Regelen Voor Het Administratief Beheer
REGL VOOR H. ADMINISTRATIEF BEHEER 81
5, Art. 59 der Locale raden-ord. (S. 1905 No. 181) wordt ingetrokken. 6. Deze ord. treedt in werking met ingang van den dag na dien harer afkondiging. (Afgek. 10-431.)
REGELEN VOOR HET ADMINISTRATIEF BEHEER
4 S. 1933—381. (Besluit van den Gouverneur-Generaal van 25 October 1933 No. 34).
Art. 1. De Hoofden der departementen van algemeen bestuur en andere ge- zaghebbenden, die, hetzij krachtens algemeene of bijzondere regelen, hetzij krachtens bevelen of machtigingen van den Gouverneur-Generaal, als diens ge- delegeerden, bevoegd zijn tot het verrichten van handelingen, die uitgaven ten laste van den Lande ten gevolge hebben, zijn, zoo niet het tegendeel uit die re- gelingen of machtigingen voortvloeit, bij de uitoefening van die bevoegdheid ge- houden te blijven-binnen de grenzen-van-de in de-besluiten; bedoeld in het laat- ste lid van artikel 2 der Indonesisch Comptabiliteitswet 1925 (Nederlandsch Staatsblad No. 328; Indonesisch Staatsblad No. 448), bij de subartikelen aan- gegeven geraamde bedragen, waarop bij de, voor den desbetreffenden begroo- tingspost toegestane kredieten is gerekend.
- (1) Behoudens de gevallen, waarin húnne bevoegdheid voortvloeit uit al- gemeene of bijzondere regelingen of uit bevelen of machtigingen van den Gouverneur-Generaal, zijn de Hoofden der departementen van algemeen be- stuur, als gedelegeerden van den Gouverneur-Generaal en onder Zijne nadere goedkeuring, bevoegd tot handelingen die uitgaven ten laste van den Lande ten gevolge hebben: Ù
a. ingeval de uitgaaf wordt geraamd niet meer dan vijf duizend gulden te zullen bedragen en niet komt ten laste van-een begrootingspost voor, onvoor- ziene uitgaven, en de bevoegdheid-niet bijeen speciale regeling door den Gou- verneur-Generaal is beperkt;
b. indien de tijd of de omstandigheden het vragen van de machtiging van den Gouverneur-Generaal niet toelaten. -
(2) Op de handelingen, sub a bedoeld, wordt bij maandelijksche staten, op die, sub b bedoeld, wordt dadelijk goedkeuring gevraagd. In het laatste geval wordt, bijaldien de uitgaaf komt ten laste van een begrootingspost voor ’’onvoorziene uitgaven ”’, tevens de aanwijzing op dien post voorgesteld.
- (1) Behoudens desgevallen waarin hunne bevoegdheid voortvloeit uit al- gemeene of bijzondere regelingen of uit bevelen ofsmachtigingen van den Gouverneur-Generaal of van de Hoofden der departementen van algemeen be- stuur, zijn de Hoofden van gewestelijk bestuur, als gedelegeerden van den Gouverneur-Generaal en onder Zijne nadere goedkeuring, bevoegd tot hande- lingen die uitgaven ten laste van den Lande ten gevolge hebben, wanneer die handelingen zoo weinig uitstel goedkeuring, bevoegd tot handelingen die uit- gaven ten laste van den Lande ten gevolge hebben, wanneer die handelingen zoo weinig uitstel gedoogen, dat een landsbelang met benadeeling wordt bedreigd door het uitstel, noodzakelijk voortvloeiende uit het vragen van machtiging.
(2) Deze bevoegdheid is beperkt tot maatregelen, welke dadelijk voorziening aanbrengen.
(3) Ingeval van deze bevoegdheid is gebruik gemaakt, wordt onverwijld aan het betrokken departement van algemeen bestuur een bericht gezonden, be- vattende o.a. de mededeeling, welk Landsbelang bij de zaak betrokken was en in welk opzicht benadeeling dreigde, zoomede het geraamd bedrag der uitgaaf.
(4) De op de zaak betrekking hebbende stukken, of afschriften daarvan, wor- den overgelegd.
(5) De goedkeuring wordt door het Hoofd van het betrokken departement ge- vraagd bij maandelijksche staten of dadelijk op de wijze en overeenkomstig de onderscheiding als aangegeven in het 2e lid van het vorig artikel.
(6) Het Hoofd van het betrokken departement beveelt, voor zooveel dit mo- gelijk is de schorsing van den genomen maatregel wanneer uit het ontvangen
82 REGL. VOOR-H_ ADMINISTRATIEF BEHEER
bericht niet voldoende blijkt van gevaar voor benadeeling van eenig Landsbelang.
(7) De bij dit artikel verleende bevoegdheid en gegeven voorschriften strek- ken zich ook uit tot handelingen, welke de overschrijding ten gevolge hebben van het maximum, aangewezen bij de regeling, het bevel of de machtiging, be- doeld in den aanhef van dit artikel.
(8) Gelijke bevoegdheid als bij het le lid van dit artikel is verleend aan de Hoof- den van gewestelijk bestuur, wordt toegekend aan de residenten- afdeelingshoofden in provinciën of andere op den voet van artikel 119 der In- dische Staatsregeling ingestelde gewesten met dien. verstande, dat die be- voegdheid wordt beperkt tot op hun ambtsgebied betrekking hebbende handelingen, uitsluitend strekkende tot dadelijke afwering of bestrijding van on- lusten, rampen van hoogerhand en dergelijke.
(9) Gelijke bevoegdheid, als bij het le lid van dit artikel is toegekend aan de Hoofden van gewestelijk bestuur, wordt verleend aan de afdeelings- of gewe- stelijke militaire Commandanten of, waar.deze niet aanwezig zijn, aan zooda- nige militaire gezaghebbenden, als daartoe door den Commandant van het Leger worden aangewezen; voorts aan zoodanige tot de Zeemacht behoorende offi- cieren of onder het departement der Marine ressorteerende ambtenaren, als daartoe door den Commandant der Zeemacht worden aangewezen.
(10) Gelijke bevoegdheid, als bij het le lid van dit artikel is verleend aan de Hoofden van gewestelijk bestuur, wordt toegekend aan het. Hoofd der Banka- tinwinning, voor zoover betreft de uitgaven ten laste van dat bedrijf.
De Hoofden der departementen van algemeen bestuur zijn, als gedelegeer- den van den Gouverneur-Generaal, bevoegd tot het beoordeelen, verevenen en betaalbaarstellen van vorderingen ten laste van den Lande.
(1) Gelijke bevoegdheid, als bij artikel 4 is verleend aan de Hoofden der departementen van algemeen bestuur, wordt, in de bij regeeringsverordening aangewezen ressorten, toegekend ‘aan die Hoofden van gewestelijk bestuur en aan die residenten-afdeelingschoofdervin provinciën of andere op den voet van artikel 119 der Indische Staatsregeling ingestelde gewesten, als daartoe bij zooda- nige regeeringsverordening worden aangewezen, mits de betaalbaarstelling plaats hebbe vóór 1 Juli van het jaar, volgende op het dienstjaar, waartoe de vorderingen behooren en voor zoover overigens die bevoegdheid niet bij alge- meene regelingen of bijzondere voorschriften is beperkt.
(2) De niet krachtens het eerste lid voor de betaalbaarstelling van vorderingen op den Lande aangewezen Hoofden van gewestelijk bestuur zijn, als gedelegeer- den van den Gouverneur-Generaal, bevoegd tot het betaalbaarstellen van uit hun in het eerste lid van artikel 3 omschreven handelingen voor den Lande voortvloeiende uitgaven, indien en voor zoover die handelingen strekken tot dadelijke afwering of bestrijding van onlusten, rampen van hoogerhand en der- gelijke en de desbetreffende uitgaven geen uitstel gedoogen. Van elke betaal- baarstelling door hen krachtens hun’ vorenomschreven bevoegdhied gedaan geven zij onverwijld kennis aan den gezaghebbende, die krachtens het eerste lid voor de betaalbaarstelling van vorderingen op den Lande in hun ressort is aangewezen. ,
(3) Aan.de niet krachtens het eerste lid voor de betaalbaarstelling van vor- deringen op den Lande aangewezen residenten-afdeelingshoofden wordt, met betrekking tot de betaalbaarstelling van uit hun in artikel 3, achtste lid, omschre- ven handelingen voor den Lande voortvloeiende uitgaven, welke geenerlei wit stel gedoogen, gelijke bevoegdheid verleend en gelijke verplichting opgelegd, als in het vorige lid aan de daarbij bedoelde Hoofden van gewestelijk bestuur is opgedragen. De in dat lid bedoelde kennisgeving geschiedt in West-Java aan het betrokken departementshoofd.
(4) Gelijke bevoegdheid, als in het eerste lid is verleend aan de daarbij be- doelde Hoofden van gewestelijk bestuur, wordt, ieder voor zoover zijn ressort betreft, toegekend aan de Onderinspecteurs der Militaire Administratie en aan Zape, tot de Zeemacht behoorende officieren of onder het departement der
an eneen ensen, als daartoe door den Commandant der Zee-
(5) Die gezaghebbenden. bij de Landsbedrijven en andere onderdeelen van ’S
REGL. VOOR H. ADMINISTRATIEF BEHEER 83
Lands dienst, als daartoe bij regeeringsverordening worden aangewezen, zijn, als gedelegeerden van den Gouverneur-Generaal, bevoegd tot het beoordeelen en betaalbaarstellen van tot hun ambtskring behoorende vorderingen ten laste van het betrokken Landsbedrijf of de betrokken instelling, als bij zoodanige re- geeringsverordening worden omschreven.
Nieuwe betaalbaarstellingen, bedoeld in artikel 64 der Indische Compta- biliteitswet, geschieden uitsluitend door de Hoofden der departementen van al- gemeen bestuur.
(1) De Hoofden der departementen van algemeen bestuur geven ordon- nanties af op alle landskassen.
(2) De bij artikel 5, eerste lid, bedoelde Hoofden van gewestelijk bestuur en residenten-afdeelingshoofden geven mandaten af op alle landskassen binnen het hun voor de betaalbaarstelling van vorderingen aangewezen ressort.
(3) De bij artikel 5, tweede, derde en vierde lid, bedoelde gezaghebbenden ge- ven mandaten af op alle landskassen in hun ressort.
(4) De bij artikel 5, vijfde lid, bedoelde gezaghebbenden stellen de daarbij ge- noemde vorderingembetaalbaar op mede bij regeeringsverordening daartoe aan: gewezen kassen. …__ Ry
- (1) De Hoofden der departementen van algemeen bestuur zijn bevoegd het teekenen van ordonnantiën en bewijzen van verevening namens hen en onder hun toezicht op te dragen aan zoodanige ambtenaren of officieren als daartoe door hen worden aangewezen. ;
(2) Van die aanwijzing wordt dadelijk kennis gegeven aan de Algemeene Re- kenkamer en, door middel van het. officieele nieuwsblad, algemeene aankon- diging gedaan.
(3) De bij artikel 5, eerste lid, bedoelde Hoofden van gewestelijk bestuur en residenten-Aafdeelingshoofden zijn bevoegd het teekenen van mandaten na- mes hen en onder hun toezicht op te dragen aan zoodanige aan hen onderge- schikte secretarissen en door den Directeur-van Financiën aan hen toegevoegde hoofden en andere ambtenaren van-hunne kantoren voor de Comptabiliteit, als daartoe door hen worden aangewezen: 4
(4) Van een aanwijzing, als in het derde lid bedoeld, wordt dadelijk kennis ge- geven aan elk der Hoofden van de-departementen van algemeen bestuur en van de tot die departementen behoorende diensten met eigen comptabiliteit, zoo- mede aan de: Algemeene Rekenkamer, en voorts algemeene aankondiging ge- daan door middel van het officieele nieuwsblad.
(5) De Onderinspecteurs der Militaire Administratie zijn bevoegd om bij wet- tige verhindering het afgeven van mandaten namens herop te dragen aan een der hun ondergeschikte officieren der Militaire Administratie, kunnende, wan- neer de belangen van den dienst zulks.noodig maken, bij ontstentenis van zoo- danige officieren, die bevoegdheid:in overleg met den afdeelings- en gewestelijk militairen Commandant ook worden verleend aan een anderen op de standplaats van den Onderinspecteur aanwezigen officier.
(6) Van die aanwijzing wordt dadelijk kennis gegeven aan het Hoofd van het departement van Oorlog en aan de Algemeene Rekenkamer, en voorts alge- meene aankondiging gedaan door middel van het officieele nieuwsblad.
(7) De bij artikel 5, vijfde lid, bedoelde gezaghebbenden kunnen bij regee- ringsverordening bevoegd worden verklaard, om, in de gevallen waarin het dienstbelang zulks volstrekt vordert, het teekenen van betalingsbescheiden en bewijzen van verevening namens hen en onder hun toezicht op te dragen aan zoodanige aan hen toegevoegde ambtenaren, als ingevolge zoodanige regee- ringsverordening daartoe worden aangewezen: ‘
(8) Van die aanwijzing wordt dadelijk.kennis gegeven aan de Algemeene Re- kenkamer en aan de bij zoodanige regeeringsverordening daartoe aangewezen gezaghebbenden.
- (1) De Hoofden van gewestelijk'bestuur en residenten-afdeelingshoofden oefenen ten aanzien van het departement der Marine de hun in de vorige ar- tikelen toegekende bevoegdheid allen uit op plaatsen, waar geene tot dat de- partement behoorende officieren of ambtenaren daarvoor optreden,
(2) Ten aanzien van het departement van Oorlog oefenen zij de hun in de vorige
84 REGL. VOOR H. ADMINISTRATIEF BEHEER
artikelen verleende bevoegdheid alleen uit in spoedeischende gevallen, op ver- zoek of namens het Hoofd van dat departement, dan wel van den betrokken Onderinspecteur der Militaire Administratie.
Ingeval het aan de in artikel 5, eerste lid, bedoelde Hoofden van gewe- stelijk bestuur voor de betaalbaarstelling van vorderingen op den Lande aan- gewezen ressort mede omvat een niet door hen bestuurd gewest of deel darvan, oefenen zij, voor zoover die gebiedsdeelen betreft, de hun bij dat artikel toe- gekende bevoegdheid uit met machtneming van de verzoeken, welke hun door hun betrokken ambtgenooten, in gevallen waarin 's Lands belang zulks zal vor- deren, behoudens het bepaalde in algemeene regelingen of bijzondere voor- schriften, worden gedaan. Indien tusschen die Hoofden van gewestelijk bestuur verschil van meening ontstaat omtrent de grenzen hunner bevoegdheden en zij daaromtrent niet tot overeenstemming kunnen komen, wordt terzake beslist door den Gouverneur-Generaal.
In de gevallen waarin 's Lands belang zulks vordert, zijn de Gouverne- urs an provinciën en de Hoofden van andere op den voet van artikel 119 der Indische Staatsregeling ingestelde gewesten, onder hun verantwoordelijkheid en behoundens het bepaalde in algemeene regelingen of bijzondere voorschrif- ten, bevoegd aan de in hun ambtsgebied bescheiden residenten-afdeelings- hoofden, die krachtens artikel 5, eerste lid, zijn aangewezen tot het beoordeelen, verevenen en betaalbaarstellen van vorderingen ten laste van den Lande, met betrekking tot de uitoefening van de aan dezen bij dat artikel verleende bevoegdheid schriftelijke aanwijzing ten geven.
Bovenstaande bepalingen ten opzichte van de Hoofden van gewestelijk bestuur gelden niet voor den Gouverneur van West-Java en de residenten- afdeelingshoofden op de hoofdplaatsen van provinciën of andere op den voet van artikel 119 der Indische Staatsregeling ingestelde gewesten.
(1) Van de vorderingen, waaromtrent, ingevolge de eerste alinea van ar- tikel 38 der Indonesisch Comptabiliteitswet door den Gouverneur-Generaal is bepaald, dat onderzoek door de Algemeene Rekenkamer vóór de betaalbaarstel- ling noodig is, kan een bedrag’van hoogstens vier vijfde gedeelte vóór dat on- derzoek worden betaalbaar: gesteld, mits zulks geschiede vóór 1 Juli van het jaar, volgende op het dienstjaar, waartoe de vorderingen behooren, en mits niet reeds krachtens reglementaire bepalingen voorshot is genoten.
(2) Van die betaalbaarstellingen worden aanteekeningen gesteld op de beschei- den, bedoeld in het eerste lid van artikel 14.
- (1) De bescheiden, door de schuldeischers tot staving van hunne vorde- ringen over te leggen, moeten aantoonen, dat aan de voorwaarden is voldaan, waarop de vordering zich grondt, en worden Overigens opgemaakt in den vorm bij algemeene of bijzondere voorschriften vastgesteld, of door de Algemeene Re- kenkamer, in overleg met de Hoofden der betrokken departementen van alge- meen bestuur, bepaald.
(2) In geval de vordering in dadelijk verband staat met eene tegenvordering, wordt zulks op de bewijzen, door de landsdienaren af te geven, bekend gesteld.
(3) Andere dan origineele’ bewijsstukken tot staving van eene vordering worden—behoudens het geval dat de oorspronkelijke stukken zijn ingediend bij gen landsbureel en daarna; buiten schuld of toedoen van den schuldeischer, in het ongereede zijn geraakt—niet Aangenomen, dan wanneer twee personen zich
nm ten genoegen van hem, die de betaalbaarstelling verleent, ver. binden als borgen van den schuldeischer tot teruggaaf van de som, welke later blijken mocht meer dan ééns te zijn betaald. Van deze verplichting tot borgstel- ling zijn vrijgesteld alle schuldeischers, die betaling vorderen terzake van wer-
ken, leveringen of transporten, welke zij niet verplicht waren voor den Lande op crediet te verrichten. (4) Andere exe:
langhebbenden niet uitgereikt dan o
evenen en betaalbaarstellen van vorderingen ten laste van e. den Lande, een er ander nadat de noodzakelijkheid daarvan voldoende is gebleken.
INDONESISCH COMPTABILITEITSWET 85
- (1) Hij, die betaalt, verzekert zich, dat de voor de ontvangst gestelde handteekening die is van den rechthebbende.
(2) Aan hen, die hunne handteekening niet kunnen stellen, wordt, tenzij eene authentieke akte van kwijting mocht worden afgegeven, de betaling niet an- ders gedaan dan in tegenwoordigheid van twee, tot het onder eede afleggen van getuigenis bekwame, bij den landsontvanger bekende personen, die het be- wijsstuk der betaling onderteekenen. Wanneer hij, die ontvangen moet, is een Inlander of Vreemde Oosterling, wordt, bij twijfel, diens identiteit gestaafd door zijn hoofd of door twee bij den landsontvanger bekende personen, bekwaam om onder eede getuigenis der waarheid af te leggen, die mede het stuk teekenen.
- (1) Erfgenamen of rechtverkrijgenden, zoomede gemachtigden of andere vertegenwoordigers van schuldeischers moeten in de quitantiën de bescheiden vermelden, waaraan zij hun recht ontleenen.
(2) 's Lands ontvanger kan vorderen, dat hem die bescheiden worden vertoond, en des geraden achtende ook dat zij worden overgelegd.
VERBETERBLAD,
In den titel van den bij Staatsblad 1933 Nr. 381 bekend gemaakten tekst der „Regelen voor het administratief beheer" moet in stede van ,, REGELING”’ wor- den gelezen ,,REGELEN”’.
Uitgegeven den vier en twintigsten November 1933 door de Algemeene Secretaris.
i
IND. COMPTABILITEITSWET.
Regeling van de wijze van beheer en verantwoording der geldmiddelen van Indonesië, Wet van 23 April 1864, Ind. 8. 106, waarvan de gewijzigde tekst opnieuw is bekendgemaakt in S. 25—448. (1) Iste HOOFDSTUK.
Van de rechtspersoonlijkheid van Indonesië en van de wijze van beheer van de Indonesische geldmiddelen.
AFDEELING I. Algemeene bepaling.
Art. 1. Indonesië is een rechtspersoon; die hetzij door den Gouverneur- Generaal, hetzij door den Minister van Overzeese Rijksdelen wordt ver- tegenwoordigd.
() Een dergelijke afkondiging van den gewijzigden tekst heeft tevoren plaatsgehad in S- 1895—225 en 1917—521. De, tekst van S, 25—448 is
= SS
