REGELING VAN HET BEROEP IN BELASTINGZAKEN
REGELING BEROEP BELASTINGZAKEN. 1457
Regeling van het beroep in belastingzaken. (Ord. van 27 Jan. 1927.) S. 27-29 jo. 136. (iwg. 1 Mei ’27.)
. Consid. Dat Hij, de bepalingen omtrent de instelling en de samenstel- ling van den Raad van Beroep voor belastingzaken en betreffende het instellen en de behandeling van het beroep op dat college willende herzien ;
Art. 1. Met intr. van de ord. van 11 Dec. 1915 (S. N°. 707) zooals die sedert is gewijzigd en aangevuld, vast te stellen de volgende ,, Regeling van het beroep in belastingzaken’’.
HOOFDSTUK I. Raad van Beroep.
Art. 1. (1) Te Djakarta is gevestigd een Raad van Beroep voor belas- tingzaken.
(2) (Gew. S. 30-244 ; 39-238.) De Raad doet uitspraak op beroep- schriften inzake :
a. landsbelastingen, voor zoover in de daarop betrekking hebbende ordonnanties beroep op den Raad is toegelaten ;
b. provinciale-, regentschaps- en stadsgemeentebelastingen, voor- zoover in art. 6 der Regelen omtrent de heffing en invordering van provinciale, regentschaps-, stadsgemeente- en groepsgemeenschaps- belastingen (S. 1927 No. 517) beroep op den raad is toegelaten ;
c. (Toeg. S. 41—94.) belastingen, geheven door Zelfbesturende land- schappen, voorzoover onder goedkeuring van den Gouv.-Gen. in de betrekkelijke Zelfbestuursverordeningen beroep op den Raad is toegelaten.
HOOFDSTUK II. Samenstelling van den Raad van Beroep.
- (1) De Raad bestaat uit een voorzitter en vier leden.
(2) (Gew. S. 33—6 jo. 33.) De voorzitter wordt benoemd door den Gou- verneur-Generaal. De Gouverneur-Generaal wijst een der leden aan als plaatsvervangend voorzitter.
(3) De leden worden benoemd door den Gouverneur-Generaal uit voor- drachten van twee personen voor elk lid, op te maken voor twee leden door het Hooggerechtshof en voor twee leden door de Kamer van Koop- handelen Nijverheid te Djakarta.
(4) Op overeenkomstige wijze als in het vorig lid is aangegeven wordt door den Gouverneur-Generaal voor ieder lid tenminste één plaatsvervan- ger benoemd. : ah.
(5) Een van de twee personen voor eene benoeming tot lid in aanmer- king gebracht mag mede voor plaatsvervanger worden voorgedragen.
(6) Om de twee jaren treden twee leden en hun plaatsvervangers af volgens rooster, door den Raad op te maken. De aftredenden zijn herbe- noembaar.
(7) De Gouverneur-Generaal kan de leden en de plaatsvervangende leden tusschentijds op hun verzoek of ook zonder een daartoe strekkend verzoek, doch dan bij een met redenen omkleed besluit, ontslaan.
(8) (Gew. S. 28-20.) Aan den Raad wordt door den Gouverneur-Gene- raal een ambtenaar als secretaris en een als plaatsvervangend secretaris toegevoegd.
- (1) De leden en-hunne plaatsvervangers moeten den vollen ouder- dom van 30 jaren bereikt hebben.
(2) Tusschen den voorzitter, de leden en hunne plaatsvervangers mag geen bloedverwantachap of zwagerschap tot en met den derden graad bestaan. De: zwagerschap houdt op door het overlijden van den persoon, die haar veroorzaakte. 5
(3) (Gew. 8. 30—244 ; 39—238 ; eee ind age} deden gn
ervangers mogen geen lid zijn van eene cc ee ene Igrdabsleeeaa Voor zooveel betreft de in het tweede lid van art. 1 sub en c genoemde belastingen onthouden zij zich van de
1458 REGELING BEROEP BELASTINGZAKEN.
kennisneming van zaken waarin door het dagelijksch bestuur van de betrokken vaalfatandige gemeenschap of de daartoe bij Zelfbestuurs- verordening aangewezen gezaghebbende is beslist gedurende den tijd, dat zij uit eenigen hoofde bevoegd waren deze beslissing te nemen of daartoe mede te werken. ay
(4) Ambtenaren, ressorteerende onder het Departement van Financién, zijn niet tot lid of plaatsvervangend lid benoembaar. ;
- (1) (Gew. laatstel. LN. 59—13.) Alvorens hunne betrekking te aanvaarden leggen de voorzitter en de (plaatsvervangende) leden van den raad in handen van den Ketuah Mahkamah Agung en de (plaats- vervangende) secretaris in handen van den voorzitter van den raad, den navolgenden eed of belofte af: E 2
„Ik zweer (beloof) dat ik als voorzitter (lid, plaatsvervangend lid, secre- taris) van den raad van beroep voor belastingzaken te Batavia eerlijk, nauwgezet en onpartijdig zal te werk gaan en dat ik geheim zal houden wat geheim behoort te blijven.
Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig (Dat beloof ik)’.
(2) Van de in het vorig lid bedoelde handeling wordt een proces-vorbaal opgemaakt.
(3) Bij herbenoeming wordt geen nieuwe eed (belofte) gevorderd.
- (1) De Raad is verdeeld in twee Kamers, elk bestaande uit den voorzitter en twee door hem aan te wijzen leden, zoodanig dat twee door hetzelfde college voorgedragen leden niet in dezelfde Kamer zitting hebben.
(2) De verdeeling der werkzaamheden over de beide Kamers wordt door den voorzitter geregeld.
- (1) De Kamers vergaderen op plaats en tijd door den voorzitter te bepalen.
(2) De voorzitter is bevoegd de Kamers in vereenigde zitting bijeen te roepen.
(3) De vergaderingen zijn niet openbaar.
(4) De besluiten worden genomen in eene voltallige vergadering, hetzij eneen Ramer meet van de Kamers in vereenigdezitting, en bij meerder-
(5) Is meer dan één advies uitgebracht en wordt door geen dier adviezen eene meerderheid verkregen dan beslist de voorzitter welk der uitgebrachte adviezen zal worden gevolgd.
(6) Het reglement van orde van den Raad wordt door den Raad vast- gesteld. :
- Door den Gouverneur-Generaal wordt aan den voorzitter en de leden van den Raad zoomede aan hunne plaatsvervangers, behalve vergoeding voor reis- en verblijfkosten, vacatiegeld en aan den secretaris vergoeding
voor bureaukosten en andere noodzakelijke ui : 11814 jis, 12697, 13023, 15251.) ae
HOOFDSTUK III. Het instellen en de behandeling van het beroep.
- (1) Het beroep op den Raad wordt in, ijke indi
je 4 gesteld door persoonlijke indie-
ning dan wel toezendin, i i ah a g per aangeteekenden brief van een beroepschrift
(2) Ook kan het beroep, door hen die de schrijfkunst ni iet vol- doende machtig zijn „mondeling worden ingediend bij hee Hoort on gewestelijk of plaatselijk bestuur (1), dat daarvan aanstonds een geschrift. opmaakt en onderteekent, hetwelk bij den secretaris van den Raad per aangeteekonden brief, dan wel persoonlijk wordt ingediend.
ee beroepschrift tegen een aanslag gericht moet, voor zoover niet wo weerd dat geen aanslag had mogen ‘zijn opgelegd, zoodanig zijn ingekleed dat daaruit eeno gevolgtrekking kan worden gemaakt ten aan- ae zen het bedrag, dat volgens den appellant had moeten worden
(8a) (Ing. 9. 36211: gew. 49—251.) Wegens het instellen van het
REGELING BEROEP BELASTINGZAKEN. 1459
beroep is ten behoeve van het Land een recht verschuldigd ten bedrage van twintig gulden. Indien het recht niet reeds bij het instellen van het beroep is voldaan, wordt appellant door den secretaris onder teruggave of terugzending van het beroepschrift in de gelegenheid gesteld dat recht binnen een daarbij te stellen termijn alsnog te voldoen. Wanneer het recht niet binnen vorenbedoelden termijn is voldaan, wordt het beroep geacht niet te zijn ingesteld. Het recht wordt teruggegeven, indien aan de door appellant aangevoerde bezwaren geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen.
(4) Indien in beroep wordt gekomen van eene beschikking, moet het afschrift dier beschikking. worden overgelegd.
(5) (Toeg. S. 27-78 jo. 136.) De in de ordonnanties, waarin beroep op den Raad is toegelaten, voor het instellen van dat beroep bepaalde termijnen zijn niet verbindend indien ten genoegen van den Raad wordt aangetcond, dat de inachtneming daarvan door bijzondere omstandig- heden is verhinderd.
(Gew. S. 30—244 ; 39238 ; 41—94.) Elk bij den Raad ingekomen beroepschrift wordt binnen eene week na ontvangst door den secretaris gezonden aan den hoofdinspecteur van financién dan wel, indien het betrekking heeft op een der belastingen als bedoeld in het tweede Jid van art. 1 sub 6 enc, aan het college of de autoriteit tegen wiens beslissing het beroep is gericht.
(1) (Gew. S. 30—244 ; 39238 ; 41—94.) Indien de appellant niet heeft voldaan aan het bepaalde in het derde en vierde lid van art. 8, wordt hij door of van wege den Hoofdinspecteur van Finanoién dan wel het college of de autoriteit, tegen wiens beslissing het beroep gericht is, in de gelegenheid gesteld. binnen een daarbij to stellen termijn het beroepschrift met het ontbrekende aan te vullen.
(2) (Gew. S. 30—244 ; 39-238 ; 41—94.) Het beroepschrift wordt zoo spoedig mogelijk aan den Raad teruggezonden, met een door of van wego den Hoofdinspeoteur van Financiën dan wel het college of de autoriteit, tegen wiens beslissing het beroep gericht is, opgemaakt vertoogschrift, tenzij het beroep gegrond wordt geacht, in welk geval daarvan door eene onderteekende verklaring op het beroepsohrift moet blijken. js
(3) De Raad kan een termijn stellen binnen welken een vertoogschrift moet zijn ingediend.
Binnen eene week nadat het vertoogschrift is ingekomen zendt de secretaris van den Raad een door hem voor eensluidend geteekend afschrift daarvan per geadviseerden dienstbrief aan den appellant, waarin hij dezen opmerkzaam. maakt op de hom ingevolge het derde en zesde lid van art. 12 toekomende bevoegdheden. ]
(Gew. S. 30244; 39238; 41—94.) (1) Alvorens uitspraak te doen wint de Raad mondeling het gevoelen in van den Hoofdinspeoteur van Financiën, die daartoe tijdig wordt opgeroepen. Gelijkerwijs wordt, indien het beroep betrekking heeft op een der belastingen als bedoeld in het tweede lid van art. 1 sub 6 en c, het college of de autoriteit, tegen wiens beslissing het beroep is gericht, in de gelegenheid gesteld door een van hunnentwege aan te wijzen vertegenwoordiger voorlichting te ver- sohaffen, tenzij van de zijde van genoemd college of genoemde autoriteit is medegedeeld, dat op mondelinge toelichting geen prijs wordt gesteld,
(2) De Hoofdinspecteur kan zich door een Inspecteur van Financiën doen vertegenwoordigen of bijstaan. qe
(3) Indien het verlangen daartoe tijdig is te kennen gegeven. of de Raad zulks noodig acht, wordt de appellant ter mondelinge toelichting van zijn beroepschrift door den secretaris tijdig opgeroepen. 5
(4) De voorzitter van den Raad kan toestaan dat de appellant zich door een gemachtigde doet vertegenwoordigen of bijstaan.
() S 31—168, 423 jo. 39-288: in de gvtsl. y. Jav. Mad. ipv. het Hfd v. gew. cf pl. best ,,den resident, den regent of den ass,-res.
1460 REGELING BEROEP BELASTINGZAKEN.
(5) De in het eerste en derde an ee et n vertoogse: an ink 7 open ttiniagediond, niet eooraat een afschrift daarvan volgens art. 11 i liens: 30—244 ; 39-238.) Indien het Be a Gen ace appellant niet mondeling wordt toegelicht, kan deze na a a die hes hot in het vorig lid bedoeld afschrift binnen een door en 5 oe iden Raad te bepalea termijn bij den secretaris een det En
indi nen Deze zendt zen afschrift daarvan onverwijld aan den oofd- inspecteur van Financiën dan wel het college of de autoriteit, tegen
i issi ericht is. A Rn i NER 41-94) De Raad kan deskundigen, tolken en op zijn verzoek door den Hoofdinspecteur van Financiën c rn wel het college of de autoriteit, tegen wiens beslissing het beroep en ij is, aan te wijzen ambtenaren raadplegen of hun de inzage van boeken
f escheiden opdragen. oe : aN A zijn dasa Rervaxidah legt de deskundige of ee i ow den van het Hoofd van plaatselijk bestuur (*) zijner woon- of verblijf p re den eed of belofte af, dat hij de hem op te dragen EE eerlij i nauwgezet en naar beste weten zal verrichten en geheim zal houden wa
i ort te blijven. , Sto) nies asraanet ed. en tolken wordt eene vergoeding porn volgens door den Gouverneur-Generaal te stellen regelen. (Bb. 11314.)
- (1) De uitspraak van den Raad is met redenen omkleed. a
(2) (Gew. S. 30-244; 39-238.) Zij/vermeldt den dag waarop zij is gedaan, wordt door den voorzitter en den secretaris onderteekend en door laatstgenoemde in afschrift per geadviseerden dienstbrief gezonden aan den appellant en den Hoofdinspecteur van Financiën dan wel het college of de autoriteit, tegen wiens beslissing het beroep gericht is.
(3) (Gew. S. 30—244 ; 39—238 ; 41—94.) Do Raad is bevoegd de zaak terug te wijzen naar de commissie, het college of de autoriteit, die den aanslag of het bedrag van de verschuldigde belasting in eersten uanleg vaststelde, teneinde de zaak met inachtneming van ’s Raads uitspraak opnieuw in behandeling te nemen.
- (1) (Gew. S. 28—20.) Indien de volgens de uitspraak van den Raad verschuldigde belasting/het in het derde lid van art. 8 bedoeld bedrag te boven gaat, wordt de aanslag bij die uitspraak verhoogd met vijf en twin- tig ten honderd van het verschil. Bij uitspraak op een beroep, ingesteld krachtens de Verpondingsordonnantie, kan, voor zoover het betrekking heeft op de belasting over een tijdvak dat meer dan een vol jaar omvat, niet meer dan ééne verhooging worden opgelegd. Het in den eersten zin van dit lid bedoeld verschil wordt alsdan berekend naar do belasting, verschuldigd over het eerste jaar van bedoeld tijdvak, dan wel, indien dat tijdvak is aangevangen in den loop van een kalenderjaar, naar de belasting Tarlijkac ot het overblijvende gedeelte van dat jaar, herleid tot een jaarlijksch bedrag.
(2) De verhooging bedraagt ten hoogste twee honderd gulden.
(8) Zij blijft achterwege voor zoover het beroep gegrond was op verkeerde
toepassing of schending van de wettelijke bepalingen.
+(4) (Toeg. S. 36211.) Het recht, wegens het instellen van het beroep voldaan, wordt, indien aanspraak o teruggave niet bestaat, in mindering gebracht van de verschuldigde verhooging.
16, Bij overlijden van den appellant treden zijn erfgenamen in zijne plaats ; wat oproepingen en de toezending van stukken betreft, voor z00- ver het overlijden bekend is.
- Voor het indienen van beroepachriften en verweerschriften en de mondelinge toelichting daarvan voor den Raad kunnen de erfgenamen
van een aangeslagene of voor de belasting aansprakelijk gestelde worden
() S, 31=168 jo. 423 : in de gvtsl. vs Jav. Mad, don ass.-res.
REGELING BEROEP BELASTINGZAKEN. 1461
vertegenwoordigd door één hunner, den executeur-testamentair of den bewindvoerder over de nalatenschap.
- (Gew. S. 27—78 jo. 136.) De bezwaarschriften, ingediend bij den Raad van Beroep voor belastingzaken, ingesteld bij de ord. van 11 Dec. 1915 (S. No. 707), waarop door dien Raad nog niet is beschikt, worden behandeld als beroepschriften ingediend op den voet van deze regeling, met dien: verstande dat de artt. 9, 10, leden 2 en 3, ll en 12, leden 5 en 6 daarop niet van toepassing zijn.
Art. IL, Deze ord. treedt in werking met ingang van een nader door den Gouverneur-Generaal te bepalen datum. (S. 27-136: 1 Mei 1927.)
