan voor zoover die kunnen worden verhaald op de wederpartij, wanneer deze in het ongelijk gesteld en dienvolgens in de kosten verwezen is. (Rv. 872, 885v. ; IR. 227.) (*).
- De griffier stelt, onder goedkeuring van den president, de noodige klerken aan voor de griffie, en ontslaat dezelve naar welgevallen.
De klerken worden door den griffier ontslagen en door anderen ver- vangen, zoodra hij daartoe door den president wordt aangemaand.
- De klerken ter griffie zijn tot geheimhouding verpligt en leggen daartoe den eed (belofte) af in handen van den president van het collegie, wanneer deze de beëediging noodig acht.
Zij mogen onder geen voorwendsel eenige giften of geschenken aanne- men van hen, die ter griffie zaken te verrigten hebben, en zulks noch voor het spoedig uitreiken van afschriften, noch om eenige andere reden. Wanneer zij zich hieraan schuldig maken worden zij dadelijk ontslagen:
- De griffier is persoonlijk aansprakelijk voor alle geldboeten, terug- gaven, schaden en onkosten, welke mochten voortvloeijen uit de onregt- matige daden, verzuimen of onnaauwkeurigheden van de door hem aan- gestelde klerken, behoudens zijn verhaal op deze. (RO. 68v, ; Bw. 1367.)
76, De vormen en termijnen bij de gedingen voor de onderscheidene regterlijke autoriteiten, zoo in eersten aanleg, als in hooger beroep, revisie, cassatie en bij andere voorzieningen, in acht te nemen, en de wijze van ten uitvoerlegging der arresten en vonnissen, worden geregeld bij de wet- telijke bepalingen op de burgerlijke regtspleging en op de strafvordering.
76a. (Toeg. S. 26-114 jo, 82-49.) Onder de rechterlijke ambtenaren en de rechterlijke ambten, bedoeld in de artt. 14a, 140, 15, 16, 17, laatste lid, en 18, 3delid, worden begrepen de presidenten van en de auditeurs-militair bij de krijgsraden en de ambten van president en van auditeur-militair by den krijgsraad. ,
HOOFDSTUK II, Van het Indonesische regtswezen op Java en Madoera. ErRsTE ÁFDEELING, Van de districtageregien en regentschapsgeregten.
Artt. 77—88 als vervallen te beschouwen krachtens LN. 51-9 sub A en sub B, art. 1,* achter RO. § 1. Vande districtageregten. TT. (Gew. 8. 83—135.) Op»Java en Madoera is voor elk district een Tr, een a de babe: en mocht goedvinden meer rict onder hetzelfd tt > E H 3 Bb. 638, 2348) elfde gerecht te brengen. (ISR. 127; IR. 84v 18. Het districtegeregt bestaat uit het hoofd van het district, als regter, bijgestaan door zoo vele mindere hem tot raadslieden dienende Indonesische hoofden als door den resident, na overleg met den regent, daartoe zullen worden aangewezen, (RO. 86, 88; IR. 89; S. 1900—220.)
- (Gew. S. 08-536 jo. 10—499.) Door de districtsgeregten wordt, behoudens hooger beroep aan het regentschapsgeregt, kennis genomen van alle burgerlijke regtsvorderingen tegen eigenlijk gezegde Indonesiérs, Sereen beneden de som of de waarde van f 20.— (RO. 84, 87; i 80. (Gew. S. 08-536 jo. 10499.) De districtsgerechten nemen, zonder mee beroep, kennis van overtredingen van wettelijke bepalingen — hahalze in zaken van pachten en belastingen —, waarop enkel cene geld-
ate van ten hoogste f 3 is gesteld, gepleegd door de bij het voorgaande artikel vermelde personen. (RO. 88, 95v. ; IR. 98.)
*) Evenmin in zake: ri oe HE n van wege het gouvernement aangelegd. (Besl.
71
15
eeen
RECHTERLIJKE ORGANISATIE, 19
§ 2. Van de Regentschapsgerechten,
- (Gew. S. 83—135 ; 08635 ; 10499, 583 ; 23-176.) In elk regent- schap op Java en Madoera on in elk gedeelte van een regentschap, waar de regent door een patih wordt vertegenwoordigd, is een regentschapsge recht. (ISR. 126 ; IR. 100v. ; Bb. 636, 2368.) 5
Alle voorschriften van dit reglement welke voor den regent gelden, zijn en in het voorgaand lid bedoelde patihs van toepassing. (Bb. 5510,
82, (Gew. S. 01—306 jo. 02—85 ; 14—512 ; 41—31 jo. 89.) Het regent- schapsgeregt bestaat uit den regent, of bij afwezigheid, belet of ontsten- tenis van dezen, den patih van het regentschap, als regter, bijgestaan. door zoovele mindere hem tot raadslieden dienende Indonesische hoofden, als de resident, met in achtneming der onder de Indonesiërs bestaande gewoon- ten, zal bepalen.;.voorts.door.den..panghoeloe.of.den.persoon die dozen vervangt, zoomedeim het rechtsgebied yan de krachtens het eerste lid van art. 93a door den Gouv.-Gen. aangewezen landraden door een door den magistraat bij den landraad aangewezen adjunct-magistraat bij dat college of diens door genoemden magistraat aangewezen vervanger en in het rechtsgebied van de overige landraden door den djaksa of diens door den resident aangewezen vervanger. (RO. 86, 88; IR. 102, 109.)
- (Gew. 3. 08—536; 10-499; 17-497, 645.) De regentschapsgeregten oordeelen in eersten aanleg en behoudens hooger beroep aan den landraad :
1°, over alle burgerlijke rechtsvorderingen tegen eigenlijk gezegde Indo- nesiërs, wanneer het onderwerp eenc waarde heeft van niet minder dan /20.— en niet meer dan f 50.—; Ì ir
2°. behoudens het bepaalde ‘bij art, 85, over door eigenlijk gezegde Indonesiërs gepleegde overtredingen van wettelijke bepalingen, op welke gesteld is hechtenis van ten hoogste-zes dagen of geldboete van ten hoogste tien gulden, voor zoover dio feiten niet behooren tot de bevoegd-
heid van het districtsgerecht.(RO..87,-953 IR. 100v., Illv, 342.) 84. De regentschapsgeregten nemen in het hoogste ressort kennis van de aan hooger beroep onderworpene vonnissen der districtsgeregten. (RO. 79; IR, 100v.) " : 10 85. De regentschapsgeregten zijn onbevoegd om kennis te nemen van | guischatide oe in zaken van pachten en’bêlastingen. (RO. 95; Bb. 636, 2368.) Nn EN
Sloibepalingen.. van<deze afdeeling.
- De zaken, welke tot dekennisneming der districtsgeregten en Regent- schapsgeregten behooren, worden door de districtshoofden en Regenten alleen beslist. De hun toegevoegde Indonesische hoofden hebben geen regt
| van stemmen. (RO. 78, 82; IR. 89, 109.) b :
(S. 08—535 ; 10—499 ; 18—30 jo. 1981; 07—206 art. 3 jo. 19-816; 21—396 jo. 24—555.) Onder de in de artt. 79 en 83, i, bedoelde zaken zijn niet begrepen die, waarin Europeanen of Chineezen, als eischers optreden, en eyenmin, al zijn de eischers geen Europeanen of Chineezen, de burgerlijke geschillen tusschen eigenaren van particuliere landerijen of hun personeel eenerzijds, en de opgezetenen hunner landerijen anderzijds, welke voortspruiten uit do toepassing van het Reglement op de Bare culiere landerijen ten Westen van de Tjimanoek (S. 1836 No. 19). (Zie thans S. 12—422* ; ISR. 163.) 4 i
(Gew. S. 08-585 ; 10—499 ; 07—208 art. 3 jo. 19-816.) Onder de in de artt, 80 en 83, 2°, bedoelde zaken zijn niet begrepen die, welke slechts op klacht van de beleedigde partij vervolgbaar zijn, indien de beleedigde partij behoort tot de Europeanen.
20 RECHTERLIJKE ORGANISATIE.
TWEEDE AFDEELING. Van de Landraden.
- (Gew. S. 01—15, 273 ; 26—497.) Ter hoofdplaats van elk regentschap en voorts op zoodanige andere plaatsen alsde Gouverneur-Generaal daartoe aanwijst, is een landraad gevestigd.
Het rechtsgebied der landraden wordt bepaald door de grenzen der regentschappen waarin zij gevestigd zijn. Wanneer in hetzelfde regentschap twee of meer landraden gevestigd zijn, wordt hun rechtsgebied vastgesteld door den Gouverneur-Generaal. (RBg. 33v.)
- (Gew. S. 01-306 ; 02—85.) De voorzitter is bevoegd om, wanneer daarvoor dringende redenen bestaan, den landraad te doen vergaderen buiten de plaats, waar deze gevestigd is, (RO. 26 ; RBg. 35.)
(Loeg. S. 06—92.) Hij is daartoe mede bevoegd voor alle zaken, waarin deligging der woonplaatsen van de meeste der op te roepen getuigen zulks wenschelijk maakt,
De landraden-houden-wekelijks-zitting-op-eenen_ bepaalden dag, doch kunnen buitendien”zoordikwijls“belegdsworden-als de dienst der justitie zal vereischen. (RO. 45; RBg. 36.)
(Gew. S. 01-306 ; 02—85 ; 20472.) De landraad is samengesteld uit een rechtskundig ambtenaar als voorzitter, en uit den regent, z00 die er is, benevens zoodanige voorname Indonesische hoofden als daartoe door of namens den Gouverneur-Generaal zijn aangewezen als leden, bijgestaan door den griffier, of, waar zoodanig ambtenaar niet bij den landraad is aangesteld, door een ambtenaar of beambte daartoe door den resident aangewezen. (RBg. 37.)
De Gouverneur-Generaal is bevoegd om bij de landraden, waar zulks noodig blijkt, aan den voorzitter éerí rechtskundig onder-voorzitter en aan den griffier een adjunct-griffier toe'te voegen. (RBg. 40}; S. 28-425.)
(Gew. S. 17-497.) Bij toevoeging aan den voorzitter van een onder: voorzitter verdeelt de eerstgencemde de werkzaamheden tusschen hen. Alleen in geval vam volstrekte verhindering van den voorzitter zal de onder-voorzitter mogen voorzitten inzaken betreffende misdrijven, op welke de doodstraf, levenslange gevangenisstraf, of, afgezien van ver- booging van straf wegens samenloop van misdrijven, herhaling van mis- drijf of krachtens art. 52 van het Wetboek van Strafrecht, tijdelijke ge- vangenisstraf vanten hoogste twintig jaren is gesteld, of betreffende medeplichtigheid aan of poging tot zoodanig misdrijf. (RBg. 407.)
De Gouverneur-Generaal ia bevoegd om Ei den landraad, wanneer de werkzaamheden dit vereischen, tijdelijk een” buitengewonen rechts- kundigen voorzitter aan té-stellen, wiens taak alsdan door hem wordt aangewezen. (RBg. 41.)
Het oorspronkelijke 5e lid v. art. 92 is vervallen ingevolgo S. 17—497. BY S. 25—442 jis 27-439 en 28—224 is een nieuw 5e lid ingov. botretfende den landr. te Ardjasa (Oost-Madoera), dat ingetr, is bij S. 31—168 jo. 423.
(Gew. S. 34—558 jo. 587 ; 41—31 jo. 98.) Tot het wettiglijk houden van den landraad wordt, onverminderd het bepaalde bij art. 7, vereischt de tegenwoordigheid van den voorzitter, van twee leden, van den griffier of een wettelijk met de waarneming van de functiën van griffier belasten ambtenaar of beambte en, voor zoover betreft de landraden, bij welke het openbaar ministerie wordt uitgeoefend door den djaksa, in strafzaken, mede van den djaksa, een en ander met dien verstande dat bij de sum- ‘Bae prcoedure in strafzaken de leden niet tegenwoordig zullen zijn.
g. 42.
Bij 8, 13678 is bepaald, met buitenwerkingstelling van art. 1 van het besluit van 15 Sept. 1905 No. 31, S. 478 : Benevens den bij art. 92 RO, Aperen regent, aan te wijzen als leden van de landraden op Java en Madoera de in het ressort van elk dier rechtbanken bescheiden patihs, districts- en onderdistrictshoofden, onder-collecteurs, mantri’s kaboe- paten en mantri’s politie.
f
BEOHTELIJKE ORGANISATIE 21
98, (Gew. S. 01-306 ; 02-85 ; 25-497.) (1) Bij afwezigheid, belet of ontstentenis van den voorzitter en van den onder-voorzitter, indien deze bij den landraad bescheiden is, treedt het hoofd der afdeeling (+) of bij afwezigheid, belet of ontstentenis ook van dezen, diens wettige vervanger, als voorzitter op, alles tenzij door den Gouverneur-Generaal een ander ambtenaar als tijdelijk vervanger van den voorzitter mocht zijn aangewezen. (RBg. 43.)
(2) De in het eerste lid voorgeschreven vervanging van den voorzitter van den landraad strekt zich, tenzij een rechtskundig ambtenaar daartoe mocht zijn aangewezen, niet uit tot de leiding van den landraad in zaken als bedoeld in het derde lid van art. 92, De leiding van den landraad wordt voor die zaken steeds door den Gouverneur-Generaal aan een rechtskun- dig ambtenaar opgedragen.
93a. (Ing. S. 41—31 jo. 98.) (1) De Gouverneur-Generaal wijst de landraden aan, bij welke het openbaar ministerie zal zijn samengesteld uit den officier van justitie en den magistraat. Aan den officier van justitie en dem rmagistraat-wordemreerof meer; eventueel door den Gouv.- Gen. in klassen te verdeelen, substituten, onderscheidenlijk adjuncten toegevoegd,
(2) Het ambtsgebied van de officieren, hetwelk zich over het ressort van meerdere landraden zal uitstrekken, wordt door den Gouv.-Gen. bepaald.
( 3) De officioren van justitie bij landraden moeten den vollen ouderdom van 28 jaren bereikt hebben. Zij-moeten allen aan een Nederlandsche universiteit, dan wel aan de Rechtshoogeschool te Djakarta verworven hebben : hetzij den graad van doctor in de rechtswetenschap, hetzij de hoedanigheid van meester in de rechten, mits deze hoedanigheid is ver- kregen op grond van het afleggen’ van’ een examen in het Nederlandsch of Indonesisch burgerlijk en handelsrecht, staatsrecht en strafrecht.
(4) Indien het ambt van magistraat bij den landraad niet wordt uit- geoefend door een daartoe benoemd rechtskundig ambtenaar, zal het ambtshalve worden bekleed door den‘assistent-resident, c.q. een der door den gouverneur aangewezen-assistent-residenten ter hoofdplaats van het regentschap, waarin of ter plaatse, waar de landraad gevestigd is.
(5) In door den gouverneur in overleg met den procureur-generaal aangewezen gebiedsdeelen worden de functiën van magistraat bij den landraad mede uitgeoefend door den aan den assistent-resident toege- voegden controleur als buitengewoon magistraat bij den landraad, onder leiding van en met inachtneming van de bevelen van den magistraat, een en ander onverminderd het hooger gezag van den officier van justitie. (RO. 17 (1), 20e, 54, 82, 100.)
Ter uitvoering van Ro. 93a'ts.bepaald bij besl. v. 12 Apr. 1941 No. 12, S. 41—99, ten tweede,
A. Als Jandraden, bij welke het openbaar ministerie is samengesteld uit den ofBcier van justitie en den magistraat, worden aangewezen de landraden te: F a. Djakarta, Tangerang, Meester-Cornelis, Bandoeng en Oheribon; b. Semarang, Salatiga, Pekalongan, Soerakarta, Jogjakarta en Magelang; c. Soerabaja, Grissee, Malang en Kediri. plak 8 Een officier van justitie is gevestigd op elk van de plaatson Djakarta,
emarang en Soerabaja.
B. Het nestle v.d. officier v. justitie te Djakarta Ce pale over het rechtsgebied y.d. landraden te Djakarta, Tangerang, oe kel Cornelis, Bandoeng en Cheribon, dat v.d. off. v. just. te Semarang ove rechtagebied y.d. landraden te Semarang, Salatiga, Pekalongan, Soekal art Jogjakarta on Magolang, en dat v.d, off. y. Just. te Soerabaja, over rechtagebiod v.d. landraden te Soerabaja, Grissee, Malang en le:
©. Aan elk van de officieren van justitie, bedoeld sub A, wor soes gevoegd één gegradueerd en één ongegraduserd. substitaut-ofioler Va i si wier standplaatsen dezelfde zijn als die v.d. off. y. just, aan w jen 2! toegevoegd.
() In de gvtal. v. Jav. Mad, : „de ass.-rea,” (S, 31—168 jo. 423.)
22 REOHTELIJKE ORGANISATIE,
94, (Gew. 3. 18-30; 19-81 ; 07-205 art. 3 jo. 19-816; 21-396 jo. 24—555.) De landraden zijn, behoudens het bepaalde bij art. 131, de gewone dagelijksche rechters van de cigenlijk gezegde Indonesiërs en — met uitzondering voor zooveel betreft burgerlijke zaken van Chineezen, — van alle met Indonesiërs gelijkgestelde personen, ook wanneer deze door Europeanen of Chineezen in rechten worden betrokken. (ISR. 163; RO. 6.)
- Zij nemen in eersten aanleg kennis: (RBg. 45.)
1°. (Gew. S. 87-653.) van alle persoonlijke, zakelijke en gemengde rechtsvorderingen, wanneer niet blijkt, dat de waarde der vorderingen f.50— of minder bedraagt, behoudens de uitzonderingen, vermeld in de artt. 124, No. 2 en 125; (RO. 96.)
2°. (Gew. S. 17-497; 20472; 21-70.) van alle misdrijven, met uitzondering van die, vermeld in art. 116novies onder letter b en in art. 129, eerste lid, onder 2°;
3°. (Gew. S. 14-317.) van overtredingen. van politie en van plaatselijke keuren, mitsgaders van. wettelijke bepalingen van algemeenen aard, voor zoover die overtredingen niet zijn begrepen-onder_die, bedoeld bij de artt. 80, 83 en 1lônovies;
4°, (Gew. S. 14-317.) van de zaken bij art. 87 aan de kennisneming van de districts- en regentschapsgerechten onttrokken ;
5°. (Gew. S. 08-536; 10-36, 499; 18-30; 19-81 ; 21-396 jo. 24— 555.) van vorderingen tegen met Indonesiërs gelijkgestelde, niet tot de Chineezen behoorende personen, welke, zoo zij waren ingesteld tegen eigenlijk gezegde Indonesiërs, tot de kennisneming zouden behooren der districts- of regentechapsgerechten, voorts ook van de aan het slot van art. 87 bedoelde geschillen, als daarin met Indonesiërs gelijkgestelde niet tot de Chineezen behoorende persdneh’ gedaagden zijn. (ISR. 163.)
- (Gew. S. 01—124, 269 ; 14-317; 17-497.) Van de uitspraken der landraden wordt hooger beroep toegelaten :
1°. in de zaken, bedoeld bij-het eerste nommer van art. 95, wanneer niet blijkt, dat de waarde der vordering. f-100,— of minder bedraagt.
De uitspraken der landraden in eersten aanleg tevens in het hoogste ressort gewezen, in de zaken, bedoeld bij het eerste nommer van art. 95, zijn aan geene nadere voorziening onderhevig.
2°. Vervallen ;,S. 32-460 jo. 580.
(Gew. 8. 19-10 jo. 20498 ; 32-460 jo. 580.) De eindvonnissen van landraden in Strafzaken gewezen, zijn met uitzondering van die, waarbij de beklaagde van do geheele telastlegging is vrijgesproken, vat- baar voor revisie. (RBg..47.)
De landraden nemenin het hoogste ressort kennis van de aan hooger beroep onderworpene ‘vonnissen der regentschapsgerechten. (RO. 83, 97; IR. 130v., 342v. ; RBg. 48.)
(Gew. S. 01-320, 465.) De voorzitters der landraden, ieder binnen het ressort van zijn landraad, zijn belast met de bemoeienissen met Op- zicht tot het notariaat en andere onderwerpen bij de daartoe betrekkelijke bepalingen aan hen opgedragen, zoomede met zoodanige bemoeienissen Ae rad bij algemeene verordening zullen worden opgedragen.
De oorspronkelijke tweede en derde alinea's van dit art. zijn vervallen resp. krachtens S, 17497 jo. 645 en S. 03—7.
Bij afwezigheid, belet of ontstentenis van een landraad voorzitter kan hij voor de in dit art. bedoelde bemoeienissen alleen door een rechtskundig ambtenaar, door den Gouverneur-Generaal aangewezen, vervangen worden.
- (ing. S. 41—31 jo. 98.) (1) De magistraten bij de door den Gou- verneur-Generaal krachtens art. 93a aangewezen landraden zijn verplicht een nauwkeurig register aan te houden van alle behandeld wordende zaken, met duidelijke vermelding van haren aard, van de daarin betrokken personen, van hetgeen daarin is geschied en verricht, en wanne r, door wien en op welke wijze zij zijn afgedaan.
RECBTERLIJKE ORGANISATIE. 23
(2) Van dit register moet elke maand, of binnen zóoveel korteren tijd, als de officier van justitie dienstig oordeelt, een volledig afschrift aan hem, zoomede aan den betrokken resident worden ingezonden.
(3) De inzending aan den resident geschiedt door tusschenkomst van den regent, die het register, desgewenscht, van een nota van opmerkingen doet vergezeld gaan.
DERDE AFDEELING. Van de rechtbanken van omgang.
100,ud107. Vervallen : 8. 01-13, 16, 272, 320, 465.
VIERDE AFDEELING. Van de rechtspraak ter politierol.
108-112, Vervallen: S. 01—15, 273; 14-317; 17-577.
Slotbepalingen van dit hoofdstuk.
- Vervallen: S. 17-555; 18-171.
114, (Gew. S,17-555.j0.18—-171-;-25—497-)-Do hoofdpanghocloe’s en panghoeloe’s-leggen pvalyorens"hunné betrekking te aanvaarden, in handen van den regent den bij art. 8 voorgeschreven eed af.
Alle verdere bijzondere verpligtingen der in dit hoofdstuk ver- melde regterlijke autoriteiten, en van de daaraan toegevoegde of onder- geschikte ambtenaren, worden. vastgesteld bij de wettelijke bepalingen op de burgerlijke regtspleging en op de strafvordering.
Vervallen» 9. 25497.
HOOFDSTUK IIA. Van de Landgerechten.
Ingelascht bij S. 1914-317, als vervallen te beschouwen ingevolge LN. ól-9* achter RO.
116 bis. (Gew. S. 25-497.) In elke afdeeling (!) op Java en Madoera zal minstens één landgerecht gevestigd zijn.
(Gew. S. 36-131 jo. 132:) Door den Gouverneur-Generaal wordt be- paald waar landgerechten-zijn-gevestigd"en welk rechtsgebied zij hebben. (RBg. 49v. 3 §. 36=133 art 1, 2) 0 4
Door of namens den Gouverneur-Generaal wordt bepaald op welke plaatsen binnen het rechtsgebied zij zitting moeten houden. (RBg. 51.) (*)
De landrechter is bevoegd om, wanneer naar zijn/oordeel het belang van den dienst dit vordert, ook buiten dE plaatsen, doch bin- nen zijn rechtsgebied zitting te houden. (RBg. 51.) :
116 ter, Behalve op Zondag houden, de landrechters voor zoovcel dit noodig en mogelijk is, dagelyks-zitting. (RBg. 52.) ‘
116 quater. (Gew. S. 41—31 jo. 98.) et landgerecht bestaat uit een rechtskundig ambtenaar als landrechter, bijgestaan door een ambtenaar, die behalve de hem verder bij algemeene verordeningen opgedragen werkzaamheden, die van griffier verricht en den titel draagt van fiscaal
riffier.
i (Gew. S. 25-230.) () Indien bijzondere omstandigheden daartoe nopen kan de functie van landrechter worden opgedragen aan een ambtenaar van het binnenlandsch bestuur, dan wel aan een ander daarvoor geschikt Beacht persoon. (RBg. 53; S. 25-437 en 28-248 sub 5, IV jis eet 30-93, 32-138, 459 en 525, Se 504, 34428, 35-140, 36-21, 333, 460 en 605, 38-427, 39-84, 264.)
De Gouverneur-Generaal is bevoegd om bij het landgerecht, wanneer de
ry fd.” ) S. 39-288, bl. 233: in de gvtsl. v. Jav- Mad. ,,residentie” ipy. „&
5 Zie raat EHR alan een landger. : in West-Java, Bb. ETE: 25—437 ten vijfde; in Oost-Java, Bb. 11773, 11817, 11838 jo. en ten vijfde ; in Midden Java, Bb. 12133 jo. S, 28248 ten vijfde ; In Soerak, Jogjakarta, Bb. ....en ....40, S. 28—237 len achtste. Ne 3
@) Het K.B. in S, 25—230 is 31 Mei 1925 in werking getreden met terug:
werkende kracht tot 1 Dec. 1917.
24 RECHTERLIJKE ORGANISATIE,
werkzaamheden dit vereischen, tijdelijk een buitengewonen rechtskundigen Jandrechter aan te stellen, wiens taak alsdan door hem wordt aangewezen.
116 quinquies. (Gew. S. 19-690.) Bij elk landgerecht worden door of namens den Gouverneur-Generaal één of meer plaatsvervangende landrechters benoemd.
Behoudens bevoegdheid van den Gouverneur-Generaal om bij afwezig- heid, belet of ontstentenis van den landrechter de tijdelijke waarneming van diens functién op te dragen aan een speciaal daartoe aan te wijzen rechtskundig ambtenaar, worden in bedoelde gevallen die functiën ver- vuld door den plaatsvervangenden landrechter of één hunner naar de volgorde van benoeming, behoudens dat een rechtskundige den voorrang heeft boven een niet-rechtskundigen plaatsvervanger.
Een opdracht als bedoeld in het vorige lid zal als regel behooren te geschieden bij een eenigszins langdurige verhindering van den landrech- ter, onder wiens plaatsvervangers geen rechtskundige is.
(Toeg. 8. 17-323, gew. 25-497.) Bij afwezigheid, belot of ontstentenis zoowel van den landrechter als van zijne benoemde plaatsvervangers, wordt de functie-van-landrechter-waargenomen. door een daartoe door het hoofd van gewestelijk bestuur aan te wijzen ambtenaar bij het Binnen- landsch Bestuur.
(Toeg. S. 17-823.) Onverminderd het bepaalde bij het tweede en vierde lid treden, voor zoover het de behandeling betreft yan de in den Eersten Titel A van het landgereohtreglement bedoelde zaken, op do afdcelings- hoofdplaats (+) in de aangegeven volgorde de plaatsvervangende land- rechters op, indien de landrechter elders zitting houdt, (RBg. 55.)
116 sezies. (Gew. S. 17-823.) De landrechter benoemt buiten bezwaar van den lande één of meer buitengewone substituut-fiscaal-griffiiers, die bij afwezigheid, belet, of ontstentenis van den fiscaal-griffier diens functiën vervullen. Op elke afdeelingshoofdplaats (+) zal minstens één zoodanige buitengewone substituut-fiscaal-griffier moeten gevestigd zijn.
(Gew. S. 17-565 jo. 18-171.) De benoemde legt vóór de aanvaarding in handen van den landrechter-den bij art..13 omschreven eed of belofte af. (S. 34-159*,) ;
Van de benoeming en eedsaflegging zoowel als van het ontslag wordt fen gegeven aan den directeur van justitie en aan het Hooggerechtshof. (RBg. 56.) id
116 septies, Tot bet wettiglijk houden van het landgerecht wordt ver- eischt de tegenwoordigheid van den landrechter en van den fiscaal- griffier. (RBg. 57.)
Van al hetgeen ter tercehtaitting wordt verhandeld, houdt laatstge- noemde aanteekening in eendaartoe bestemd-register.
116 octies. De fiscaal-griffier staat onder het toezicht en de bevelen van den landrechter. Deze ambtenaar is niet begrepen onder de uitdrukking „openbaar ministerie” of „ambtenaar van het openbaar ministerie’, waar die in het algemeen wordt gebezigd. (RBg. 58.) 2e lid vervallen krachtens S. 17—655 jo. 18171.
116 novies. (Gew. S. 17—497 ; 20—472 ; 21-70 ; 34—644.) De landrech- ters nemen, zonder onderscheid van den landaard der beklaagden, in eersten aanleg en tevens in het hoogste ressort kennis van : (RBg. 59.)
a. alle overtredingen, daaronder begrepen die, welke bij art. 88 aan de kennisneming van de districts- en regentschapsgerechten zijn onttrokken, waarop geene zwaardero straf is gesteld dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste vijfhonderd gulden, met of zonder verbeurdverklaring van bepaalde voorwerpen, en welke niet ter kennisneming aan andere rechters zijn opgedragen ;
b. de in de artt. 302, eerste lid, 352, eerste lid, 364, 373, 379, 384, 407, eerste lid, en 482 van het wetboek van strafrecht vermelde misdrijven,
alsmede het misdrijf van „eenvoudige b ieing” i Baest IJ ee udige beleediging”, bedoeld bij art. 315
() 5. 39-288, bl. 233: in\de gvtsl. v. Jay. Mad. residentiehoofdplaats* |
N. RO
38
- landgerecht als lagerin rang dan de raad van justitie aan,
nn
RECHTERLIJKE ORGANISATIE. 25
116 decies. Voor de toepassing van art. 6 van dit reglement wordt het
5 gemerkt. (RBg. 60. 116 undecies, Het Hooggerechtshof is bevoegd zich te ‘len tiene ba
art. 116septies bedoeld register te doen overleggen.
Bij S. 190118 jo. 273 ia het volgende hoofdstuk ingevoegd ; HOOFDSTUK IIB. (Opschr. gew. 8. 14317.)
Van de Residentiegerechten op Java en Madoera. Artt. 116a—1161 als vervallen te beschouwen ingevolge LN. 51—9* achter RO,
116a. (Gew. 9. 25—497.) Ter plaatse van vestiging van elken landraad en voorts op zoodanige andere plaatsen als de Gouverneur-Generaal daar- toe aanwijst, is een residentiegerecht gevestigd, bestaande uit een rechts. kundig ambtenaar als rechter, bijgestaan door een griffier. (RBg. 61.)
116 b. Het rechtsgebied van het residentiegerecht ia, tenzij de Gouver- neur-Generaal anders bepaalt, gelijk aan dat van den ter plaatse geves- tigden landraad. (RO. 89; RBg. 62.)
116c. De in art, 6a bedoelde functién zijn opgedrageh aan den voor- zitter en den griffier van den landraad, binnen wiens rechtsgebied het residentiegerecht zijven zetel heeft. (RBg. 65.)
Het tweede lid ts vervallen krachtens S. 17497, 645.
De tijdelijke vervanging van den voorzitter van den landraad strekt zich, tenzij een rechtskundig ambtenaar daartoe mocht zijn aangewezen, niet uit tot de functién van residentierechter. Zij worden door of namens den Gouverneur-Generaal aan een rechtskundig ambtenaar opgedragen.
(Toeg. S. 01-306 jo. 02-85.) Alleen in geval van volstrekte verhin- dering van den voorzitter van den landraad mag de onder-voorzitter in burgerlijke zaken als residentierechter optreden.
116d, Vervallen: S. 14817 jo: 11-577.
116e, (Gew, 8. 14-317.) De Gouyerneur-Generaal ia bevoegd, waar hij zulke wegens plaatselijke of andere omstandigheden noodzakelijk acht, de in art. 116c vereenigde functiër te-scheiden en andere ambtenaren met die van residentierechter en van griffier van het residentiegerecht te belas- ten. De met het ambt van residentierechter belaste persoon moet steeds een rechtskundige zijn. ?
116 f. (Gew. iS. 18—30 ; 19-81; 07-205 art. 3 jo. 19816; 22-702 ; 21-396 jo. 24-556.) De residentierechters nemen kennisin eersten aanleg, in burgerlijke zaken, behoudens in de gevallen, voorzien bij de artt. 125 en 159, van de rechtsvorderingen, bij dit art. onder dorletters a tot en met h omschreven, ingesteld. tegen Europeanen of Chineezen, die woonplaats, gekozen woonplaats of werkelijke verblijfplaats hebben op Java en Madoera, alsmede tegen zoodanige woon: of verblijfplaats hebbende Indonesiërs of met hen gelijkgestelde, niet tot de-Chineezen behoorende personen die, voor zoover het onderwerp der vordering betreft, krachtens wettelijke bepa- lingen zijn of vrijwillig zich hebben onderworpen aan het voor Europeanen vastgestelde burgerlijke en handelsrecht, te weten : (ISR. 163; Bw.17v., 2lv., 24v. ; RBg. 70.
a. indien es loopt over eene bepaalde waarde, het bedrag van vijfhonderd gulden niet te boven gaande: Fs
1°. van alle persoonlijke rechtsvorderingen, ook dàn wanneer bij eone vordering tot betaling van interessen eener inschuld, de hoofdsom dezer inschuld meer dan vijfhonderd gulden bedraagt ;
2°. van alle vorderingen tot betaling van erfpachten ;
8°. van alle vorderingen tot opeisching van roerende zaken.
De bevoegdheid van den residentierechter houdt op : 2 ä
1°. wanneer, bij verwering tegen eene der genoemde vorderingen, de Techtstitel wordt betwist, met het gevolg dat het geschil loopt over oa onbepaalde waarde of eene waarde, vijfhonderd gulden te hore, ei
2°. wanneer eene der genoemde vorderingen een gedeelte betreft, aS Ue eene grootere geldsom, hetzij van eene algemeenheid van zoeen oe EE en de rechtstitel wordt betwist, met het gevolg dat het geschil loopt o
26 REOHTERLIJKE ORGANISATIE,
|
eene onbepaalde waarde of een waarde, vijfhonderd gulden te bovengaande; _N, b. over alle vorderingen, onverschillig over welke waarde zij loopen, RO,
wanneer zij strekken : Je ze 39 1°. tot vergoeding van schade, hetzij door menschen, hetzij door dieren
toegebracht aan land, houtgewas, boom-, tuin- of veld vruchten ;
2°. tot zoodanig herstel van- en tot zoodanige vergoeding van schade aan gehuurde onroerende goederen, als volgens de wet ten laste van den huurder komt; (*) EN
c. van alle vorderingen, onverschillig over welke waarde zij loopen, 54-4 wegens aanmatiging, zoo door verplaatsing van scheidsteekenen, als anderszins, van gronden, boomen, heggen, slooten, afleidingen en belem- meringen van waterloopen en waterleidingen, binnen ’s jaars en ten nadeele van rechthebbenden op naar Indonesisch recht bezeten gronden gepleegd;
d. van vorderingen, strekkende : ;
1°. tot ontruiming van gehuurde onroerende goederen, wegens geéin- 41 digde huur, zonder onderscheid van het bedrag der huur, tenzij de huur- der een schriftelijk bewijs van bestaande, vernieuwde of verlengde huur, eene waarde van zeshonderd gulden, over het jaar berekend, te boven gaande, in het geding brengt ;
2°. tot ontbinding van huur van onroerende goederen en tot ontrui- 42 ming dientengevolge ter zake van wanbetaling der huurpenningen, indien die verschuldigde en niet betaalde huurpenningen niet meer dan zeshon- derd gulden bedragen ;
e. van de vordering tot vanwaardeverklaring van een gelegd beslag, wanneer dit berust op eene tot hunne bevoegdheid behoorende vordering en bij de voorschriften betreffende de rechtspleging voor den residentie- rechter is toegelaten, alsmede van de vordering tot opheffing van zoodanig beslag ; (Rv. 971lv.)
f. van de vordering tot vanwaarde: of tot nietigverklaring van een aanbod van betaling of van eene gerechtelijke bewaargeving, wanneer de waarde der zaak of der geldsom, die aangeboden of in bewaring gesteld is, de som van vijfhonderd gulderniet te boven gaat ; (Bw. 1404v.)
g. van de vordering in reconventie, die-wat het onderwerp des geschils betreft, tot hunne bevoegdheid-behoort,ook-dan wanneer het beloop dier vordering, gevoegd bij dat van de vordering in conventie, die bevoegdheid te boven gaat; (Rv. 244v.) .
h. van alle vorderingen, naar aanleiding van geschillen over- of bij de tenuitvoerlegging van vonnissen, voor zooveel die tenuitvoerlegging krachtens de voorschriften betreffende de rechtspleging voor den residen- tierechter bij de residentiegerechten moet geschieden. (Rv. 997, 1003v.,
1006 ; S. 08—347, cf. noobél. 275.) 4
116 g. (*) (Ing. S. 22-702. gew. 26-835; 458, 565 ; 27-108.) De resi- 39-3 dentierechters nemen in eersten aanleg mede kennis van alle vorderingen betrekkelijk tot een arbeidsovereenkomst of tot een collectieve arbeids- overeenkomst als bedoeld bij art. 160ln van het Burgerlijk Wetboek, onverschillig over welke waarde zij loopen en ongeacht den landaard van de partijen.
(Toeg. S. 38-622.) Voorts nemen de residentierechters in eersten aanleg kennis van alle vorderingen van den executant tegen den derde beslagene, die in gebreke blijft aan zijne verplichting ingevolge art. 48le van het Reglement op de Rechtsvordering te voldoen, onverschillig over welke waarde zij loopen en ongeacht den landaard van den derde beslagene. 3 _ 116 h. (Gew. S. 22—702.) Van de vonnissen, door de residentiegerechten 54-5 in burgerlijke zaken gewezen is hooger beroep op den raad van justitie :
(Ry. 978v. ; RBg. 71.) 1°, in de zaken, bedoeld in art. 116/, sub a en 6, alsmede in art. 116g
@) BS. 22-702 di 8 ape i is sub b No, 3 van dit art. ingetrokken en een nieuw art. strat
) Het oorspronkelijke art. 1169, handelende over de bevoegdheid in tzaken is bij S. 1914—317 jo. 17-577 ingetrokken. ie
18
| |
Te TTR
RECHTERLIJKE ORGANISAT:E, 27
indien de gedane vordering meer bedraagt dan viii en zeventi id
in die bedoeld in art. 116f sub a, ook indion de inbe vann ade bedraagt dan vijf en zeventig gulden, maar de rectstitel betwist wordt, met het gevolg dat het geschil loopt over eene waarle van meer dan vijf en zeventig gulden ; |
2°. in de zaken, bedoeld in art. 116f, sub c, e, van het bedrag der vordering ;
3°. in de zaken bedoeld in art. 116f, sub d, 1, indien een schriftelijk bewijs in het geding is gebracht van bestaande, vernieuwde of verlengde huur, eene waarde van honderdtwintig gulden per jaar te boven gaande ;
4°. in de zaken, bedoeld bij art. 116/, sub d, 2, indien de verschuldigde en niet betaalde huurpenningen meer bedragen dan honderdtwintig gulden;
5°. in de zaken, bedoeld bij art. 116/, sub g, zoo in conventie als in reconventie, indien beide vorderingen gelijktijdig zijn uitgewezen en beide of één van beide verkeeren in een der gevallen waarin volgens vorenstaande regelen hooger beroep is toegelaten, zullen de bij afzonderlijke uitwijzing op ieder der beide vorderingen. vorenstaande regelen-afzonderlijk van toe- passing zijn.
116i. Vervallen: S. 14-817 jo. 17-577.
116 j. De in eersten aanleg, tevens in het hoogste ressort, door de resi- dentiegerechten gewezen vonnissen zijn aan geenerlei nadere voorziening onderworpen.
Van de vonnissen der raden van justitie, waarbij in hooger beroep van door residentiegerechten in eersten aanleg in burgerlijke Zaken gewezen vonnissen is recht gedaan, is cassatie in het belang der wet toegelaten. (RO. 170.)
116k, Voor de toepassing van art. 6 van dit Reglement wordt het residentiegerecht als hooger in rang «dan de Indonesische rechtbanken en gerechten aangemerkt. (RO. 116leoies.)
- (Ing. S. 01-168.) Bij ordonnantie kan aan de residentierechters worden opgedragen de benoeming-van-deskundigen tot waardeering van roerende of onroerende zaken voor de heffing-van de rechten van successie en van overgang, het verléencn..van.bevelsehriften tot het geven van inzage, afschriften of uittreksel dan wel’tot het doen van mededeelingen uit memorién van aangifte voor de rechten van successie en van overgang. Zoodanige ordonnantie wijst den residentierechter aan, die bedoeld is, als- mede de voor de. deskundigen geldende procesregelen. (+)
“HOOFDSTUK IL Van ‘de Raden van Justitie op Java. (Cf. art. 72, Rechtsrcgl. Bg.)
117, In ieder der steden Djakatta, Semarang en Soerabaja zal eene rechtbank onder den naam van raad van justitie gevestigd zijn. (REE 13.)
- (Gew. S. 63142, enz.; 07-475, 476; 26-497; 26-229 ; 27-578 ; 28-224; 36-131, 132.) Het moogen der raden van justitie wordt vastgesteld door den Gouverneur-Generaal. f
Bij S. 30-133 art. 3 (new. S. 40—592) is bepaald: Het rechtsgebied der
raden v. just. strekt zich wit voor wat betreft: dat ign De r.v.j.teDjakarta over de gewesten West- Java, (2) Lam-
f en A, zonder onderscheid
A 1 gemachtigd DB 2 S. 01—168 is de Gouvernour-Generaal gd on he se genoemd in arb. 1161 op te eee rechters in de bezittingen buiten Java en Madoera, ha raad van justitie in de residentiën Soerakarta en Djokjakarta en aan Bae te Makasser kasser, voor zoover het rechtsgebied van don Mone of | en de botrett, zoomede om de bevoegdheid van die ee Hi oor he: 1; oces-regel UE ey 3 Th Rea op eve leon proces on Djokiakarta gold $. 1903—S, thans ver: vallen ingovolge LN. 51—9* achter KU- Oost-Java genoemd zijn van D hter West-Juva resp. Oost * bl. 232. Juli 1938 af cosidonties geworden, zie hforvoor S. 38-372 jo. 204° bl. 2
28 RECHTERLIJKE ORGANISATIE.
pongsche districten, Palembang, Djambi, Bangkaen Billiton en de Westerafd. v. Borneo ;
dat van den r.v.j. te Semarang over de gewesten Midden- Java,
Jogjakarta en Soerakarta ;
dat van denr.v.j. te Soerabaja over de gewesten Oost- Java, (2)
Bali en Lombok en Zuider- en Oosterafd. v. Borneo,
(Gew. S. 01-124, 269 ; 04—267 ; 14-457 ; 26—197, 198 ; 81-492.) De Gouverneur-Generaal bepaalt de samenstelling van de raden van justitie. (RBg. 75; S. 38-442.)
(Gew. S. 17-677 ; 34-484.) De presidenten, de vice-presidenten en de officieren moeten den vollen ouderdom van 28, de leden, de substi- tuut-officieren en de griffiers dien van 25, en de substituut-griffiers dien van 23 jaren bereikt hebben. Zij moeten allen aan een Nederlandsche Universiteit, dan wel aan de Rechtshoogeschool te Djakarta verworven hebben : hetzij den graad van doctor in de rechtswetenschap, hetzij de hoedanigheid van meester in de rechten, mits deze hoedanigheid is ver- kregen op grond-van.het afleggen van een examen in het Nederlandsch of Indonesisch burgerlijk- en handelsrecht, staatsrecht. en strafrecht. (Ov. 98; RO. 153; RBg. 76.)
121, (Gew. S. 01-124, 269 ; 32-460, 580.) De raden van justitie von- nissen en beschikken in alle zaken, behoudens uitzonderingen, met drie leden. (RO. 28; RBg. 77.)
- (Gew. S: 01—124, 269.) De Gouverneur-Generaal is bevoegd om, bij afwezigheid of yerhindering van leden, hun dienst te doen waarnemen door andere rechterlijke ambtenaren.
De griffiers bij de raden van justitie moeten, wanneer geen genoegzaam getal gewone, buitengewone of waarnemende leden tot het verrichten van den dienst aanwezig mocht zijn, als rechters zitting nemen. (RO. 155; Rv. 266; RBg. 78.)
- (Gew. 8. 82-460 jo. 580.) Onverminderd het bepaalde in art. 13ic houden de raden’ van justitie wekelijks ten minste twee terechtzittingen of zoo veel meer als de dienst der justitie en-eené spoedige en geregelde afdoe- ning van zaken vorderen. (RBg-80:) i yi
124, (Gew. S. 01-319, 465 ; 17—12 jo. 528 ; 1880 jo. 1981 ; 07-208 art. 3 jo. 19-816; 21-396 jo. 24-555.) Met uitzondering der zaken Peo bij art. \116/ (1) nemen de raden van justitic/in eersten aanleg
ennis : (?)
1°, van alle burgerlijke, zoowel persoonlijke, zakelijke, als gemengde rechtsvorderingen tegen Europeanen en Chineezen’;
2°, van alle burgerlijkerechtsvorderingengingesteld tegen Indonesiërs of met hen gelijkgestelde, niet-tot de Chineezen behoorende personen, die, voor zoover het onderwerp der=vordering betreft, krachtens wettelijke bepalingen zijn of zich vrijwillig hebben onderworpen aan het voor Euro- peanen vastgesteld burgerlijk- en handelsrecht. (RO. 95, 126; ISR. 131, 136, 163; Ov. 9, 15; Rv. 133; RBg. 81; S. 24—556* ; 08—347* ; 17—12.) () (*) see
- De gewesten achter West-Java resp. je, j ih Soi 1938 af residenties geworden, zie erate Ed en 339.
() Hier moet, voor zoover het rechtsgebied der raden yY, j. op Java zich
uitstrekt over de gewesten buiten Java en Mad. i.p.v. 11 art. 70 RBg. Zie RBg. 72. p.v. 116f gelezen worden
(£) Voor Indonesische vorsten enz. gold S. 67—10, thans als vervallen te
barn (BIS: 08—347 is b ij S, 08—847 is bepaald (thans als vervallen te beschouwen) :
Art. 1. (Gew. S, 07—206 art, 3 jo. 19-816 ; 24—450 jo. 499.) Alle Pargerliike rechtsvorderingen en strafvervolgingen tegen de door de Regeering aange- stelde Hoofden van Vreemde Oosterlingen, ook die als Chineesch lid aan de Weeskamer te Djakarta dan wel aan een der Wees- en Boedelkamers in Racpnesis -verponden zijn, Ron voor zoover zulks niet reeds het geval
aa} Europeanen. g aangebracht bij de rechtbanken en rechters voor . 2. De berechting der zaken van de in artikel 1 genoemde personen heeft plaats op de gewone bij algemeene verordening oeren eren (*) RO, 124-3°, toegev. bij S. 92-237, luidende : ,,3°. van alle burgerlijke
N,
48
50
SS ee
RECHTERLIJKE ORGANISATIE, 29 N. 125. De raden van justitie nemen, onverschillig tot welken landaard de RO. partijen behooren, in eersten aanleg kennis : 89 19, Ingetrokken: S. 41—160. (1)
2°. van alle zee- en strandvonden. (RO. 95, 126 ; K. 545y.)
Bij S. 41-160 is vastgesteld het Prijsgedingregl.*, met gelijktijdige intrekking v. d. vroegere bepalingen betr. prijzen en buit in AE 1903372 en 182954, on van do artt. RO. 125-1°, 126, RBg. 82 lid 1, 83. Ingevolge S. 42—54 zijn de artt. RO. 126 en RBg. 83, als abusievelijk Ingetrokken bij bovengenoemd S., weder ingevoegd
- (Gew. S. 87—153.) Van de uitspraken der raden van justitie, in de twee voorgaande artt. begrepen, valt hooger beroep aan het hooggerechts- hof, wanneer niet blijkt, dat de waarde der vordering f 500.— of minder bedraagt. (Rv. 327v. ; RO. 163; RBg. 83.)
Beneden dat bedrag vonnissen zij in het hoogste ressort.
54,65 127, De raden van justitie nemen in het hoogste ressort kennis : (2)
1°. (Gew. 9. 26358 jo. 27—246.) (°) van alle jurisdictiegeschillen tus- schen lagere in-naam-des-Konings rechtsprekenderautoriteiten onderling, tusschen dezen jen inheemsche rechters in rechtstreeks bestuurd gebied, waar de bevolking in het genot harer eigen rechtspleging is gelaten, en tusschen lagere in naam des Konings Techie ieeksn det autoriteiten en rechters van zelfbesturende landschappen, voor zoover de met die land- schappen gesloten contracten dit toelaten, een en ander mits de autori- teiten en rechters tusschen wie het jurisdicti il bestaat, gevestigd zijn binnen hun rechtsgebied ; (Rv. 270; Sv. 260v. ; RO. 116dectes.)
2°. (Gew. S. 87—631.) van alle vonnissen van de residentiegerechten, waarvan hooger beroep aan de raden van justitie is toegelaten ; (RO. 116h, 11652, 170.)
5 3°. van alle persoonlijke, zakelijke of gemengde regtsvorderingen, aan hooger beroep onderworpen, wanneer partijen verklaard hebben van dat beroep af te zien. J 4
Deze laatste bepaling is niet toepasselijk in zaken, die niet voor dading of compromis thtear zijn. (Bw. 1852 ; Ry. 133, 324; RBg. 84.)
- (Gew. S, 37-631.) Deraad-van-justitio te Djakarta neemt in het hoogste ressort kennis van alle aan hooger beroep onderworpen uitspra-
zaken, ten aanzien van de Chineezen op Java en Madura, geregeld door Doner van het Bw, piibendelbepaltas ad moet ingevolge S, 17—129, art. 22 als vervallen beschouwd worden,
(@) RO. 125-1° luidde : 1°, van alle geschillen in -zaken van prijzen en buit, die door schepen van oorlog van den staat, of door schepen bij particu- lieren uitgerust en van commissiën of lettres de marque voorzien, wonien achterhaald en opgebragt, mitsgaders vanalle geschillen, welke tusschen de nemers onderling deswege ontstaan; (RO. 129 ; RBg. 82.) B Aan
€) Krachtens artt. 9—15 van S, 12—545 * jo. 13—214 (Regl. (nau, len: dom Koloniën 1912) neemt de raad van justitie te Djakarta in zaan) amen kennis, in het hoogste ressort behoudens beroep ín cassatie, Ot Dees Eee verzoeken of requisitoiren, dat de inschrijving resp. worde ( of nietig vork 5
Cf. EN 10—21* Regl. op het krankzinnigenwezen in Jadonek:
() BY S. 26—358 art. 2 jo. 27—246 is bepaald : Bij de berechting van Jaris, dictiegeschillen tusschen een in naam des Konings rechtsprekende vels en een inheemschen rechter in rechtstreeks bestuurd gebied, weer deden king in het genot harer eigen rechtspleging is gelaten, aan wel enkelen Yan een zelfbesturend landschap, vinden in burgerlijke za. on as Eet Reglement op de rechtsvordering en in strafzaken de ar EEE Beret Reglement op ileiabrat vorderine oversan ome a ee arrest
ERT oo STEERS ’zelfbestuursrechter is (residentie) à e lid bedoelde inheemsche of zel Kaede vevkon zoo anolis om con unease en bev: ter aan! (CF. S. b Pee nook is voledigheldshatve bijven slaan, hoewel de bepaling ieraard is. ;
30 REOHTERLIJKE ORGANISATIE,
ken van de landraden, ook van die in de ressorten van de raden van justitie te Semarang en Soerabaja. (RO. 95v., 1284; IR. 188v.)
De partijen in eersten aanleg aan de rechtsmacht der landraden onder- worpen, kunnen, wanneer zij daaromtrent overeenkomen, hare voor hooger beroep vatbare geschillen dadelijk onderwerpen aan den raad van justitie te Djakarta, die alsdan in die zaken eveneens in het hoogste ressort uitspraak doet. (ISR. 136 ; RBg. 85.)
128a. (Ing. S. 37—631.) Ben der kamers van den raad van justitie te Djakarta is in het bijzonder belast met de berechting van de zaken, omschreven in art. 128,
De Voorzitter en de leden van die kamer worden, met afwijking in zooverre van het bepaalde in art. 6 van het Koninklijk besluit van 14 Januari 1901 No. 41 (LS. No. 126), betreffende de indeeling en werkzaam- heden van het Hooggerechtshof van Indonesië en van de raden van justitie op Java voor den tijd van drie jaren als zoodanig aangewezen door den president van het Hooggerechtshof. Art. 9 van dat Koninklijk besluit is opsbedoelde leden niet vantoepassing:
- (Gew, S. 17497; 07-2065 art. 3 jo. 19-816; 20472 ; 21-70.) In strafzaken nemen de raden van justitie in eersten aanleg kennis :
1°. van alle door Europeanen gepleegde misdrijven, uitgezonderd die, vermeld in art. 116 novies onder letter b, en behoudens de bepalingen van art. 165 ;
2°. zonder onderscheid. van den landaard der beklaagden, van de mis- drijven, vermeld in de artt. 324 tot en met 327, 396 tot en met 400, 402, 438 tot en met 447, 450 en 451 van het Wetboek van Strafrecht. (RBg. 86.) (1)
(Gew. S. 19-10 jo. 20-498 ; 32-460, 580.) De eindvonnissen in eersten aanleg door raden van justitie.in zaken van misdrijf gewezen zijn, met uitzondering van die, waarbij de beklaagde van de geheele telastlegging is vrijgesproken, vatbaar voor revisie. (RO. 95, 163, 169; Sv. 282; RBg. 88; Bb. 446, 2495, 2628.)
129 a. (Ing: S. 01—124,269; gew. 03=7 ; 19-10 jo. 20-498.) De raden van justitie oordeelen in revisié over alle daaraan onderworpen vonnis- gen, door de landraden en daarmede gelijkstandige Indonesische recht- banken in hun rechtsgebied gewezen.
(Gew. S. 2321 jo. 74.) Zij onderzoeken de niet aan revisie onder- worpen vonnissen, door de in het vorig lid genoemde rechtbanken in zaken van misdrijf gewezen, zoo dikwijls zulks hun of het Hooggerechts- hof dienstig voorkomt, en zijn bevoegd om aanmerkingen te maken, op de behandeling, zoowel van de hierbedoelde, als van de ter behandeling in revisie toegezonden zaken. (RBg. 89.)
- (Gew. S. Ol—15, 2735. 14-817; 07-205 art. 3 jo. 19-816.) De raden van justitie nemen in eersten aanleg kennis van alle over- tredingen, begaan door Europeanen, voor zoover zij niet aan de beslissing der landgerechten zijn opgedragen dan wel ingevolge art. 165 van dit Reglement bij het Hooggerechtshof behooren te worden aangebracht.
(Gew. laatstel. S. 32-460, 580.) De eindvonnissen, in die zaken ge- wezen zijn, met uitzondering van die, waarbij de beklaagde van de
geheele telastelegging is vrijgesproken, «vatbaar voor revisie. (RO. 171; Sv. 303v.; RBg. 87.)
() Bij art, 31 van S, 1856—74 * is de berechting van vervolgingen o! nd van het bij gemeld Staatsblad afgekondigd drukpers-reglement aan 5 EE van justitie opgedragen. Zie ook S. 1900—317 en 318, \
Volgens artt. 8 en 14 van S. 83—188* brengt de raad van justitie bij aan- vraag van uitlevering van vreemdelingen, na gehouden verhoor van den opgeëischten persoon, advies uit over het al of niet toestaan der uitlevering.
RECHTERLIJKE ORGANISATIE, 31
Het oorspronkelijke art. 131 is ingetr. bij S. 25-497.
131, (Ing. S. 32460, 580.) Eenvoudige strafzaken, waarvan de raden van justitie in eersten aanleg kennis nemen, worden in de gevallen en op den voet, als geregeld in het reglement op de strafvordering, berecht door uit één lid bestaande (enkelvoudige) kamers. De bepalingen omtrent de indeeling en werkzaamheden van het Hooggerechtshof van Indonesië en van de raden van justitie op Java in het Koninklijk besluit van 14 Jan. 1901 No. 41 (LS, 1901 No. 126) zijn op die kamers niet van toepassing. De bepatinnen vim S. 01-126 zijn bij S. di} buurten werkse gesteld.
131a. (Ing. S. 32460, 580.) Enkelvoudige kamers, als bedoeld in het voorgaand art., worden gevormd door :
a. één of meer leden van elken raad, door den president van het Hoog- gerechtshof daartoe voor den tijd van twee jaren benoemd ;
b. de door den Gouverneur-Generaal bij regeeringsverordening aan te wijzen residentierechters in ’s raads ressort. (S. 32-581 jis 35-262, 39—408.)
Zij dragen den-titel-van-politierechter:
131 b. ( Ing. S7 32460, 580.) Een door den president van het Hoog- gerechtshof benoemde politierechter wordt vervangen door het door dien president aan te wijzen lid van den raad ; hij wordt bijgestaan door ’s raads griffier.
Een door den Gouverneur-Generaalaangewezen residentierechter wordt als politierechter vervangen door dengene, die hem als residentic- rechter vervangt; hij wordt bijgestaan door den griffier van het residentie- gerecht, i
131 c. ( Ing. $. 32-460, 580.) De politierechters, genoemd in art. 131 a onder a houden, behalve op Zondag, yoor zooveel dit noodig en mogelijk is, dagelijks zitting ter hoofdplaats ‘van'’s raads ressort. Zij zijn bevoegd, wanneer het belang van den dienst’ dit vordert, ook elders binnen dat ressort zitting te houden. : 5
De politierechters, genoerad in-art.13)-a-onder b houden zitting zoo vaak dit noodig is en op zoodénige plaatsen binnen hun rechtsgebied als in het belang van den dienstnoodzakelijk-ia, \
131 d. (Ing. S. 32—460, 580% Gew. 39-715 * 41—81 jo. 98.) Do ambte- naren van het openbaar ministerie bij de politierechters worden aange- wezen door of namens den Gouv.-Gen., met dien verstande, dat voor de aanwijzing alleen in aanmerking komen in rechten gegradueerdo personen en Europeesche ambtenaren bij het binnenlandsch bestuur van niet lageren rang dan assistent-resident. Hunne yervanging wordt bij de in art. 13la onder b genoemde regeeringsverordening geregeld. ir
- De raden van justitie hebben; ieder in de uitgestrektheid van zijn fife Soa het oppertoezigt over. de weeskamers en voogdijen. (Weesk.
3 RBg. 90.
133, (Gew. i. 41—611 jo. 513.) De gevallen waarin de weeskamers, hetzij eischender, hetzij verwerender wijze, kosteloos of tegen verminderd tarief in regten kunnen optreden, en de wijze waarop de daartoe ver- eischte vergunning wordt gevraagd en verkregen, worden geregeld bij de wettelijke bepalingen op de burgerlijke regtsvordering. (Ov. 70, 72; Bw. 415; Rv. 80lv.; IR. 240v.; RBg. 276.)
- (Gew. S. 97-53, 55.) De raden van justitie zijn bevoegd om, op verzoek van bloedverwanten of aanverwanten, na het openbaar ministerie te hebben gehoord, of wel op de vordering van den officier van justitie ambtshalve, tot behoud van goede orde of tot voorkoming van onge- lukken, zoodanige personen, die wegens een doorgaand slecht en buiten- Sporig gedrag, ongeschikt zijn om aan zich zelven overgelaten te bljzen; of wel voor de veiligheid van anderen gevaarlijk zijn, na behoorlijk on er- zoek, doch buiten vorm van proces, in daartoe bestemde gestic! eee ziekenhuizen of andere geschikte plaatsen in verzekerde bewaring
32 REOHTERLIJKE ORGANISATIE.
doen stellen, en hen daarin te doen houden zoo lang door die personen geene merkbare teekenen van beterschap worden gegeven.
Zoodanige verzoeken en vorderingen zijn onafhankelijk van de cura- tele, welke, indien zij niet reeds is verleend, en wanneer daarvoor overi- gens genoegzame gronden aanwezig zijn, gelijktijdig of later kan worden gevraagd, overeenkomstig de bestaande wettelijke bepalingen. (RO. 137v.; Bw. 435, 456v., 462; IR. 234; RBg. 91; S. 68—72; Bb. 775, 1072, 2143.)
De beschikkingen, in het vorige art. vermeld, kunnen voor geen lan- geren termijn dan voor één jaar genomen worden. Deze termijn kan echter telkens, op verzoek of vordering als voren, en na een nieuw onderzoek, doch niet langer dan voor één jaar, verlengd worden. (RO. 137v.; RBg. 92.)
(1) (Gew. S. 36-81, 159.) De beschikkingen der raden van justitie, in de gevallen voorzien bij de twee voorgaande artt., zijn bij voorraad uitvoerbaar. Van dezelve valt hooger beroep aan het Hooggeregtshof, hetwelk daarin mede zonder vorm van proces zal beslissen.
(2) (Toeg. S. 39-715.) De in het voorgaand lid bedoelde beschikkingen worden tenuitvoer gelegd op bevel vanden officier van justitie bij den raad van justitie.) (RO- 138; RBg- 93.)
- (Gew, S. 97—53, 55 ; 39-715.) Wanneer een persoon, die ingevolge de voorschriften der artt. 134 en 135 in verzekerde bewaring is gesteld, zoodanige merkbare teekenen van beterschap geeft, dat eene langere afzon- dering niet meer noodzakelijk is, zalde raad van justitie, welke de be- schikking heeft genomen, na behoorlijk onderzoek, en nadat het openbaar ministerie zal zijn gehoord, doch overigens buiten vorm van proces, op verzoek van den in bewaring gestelden persoon, of van deszelfs bloed- verwanten! of aanverwanten, het ontslag bevelen. (Bb. 1884.)
Het openbaar ministerie ig-mede bevoegd om het ontslag ambtshalve te vorderen, 1
De beschikkingen, waarbij het ontslag is geweigerd, zijn vatbaar voor hooger beroep aan het hooggerechtshof, hetwelk daarin mede zonder vorm van! proces zal beslissen. (RO-138; RBg. 94.)
137 a. (Ing. S. 36—81, 159; 48—322:) De raden van justitie zijn mede bevoegd om op vordering van den officier van justitie bij eenvoudige be- schikking de opneming in een daartoe bestemde werkinrichting te ge- lasten van personen boven den leeftijd van achttien jaren, van wie door het Hoofd van het Departement van Sociale Zaken is verklaard, dat zij behooren tot de arbeidschuwe werkloozen zonder voldoende middelen van bestaan, indienzij door bedelarij, landlooperij of onmaatschappelijk ge- drag de goede orde verstoren.
Op vorderingen als.in-het cerstelid bedoeld wordt niet beschikt dan na verhoor althans behoorlijke oproeping van hem, wiens opneming is gevorderd. De raad beslist op»de-overgelegde relazen en rapporten, doch is bevoegd getuigen te hooren, die omtrent de gestelde feiten nadere inlichtingen kunnen verstrekken.
De artt. 135 en 136 zijn op beschikkingen als in de beide voorgaande leden vermeld van toepassing.
_De directeur van justitie is bevoegd den betrokkene ten allen tijde uit de inrichting te ontslaan, indien de oorzaak van zijn opneming, is opgeheven of zijn lichamelijke of geestelijke toestand verder verblijf onwenschelijk doet zijn.
(Aang. Ss. 39-715.) Hij, te wiens aanzien verlenging van den termijn van opneming is gevorderd, blijft in de inrichting hangende het onder- zoek van den raad. Ingeval de raad de verlenging woigert, blijft be- trokkene, hangende het onderzoek van het hooggerechtshof, in de inrichting, indien de officier van justitie te kennen geeft tegen deze beschikking hooger beroep aan te teekenen.
De stukken vereischt tot de opneming in een werkinrichting en de rechterlijke beschikkingen zijn vrij van zegel.
De aanwijzing van de in het eerste lid bedoelde werkinrichtingen en al wat verder voor de uitvoering van dit art, noodig is, wordt bij regeer ringsverordening geregeld. (IR. 234a; RBg. 94a; S. 36—160*.)
REOHTERLIJKE ORGANISATIE, 33
138, (Gew. S. 97-53, 55 ; 1830; 19-81; 07-205 art. 3 jo. 19-816 ; pare! 4 pg 2 fag hl, De an ve de vijf vóórgaande art. op Wuropeanen alsmed i (ISR. 163 ; IR. 234, 2344; Bb. 775, 1072) (1) on ee
139, De wettelijke bepalingen op het burgerlijk regt regelen de be- mocijenissen der raden van justitie ten aanzien van het vestigen van hypothecaire verbanden of andere zakelijke regten en opzigtelijk over- ron eigendom. (Ov. 24v. ; Bw. 616v. ; 1179v.; Overschr. 1, la; RBg. 95.
- Het toezigt, door do raden van justitie uit te oefenen op de nota- rissen en derzelver protocollen, registers en repertoires, gelijk mede op de gevangenissen, ter plaatse waar die raden gevestigd zijn, wordt bij bijzondere bepalingen geregeld, (Ov. 104; Sv. 362, 367; RBg. 96; Not. 50v.; S. 18—169.)
141, 142, Vervallen: S. 39—610. Cf. Not. 66.
143, De dubbelen der registers van den burgerlijken stand worden ter griffie der raden. van justitie overgebragt.en,.onder.toczigt.yan die raden, bewaard door den griffier, die bevoegd is-om daarvan uittreksels te geven, op gelijken voet en wijze als de met de opmaking der acten van den burgerlijken stand belaste ambtenaren. (BS. 17, 34y. ; RO. 67v. ; RBg. 99.)
144, (Wew, 9, 41—31 jo. 98.) (1) Ve officieren van justitie bij deraden van justitie zijn verpligt om naauwkeurige registers te houden: (RBg. 100.)
1°, van alle door hen behandeld wordende zaken, geene uitgezonderd, met duidelijke vermelding van derzelver aard, van de daarin betrokkene personen, van hetgeen daarin is geschied of verrigt, en wanneer, door wien, en op welke wijze dezelve zijn afgedaan; =
2°. van al de in de gevangenissen, der raden van justitie in verzekerde bewaring gestelde personen, met vermelding om welke oorzaak en op wiens last de gevangenzetting heeft plaats gehad. (Sv. 362.)
(2) Van deze registers moeten elke drie maanden, of binnen zooveel kor- teren tijd als de procureur-generaal dienstig zal oordeelen, volledige afschriften aan laatstgemelden worden ingezonden. (RO, 182.)
(3) (Lory. S. £82 ju. 98.) 86n gelijke verplichting als met betrekking tot het aanhouden en opzenden van registers in het eerste lid sub 1e en in het tweede lid van dit art. is omschreven, rust ook op de buitongewone officieren van justitie bij de raden van justitie en de ambtenaren van nee openbaar ministerie bij de politierechters, met dien verstande, dat de opzending der afschriften „behoort to geschieden aan/de officieren van justitie bij de raden van justitie.
HOOFDSTUK IV: Bepalingen omtrent het regtswezemin de bezittingen buiten Java en Madura.
145-150, ingetrokken bij art, I h van S. 1901—306 jo. 190286. Zie thans Rechtsregl. Buitengewesten.
HOOFDSTUK V.
Van het Hooggeregtshof van Indonesië.
(Dit hootdst. le. behoudens afwlikingen, 5, Nene op de buitengewesten Rechtsregl. 5 ; *
151, Het Hooggeregtshof is itil; ae pci deszelfs regtagebied strekt zi i 1 Indonesië. b i ae
152, (Gow, loedel 8. 47-20) Het hooggereohtshof is samengesteld uit één president en twee raadsheeren, éen eo ai ae door één advocaten-generaal, benovens één griffier, desnoodig DE of meer substituut-griffiers.
() Alinea 2 is vervallen krachtens 3. 97-53 Jo. 55.
om
34 RECHTERLIJKE ORGANISATIE,
De Gouv.-Gen. is bevoegd om — wanneer de werkzaamheden zulks _N, vereischen — de samenstelling van het hooggerechtshof uit te breiden RO, met één vice-president en één of meer raadsheeren.
153, (Gew. S. 17-677 ; 20-346, 590, 786, 787 ; 33-6 jo. 33 ; 34—484.)64, 96 De president, de vice-president en de procureur-generaal moeten den vol- len ouderdom van 30, de raadsheeren dien van 28, de advocaten-generaal en de griffier dien van 25, en de substituut-griffiers dien van 23 jaren be- reikt hebben. Zij moeten allen aan een Nederlandsche Universiteit, dan wel aan de Rechtshoogeschool te Djakarta verworven hebben : hetzij den graad van doctor in de rechtswetenschap, hetzij de hoedanigheid van meester in de rechten, mits deze hoedanigheid is verkregen op grond yan het afleggen van een examen in het Nederlandsch of Indonesisch burgerlijk- en handelsrecht, staatsrecht en strafrecht. (Ov. 98; RO. 120; Rv. 270; Sv. 279.)
(Gew. laatstel. S. 47—20.) De verdeeling der werkzaamheden van 100 het hooggerechtshof wordt geregeld door deszelfs president, Het hoog- gerechtshof voorziet, vonnist en beschikt met drie raadsheeren, de president (en de=vice-president) daaronder-begrepen. (RO. 28.)
(Gew. S, Ol—124, 269.) De Gouverneur-Generaal is bevoegd om bij afwezigheid of verhindering van raadsheeren, hun dienst te doen waar- nemen door andere rechterlijke ambtenaren.
De griffier bij het Hooggerechtshof moet, wanneer geen genoegzaam getal gewone, buitengewone of waarnemende raadsheeren tot het ver- richten van den dienst aanwezig mocht zijn, als raadsheer zitting nemen.
Het Hooggeregtshof houdt wekelijks ten minste twee terechtzit- tingen, of zoo veel meer als de dienst der justitie zal vereischen.
Het Hooggeregtshof is, als, opperste regtbank, belast met het toezigt op de bedeeling des regts in geheel Indonesië, en met de zorg dat die bedeeling behoorlijk en onvertogen plaats hebbe. (ISR. 158.)
Hetzelve waakt naauwkeurig-over de handelingen en verrigtingen van de regtbanken en regters, en_kan te dien aanzien in het belang van den dienst, zoowel bij afzonderlijken” als “bij rondgaanden brief, zoodanige aanmerkingen maken en teregtwijzigingen geven, als nuttig en noodig zullen worden geoordeeld. (Bb. 2086, 2631, 4030.)
Het Hooggerechtshof is bevoegd tot het vorderen van berigt, consi- 107 deratiën en advijs van alle, zoowel burgerlijke als militaire, regtbanken en regters, mitsgaders van den procureur-gencraal en andere ambtenaren van het openbaar. ministerie: het kan daarbij de overlegging of opzen- ding van stukken gelasten.
Het bepaalde bij het tweede lid van art. 32 wordt ten deze toepasselijk verklaard.
- Met. uitzondering vande gevallen, voorzien bij de drie volgende artt., zijn de arresten van het Hooggeregtshof, hetzij in eersten aanleg, hetzij in hooger beroep, revisie of cassatie gewezen, voor geenerhande nadere voorziening vatbaar, behondens de middelen van verzet en req uest- civiel, in de gevallen, bij de wettelijke bepalingen op de burgerlijke regts- vordering omschreven. (Rv. 385v.)
159-161. Ingetrokken: S. 1901319 jo. 465.
- (Gew. S. 47—20.) Het Hooggeregtshof neemt kennis in eersten se aanleg, en tevens in hoogste ressort, van alle jurisdictiegeschillen :
1°. (Gew. S. 01-15, 273 ; 26—358 jo. 27—246.) tusschen in naam des Konings rechtsprekende autoriteiten onderling, tusschen dezen en inheem- sche rechters in rechtstreeks bestuurd gebied, waar de bevolking in het genot harer eigen rechtspleging is gelaten,en tusschen in naam des Konings rechtsprekende autoriteiten en rechters van zelfbesturende landschappen, voorzoover de met die landschappen gesloten contracten dit toolaten, in alle genoemde gevallen. wanneer de autoriteiten en rechters tusschen wie het jurisdictiegeschil bestaat, niet binnen het rechtsgebied van denzelfden appèlraad gevestigd zijn ;
2°. tusschen de appèlraden onderling ;
RECHTERLIJKE ORGANISATIE. 35 |
N. 3°. Gew. S. 26—358 jo. 27—426 ; vervallen krachtens S. 47—20 | RO. 4°, tusschen den burgerlijken en den militairen regter, uitgezonderd | wanneer het geschil is ontstaan tusschen hi 3 fee ae S en het Hooggeregtshof en het Hoog-militair-geregtshof, in welk geval de Gouverneur-Generaal uitspraak | doet omtrent de competentie. (ISR. 139; Ry. 270; Sv. 261; T. 44 199 ) 91 163. Het Hooggeregtshof oordeelt in hooger beroep a je ij
1°. Vervallen krachtens S. 47—20. 2 ;
2°. (Gew. 8. 87-158 ; 07-475, 482a.) over de arbitrale vonnissen, in eersten aanleg gewezen in geheel Indonesië, wanneer niet blijkt, dat de waarde der vordering / 500.— of minder bedraagt ; (Rv. 324, 641.)
Ingevolge art. 101 Rechtsr. Buitengew. (S. 27—227) is dit art. aangevuld als volgt :
3, over de vonnissen van de residentiegerechten bedoeld in art. 71 No. 2 van het reglement tot regeling van het rechtswezen in de gewesten buiten Java en Madoera.
- Alle burgerlijke geschillen, welke aan hooger beroep aan het Hoog- gerechtshof zijnonderworpenykunnenswanneer-partijendaaromtrent over- eenkomen, met voorbijgang van den bevoegden lageren regter, dadelijk worden onderworpen aan de beslissing van het Hooggeregtshof, hetwelk alsdan uitspraak doet in het hoogste ressort. (Rv. 324.)
92 165. (Gew. S. 783 ; 1901-15, 273 ; 14-317 ; 19—54ó ; 24-449 jo. 499; 33-6, 33; 34—172, 337 ; 47202) Het Hooggerechtshof oordeelt in eersten aanleg en tevens in het hoogste ressort over alle strafvervolgingen, ter | zake van misdrijven en overtredingen, gedurende den tijd hunner functién | begaan, ingesteld tegen: (RO. 6; Sv. 14, 247v.; S. 83-188 arté. 16 en 17*.) 1°. den vice-president en de leden van den Raad van Indonesië ;
la. de leden van den volksraad ; 4
2°. den algemeenen secretaris, de secretarissen van het Gouvernement, en den secretaris van den Raad van Indonesié;
3°. den president, den vice-president; de-leden, de ambtenaren van het openbaar ministerie, den grifficr-zoo-van-en-bij het Hooggerechtshof als van en bij het Hoog-militair-gerechtshofs, i
4°. de hoofden der departementen-van.algemeen burgerlijk bestuur ;
5°. den president en de leder der algemeene rekenkamer ;
6°. de gouverneurs en de residenten ;
Bij S. 47—20, ug. 81 Jan. 1947, te het bepaalde sub 7°, 8°, 9° en 10° | vervangen door hetvolgende sub 7°. |
7°. de voorzitters. en leden der appélraden, de Landrechters, de offi. cieren van justitie bij de landgerechten alsmede de presidenten en de auditeurs-militair bij de. krijgsraden. N
(Gew. S. 25-241; 4720.) Rehter worden de personen, vermeld in de nummers la, 2, 4, 6, 7, zoomede de griffiers-van het Hooggerechtshof en van het Hoog-militair-gerechtshof, woorde misdrijven, vermeld in art. 116 movies onder b, en voorovertredingen vervolgd voor het landgerecht.
Met uitzondering van het geval van voorloopige aanhouding bij de ontdekking op heeter daad, kan tegen de ambtenaren in het voorgaande ‘ artikel vermeld, zoo lang zij in functie zijn, geen bevel van gevangenneming worden ten uitvoer gelegd, alvorens de procureur-generaal de zaak ter kennis van den Gouverneur-Generaal zal hebben gebragt, ten einde door dezen de noodige maatregelen worden genomen tot voorzetting, der ver- volging buiten nadeel van ’s lands dienst. (ISR. 156 ; Sv. 247.)
Dadelijk na ontvangst van het door den Gouverneur-Generaal te geven berigt, dat de vereischte maatregelen zijn genomen, en bij gebreke van dien, vier weken nadat de bij het vorige artikel bedoelde kennisgeving is geschied, wordt het regtsgeding voortgezet. (Sv 247.)
Tegen de ambtenaren, vermeld in art. 165, kunnen geene vervol- gingen plaats hebben wegens misdrijven, door hen in de uitoefening hun- ner ambtsbetrekkingen begaan, dan na bekomene magtiging van den Gouverneur-Generaal; doch is de procureur-generaal desniettemin verpligt om, ook vóór het erlangen der magtiging tot vervolging, ambtshalve alle
metende
———
36 RECHTERLIJKE ORGANISATIE,
gepaste nasporingen te bewerkstelligen en alle mogelijke inlichtingen in te winnen en te doen inwinnen. (RO. 179 ; Sv. 247.)
(Gew. S. 01-124, 269 ; 19-10 jo. 20-498.) Het Hooggerechtshof oordeelt in revisie over alle daaraan onderworpen vonnissen van de raden van justitie. (Sv. 282.)
(Gew. S. 12—253 ; 14—817 jo. 24—284 ; 21—80 ; 47—20.) Behoudens de uitbreiding van het rechtsmiddel bij latere wettelijke bepalingen, neemt het Hooggerechtshof kennis :
1°, van den ambtshalve door den procureur-generaal wegens schending van het recht ingestelden eisch tot cassatie van alle door de landrechters en appèlraden, zoo in burgerlijke als in strafzaken gewezen vonnissen en beschikkingen, welke in kracht van gewijsde zijn gegaan ; (RO. 116), 175.)
- van den door partijen ingestelden eisch tot cassatie van de vonnis- sen en beschikkingen door de landrechters in hoogste ressort en door de appélraden gewezen in burgerlijke en strafzaken, (*) gelijk mede in zaken van jurisdictiegeschillen, met uitzondering zoowel sub 1°. als sub 2°. van de vonnissen in strafzaken waarbij de beklaagden wegens het niet bewezen zijn van hunne»schuld) zijn vrijgesproken.
(2) Ten einde ambtshalve den eisch tot cassatie wegens schending van het recht te kunnen instellen, is de procureur-generaal bevoegd in alle zaken de processtukken op te vragen.
(2) Indien de voorziening in cassatie niet alleen is toegelaten op den ambtshalve door den procureur-generaal wegens schending van het recht gedanen eisch, kan de eisch tot cassatie slechts ingesteld worden na ver- loop van de termijnen aan de partijen toegestaan.
(£) Het in cassatie — op den ambtshalve ingestelden eisch van den procureur-generaal — wegens schending van het recht gewezen arrest brengt geen nadeel toe aan de’ door partijen verkregen regten.
- (Gew. S. 12-253.) Op den daartoe ingestelden eisch vernietigt het Hooggerechtshof de vonnissen en-beschikkingen in het vorig art. vermeld :
1°. wegens verzuim van, vormen, voorgeschreven op straf van nietig- heid; (RO. 29v., 174; Ry. 94v-5 Sv. 178v., enz.)
2°. (Gew. 9. 4720.) wegens=sohending, van het recht ; — het recht wordt geacht te zijn geschonden, indien de rechter cen rechtsregel niet of niet juist tot gelding heeft gebracht; (RO. 173, 175 ; Rv. 411%, 426; Sv. 304, 326.)
EU ae verschrijding van rechtsmacht; (RO. 173; Rv. 426 ; Sv. , 326.)
4°. wegens onbevoegdheid. (ISR. 158; RO. 175; Rv. 427, 480 ; Sv. 304.)
Vervallen : S»12=253.
(Gew. 8. 47—Z0:) Indien het vonnis vernietigd wordt wegens schending van het recht ofvoverschrijding van rechtsmacht, moet het hooggerechtshof do zaak ton principale afdoen en zulks steeds bij het zelfde arrest, waarbij de vernietiging wordt uitgesproken, tenzij het hoog- gerechtshof ambtshalve een nader onderzoek noodig oordeelt op grond dat voor de beslissing ten principale gegevens noodig zijn, welke door het vonnis niet worden opgeleverd. (RO. 175; Rv. 407, 424, 426, 429, 434; Sv. 323, 326.)
174, Indien de vonnissen vernietigd worden ter zake van verzuim van vormen, die op straf van nietigheid zijn voorgeschreven, beveelt het Hooggeregtshof een nieuwe instructie, te beginnen met de oudste acte,
() Ingevolge Rechtsregl. Buiteng. art. 101 moet in art. 170, eerste lid, onder 2° in stede van de woorden : „in de strafzaken vermeld in het derde nummer van art. 95’ (dje hier vóór do wijziging bij S. 47—20 stonden) gelezen worden: „in de zaken van overtreding bedoeld in art. 45 onder B van het reglement tot regeling van het rechtswezen in de gewesten buiten Java en Madoera’,
(2) De laatste 3 leden ingevolge S. 14—317 uit art, 170 weggevallen, zijn bij S, 24—284 weder eraan toegevoegd, on bij S. 47—20 gewijzigd.
109
BEORTERLIJKE ORGANISATIE. 37
in welke de nietigheid is begaan. (Rv. 407 8 323, 327.) 8 eg, (Rv. 407, 424, 434; Sv. 305, 308,
Deze instructie kan plaats hebben :
1°. bij het Hooggeregtshof zelf, hotwelk alsdan de zaak zal beslissen ; (Rv. 429.) 2
2°, (Gew. S. 47—20.) bij denzelfden rechter, die reeds van de zaak heeft kennis genomen, of indien dit volstrekt noodzakelijk wordt geacht, bij een anderen rechter van gelijken rang. (Sv. 327.)
- Indien het vonnis wordt vernietigd wegens onbevoegdheid, ver- wijst het Hooggeregtshof de zaak naar den bevoegden regter. (Rv. 424, 434 ; Sv. 323, 328.)
(Gew. S. 47—20.) De bepalingen van het tegenwoordige en van de beide voorgaande artt. zijn niet toepasselijk in geval van vernietiging wegens schending van het recht uitgesproken op den daartoe ambtshalve inge- stelden eisch van den procureur-generaal. (RO. 170; Rv. 407; Sv. 330.)
- (Gew. 9. 12-253.) De eisch tot cassatie wordt niet toegelaten, ind hea ander=middel=van=voorziening aanwezig”is. (Rv. 405;
Vv. je \ di
Vervallen: S. 47—20. (2)
Het toezigt, door het Hooggeregtshof met opzigt tot het notariaat en de bij het hof behoorende gevangenissen uit te oefenen, hts bij afzonderlijke bepalingen geregeld. (Sv. 362, 367; Not. 51;
- 18169.)
- (Gew. S. 17-497, 645.) Behoudens de bepalingen van art. 4, zal het Hooggeregtshof, indien hetzelve door het beklag der belanghebbende partij of op eenige andere wijze kennis-draagt, dat er verzuim heeft plaats gehad in het vervolgen van misdrijven. of overtredingen, den procureur- generaal gelasten om deswege verslag té doen en voorts kunnen bevelen, dat te dier zake het vereischte gevolg worde gegeven, zao daartoe gronden zijn, ten ware de vervolging door den Gouverneur-Generaal, bij schriftelijk bevel, mogt zijn of worden tegengehouden. (ISR. 157; RO. 5; Sv.99; S. 03-8, art. 2.)
De Gouverneur-Generaal zal zoodanig-bevel niet kunnen uitvaardigen, evenmin als hij zal mogen verleenen of weigeren de magtiging, vermeld in art. 168, zonder vooraf den raad van Indonesië te hebben gehoord.
Indien de Gouverneur-Generaal met den raad van Indonesié in gevoelen verschilt, zal hij dé,gronden waarop de beslissing rust, in geschrifte stellen en ter zijner verantwoording aan den Koninginzenden./
180, De procureur-generaal is het hoofd der regtspolicie in geheel Indo- nesië, en als zoodanig belast)met de zorg voor eene spoedige.en kracht- dadige uitvoering van al hetgeen; betrekkelijk-dat onderwerp, in de wet- telijke bepalingen op de strafvordering is voorgeschreven. it) HBL
(Gew. S. 41—81 jo. 98.) De ambtenaren van het openbaar ministerie bij de Europeesche rechterlijke colleges en do krachtens het eerste lid van art. 93a door den Gouy.-Gen. aangewezen landraden staan te dien aan- zien, behoudens het bepaalde bij art. 56, bij uitsluiting en onmiddellijk onder zijne bevelen. (Sv. 2, 111; Bijbl. 804.) 3
181, De procureur-generaal is bevoegd om aan de europesche (?) admi. nistratieve ambtenaren, welke met de policie belast zijn, dienaangaande zoodanige instructiën te geven, als hij in het belang der justitie, tot opspo- ring en voorkoming van misdrijven of overtredingen en tot handhaving der openbare orde en rust, noodig zal achten. Indien over de uitvoering van zoodanige instructiën, of omtrent de bevoegdheid van den procureur- generaal om die te geven, bezwaren mochten oprijzen, zullen deze ter ken- “_@) RO. 177 luidde: Hot Hooggeregtshof zal, bij wege van evocatie, in eersten aanleg, en tevens in het hoogste ressort, kennis nemen van alle ‘burgerlijke zaken, waarin door de radon van justitie, of wel door europesche
ambtenaren alleen regt sprekende, regt wordt geweigord, of welker af- doening door dezelve op eene onbehoorlijke wijze wordt vertraagd. (RO.
157 ; AB. 22; Rv. 859 v. Pal 2 (?) „„Europesche” voor he getsl. v: Jav, Mad. vervallen (S. 31-168 jo. 428.)
38 REOHTERLIJKE ORGANISATIE, |
nis worden gebragt van het Hooggeregtshof, hetwelk daarop, met inzen- ding van deszelfs consideratién en advijs, de beslissing van den Gouver- neur-Generaal zal vragen.
De procureur-generaal mag echter op eigen gezag geene bevelen geven, die in verband staan tot het Indonesisch bestuur of de huishoudelijke inrig- ting der dessa’s, maar zal dienaangaande de vereischte voorstellen doen aan den Gouverneur-Generaal, van wien, met betrekking tot die onderwer- pen, de noodige aanschrijvingen uitgaan. (Bb. 804, 10627, 13114.)
- De procureur-generaal is verpligt tot het houden van registers, gelijk aan die, welke bij art. 144 zijn omschreven.
Het Hooggeregtshof heeft ten alle tijde de bevoegdheid om inzage te nemen van die registers, en van de afschriften, welke, ingevolge art. 144, aan den procureur-generaal moeten worden ingezonden.
183, De griffier van het Hooggeregtshof zal aan den voet van alle publi- catién en ordonnantién der regering, die ten overstaan.van commissarissen uit het Hooggeregtshof in het openbaar worden afgekondigd, van de aldus
edane afkondiging doen blijken door eene schriftelijke-vermelding, welke oor hem zal worden onderteekend. (ISR. 95.)
- In geval van overlijden van eenen advocaat of procureur, te Djakarta gevestigd, zal de griffier van het Hooggere tshof zich onverwijld begeven ten sterfhuize of ten kantore van den pried, en aldaar van den bewindhebbende in ‘den boedel onder inventaris overnemen alle acten, bescheiden en schrifturen, behoorende tot door den overledenen practizijn behandelde of aangenomen regtezaken. (RO. lálv.)
Deze stukken worden door hem ter gate overgebragt, en, na daartoe be- | komen verlof van het Hooggeregtshof, aan de Bheaiblnder uitgereikt. | In geval van overlijden; van eenen advocaat of procureur bij een elders dan te Djakarta gevestigden raad van justitie, worden de hiervoren om- schrevene werkzaamheden verrigt door den griffier van den raad van justitie, binnen welks ressort-de- overledene ‚practizijn woonachtig is geweest; zullende het verloftot afgifte der stukken alsdan ook door dien raad worden verleend.
“HOOFDSTUK VI. Van de Advocaten en Procureurs. (* (Dit hootdst. is toepasselijk op de buitengewesten: R.Bg. 2.) R.( Zie S. 1947—20, art. 5 achter RO. mi 185, De advocaten zullen tevens zijn procureurs: De aard dezer bedie- 1 ning en de daaraan. verbondene werkzaamheden worden bij de wette ki lijke bepalingen op desburgerlijke regtspleging en op de strafvordering : geregeld. (Rv. 23, 28, enz.5.Sv,101, 120,180; Bb. 902.) 186, (Gew. S. 34-484.) De advocaten tevens procurenrs worden be- noemd en ontslagen door den Gouverneur-Generaal. Tot advocaat en procureur kan slechts worden benoemd degeen, die : 1e, Nederlandsch onderdaan is, | 2e. aan een Nederlandsche universiteit, dan wel aan de Rechtshooge- | school te Djakarta verworven heeft : hetzij den graad van doctor in de rechtswetenschap, hetzij de hoedanig- heid van meester in de rechten, mits deze hoedanigheid is verkregen oP grond van het afleggen van een examen in het Nederlandsch of Indonesisch burgerlijk- en handelsrecht, staatsrecht en strafrecht. (*)
- () Bi S. 66—103d is be; id dat de practizijns, ., Hoofdst. vi, hun dienst niet en bij ae oe vedan en HO benoemd () Hiermede wordt bedoeld : Het reglement van orde en discipline voor de advocaten en procureurs, (Ned. S. 1929—422 jo, 1932—488.) (©) Art, 186 luidde; Niet gegradueerden in regten kunnen niet tot advo- caat, maar alleen tot procureur worden benoemd, Zij moeten, alvorens daartoe aan den. Gouverneur-Generaal te kunnen” weren voorgedragen, een voldoend examen afleggen in het bestaande regt, wijze, van regtepleging daaronder begrepen, Dit examen zal worden afgenomen door twee commissarissen uit het
| | i
14, 43
13
RECHTERLIJKE ORGANISATIE, 39
187, De advocaten en procureurs moeten, alvorens hunne bediening te aanvaarden, in handen van den president in eene openbare teregtzitting van het collegie, waarbij zij zijn aangesteld, afleggen den volgenden eed (belofte) : „Ik zweer (beloof) dat ik houw en getrouw zal zijn aan den ‚Koning en aan den Gouverneur-Generaal van Indonesië als „des Konings vertegenwoordiger ; dat ik den eerbied, aan de regterlijke „autoriteiten verschuldigd, zal in acht nemen; dat ik middellijk noch „onmiddellijk, onder welken naam of voorwendsel ook, tot het verkrijgen „mijner aanstelling, aan iemand, wie het ook zij, iets heb gegeven of „beloofd, noch zal geven of beloven, en dat ik geene zaak zal aanraden „of verdedigen, die ik in gemoede niet geloof in regten gegrond te zijn”. (S. 34—159*.)
188, De practizijns bij het Hooggeregtshof moeten hunne woonplaats gevestigd hebben binnen de drie, en de overige binnen de vijf palen af- stand van het gebouw, in hetwelk het regterlijk collegie, waarbij zij zijn aangesteld, deszelfs zittingen houdt.
- De adyocaten.en.procureurs-bij-de-raden-van-justitie bepalen zich in de uitoefening vanshunyberoep tot het repterlijk eollegie, waarbij zij zijn aangesteld, 2
De advocaten en procureurs, die bij het Hooggeregtshof zijn toegelaten, kunnen hun beroep, in burgerlijke zaken, mede voor den raad van ju titie te Batavia, en, in strafzaken;over-de-geheele uitgestrektheid van Java uitoefenen. j aad
190, (Gew. S. 4/—d511 jo. 513.) De advocaten en procureurs, daartoe door de regterlijke collegiën, voor “welke zij hunne bediening uitoefenen aangewezen, zijn verpligt om gratis dan wel tegen half salaris hunnen bijstand te verleenen aan hen, die vergunning hebben bekomen onder- scheidenlijk om kosteloos, dan wel tegen verminderd tarief te’ proce- deeren. (Rv. 876, 889.) — Berk |
Zij zijn mede gehouden om zich-gratis-te belasten met de verdediging in strafzaken,! wanneer hun dit-door-den-regter wordt opgedragen. (Sv. 101, 120, 180) — ‘ he bel Be
Zij kunnen zich aan die verpligtingen-niet onttrekken, dan om rede- nen, door den) president van het betrokkene collegio goedgekeurd. (zie noot 2 bl. 285.) 9 en Vd DE |
De advocaten en procureurs zijn verpligt om zich, in de bereke- ning hunner verdiensten en uitschotten, te gedragen naar de bestaande of nader vast te stellen tarieven. (S. 185127 art. 22v*.)
De regterlijke collegién zijn verpligt om toezigt te houden over de gedragingen der bij.dezelyo toegelaten practizijns, met opzigt tot de uitoefening van hun beroep, » &
De volgende zes leden zijn ingevoegd bijS. 39—283, waarvan art. III een overg.bep. bevat. ~ =f 3
Bij dit toezicht wordt de samenstelling van de colleges uitgebreid met twee bij het college toegelaten praktizijns als bijzitters.
Deze bijzitters worden, evenals twee plaatsvervangende bijzitters, voor den tijd van drie jaren door den Gouverneur-Generaal benoemd. De
regterlijk collegie, bij hetwelk zij de practijk verlangen uit te oefenen. Een authentiek afschrift van het deswege op te maken proces-verbaal zal bij de voordragt worden overgelegd. 5
Voorts bevat S, 34—484 als overgangsbepaling : d
Art. IV, (1) Zij, die bij de inwerkingtreding van deze ord. (1 Jan. 1935) krachtens de thans vervallen leden van art, 186 van het Reglement op de rechterlijke organisatie en het beleld der justitie in Indonesië tot procureur zijn benoemd, blijven bevoegd als zoodanig op te treden. to
(2) Zij, die voor de inwerkingtreding van deze ord. het examen, omschre- yen in de in het vorig lid bedoelde wettelijke bepalingen, met goed gevolg hebben afgelegd, blijven benoembaar tot procureur.
(3) Op de in de leden (1) en (2) bedoelde personen vindt het bepaalde bij het eerste lid van art. 186 van het Reglement op de rechterlijke organisatie en het beleid der justitie in Indonesië overeenkomstige toepassing. z
40 REOHTERLIJKE ORGANISATIE,
Gouverneur-Generaal kan voor de benoeming het gevoelen inwinnen van een of meer vereenigingen van bij het college aangestelde praktizijns. Een plaatsvervangend bijzitter heeft alleen zitting bij verhindering, ontstentenis of afwezigheid van den bijzitter, als wiens plaatsvervanger hij is aangewezen. Bij verhindering, afwezigheid of ontstentenis van een bijzitter en van zijn plaatsvervanger voorziet de President van het college voor elk zich voordoend geval in hun tijdelijke vervanging. Het bepaalde bij art. 18, lid 1, lid 3 en lid 4, eersten zin, bij art, 20, lid 1 onder a, b, c, en d — wat laatstgenoemde bepaling betreft na weg- lating daaruit van de aanhaling van de artt. 9 en 21 —, bij art. 20a, leden 1, 2 en 3, bij art. 20c, lid 1 — na weglating daaruit van de aan- haling van de artt. 9 en 21 —, bij art. 37, lid 1, bij art. 41, lid 1, bij art. 42, bij art. 44 en bij art. 67, lid 1 vindt overeenkomstige toepassing ten aan- zien yan de bijzitters en plaatsvervangende bijzitters. De gevallen, waarin bijzitters of plaatsvervangende bijzitters kunnen worden gewraakt-of-zich-mogen-verschoonen,-zijn-dezelfde als voor de rechterlijke ambtenaren zijn geregeld” bijde wettelijke bepalingen op de burgerlijke rechtspleging. (RBe. 2)
(Gew. S. 39-283.) De colleges zijn bevoegd om de praktizijns in geval van verwaarloozing der belangen van hun cliënten, van onbetamelijke gedragingen jegens partijenvof-harepraktizijns en voorts van alle hande- lingen in strijd met hun ambtsplicht en met de eer van den stand der praktizijns of wel bij betoonde oneerbiedigheid aan het college of deszelfs leden of eenige andere rechterlijke autoriteit, gelijk mede wegens het bezigen van onbetamelijke uitdrukkingen ten aanzien der wet of van het openbaar gezag, te vermanen,/en/desnoods, naar gelang van zaken in hunne bediening te schorsen voor dén tijd van hoogstens drie maanden, of te beboeten uiterlijk tot de som’ van f,200—, ten behoeve der algemeene armen, met verwijzing tevens tot:het dragen of vergoeden, geheel of ten deele, der kosten, door hunne sehuld of achteloosheid-aan partijen veroor- zaakt. (RO. 203; Ry. 29, 60; 93, 98, 2645S. 185127 art. 56*.)
(Ing. 8. 25—158 ; gew» 39=283:) Van de beslissing van een raad van justitie kan de betrokken praktizijn binnen veertien dagen na den dag der uitspraak bij verzoekschrift bij het Hooggerechtshof in hooger beroep komen. Aan het nemen eener beslissing in beroep memen de bij het Hooggerechtshof benoemde bijzitters deel.
In geval van herhaalde misdragingen of wel yan verregaande buiten- sporigheden, zal het:Hooggeregtshof, hetzij ambtshalve, hetzij op voorstel van den raad van justitie, do afzetting, yan de daaraan schuldige practi- zijns aan den Gouverneur-Generaal kunnen voordragen, onverminderd de bevoegdheid van dezen, om-cok zonder zoodanige voordragt tot de afzetting over te gaan. (Bb, 1938 ; T. XXIII-436.)
HOOFDSTUK. VII. Van de Deurwaarders. (1)
(Dit hoofdst. is toepasselijk op de buitengewesten: RBg. 2.)
- (Gew. S. 95-106.) De deurwaarders, zoowel de buitengewone als de gewone, zijn openbare ambtenaren. (Sv. 422; IR. 388v. ; RBg. 716.) (Gew. S. 25-497.) De gewone deurwaarders worden in elk gewest benoemd en ontslagen door het hoofd van gewestelijk bestuur. De Gouverneur-Generaal bepaalt het aan elk regterlijk collegie toe te voegen getal dier ambtenaren. De deurwaarders bij het Hoog-militair-geregtshof kunnen tevens tot deurwaarders bij het Hooggeregtshof worden aangesteld, en zoo ook omgekeerd. (Bb. 3556.) (Gew. S. 25-497.) De buitengewone deurwaarders worden in elke
() Vel. Deurwaardersreglement Ned. S, 34—598. Bb. 12048: bevoegdh, deurw. ontvangst aangeteekende stukken.
we.l
DegR.
13
BEOHTERLIJKE ORGANISATIE. 41
afdeeling naar mate der behoefte benoemd door het hoofd der afdeeling, die mede tot hun ontslag bevoegd is. (RO. 198, 203, 205; Rv. 202.) (4)
In de goisl. v. Jav. Mad. wordt krachtens 8. 40—3 het 26 lid gelezen : De gewone deurwaarders worden benoemd en ontslagen door den resident, binnen wiens ressort het rechterlijk college gevestigd is.
Aldaar wordt krachtens gemeld S. in het 5e lid ipv. „elke afdeeling” en „het hoofd der afd”, gelezen : „elk ressort van een assistent-resident”” en ,,den assistent-resident’’,
In de buitengew. leze men in het 2e lid ipv. „elk gewest” en., het hoofd van gewestel. best.” : „elke residentie’ en „den resident)’ krachtens S. 38-370 jo. 264.
194, De gewone deurwaarders doen, alvorens hunne bediening te aan- vaarden, in handen van den president, bij eene openbare teregtzitting van het collegie, bij hetwelk zij zijn aangesteld, den navolgenden eed (belofte) :
„Ik zweer (beloof), dat ik houw en getrouw zal zijn aan den Koning en „aan den Gouverneur-Generaal van Indonesië, als des Konings „vertegenwoordiger ; dat, ik middellijk noch: onmiddellijk, onder welken „aam of voorwendsel, ook tot het verkrijgen mijner aanstelling, aan „iemand, wie het ook zij, iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven „of beloven ; dat ik mij bij de waarneming van mijne dienst in alles-zal „gedragen naar de wettelijke bepalingen ; dat ik alle exploiten en andere „verrigtingen, aan mijne bediening. verbonden, waartoe ik zal worden „verzocht, of die mij zullen worden «bevolen, getrouwelijk en met ijver „zal uitvoeren, en in het algemeen mijne functiën met naauwgezetheid en „eerlijkheid, en tevens met allen eerbied voor de regterlijke autoriteiten, „zal waarnemen.” (S, 34-159.) Á
(Gew. S. 86-101.) De vorenstaande'eed wordt door de buitengewone deurwaarders, vóór de aanvaarding hunner bediening, afgelegd in handen van (?) het aoofd van plaatselijk-bestuur, dat van de gedane aanstelling en beëediging kennis geeft aan den raad-van justitie. (RO. 197.)
De gowone deurwaarderssmoetensmet der woon gevestigd zijn binnen drie palen afstands yan-het geböuw;-waarin het regterlijk colle- gie, bij hetwelk zij zijn aangesteld, deszelis zittingen houdt. Aan de buiten- gewone deurwaarders wordt, bij de acte van benoeming, cene bepaalde woonplaats aangewezen. (RO. 198v.)
De gewone deurwaarders zijn belast, mot den dienst bij de teregt- zittingen en met de inwendige dienst bij de vergaderingen en bijzondere commissién. Zij zijn\gehouden om de bevelen na te komen, welke hun te dien aanzien door den. president worden gegevens (Rv. 22; Sv. 2565.)
197, De regterlijke collegién hebben de bevoegdheid om, in geval van ontstentenis van een gewonen deurwaarder, zoodanige beambte voor- loopig aan te stellen. De persoon, ín. dier voege met de functién van deur- waarder belast, zal daarin niet mogen werkzaam zijn, dan na vooraf den eed (belofte), bij art. 194 omschreven, te hebben afgelegd.
(Gew, S. 95-106.) De aanstelling zal ten spoedigste aan het Hoogge- regtshof medegedeeld en aan de goedkeuring van den directeur van justitie onderworpen worden. :
Die mededeeling en goedkeuring worden niet vereischt, in geval van een bloot tijdelijke aanstelling ter vervanging van eenen in zijne bediening geschorsten of door ziekte verhinderden deurwaarder.
198, Alle deurwaarders zijn, ieder in het ressort van het regterlijk col- legie, waarbij hij is aangesteld, bevoegd tot het doen van alle geregtelijke aanzeggingen, bekendmakingen, protesten en verdere exploiten, hetzij
() Bi 28, 95—04 is de benoeming der deurwaarders bij de Indonesische rechtbanken en de residentiegerechten opgedragen aan den Dir. van just. die daarbij mede tot hun ontslag bevoegd verklaard is,
i OF In de gvtsl. v. Jav, Mad. „in handen v. d. ass.-res., die”, (S. 31—168 jo, 8.)
42 RECHTERLIJKE ORGANISATIE,
die al dan niet met een aanhangig regtsgeding in verband staan; tot het doen yan alle dagvaardingen, insinuatiën en beteekeningen tot den regts- ingang of tot de instructie van burgerlijke gedingen of strafzaken behoo- rende, en tot het doen van alle exploiten ter uitvoering van regterlijke bevelen, vonnissen en arresten, zoowel in burgerlijke als in strafzaken. (RO. 193, 195, 199.)
Bij het doen van alle exploiten zullen zij daarvan behoorlijke afschriften laten. (Rv. 1, 16, 142, 435, 443, 504 enz. : Sv. 46, 80, 107, 178 enz.)
- (Gew. S. 25-497.) Elk deurwaarder is, op zijne persoonlijke ver- antwoordelijkheid, verpligt om zijn ministerie, ten allen tijde dat hetzelve wordt ingeroepen, te verleenen tot het doen van alle exploiten, binnen deaf- deeling (2), in welke hij woonachtig is. (Rv. 20, 439.)
(Ing. S. 18-284.) Echter is hij verplicht te weigeren eenig exploit te doen, ingeval hem door of vanwege den Gouverneur-Generaal is aan- gezegd, dat het doen van dat exploit strijdig zou zijn met de volkenrech- telijke verplichtingen van den Staat. Voor die weigering is hij jegens par- tijen niet verantwoordelijk
- De deurwaarders zijn verpligt om zich in de berekening hunner verdiensten en uitschotten te gedragen naar de bestaande of vast te
stellen tarieven. Zij zullen aan den voet hunner exploiten de verdiensten en uitschotten afzonderlijk moeten uitdrukken. Zonder deze vermelding zullen dezelve niet in de begrooting van kosten worden geleden, en zijn partijen niet gehouden om die te voldoen. (Zie Tarieven.)
Zij zijn bevoegd-om de vereischte voorschotten te vorderen, alvorens de exploiten te doen. (S. 1851—57* ; 72-153; Bb. 2118, 2864, 3484.)
201, (Gew. S. 41-51 jo. 613.) Zij zijn verpligt om, op daartoe be- komen last van het regterlijk. collegie, waarbij zij behooren, en in de gevallen, bij de wet bepaald, Hunrien dienst gratis dan wel tegen half galaris te verleenen, zonder evenwel tot eenige voorschotten gehouden te zijn. a
- De deurwaarders moeten een register of repertoire houden. De exploiten, die zij uitgeven of teekenen, moeten met de vereischte duidelijk- heid en naauwkeurigheid geschreven zijns Bij gebreke ‘daarvan zal hun veers zoodanige stukken geen salaris worden toegekend. (K. 182;
iV. :) te 5 Ugh
(Gew. 8: 95—106 ; 26—497 ; 39-283.) De bepalingen van art. 192 betreffende de praktizijns zijn toepasselijk op de deurwaarders, met dien verstande dat de rechterlijke colleges zonder bijzitters beslissen en voorts in het geval, bij het laatste lid bedoeld,de afzetting der gewone deur- waarders ter beslissingsstaat "vanhet hoofd van gewestelijk bestuur, binnen wiens gewest — en die der buitengewone deurwaarders van het hoofd der afdeeling, binnen welkerzij gevestigd zijn. (Rv. 21, 60, 93, 98.) In art. 203 moet voor de gvtsl. van Jara en Mad. krachtens S. 39-288 en 40—3 ipv. „het hoofd v. gewestel: best., binnen wiens gewest’ en ‚het hoofd der afd., binnen welke” worden gelezen: ,,den resident binnen wiens residentie’ en ,,den assistent-resident, binnen wiens ressort’’. Voor de buitengew. leze men (krachtens S. 38-370 jo. 264, bl. 232) ,,resident’’ en » Tesidentie’’ ipv. ,,hfd y. gewestel. best.” en ,,gewest”’.
(Gew. S. 01-15, 273.) De bijzondere voorschriften; betrekkelijk de deurwaarders bij de Indonesische regterlijke autoriteiten, mitsgaders bij de residentiegerechten, worden afzonderlijk vastgesteld. (IR. 182-4°, 388v.; Rv. 933; Sv. 422; S. 95—204* bl. 288 noot; Bb. 4535.)
De bevoegdheid. der geregtsboden en van de dienaren der open- bare magt tot het doen van gercgtelijke exploiten, wordt geregeld bij de
wettelijke bepalingen op de burgerlijke regtspleging en op de strafvor- dering (Sv. 422; IR. 388 ; RBg. 716.) Eek E
slr
- S, 39—283, bl, 233: in de gvtal. v. Jav. Mad.,,residentie” ipv- „atd-”
bz to
© -.
ALGEMEENE BEPALINGEN VAN WETGEVING. 43
Ord. van 24 Jan. 1947, 8. 47—20.
Bij ord. v. 24 Jan. 1947, S. 47—20, iwg. 31 Jan. 1947, houdende in- passing v. h. HGH in het rechtswezen en voorzieningen t.a.v.d. rechtspleging in cassatie en de jurisdictiegeschillen, zijn wijzigingen en aanvullingen gebracht in de reglementen RO., Rv. en Sv., die ter plaatse zijn aangebracht. Voorts zijn de bepalingen. omtrent indeling en werk- zaamheden voor het HGH en v. d. raden vy. Just. op Java (KB. v. 14 Jan. 1901 N° 41, LS. 01-126) buiten werking gesteld. Ten slotte is bij art. 5 bepaald :
Art. 5. Als advocaten en procureurs in cassatie zullen kunnen op- treden zij, die overeenkomstig de bepalingen van art. 185 en volgende van het Reglement op de rechterlijke organisatie en beleid der justitie als zoodanig zijn benoemd en betedigd worden en niet zijn geschorst of ontslagen en zij, wier toelating bij latere wettelijke bepalingen mocht worden geregeld.
Art. 6 bevat een bepaling betr. appelraden, vervallen krachtens L.N. 61—9* hierachter
ALGEMEENE BEPALINGEN VAN | WETGEVING
5 VOOR INDONESIE. ( Afgekondigd bij Publicatie van 30 April 1847, S, No, 23.)
Art. 1, De bepalingen door den Koning, of, in zijnen naam, door den Gouverneur-Generaal vastgesteld verkrijgen | in Jndonesjë kracht van wet door hare afkondiging, in deni yorra bopaald bij het reglement op het beleid der regering. (ISR. 95.) Gee ye 5
De wet verbindt alleen voorhet toekomende en heeft geene terug- werkende kraeht. (Ov 1, 64v.; Bw.755,1993 ;Sw. 1; Inv. Sw. 28v.; Civ. 2.)
(Gew. S. 15-299 jo. 642.) Zoolang de, wet niet bepaaldelijk het tegendeel vaststelt, is het burgerlijk~en-het-handelsregt hetzelfde zoowel voor vreemdelingen als voor Nederlandsche onderdanen. (AB 9; Bw: 83, 945; Rv. 100, 128, 580-10°, 761, 872; Civ. 8,11.) __ 1, '
Onder de\benaming van ingezetenen, van Indonesië verstaat de wet alle Nederlanders, inwoners zijnde van Indon esië, voorts de land- zaten of inboorlingen van de eilanden van den indischen Archipel, voor zoo ver deze tot Indonesië behooren ; en eindelijk alle personen, onver- schillig van welken landaard, die, met toestemming der regering, hunne woning ‚binnen, Indonesië-gevestigd-hebben, (AB. 5v.; ISR. 160.)
De wijze waarop de toelating om zich in Indonesië te vestigen, ook door Nederlanders wordt verkregen wordt bij afzonderlijke bepalingen geregeld. (ISR. 160; S. 16—47*.) sin x bot Ee
(Gew. S. 15-299 jo. 642.) Vreemdelingen zijn allen die niet zijn Nederlandsche onderdanen. (AB. 4; ISR, 161; Nedsch. bl, 177; 8. 72— 11; 10—296*, BI. 183.) oes
(Gew. S, 07-205 art. 3*, jo. 19-816.) De ingezetenen van Indonesié zijn onderscheiden in Europeanen, en Indonesiérs en met deze gelijk- gestelde personen. (ISR. 160, 163.) (4) :
7, Met Europeanen worden gelijk gesteld : (ISR. 163.) fi
1° alle Christenen, daaronder begrepen die welke tot de Indonesische bevolking behooren ; Dit ae en
2° alle andere personen van waar ook afkomstig, die niet in de omschrij- ving vallen van het volgende artikel. (*) 2 E ;
Met Indonesiërs worden gelijkgesteld de Arabieren, Mooren, Chinezen, en alle anderen, die Mahomedanen of Heidenen zijn. (ISR. 163.) (1)
Ingetrokken : S. 15-299 jo. 642. é i
10, De Gouverneur-Generaal is bevoegd om, ten aanzien van de Indonesi-
