RECHTERLIJKE ORGANISATIE EN HET BELEID DER JUSTITIE IN INDONESIE
N. RO.
REGLEMENT OP DE
RECHTERLIJKE ORGANISATIE EN HET
BELEID DER JUSTITIE IN INDONESIË. ()
(afgekondigd bij Publikatie van 30 April 1847—S. No. 28 jo. S. 1848—57, iw. 1 Mei 1848.)
Zie LN. 50—30, organisatie, bevoegdheid, rechtsregl. Mahkamah Agung Indo- nesia en LN. 51—9, noodwet betr. procedure burgerl. rechterlijke instanties,
- in deze verzamel. achter RO,
HOOFDSTUK I.
Algemeene bepalingen. (*) Dit hoofdstuk is behoudens afwijkingen ook toepasselijk op de buiten- gewesten, ingevolge art. 2 Rechtsregl. Buitengew.
- (Gew. S. 14-317.) De rechterlijke macht in Indonesië wordt, onvermiuderd de rechtsmacht aan den militairen rechter toegekend, uitgeoefend door: (ISR. 132, 135; RBg. 1; Bb. 446, 1316, 1321, 2133, 2495.)
de districtsgerechten ; (RO. 77v.)
de regentschapsgerechten ; (RO. 81v.)
de landraden ; (RO. 89v.)
de landgerechten ; (RO. 116bis v.)
de residentiegerechten ; (RO. 116a v.)
de raden van justitie en (RO. 117v.)
het hooggerechtshof. (RO. 151v.)
De bestaande verordeningen omtrent het regtswezen in de residentién Soerakarta en Djokjakarta blijven in volle kracht, totdat daaromtrent nader zal zijn beschikt. (S. 1903—7, 8 enz. zie aant, achter RO.)
De regtbanken en geregten in de bezittingen buiten Java en Madura blijven vooreerst derzelver tegenwoordige benaming en samenstelling behouden. (*)
- De kennisneming en beslissing van alle geschillen over eigendom of daaruit voortspruitende regten , over schuldvorderingen of burgerlijke regten, en de toepassing van alle soort van wettig bepaalde straffen, zijn bij uitsluiting opgedragen aan de regterlijke He volgens de verdee- lingen van regtsgebied, de regterlijke bevoegdheid, en de wijze bij dit reglement omschreven. (ISR. 134, 137; Rv. 99, 130; Sv. l0lv., 126v., 177v., 260v.)
De zaken, welke uit haren aard, of krachtens wettelijke bepalingen, ter beoordeeling staan van het administratief gezag, blijven daaraan onderworpen.
Alle geschillen over bevoegdheid tusschen de regterlijke magt en het administratief gezag worden door den Gouverneur-Generaal beslist, volgens algemeene bepalingen, nader door den Koning vast te stellen. (ISR. 138 en overg.bep. 1, bl. 219; S. 1849—61 ; Bb. 2192.)
2a. (Ing. S. 31-367 jo. 368.) Alle vorderingen betrekkelijk tot een arbeidsovereenkomat, dic geheel of gedeeltelijk in Indonesié moet wor- den ten uitvoer gebracht, staan, ongeacht welk recht op de overeenkomst van toepassing is, zoolang de arbeider in Indonesië woonachtig is, uit-
(@) Voor de gewesten buiten Java en Madoera is bij S. 1927—227 het »»Rechtsreglement Buitengewesten” afgekondigd, i.w.g. 1 Juli ’27, in deze verzameling opgenomen.
Bij art, 2 van genoemd Rechtsregl. Buitengew. zijn de hoofdstukken I, VI en VII van RO., toepasselijk verklaard op de buitengewesten, en bij art. 101 ook hoofdstuk V van RO., in beide gevallen behoudens eenige afwijkingen.
1
2 REOHTERLIJKE ORGANISATIE.
sluitend ter beslissing van den Indonesischen rechter of van in Indo- nesië verblijvende scheidslieden.
Van het bepaalde in het vorig lid kan alleen bij overeenkomst, na het ontstaan van het geschil gesloten, worden afgeweken.
- (Gew. S. 37-116.) (1) Overal, waar rechtspraak genoemd bij art. 134, tweede lid der Indische Staatsregeling, niet door afzonderlijke be- palingen wordt beheerscht, kan de uitvoering van de krachtens dat voor- schrift gedane uitspraken, indien zij niet vrijwillig geschiedt, niet anders plaats hebben dan langs den gewonen weg van rechten en na executoir- verklaring door het hoogste Indonesische rechterlijke college. (ISR. 134, 136 ; S. 31—53*, bl. 365.) ;
(2) In geval van verschil over de competentie in de bij het vorige lid bedoelde zaken beslist de Gouverneur-Generaal. (ISR. 139.) (*)
Zie de bepalingen betreffende de Priesterrechtspraak, 3. 82-152, op bl. 362.
3a. (Ing. S. 35—102.) (1) Rechtzaken van welke de kennisneming volgens het adatrecht toekomt aan rechters van kleine rechtsgemeen- schappen (dorpsrechters) blijven aan die kennisneming onderworpen.
(2) Het bepaalde in het vorig lid laat onverkort de bevoegdheid van partijen om te allen tijde hare zaak aan de beslissing der in de artt. 1, 2 en 3 bedoelde rechters te onderwerpen. (IR. 86a, 101, 108, 120a, 135a ; RBg. 104, 116v., 120, 143a, 16la.)
(3) De in het eerste lid bedoelde rechters spreken recht naar adatrecht ; zij mogen geen straffen opleggen.
4, Bij K.B. v. 3 Nov. 1866 No. 73 in 8. 67—10 is met wijziging van art. 4 een nadere regeling voor het forum privilegiatum voor Ind. vorsten en hoofden vastgesteld, thans als vervallen te beschouwen.
5, Niettegenstaande de weigering van het in bovenstaand art. vermelde verlof, zal de regterlijke vervolging van andere in de zaak betrokkene personen worden voortgezet, tenzij de Gouverneur-Generaal, aan wien door den betrokken ambtenaar van het openbaar ministerie vooraf zal worden kennis gegeven van de voorgenomene vervolging, zich, met in- achtneming der bij art. 179 voorgeschreven vormen, tegen die vervolging mogt verzetten.
- Wanneer personen, uit hoofde van hunnen landaard, stand of be- trekking, aan de regtsmagt vau onderling in rang verschillende regtban- ken of geregten onderworpen, in ééne en dezelfde zaak betrokken zijn, staan zij, zoowel in burgerlijke als in strafzaken, gezamenlijk voor de hoogste dier regterlijke autoriteiten te regt. (ISR. 131, 136 ; RO. 116%; AB. 12; Sv. 109.)
(Ing. S. 12-521.) Indien echter in burgerlijke zaken een borg voor een in rang hoogeren rechter zou moeten verschijnen dan de hoofdschul- denaar, staan zij ieder voor zich terecht voor hun eigen rechter.
6a. (Ing. 8. 24449 jo. 499.) (1) De op het tijdstip, waarop het straf- geding aanvangt, bevoegde rechter verliest zijne bevoegdheid niet door veranderingen na dat tijdstip opgekomen in staat, ambtelijke of maat- schappelijke hoedanigheden van verdachte of beklaagde.
(2) Onder het tijdstip, waarop het strafgeding aanvangt, wordt voor de toepassing van dit art. verstaan het tijdstip, waarop de met de ver- volging belaste autoriteit op de wettelijk voorgeschreven wijze de zaak bij den rechter aanhangig maakt, met dien verstande dat, indien de be- rechting zonder dagvaarding of verwijzing geschiedt, uitsluitend het
(@) RO. 3 luidde :
De tusschen Inlanders, of tusschen met dezen D gelijkgestelde personen van geeen landaard, gerezene burgerlijke geschillen, welke, ater de gods- Lenen, wervencot de Zed onrenyoude herkomsten yan die personen, ter a 5 opne ouderworpon, priesters of hoofden, blijven daaraan bij voort: je uitvoering van de aldus gedane uitspraken kan, indi iet vrijwillig geschiedt, niet anders plaats hebben dan langs den Eee van Een: cue ver eerelg Bicone et coasts Inlandsche regterlijke collegie- € chil over de com: j „ber doelde zaken, beslist de Gouverneur-Generaal. PR Last
RECHTERLIJKE ORGANISATIE. 3
tijdstip, waarop de behandeling der zaak ter terechtzitting aanvangt, in aanmerking komt.
- (Gew. S. 01-306 jo. 02-85, 14—317.) Wanneer Indonesiërs of met hen gelijkgestelde personen in burgerlijke of strafzaken in cersten aan- leg elders dan voor het landgerecht als verweerders of beklaagden be- trokken zijn, wonen,
voor zooveel Mohammedanen aangaat, de hoofdpanghoeloe of met gelijksoortige functie belaste persoon dan wel degene, die hem volgens aanwijzing van het gerecht of van den voorzitter der rechtbank vervangt,
en voor zooveel de overigen betreft, een of twee hoofden, en, bij ont- stentenis, een of twee geschikte personen van den landaard en godsdienst dier verweerders of beklaagden, door het gerecht of door den voorzitter der rechtbank aan te wijzen,
als adviseurs de terechtzitting bij en zal het gevoelen van zoodanige adviseurs worden ingewonnen ten aanzien van de ter zake betrekkelijke godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken, ten einde daarop bij het doen der uitspraak worde gelet.
De regel, in het vorige lid gesteld, lijdt witzondering :
a. ten aanzien van verweerders of beklaagden, die den christelijken godsdienst belijden ;
b. ten aanzien van verweerders in burgerlijke zaken, die met opzicht tot de aanhangige zaak aan het voor de Europeanen vastgestelde burger- lijk en handelsrecht zijn of zich vrijwillig hebben onderworpen ;
c. wanneer, ter beoordeeling van den rechter, geen aan de vereischten voor adviseur voldoende persoon beschikbaar is ;
d. (Toeg. S. 34-558 jo. 587.) bij de summiere procedure in strafzaken voor de landraden, in welke gevallen het bepaalde in de twee volgende leden mede buiten toepassing blijft.
De inhoud der uitgebrachte adviezen of het toepassen der uitzondering vermeld in het tweede lid wordt in het proces-verbaal der terechtzitting opgenomen. ;
In het vonnis wordt vermeld dat de adviseurs geraadpleegd zijn dan wel de grond, waarop zij bij uitzondering niet zijn geraadpleegd. (Sv. 166, 174; IR. 292, 319; RBg.42, 618.)
- (Gew. S. 1901—306 jo. 02—85.) De adviseurs, welke, krachtens het bepaalde bij het voorgaande art., de teregtzittingen bijwonen, zullen vooraf in handen van den regter den navolgenden eed afleggen :
„Ik beloof en zweer de aan mij opgedragene werkzaamheden met ijver „en trouw te zullen waarnemen; dat ik al de aan mij gedane vragen, „hetzij in geschrift, hetzij bij monde, opregt en naar mijn beste kennis „zal beantwoorden, en zonder partijdigheid opgeven, wat de geschrevene „wet of van ouds gevestigde gewoonte is en niets, dat niet met zoodanige „„wet of gewoonte overeenkomstig, is; dat ik mijn gevoelen, wanneer „mij dit door den regter wordt afgevraagd, naar waarheid en in alle „„opregtheid zal uitbrengen, en dat ik geene gaven of geschenken heb aan- „genomen noch zal aannemen, die mij zijn of mogten. worden aangebo- „den om mij hiervan te doen afwijken’. (S. 34—159*.) =
De bepaling van het voorgaande lid van dit art. is niet toepasselijk op de adviseurs die door of naar aanleiding van hunne betrekking zijn aan- gewezen en vóór het aanvaarden dier betrekking ambtelijk zijn beéedigd.
- (Gew. S. Ol—15, 201, 270; 14-817 ; 22-687 ; 31-118.) De rech- terlijke ambtenaren mogen buiten hun eigen of eenige andere rech- terlijke betrekking geen ambt bekleeden en geen beroep uitoefenen, noch ook zijn zaakgelastigden, executeurs, voogden of curators van personen, die hun verder dan in den derden graad van bloedverwantschap of zwager- schap bestaan, alles tenzij de Gouverneur-Generaal om bijzondere rede- nen van dat verbod vrijstelling heeft verleend. (Ov. 69; RO. 37; Bw. 379; Rv. 34; Sv. 156; S. 04-199.)
De Gouverneur-Generaal kan, op voordragt van het hooggerechtshof, aan de substituut-griffiers tijdelijk opdragen de waarneming der functién
4 RECHTERLIJKE ORGANISATIE,
van advocaat, procureur of notaris, ter plaatse waar het regterlijk collegie, waarbij zij behooren, gezeteld is.
(Gew. S. 41—31 jo. 98.) De verbodsbepalingen van dit art. zijn niet toepasselijk op de leden der Indonesische rechtbanken, die geen rechts. kundigen zijn, zoomede niet in de gevallen, waarin aan een administratiove bediening de uitoefening van rechterlijke functién wordt verbonden, (IR. 374; RBg. 702.)
- (Gew. 8. 31—118.) De regterlijke ambtenaren zullen tevens mogen zijn leden van de commissién van openbaar onderwijs en van alle andere bijzondere en openbare inrigtingen, wanneer die betrekkingen niet als eigenlijke ambten kunnen worden beschouwd. (ISR. 41.)
In geval van twijfel of eenige betrekking van laatstgenoemden aard met de regterlijke bestaanbaar zij, zal zulks door den Gouverneur-Generaal worden beslist. (Bb. 2035.)
- (Gew. S. 01—1ö, 273 ; 39-283.) Bloedverwanten of aanverwanten, tot den derden graad ingesloten, kunnen, zonder dispensatie van den Gouverneur-Generaal, niet tezamen zijn raadsheeren, regters, bijzitters als bedoeld in art. 192, ambtenaren van het openbaar ministerie of griffiers in, bij of van hetzelfde rechterlijke college of gerecht.
Indien de zwagerschap eerst mogt zijn ontstaan na de benoeming, zal degene, die dezelve heeft aangegaan, zijn ambt niet kunnen blijven be- houden, zonder vergunning van den Gouverneur-Generaal. (ISR. 9; RO. 35; Bw. 290v.)
Deze bepalingen zijn niet toepasselijk op de substituut-griffiers.
- (Glew. laatstel. 8. 41—31 jo. 98.) (1) De bepalingen van het voor- gaande art. zijn mede niet van toepassing op de leden der Indonesische rechtbanken, die geen rechtskundigen zijn.
(2) Nochtans zal bij het doen van aanbevelingen en benoemingen zooveel mogelijk op die bepalingen worden gelet.
- (Gew. S. 01—15, 168, 273 ; 17—555 jo. 18—171.) De bij dit reglement genoemde rechterlijke ambtenaren ep rechters zullen, alvorens in bedie- ning te treden, den navolgenden eed of belofte afleggen :
„Ik zweer (beloof) dat ik houw en getrouw zal zijn aan den Koning „en aan den Gouverneur-Generaal van Jndonesië als des Konings „vertegenwoordiger; dat ik middellijk noch onmiddellijk, onder welken „naam, of voorwendsel ook, tot het verkrijgen mijner aanstelling, aan „iemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven of „beloven; dat ik nimmer eenige giften of geschenken zal aannemen „of ontvangen van eenigen persoon, welken ik weet of vermoed eenig „rechtsgeding of eenige zaak te hebben of te zullen krijgen, in welke „mijne ambtsverrichtingen zouden kunnen te pas komen ; dat ik voorts „mijn post met eerlijkheid, nauwgezetheid en onzijdigheid, zonder aan- „zien van persoon, zal waarnemen en mij in de uitoefening mijner be- „diening zal gedragen, zooals cen braaf en eerlijk rechterlijk ambtenaar »,(rechter) betaamt”. (RO. 14; ISR. 1, 173; S. 34—159*.)
Indien van twee rechterlijke bedieningen eene als bijkomende bedie- ning aan de andere verbonden is, wordt volstaan met den ambtseed bij de aanvaarding der bediening, waaraan de uitoefening der bijkomende bediening verknocht is.
Hetzelfde geldt in de bijzondere gevallen, dat aan een administratieve bediening de uitoefening van rechterlijke functiën wordt verbonden.
- De eed (belofte) wordt door de benoemden, die te Djakarta aan- wezig zijn, afgelegd in handen van den Gouverneur-Generaal, of van een ambtenaar door denzelven daartoe gemachtigd, en door hen, die zich elders bevinden, in handen van den (*) ambtenaar, met het hoogste admi- nistratief gezag bekleed ter plaatse, waar de benoemde zich moet vesti- gen. (ISR. 118y., 173; Ov. 103; Bb. 810, 1706.)
De substituut-griffiers leggen den eed (belofte) af in handen van den
() I.p.v. „ambtenaar, .... bekleed” wordt in de gvtsl. v. J 7 „gouverneur, den resident-afd.hoofd of den en eren
1
REOHTERLIJKE ORGANISATIE, 5
president, in een openbare terechtzitting van het college, waarbij zij zijn aangesteld. (RO. 13.)
14a. (Ing. S. 20-346, 508 ; gew. 25—72, 78.) (1) Behoudens het bepaalde in het tweede lid genieten gegradueerde rechterlijke ambtenaren (4) eene bezoldiging naar gelang van het door hen bekleede ambt in verband met hun voor de toekenning van weddeverhoogingen medetellenden diensttijd, volgens door den Gouverneur-Generaal te stellen regels.
(2) Ten aanzien van de gegradueerde rechterlijke ambtenaren (2), die een keuze-ambt als bedoeld in art. 16 bekleeden, is de Gouverneur- Generaal bevoegd te bepalen, hetzij dat zij eene vaste bezoldiging zullen genieten, hetzij dat hun bezoldiging in geen geval minder dan een bepaald minimum zal bedragen. (RO. 76a.)
14b. (Ing. S. 20-346, 508.) De rechterlijke ambten, welke niet be- hooren tot die, bedoeld in het tweede lid van het vorig art., worden door den Gouverneur-Generaal, na raadpleging van het Hooggerechtshof en den Raad van Indonesië, naar hunne belangrijkheid in groepen gerangschikt. (S. 20—508, ten tweede; RO. 76a.)
- (Gew. S. 05-37, 06-118, 20-346, 508.) (1) Gegradueerden (*) worden bij hunne benoeming tot een ambt bij de rechterlijke macht op de ranglijst van de gegradueerde rechterlijke ambtenaren geplaatst onmiddellijk na dengene, die van de tot een ambt derzelfde groep be- noemden het laagst op de ranglijst staat.
(2) Bij benoeming dadelijk tot een keuze-ambt wordt de benoemde gerangschikt onmiddellijk na dengene, die van de tot een keuze-ambt met gelijke bezoldiging of, indien een gelijke bezoldiging niet bestaat, met de dichtstbijkomende hoogere bezoldiging benoemden het laagst op de ranglijst staat.
(3) Zij die op denzelfden dag tot ambten derzelfde groep of tot gelijk bezoldigde keuze-ambten worden benoemd, worden gerangschikt naar het nummer der benoemingsbesluiten ; in geval van benoeming bij één- zelfde besluit geschiedt de rangschikking naar de volgorde, waarin zij in het besluit genoemd worden.
(4) Hij die ’s Lands dienst verlaat of een ander dan een rechterlijk ambt aanvaardt, wordt van de ranglijst geschrapt.
(5) (Ing. 9. 22-450 jo. 23-246.) Hij die tengevolge van de aanvaarding van een ander dan een rechterlijk ambt zijn plaats op de ranglijst heeft verloren, neemt zijne vroegere plaats weder in, wanneer hij zonder intusschen den openbaren dienst te hebben verlaten, wederom tot een rechterlijk ambt wordt benoemd.
(6) De ranglijst is openbaar. Bezwaren tegen de rangschikking kunnen slechts worden gemaakt op grond van verkeerde toepassing of schending van dit art. en worden, op schriftelijk verzoek der belanghebbenden, door het Hooggerechtshof beslist. (S. 05—37 art. Ill; 15—369, jis 41—31, 98.)
(7) (Toeg. 8. 30-82.) De Gouverneur-Generaal is bevoegd na raad- pleging van het Hooggerechtshof, in bijzondere gevallen, waarin de billijkheid dit eischt, met betrekking tot de plaatsing op de ranglijst van gegradueerde rechterlijke ambtenaren (&) van het bepaalde in dit art. af te wijken. (RO. 76a.)
(a) Bij S, 34—484 art. I C is bepaald: Overal, waar in dit reglement (op de rechterlijke organisatie enz.) sprake is van „gegradueerde rechterlijke ambte- naren’, van ,,een gegradueerd rechterlijk ambtenaar”, van ,,niet gegra- dueerde Europeesche rechterlijke ambtenaren’, en van ,,gegradueerdon”’ wordt daaronder onderscheidenlijk verstaan : ,,de rechterlijke ambtenaren, die (,,een rechterlijk ambtenaar, die’, ,,de Europeesche rechterlijke ambte- naren die niet”, „zij, die’) aan een Nederlandsche Universiteit dan wel aan de Rechtshoogeschool te Batavia verworven hebben (heeft) :
hetzij den graad van doctor in de rechtsgeleerdheid of in de rechtsweten- schap, hetzij de hoedanigheid van meester in de rechten, mits deze hoedanig- heid ís verkregen op grond van het afleggen van een examen in het Neder- landsch of Indonesisch burgerlijk- en handelsrecht, staatsrecht en strafrecht”. (Zie RO, 14a, 15, 16, 18, 20, 20a, 20b.)
6 RECHTERLIJKE ORGANISATIE.
- (Gew. S.20—346, 508; 25—72, 73 ; 26114 jo. 32—49 ; 41—81 jo. 98.) Indien het ambt openvalt van vice-president, lid of griffier van het Hoog- gerechtshof, van president of vice-president van één der raden van justitie, van lid van één der raden van justitie op Java, van president van den krijgsraad te Tjimahi, van voorzitter van een der landraden te Djakarta, Bandoeng, Semarang of Soerabaja, van procureur-generaal of advocaat- generaal bij het Hooggerechtshof of van officier van justitie bij een der raden van justitie dan wel van officier van just. bij landraden, wordt in de vacature voorzien, òf door benoeming bij keuze uit de gegradueerde rechterlijke ambtenaren (8), met dien verstande dat bij gelijke geschikt- heid voor het opengevallen ambt de ranglijst den doorslag geeft òf door benoeming buiten de ranglijst. (RO. 15.)
(2) (Gew. S. 23-174.) De benoeming van gegradueerde rechterlijke ambtenaren (#) tot ambten eener hooger gerangschikte groep geschiedt, behoudens de voorwaarde van geschiktheid voor het te vervullen ambt, naar de ranglijst. In het belang van den dienst kan, het Hooggerechtshof en den procureur-generaal gehoord, in bijzondere gevallen zoodanige benoeming geschieden in afwijking van de ranglijst. (S. 05—37 art. ILL.)
16a. (Ing. S. 25—72 jo. 73.) De presidenten van de raden van justitie op Java worden, van buitenlandsch verlof in Indonesië teruggekeerd, met inachtneming van het tijdstip hunner terugkomst, en bij gelijk- tijdigen terugkeer, met inachtneming van de dagteekening hunner oorspronkelijke benoeming tot dat ambt, bij de eerste vacature weder in hun vorigen rang benoemd, tenzij zij verklaren zoodanige herbenoeming niet te wenschen of reeds vóór het ontstaan der vacature met hunne toestemming in een andere betrekking mochten zijn aangesteld.
- (Gew. S. 07-393 ; 20—346, 508, 590.) (1) Wanneer eene plaats van vice-president van het Hooggerechtshof openvalt en geene herbe- noeming in vorigen rang krachtens de bepalingen van het Reglement op het beleid der Regeering van Indonesië moet plaats hebben, zenden de president, de procureur-generaal en de andere vice-president tot hare vervulling eene met redenen omkleede aanbeveling aan den Gou- verneur-Generaal.
(2) (Gew. S. 25—72 jo. 73.) Wanneer eene plaats van lid van het Hooggerechtshof of president van één der raden van justitie op Java openvalt en geen herbenoeming in vorigen rang krachtens de bepalingen van het Reglement op het beleid der Regeering van Indonesië of het voorgaand artikel moet plaats hebben, zoomede wanneer eene plaats openvalt van president van een der raden van justitie buiten Java, van vice-president of lid van een raad van justitie, dan wel van rechts- kundig voorzitter of vice-president eener Indonesische rechtbank, van rechtskundig residentierechter of van landrechter, zenden de president, de procureur-generaal en de vice-presidenten van het Hooggerechtshof eene met redenen omkleede aanbeveling aan den Gouverneur-Generaal.
(3) Wanneer de plaats van prooureur-generaal openvalt zendt de president van het Hooggerechtshof tot hare vervulling eene met redenen omkleede aanbeveling aan den Gouverneur-Generaal.
(4) De ambtenaar, die bij belet, afwezigheid of ontstentenis den president, den procureur-generaal of één der vice-presidenten van het Hooggerechtshof vervangt, neemt geen deel aan het opmaken der aanbe- veling voor de vervulling eener in het eerste of tweede lid bedoelde betrekking, hooger bezoldigd dan de zijne. De ambtenaar, die den presi- dent vervangt, doet geen aanbeveling voor de vervulling der betrekking van procureur-generaal.
(5) Wanneer bij het openvallen der in het eerste en derde lid bedoelde plaatsen ingevolge het vierde lid geen aanbeveling kan worden gedaan, wordt zonder aanbeveling tot de benoeming overgegaan.
(6) De aanbevelingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden
(a) Zie noot RO. 14a.
RECHTERLIJKE ORGANISATIE. 7
opgemaakt bij volstrekte meerderheid van stemmen; wordt geen vol- strekte meerderheid verkregen, dan wordt de candidaat aanbevolen, die de meeste stemmen heeft verkregen ; bij staking van stemmen heeft de president een beslissende stem.
(7) (Gew. S. 41—31 jo. 98.) Ten aanzien van eene openvallende plaats in het openbaar ministerie bij de Europeesche rechterlijke colleges of de krachtens het eerste lid van art. 93 a door den Gouv.-Gen. aangewezen landraden zendt de procureur-generaal, wanneer deze plaats door een gegradueerd rechterlijk ambtenaar moet worden vervuld, tot hare ver- vulling eene met redenen omkleede aanbeveling aan den Gouv.-Gen., behalve in de gevallen, dat aan een administratieve bediening de functie van magistraat bij den landraad is verbonden.
(8) Wanneer eene plaats van griffier van een Europeesch rechterlijk college openvalt, zendt de president van dat college tot hare vervulling een met redenen omkleede aanbeveling aan den Gouverneur-Generaal.
(9) Voor eene opengevallen plaats worden ten minste twee personen aanbevolen.
(10) Do aanbevelingen worden ingediend door tusschenkomst van den directeur van justitie en, zoo er ingewonnen adviezen zijn, worden die daarbij overgelegd.
(11) De in art. 18 bedoelde, niet met bovordering gepaard gaande benoeming tot cen ander rechterlijk ambt in het belang van ’s lands dienst, geschiedt niet dan op voorstel of na raadpleging van het Hoog- gerechtshof. (RO. 76a.)
- (Gew. S. 01-201, 270 ; 32—64 ; 833-6 jo. 33.) (1) De gegradueerde rechterlijke ambtenaren (*) met uitzondering van den president, de vice- president en de raadsheeren van het Hooggerechtshof van Indonesté worden eervol uit hun ambt ontslagen :
a. wanneer zij den leeftijd van 60 jaren hebben bereikt; -
b. wanneer zij onder curateele zijn gesteld ;
c. bij gebleken ongeschiktheid voor het bekleede ambt. *
(2) (Ang. S. 82-64.) Zij kunnen na raadpleging van het Hooggerechts- hof eervol uit hun ambt worden ontslagen, wanneer zij den leeftijd van ~ 55 jaren hebben bereikt en het maximum aantal jaren, dat voor bere- kening van pensioen op den voet van het Ind. Burgerlijk Pensioens- reglement in aanmerking kan komen, in ’slands dienst zijn geweest en voor bevordering niet geschikt worden geacht.
(3) Ook kunnen zij eervol uit hun ambt ontslagen worden wegens geringe vergrijpen tegen de waardigheid van het ambt en ambtelijke verzuimen, zoomede wegens andere redenen van staatsbelang. (RO. 76a.)
(4) (Gew. S. 20-346, 508; 32—64.) Buiten de in het eerste, tweede en derde lid van dit art. genoemde gevallen kan alleen ontslag uit het ambt worden verleend op eigen verzoek. Ook benoeming tot een ander rechterlijk ambt, welke niet met bevordering gepaard gaat, geschiedt len op eigen verzoek dan wel in het belang van ’slands dienst (RO. 17,
(5) In in gevallen, in het eerste lid, sub a, en in het tweede lid bedoeld, brengt het ontslag uit het ambt eervol ontslag uit ’s lands dienst mede. In de gevallen, in het eerste lid, sub b en c bedoeld, kan de uit het ambt ontslagene tevens eervol uit ’slands dienst ontslagen of op non-activiteit met wachtgeld gesteld worden. In het geval, bedoeld in het derde lid, wordt de uit het ambt ontslagene gelijktijdig tot een ander — al dan niet rechterlijk — ambt benoemd of op non-activiteit met wachtgeld gesteld.
8 (6) In het geval in het eerste lid sub b bedoeld, wordt het ontslag uit ’s lands dienst, in het geval, in het eerste lid sub ¢ bedoeld, wordt het ontslag uit het ambt en uit ’s lands dienst, in het geval, in het derde lid bedoeld, wordt het ontslag uit het ambt niet verleend dan op voorstel
(a) Zie noot RO, 14a,
8 RECHTERLIJKE ORGANISATIE,
of na raadpleging van het Hooggerechtshof, dat vooraf den betrokken ambtenaar in de gelegenheid stelt om zijne verdediging voor te dragen.
- (Gew. S. 20-346, 508.) (1) Onder bevordering wordt verstaan benoeming tot een in een hoogere groep gerangschikt ambt en benoeming tot een keuze-ambt, indien deze verhooging van bezoldiging voor den benoemde medebrengt.
(2) Geene bevordering vindt plaats van den ambtenaar :
1°. die buitenlandsch verlof geniet ;
9°. die verzocht heeft daarvoor niet in aanmerking te komen — z00- lang zonder bezwaar aan dat verzoek kan worden voldaan ;
3°. die op eigen verzoek buiten bezwaar van den Lande op non- activiteit is gesteld, en, voor bevordering in aanmerking komende, de non-activiteit wenscht te zien bestendigd — indien tegen de vervulling van dien wensch geen bezwaar bestaat ;
4°. aan wien met ontslag uit zijn ambt, in het belang van ’slands dienst werkzaamheden zijn opgedragen — zoolang die opdracht duurt.
- (Gew. S. 01-201, 270; 33—6 jo. 33.) (1) De gegradueerde rechter- lijke ambtenaren met uitzondering van den president, den vice-president en de raadsheeren van het Hooggerechtshof van Jndonesië kunnen op voorstel of na raadpleging van het Hooggerechtshof, dat den betrokken ambtenaar vooraf in de gelegenheid stelt om zijn verdediging schriftelijk voor te dragen, slechts uit hun ambt worden ontzet :
a. (Gew. 8. 17—497.) wanneer zij wegens misdrijf of wegens overtreding van de bepalingen betreffende ’s lands middelen en pachten tot hechtenis of tot een zwaardere straf zijn veroordeeld ;
b. (Gew. S. 37—590.) wanneer zij in staat van faillissement zijn ver- klaard, surséance van betaling hebben verkregen of wegens schulden zijn gegijzeld ;
c. wegens wangedrag of onzedelijkheid of bij voortdurende achte- loosheid in de waarneming van hun ambt;
d. wegens overtreding der verbodsbepalingen van de artt. 9, 21, 37 of 41.
(2) Overtreding van de bepalingen onder d vermeld, kan alleen grond tot ontzetting oploveren, wanneer de overtreder reeds voor gelijke over- treding is gewaarschuwd.
(3) In de gevallen, sub a, b en c bedoeld, brengt ontzetting uit het ambt ontslag uit ’slands dienst mede; in de gevallen, sub d bedoeld, kan, op voorstel of na raadpleging van het Hooggerechtshof, ontslag uit ’slands dienst, al dan niet eervol, daaraan worden verbonden.
20a. (Ing. S. 01201, 270; 331 jo. 33.) (1) Wanneer tegen een (8) gegraducerd rechterlijk ambtenaar — met uitzondering van den president, den vice-president en de raadsheeren van het Hooggerechtshof van Jndonesië — hetzij een bevel tot gevangenneming of gevaïigen- houding, hetzij machtiging tot opneming in een huis van bewaring of geneeskundig gesticht voor krankzinnigen is verleend of op hem lijfs- dwang is ten uitvoer gelegd, wordt hij daardoor in zijn ambt geschorst. __ (2) Wanneer tegen een ambtenaar, als bedoeld in het vorige lid, rechts- ingang zonder bevel van gevangenneming of gevangenhouding is ver- leend, of uit een administratief onderzoek, ingesteld wegens een der redenen, bedoeld in art. 18, eerste lid sub c, en 20, gewichtige bezwaren. zijn gebleken, kan de Gouverneur-Generaal, na raadpleging van den president van het Hooggerechtshof, hem in zijn ambt schorsen.
(3) De schorsing wordt door den Gouverneur-Generaal niet opge- heven dan na raadpleging van den president van het Hooggerechtshof.
(De schorsing brengt mede dat de betrokkene op wachtgeld wordt gesteld.
(5) Heeft de schorsing plaats gehad wegens eene strafrechterlijke vervolging, welke niet tot veroordeeling tot straf heeft geleid of naar
(a) Zie noot RO, 14a,
1
14
REOHTERLIJKE ORGANISATIE. 9
aanleiding van een administratief onderzock, dat noch tot ontslag, noch tot ontzetting uit het ambt heeft geleid, dan wordt den ambtenaar uitbetaald het verschil tusschen het sedert die schorsing genoten wacht- geld en hetgeen hij zonder die schorsing als activiteitstractement zou hebben genoten.
20b. (Ing. S. 01-201, 270; gew. 17-497; 87590; 41—31, 98.) (1) De niet gegraducerde rechterlijke ambtenaren (2) kunnen wegens veroordeeling ter zako van misdrijf of van overtreding van de bepalingen betreffende ‘slands middelen en pachten tot hechtenis of tot eene zwaardere straf, of wanneer zij in staat van faillissement zijn verklaard, surséance van betaling hebben verkregen, dan wel wegens schulden zijn gegijzeld of wegens wangedrag of onzedelijkheid, of bij voort- durende achteloosheid in de waarneming hunner bediening niet uit hun ambt worden ontzet dan op voordracht of na raadpleging van het Hooggerechtshof en nadat zij door dit college in de gelegenheid zijn gesteld om hunne verdediging voor te dragen.
(2) (Gew. S. 26-236 jo. 296.) Zij kunnen wegens dezelfde redenen of wegens een gegrond vermoeden, dat zij een strafbaar feit, als bedoeld in het eerste lid van dit art, gepleegd hebben, niet in hun ambt worden geschorst dan op voordracht of na raadpleging van het Hooggerechtshof en nadat zij door dit College in de gelegenheid zijn gesteld om hunne verdediging voor te dragen.
(3) (Toeg. S. 26-236 jo. 296.) Indien het belang van den dienst dringend eene voorziening eischt, kan een ingevolge het vorige lid geschorste ambtenaar uit zijn ambt worden ontslagen, met bepaling, dat naar aanleiding van den uitslag van de strafrechterlijke vervolging of het administratief onderzoek, op voordracht of na raadpleging van het Hooggerechtshof nader zal worden beslist, of dit ontslag moet worden aangemerkt als eene ontzetting uit hot ambt dan wel als een eervol verleend ontslag. Wordt beslist, dat het ontslag moet worden aangemerkt als te zijn verleend eervol, dan wordt den ambtenaar uitbe- taald, hetgeen hij zou hebben genoten, indien dat ontslag niet in de plaats van de schorsing waro getreden.
20e. (Ing. S. 01-201, 270.) (1) De presidenten van de Europeesche rechterlijke colleges zijn bevoegd om aan do vice-presidenten, leden, griffiers en substituut-griffiers van het college, die de waardigheid van hun ambt verwaarloozen of zich schuldig maken aan achteloosheid in de waarneming van het ambt of aan overtreding der verbodsbepalingen van de artt. 9, 21, 37 of 41, na hen te hebben gehoord, de noodige schrif. telijke waarschuwing te geven. De presidenten der raden van justitie doen ten spoedigste een afschrift daarvan toekomen aan den president van het Hooggerechtshof, bij wien, binnen veertien dagen na nitreiking der waarschuwing door den griffier van den raad van justitie, in beroep kan worden gekomen. De bekrachtiging of tenietdoening wordt den betrokken ambtenaar en den president van den raad van justitie bij griffiersmissive medegedeeld. :
(2) (Gew. S. 14—317 ; 41—31 jo. 98.) Gelijke bevoegdheid tot schrifte- lijke waarsohuwing heeft de prooureur-generaal ten aanzien van de ambtenaren van het openbaar ministerie bij de Europeesche rechterlijke colleges en de krachtens het eerste lid van art. 93 a door den Gouv.-Gen. aangewezen landraden en de president van het Hooggerechtshof ten aanzien van de presidenten der raden van justitie, van de rechtskundige voorzitters der Indonesische rechtbanken, van de rechtskundige residen- tierechters en van de landrechters.
(3) De waarschuwingen, door den procureur-generaal gedaan, worden door hem, de overige waarschuwingen door den griffier van het Hoog- gerechtshof in een daartoe bestemd register eteekend. In dit register worden mede aangeteekend de schorsingen en de, ingevolge besluit van de vergadering van president, vice-presidenten van- en procureur- generaal bij het Hooggerechtshof, daartoe aangewezen ernstige terecht-
10 RECHTERLIJKE ORGANISATIE.
wijzingen, welke een van ’s hofs kamers of een in revisie rechtsprekende N, raad van justitie aan rechterlijke ambtenaren doet toekomen. RO.
- (Gew.S. 01-15, 273 ; 14-317 ; 20-683; 37572.) (1) De rechterlijke 15 ambtenaren hebben hun vast en voortdurend verblijf binnen vijf paal van de plaats, waar het gebouw, voor de terechtzittingen bestemd, gelegen is, en, voor zoover zij aan meer dan één college of gerecht verbonden zijn, ter plaatse, door den Gouverneur-Generaal aan te wijzen binnen denzelfden afstand van het gebouw.
(2) De landrechters en hunne fiscaal-griffiers moeten hunne woon- plaats vestigen op zóódanige plaats binnen hun ressort, als door den Gouverneur-Generaal zal worden aangewezen. (*)
(3) De president van het Hooggerechtshof is in bijzondere gevallen bevoegd om aan de in dit art. bedoelde ambtenaren te vergunnen buiten de hun daarin aangewezen grens te wonen.
(4) (Loeg. S. 41—31 jo. 98.) Het bepaalde in lid (1) is niet van toe- passing op de leden der Indonesische rechtbanken, die geen rechtskun- digen zijn, zoomede niet in de gevallen, dat aan een administratieve be- diening de uitoefening van rechterlijke functiën wordt verbonden.
- (Gew. S. 01-15, 273 ; 14-817.) (1) Ieder rechterlijke ambtenaar 16 kan, ook zonder daartoe bekomen verlof, zich van zijn vast en voort- durend verblijf, of, voor zooveel betreft den landrechter en den fiscaal- griffier, buiten zijn ressort, verwijderen, mits, en dat zelfs in den tijd der vacantiën, niet langer dan drie dagen.
(2) (Gew. 9. 2U—546 ; 32—ö4Ó ; 41—31 jo. 98.) Verloven van ten hoogste drie maanden, de verlengingen inbegrepen en met uitzondering van de zoogenaamde korte verloven naar plaatsen buiten Indonesië gelegen, worden verleend: (?)
door de hoofden van gewestelijk bestuur aan de hoofddjaksa’s en djaksa’s ; (in de bwitengew. door de residenten, S. 38—370, 264* bl. 232.)
door den procureur-generaal aan de gegradueerde rechterlijke ambte- naren, werkzaam bij de parketten en het hoofdparket ;
door de officieren van justitie bij landraden aan de ongegradueerde ambtenaren, werkzaam bij hun parket en bij de parketten van de land- raden in hun ressort ;
door de presidenten van rechterlijke colleges en door de alleen recht- sprekende rechters aan alle andere in of bij hun college of gerecht werk- zame rechterlijke ambtenaren ;
door den president van het Hooggerechtshof aan de presidenten van rechterlijke colleges en aan de alleen rechtsprekende rechters.
(3) (Gew. S. 23-175.) Alle andere verloven worden door of namens den Gouverneur-Generaal verleend.
(4) De rechterlijke ambtenaren, die gebruik maken van de hun bij het eerste lid verleende bevoegdheid, blijven aansprakelijk voor de nadeelen, die uit hunne afwezigheid voor den dienst der Justitie mochten voort- vloeien.
- (Gew. S. 01—15, 273.) De bepalingen van art. 22 zijn niet toepas- selijk op de rechterlijke ambtenaren die als zoodanig of uit anderen hoofde geene vaste bezoldiging van den lande genieten, noch op degenen, die eene administratieve bediening bekleeden, waaraan de uitoefening van rechterlijke functiën wordt verbonden. Zij moeten echter steeds van hun voornemen om zich te verwijderen intijds kennis geven aan den voor- zitter van het college, waartoe zij behooren of aan den rechter, bij wien zij fungeeren.
24, Bij het Hooggeregtshof en de raden van justitie zijn jaarlijks vaste 1 vacantiën, de ééne aanvangende met den laatsten Zaterdag vóór Kerst- mis en eindigende met den tweeden Maandag in Januari, de andere be-
() Bij S, 22-511 is bepaald, dat de landrechters en hunne fiscaal-griffiers panne woonplaats moeten hebben ter plaatse, waar het jand@ecschireeves:
is. *) Kort verlof naar plaatsen buiten Indonesië, S. 10—643 jo. 32—547.
q 17
—
EE
RECHTERLIJKE ORGANISATIE. 11
N. ginnende met den eersten Zaterdag in Juli en eindigende met den twee-
RO. den Maandag in Augustus; voorts nog van Paschen en Pinksteren tot op en met den eersten na die feesten volgenden Woensdag.
18 25. Er zullen gedurende de vacantiën tenminste drie leden van de raden van justitie in dienst blijven, ten einde de zaken, die spoed ver-
R. eischen of de werkzaamheden, welke door commissarissen te verrigten
ID. zijn en geen uitstel kunnen lijden, af te doen.
ll Van de leden van het Hooggeregtshof mogen, zelfs in den tijd der vacan- tién, niet meer dan twee gelijktijdig met verlof afwezig zijn.
Voor de behandeling van strafzaken heeft geene vacantie plaats.
- De verschillende regterlijke collegién houden zitting in de hoofd- plaats van hun regtsgebied.
De Gouverneur-Generaal is bevoegd om, wanneer gewigtige redenen het noodzakelijk doen voorkomen, tot de behandeling en afdoening eener bijzondere zaak, de zittingen van het Hooggeregtshof, of van eenig ander regterlijk collegie, op eene andere plaats van deszelfs regtsgebied te doen
| houden, de magtiging daartoe, op voordragt of na raadpleging van het Hooggeregtshof, te verleenen. (RO. 90.) :
| N. 27. Er wordt alom in Indonesië regt gesproken in naam en van wege
| RO. den Koning. (G. 156; ISR. 130; Rv. 435; Sv. 416; Ldg. 81; IR. 382;
| 21 RBg. 710; S. 91-188.)
| 28, De vonnissen van het Hooggeregtshof worden arresten genoemd.
(Gew. S. 01—124, 269.) De arresten en vonnissen, gewezen met een ander, of, waar geen vast getal is aangegeven, met een minder getal rechters, dan in dit reglement is bepaald, zijn nietig.
(Gew. S. 01—124, 269.) Telkens wanneer een vast getal rechters wordt aangegeven, is de voorzitter, of die dezen vervangt, daaronder begrepen. (RO. 92, 121, 154 ; Rv. 61.)
20 29. In alle zoowel burgerlijke als strafzaken wordt het regtsgeding, op de teregtzittingen, in het openbaar gehouden, tenzij bij de wettelijke bepalingen anders mogt zijn vastgesteld, of de regter, om gewigtige redenen in het proces-verbaal of de notulen der zitting te vermelden, mogt bevelen, dat de teregtzitting geheel of gedeeltelijk met geslotene deuren zal plaats hebben. (G. 168; ISR. 146; RO. 31; Rv. 22; Sv. 126, 266.)
Met uitzondering der beslissingen in revisie van strafzaken en der beschikkingen op eenvoudige verzoekschriften, worden alle arresten en vonnissen door den regter in het openbaar uitgesproken. (Bw. 43; Rv. 64, 209, 837 ; Sv. 183, 323 ; IR. 179, 317 ; RBg. 190, 616.)
203 80. Alle arresten en vonnissen moeten de gronden inhouden waarop zij berusten, en daarenboven in strafzaken het misdrijf of de overtreding uitdrukken. j
In de arresten en vonnissen, die op stellige wettelijke bepalingen zijn gegrond, moeten deze vermeld worden. (G. 168 ; ISR. 146; RO. 31; IR. 184, 319 ; RBg. 195, 618.)
- (Gew. S. 19-10; 20—498.) De bepalingen van de beide vóór- gaande artikelen moeten op straffe van nietigheid worden in acht geno- men. Echter heeft niet-nakoming van de voorschriften van art. 30 in een
| aan revisie onderworpen vonnis geen nietigheid tengevolge en zijn deze voorschriften niet verbindende voor de Indonesische gerechten en Indonesi- sche rechtbanken, welke door een niet rechtskundigen ambtenaar worden } voorgezeten. (ISR. 146 ; Bb. 1006.) Ni * | 22 82. Alle regterlijke collegién zijn verpligt om berigt, consideratién en advijs te geven, wanneer zulks door of van wege den Gouverneur- Generaal wordt gevraagd. (Bw. 274 ; S. 1833—53 ; 1862—3.) he Indien nogtans de zaak, waaromtrent berigt, consideratiën en advijs zijn gevraagd, bereids aan de daartoe aangezochte regterlijke autoriteit ter beslissing is onderworpen, of het te voorzien is dat zulks zal geschie- den, kan die autoriteit volstaan met het geven van eenvoudig berigt. (RO. 33, 56, 157; Rv. 35-4°.) 7 P 25 88. De regterlijke collegién en ambtenaren zijn onderling verpligt aan
12 RECHTERLIJKE ORGANISATIE,
letteren-requisitoriaal, ten dienste der justitie, wettig gevolg te geven. (RO. 32, 157 ; Bw. 1944 ; Rv. 173, 204, 233 ; Sv. 57v. ; IR. 143; RBg. 170.)
34, In alle gevallen, waarin de wettelijke bepalingen de benoeming van raadsheeren- of regters-commissarissen of rapporteurs vorderen, en geene andere wijze van benoeming voorschrijven, geschiedt deze door den president.
De presidenten zijn buitendien bevoegd om, telkens wanneer zij dit dienstig oordeelen, een rapporteur te benoemen.
Geen lid van eenig regterlijk collegie zal tot commissaris of tot rapporteur worden benoemd in eene zaak, in welke een zijner bloedver- wanten of aanverwanten, tot den derden graad ingesloten, als advocaat of procureur werkzaam is of geweest is. (Bw. 290v. ; Rv. 35 ; Sv. 268-1°.)
De gevallen, waarin regterlijke ambtenaren kunnen gewraakt wor- den of zich mogen verschoonen, worden geregeld bij de wettelijke bepa- lingen op de burgerlijke regtspleging en op de strafvordering. (RO. 44; Rv. 35v.; Sv. 268v.; Ldg. 74; IR. 374; RBg. 702.)
(Gew. S. 01-201, 270.) Geen rechter mag in een geschil, dat voor hem aanhangig is, of waarvan hij redelijker wijze moest vermoeden, dat het voor hem aanhangig kan worden, rechtstreeks of zijdelings, aan par- tijen of hare advokaten of procureurs raad geven of hulp bieden, tenzij hem dit bij algemeene verordening is opgedragen. (Bw. 1468 ; Rv. 34v.)
Deze bepaling is mede toepasselijk op de ambtenaren van het openbaar ministerie, mitsgaders op de griffiers en de substituut-griffiers, met be- trekking tot alle zaken, waarin zij ambtshalve werkzaam moeten of kun- nen zijn. (RO. 55, 63; Rv. 322.)
- De leden der regterlijke collegiën, die met personele commissién zijn belast, zorgen dat zij de daaruit voortvloeijende werkzaamheden op zoodanigen tijd verrigten, dat daardoor in de afdoening van de bij het collegie aanhangige zaken geene verhindering of vertraging worde ver- oorzaakt.
39, (Gew. S. 01-201, 270.) In alle bij de rechterlijke colleges behandeld wordende zaken doet de president hoofdelijk omvraag, beginnende met den commissaris of rapporteur, en vervolgens aan de verdere leden, van den jongste als lid van het college tot den oudste; de president brengt het laatst zijn advies uit. Ieder lid is verplicht om zijn gevoelen met redenen te omkleeden.
(Ing. S. 89-283.) In het geval bedoeld in art. 192 wordt de omvraag begonnen met de twee bijzitters van den jongste af.
Ter bepaling van den ouderdom van het lidmaatschap van Europeesche rechterlijke colleges wordt de vroegere diensttijd in denzelfden of in een hoogeren rang medegeteld bij dien sedert de laatste benoeming verstreken.
Voor zooveel de Indonesische rechtbanken betreft, wier leden tot de Indonesische of daarmede gelijkgestelde bevolking behooren, wordt de zaak bij de beraadslaging in omvraag gebracht naar de volgorde van den rang der leden. Daartoe begint de president met het lid hetwelk den laagsten, en eindigt met dat hetwelk den hoogsten rang bekleedt. Bij gelijkheid in rang wordt degene, die het laatst tot het door hem bekleede ambt is benoemd, als laagste in rang beschouwd; in geval van twijfel of onzekerheid omtrent den rang beslist de president.
(Gew. S.07—205 art. 3 jo. 19—816.) Bij Indonesische rechtbanken, waarin deels Europeanen, deels Indonesiërs of met hen gelijkgestelden als lid zit- ting hebben, wordt eerst door laatstgenoemden, met inachtneming van het derde lid, en daarna door eerstgenoemden, overeenkomstig het eerste lid advies uitgebracht.
Een afwezend lid kan zijn advies noch door een zijner medeleden doen voordragen, noch het schriftelijk indienen, tenzij hij, commissaris of rapporteur zijnde, wegens wettige redenen verhinderd wordt om de beraadslagingen bij te wonen. In dat geval wordt zijn rapport of advies
voorgelezen, maar niet bij het opnemen der st f hi kei van het besluit medegerekend. : per
R, ID, 34
N. RO. 23
eenen Onee
RECHTERLIJKE ORGANISATIE, 13
N. 40, Het besluit wordt opgemaakt bij volstrek i
RO. stemmen, en bij staking van waere p BN pbl en
27 á in ini pg in eersten aanleg, ten voordeele van den verweer- er; en in hooger beroep, revisie of cassatie, ter bekrachtigi beklaagde uitspraak ; (Pe 117v., 487.) : aging zesde
101 in strafzaken, steeds ten behoeve van den beklaagde.
28 41, (Gew. S. 01-201, 270.) De rechterlijke ambtenaren zijn verplicht het geheim te bewaren omtrent de gevoelens, die in raadkamer ten aan- zien van aldaar behandelde zaken zijn geuit. (Sw. 322.)
Deze bepaling is mede van toepassing op de door de regterlijke colle- giën te raadplegen advijseurs, voor zoover deze, ingevolge de wettelijke bepalingen op de burgerlijke regtspleging en op de strafvordering, bij de beräadslaging en de stemming kunnen tegenwoordig zijn. (RO. 7.)
42, Buiten de gevallen, waarin de wettelijke bepalingen zulks uitdruk- kelijk voorschrijven, is het den regters niet geoorloofd bij de notulen der vergadering aanteekening te doen houden van het gevoelen, door hen vóór of tegen eene beslissing, van welken aard ook en over welk onder- werp ook, geuit, doch het staat hun vrij hun advijs schriftelijk ter ver- gadering over te leggen, om door den griffier in een daartoe afzonderlijk aan te leggen geheim register te worden opgenomen.
43, Alle arresten en vonnissen in strafzaken moeten door al de regters die over de zaak gezeten hebben, mitsgaders door den griffier, worden onderteekend. (Sv. 174-7°; IR. 319-1-6°, 320°; RBg. 618-1-6°, 620.)
De overige uitspraken en beschikkingen, notulen en processen-verbaal van teregtzittingen, worden onderteekend door den president. of het lid hetwelk dezen vervangt en den griffier. De van het collegie uitgaande dienstbrieven, berigten, advijzen en rapporten worden door den president of het hem vervangende lid en, „ter ordonnantie van het collegie’’, door den griffier onderteekend. (Bb. 1006.) .
44, Buiten de bij de wettelijke bepalingen uitdrukkelijk voorziene gevallen, mag geen lid van een regterlijk collegie zich verschoonen of uit- gesloten worden van de kennisneming van eenige zaak, of het deelnemen aan eenigerhande beraadslaging, noch een ambtenaar van het openbaar
R. ministerie zich onthouden of uitgesloten worden van de uitoefening
LD. zijner functién. (RO. 36; Rv. 35, 37; Sv. 268v.; IR. 374; RBg. 702.)
27, 45, De regterlijke collegién en geregten bepalen vaste dagen voor hunne
29 gewone teregtzittingen en vergaderingen; zij houden daarenboven zoo vele buitengewone zittingen en vergaderingen als de dienst der justitie zal vereischen. De dagen en uren der gewone teregtzittingen worden, voor zooveel de europeesche regterlijke collegiéa betreft, bekend ge- maakt door aanplakking in de gehoorzaal en door aankondiging in het officieel nieuwsblad. (Ov. 105; IR. 84, 100.)
De daarin te maken veranderingen moeten, tweo maanden vóór dat zij in werking worden gebragt, op dezelfde wijze worden bekend ge- maakt. (RO. 91.) = re
26, 46. De presidenten der onderscheidene regterlijke collegiën zijn belast
48, met de handhaving der orde bij de teregtzittingen en vergaderingen en
49 _ met de leiding der beraadslagingen. De vonnissen worden door hen uit- gesproken. (Rv. 22, 29, 61 ; Sv. 126, 161, 254, 257a; Ldg. 73; IR. 179, 263v., 271, 317, 372; RBg. 700.)
Zij hebben de bevoegdheid om, tenzij het eene zaak gede roos valent: handeling een bepaald getal regters is aangewezen, te gelasten, leden Dea lenende zijn. (RO. 121, 154 ; Sv. 66, 102, 114.)
39 47. De presidenten bepalen de orde, waarin de zaken zullen worden behandeld, daarbij zorgende, dat die welke spoed vereischen, en inzonder- heid de strafzaken, het eerst worden aa ia in het algemeen, dat aan ieder onvertogen regt geschiede. (Rv. 8 8 ?
51 48. In zaken, eatin an kens volgens de wettelijke bepalingen, ter griffie moeten worden opgezonden of nedergelegd, bepaalt de president (voor zooveel noodig) den tijd, gedurende welken zoowel de raadsheeren
14 RECHTERLIJKE ORGANISATIE,
of regters, als de ambtenaren van het openbaar ministerie en de practizijns, daarvan inzage kunnen nemen. (Rv. 140, 164.) fe f
49, Alle brieven en andere stukken, aan de regterlijke collegiën gerigt, worden door den president ontvangen en geopend, en, in de eerste ver- gadering, aan het collegie, of de betrokkene commissarissen medegedeeld of ter hand gesteld. 7
De aan de regterlijke collegién gerigte verzoekschriften worden door partijen of van harentwege ingeleverd bij den president, of wel ter griffie, om van daar ten spoedigste aan den president te worden bezorgd.
(Gew. S. 01-201, 270.) De presidenten der verschillende rechterlijke colleges zijn in het bijzonder belast met het houden van een nauwkeurig toezicht op de handelingen der griffiers en substituut-griffiers. Zij kunnen aan de griffiers en substituut-griffiers en aan de verdere ondergeschikte ambtenaren aangaande den dienst zoodanige bevelen geven, als zij ver- meenen te behooren.
52, (Gew. S. 01-201, 270 ; 02-183 ; 05470, 580 ; 09-209; 20-346, 590 ; 33—6 jo. 33.) Ingeval van belet, afwezigheid of ontstentenis wordt de president van het Hooggerechtshof vervangen door den vice-president en bij belet, afwezigheid of ontstentenis van dezen wordt het voorzitterschap waargenomen door het oudste lid als zoodanig.
(Gew, S. 33—6 jo. 33.) Ingeval van belet, afwezigheid of ontstentenis wordt de vice-president van het Hooggerechtshof vervangen door het oudste lid als zoodanig der door hem voorgezeten kamer.
(Gew. S. 26-197, 198; 37—631.) In geval van belet, afwezigheid of ontstentenis, wordt de president van den raad van justitie vervangen door den vice-president of, zoo er meer vice-presidenten zijn, door een van hen, naar volgorde van ouderdom als zoodanig ; indien door belet, afwezigheid of ontstentenis geen vice-president kan optreden, wordt het voorzitterschap waargenomen door het oudste lid als zoodanig, alles tenzij de Gouverneur-Generaal het noodig acht in de waarneming van het voor- zitterschap op andere wijze te voorzien.
De presidenten der Europeesche rechterlijke colleges kunnen aan de vice-presidenten bepaalde gedeelten hunner werkzaamheden opdragen en, wanneer het belang van den dienst zulks vordert, hun gelasten als lid zitting te nemen,
- (Gew. S. 01-201, 270 ; 09-209 ; 20-346, 590.) Ter bepaling van den ouderdom als vice-president of als lid van een Europeesch rechterlijk college of van één zijner kamers, wordt de vroegere diensttijd, in denzelf- den of in een hoogeren rang, medegeteld bij dien sedert de jongste benoe- ming verstreken. £
54, (Gew. laatstel. S. 41—31 jo. 98.) (1) Het openbaar ministerie bij de Europeesche rechterlijke colleges en bij de krachtens het eerste lid van art. 93 a door den Gouv.-Gen. aangewezen landraden wordt uitgeoefend :
- bij het hooggerechtshof:
door den procureur-generaal, of namens dezen door substituten, den titel voerende van advocaat-gencraal ;
- bij de raden van justitie:
a. zoowel bij de meervoudige, als bij de enkelvoudige kamers (politie- rechters) door officieren van justitie bij die raden, of namens hen zoowel door substituut-officieren, voor zoover die hun zijn toegevoegd, als door buitengewone officieren van justitie en substituut-buitengewone officieren van justitie, „welke laatste functies ambtshalve zullen worden bekleed door de officieren van justitie bij landraden binnen het ressort van den betrokken raad en de gegradueerde substituut-officieren, voor zoover die hun zijn toegevoegd ; :
b. uitsluitend bij de enkelvoudige kamers (politierechters) door ambte-
— naren van het openbaar ministerie bij die kamers (politierechters) ;
- bij de krachtens het eerste lid van art. 93 a door den Gouv.-Gen. aangewezen landraden :
a. door de officieren van justitie bij landraden, of namens hen door substituut-officieren, voor zoover die hun zijn toegevoegd ;
14
REOHTERLIJKE ORGANISATIE. 15
b. door de magistraten bij die raden, of namens hen door adjunct- magistraten, voor zoover die kun zijn toegevoegd.
(2) Wanneer in het algemeen wordt gesproken van „openbaar ministerie bij de raden van justitie” of „ambtenaren van het openbaar ministerie bij de raden van justitie’ zijn daaronder niet begrepen de ambtenaren, uitsluitend met het openbaar ministerie bij de enkelvoudige kamers (politierechters) belast, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald. (RO. 60, 62.)
(Gew. S. 64—52.) Het openbaar ministerie is bijzonderlijk belast met de handhaving der wettelijke bepalingen en der besluiten van hetopenbaar gezag; met de vervolging van alle misdrijven en overtredingen en met het doen uitvoeren van alle strafvonnissen. (RO. 37, 62, 70, 116octies, 131d, 134, 137, 144, 168, 170, 179v., 182 ; Bw. 65, 86v., 381, 435, 439, 442, 445, 457; Rv. 319, 32lv.; Sv. lv., 9v., 2lv., 27v., 40a v., 338; RBg. 518v.; S. 64—52 jo. 08—522* bij Rv. 318; Bb. 1884, 2240, 2414, 2702.)
(1) De ambtenaren van het openbaar ministerie zijn verplicht om de bevelen na te komen, welke hun, in hunne ambtsbetrekking, door of van wege den Gouverneur-Generaal zullen worden gegeven. (RO. 5,179v.)
(2) Zij zijn tevens gehouden, om, desgevorderd, den Gouverneur-Gene- raal en de collegiën, bij welke zij geplaatst zijn, met allen spoed te dienen van bericht, consideratiën en advies. (RO. 5, 32.)
57, De ambtenaren van het openbaar ministerie zijn, ‘behoudens het bepaalde bij de eerste zinsnede van het voorgaande art., verplicht om gevolg te geven aan de bij hen inkomende klachten betrekkelijk misdrij- ven en overtredingen ; onverminderd hunne verplichting om ambtshalve te handelen, wanneer daartoe gronden bestaan. (RO. 179 ; Sv. 6, 9v.)
- Ingetr. bij S. 74-149 (voor Java en Mad.) en 22—522,* bl. 359.
59, De ambtenaren van het openbaar ministerie genieten geen ander aandeel of voordeel van eenige confiscatiën, boeten of breuken, dan bij de wettelijke bepalingen is vastgesteld en hun bij regterlijk gewijsde of bij, ten overstaan van den regter geslotene, transactie zal zijn toegekend. Zij mogen in geen geval tot het sluiten van zoodanige transactie overgaan, zonder daartoe door het bevoegd administratief gezag gemagtigd te zijn, noch gedoogen, dat zulks door hunne ondergeschikten geschiede ; alles op verbeurte van hunne ambten en onverminderd de vervolging tot straf, wanneer daartoe termen bestaan.
(Gew. S. 20-786, 787.) De procureur-generaal en de advocaten- generaal genieten in geen geval eenig aandeel of voordeel van confiscatiën, boeten of breuken. ee
- De ambtenaren van het openbaar ministerie mogen niet bij de beraadslagingen. der regterlijke collegiën in raadkamer tegenwoordig zijn.
Zij kunnen daarentegen alle teregtzittingen, zoo openbare als met gesloten deuren, bijwonen, en zijn daartoe verpligt, wanneer er zaken behandeld worden, waarin zij volgens de wettelijke bepalingen moeten worden gehoord, of waarin zij ambtshalve als partij optreden. (RO. 55; Rv. 319, 322; Sv. 171; IR. 292, 317, 323, 348v.; RBg. 611, 636.)
(Gew: S. 41—81 jo. 98.) De procureur-generaal, de officieren van justitie bij de raden van justitie en de officieren van justitie bij landraden zijn bevoegd om den dienst bij de terechtzittingen door hunne substituten te doen waarnemen. Gelijke bevoegdheid hebben de magistraten bij de landraden ten aanzien van hunne adjuncten. (RO. 54)
- (Gew. S. 41—31 jo. 98.) (1) Behoudens het bepaalde in het volgende lid, wordt in geval van afwezigheid, belet of ontstentenis van den procu- reur-generaal de dienst waargenomen door de advocaten-generaal en bij afwezigheid, belet of ontstentenis ook van deze, door een der zaan van het hooggerechtshof, daartoe door den president van dat college te benoemen. 4
(2) Nochtans zal, in geval van langdurige afwezigheid, belet of ont- stentenis van den procureur-generaal, de opdracht der EE neming van diens betrekking aan een raadsheer van het hooggerechts! ei kunnen plaats vinden, niettegenstaande één of beide advocaten-generaa:
aanwezig zijn.
16 RECHTERLIJKE ORGANISATIE,
(3) Van elke opdracht der waarneming van de functiën van het open- R, baar ministerie aan eenen raadsheer van het hooggerechtshof, wordt door 1.D, den president van het college onverwijld kennis gegeven aan den Gou- verneur-Generaal, blijvende het recht van dezen onverlet om in die tijdelijke waarneming nader te voorzien in voege als hij zal meenen te behooren. . :
(4) In geval van afwezigheid, belet of ontstentenis van een officier van justitie bij een raad van justitie, wordt de dienst waargenomen door zijne substituten en bij afwezigheid, belet of ontstentenis ook van deze door een der leden van den betrokken raad, door den president van dat college te benoemen.
(5) In geval van afwezigheid, belet of ontstentenis van een officier van justitie bij landraden, wordt de dienst waargenomen door zijne gegra- dueerde substituten en bij afwezigheid, belet of ontstentenis ook van deze, door een van de aan den officier van justitie bij den betrokken raad van justitie ondergeschikte ambtenaren van het openbaar ministerie, door dezen daartoe te benoemen.
(6) In geval van afwezigheid, belet of ontstentenis van een magistraat bij een landraad, wordt de dienst waargenomen door een door den officier bij dien landraad aangewezen anderen ambtenaar van het openbaar ministerie bij dien landraad.”
- (Gew. S. 25—497 ; 41—31 jo. 98.) Bij de niet onder art. 54 vallende Indonesische rechtbanken en gerechten wordt het openbaar ministerie uitgeoefend door de djaksa’s. (RO. 114; IR. 46v. ; RBg. 481v.)
De bepalingen, voor het openbaar ministerie vastgesteld, zijn slechts in zoo ver op hen toepasselijk, als overeen te brengen is met hunne bij- zondere instructiën en met hunne ondergeschiktheid aan de hoofden der afdeclingen, welke bij deze wordt gehandhaafd. (RO. 57.)
Ingeval van afwezigheid, belet of ontstentenis van een djaksa, worden oe functién waargenomen door den onmiddellijk in rang volgenden
jaksa.
Bij afwezigheid, belet of ontstentenis van dezen, worden de functiën van het openbaar ministerie tijdelijk door den president aan een lid van het collegie opgedragen. (Bb. 263, 505, 511, 750, 1031, 2345, 4714.)
- De griffiers, en bij hunne afwezigheid, belet of ontstentenis, de 64- substituut-griffiers, en in het algemeen alle beambten wettelijk met de 66 waarneming der functién van griffier belast, moeten de teregtzittingen en vergaderingen bijwonen van de regterlijke collegiën, waarbij zij zijn aangesteld, en naauwkeurig aanteekening houden van hetgeen in die teregtzittingen en vergaderingen wordt verhandeld. (RO. 37; Rv. 28, 62,
209, 237; Sv. 176; IR. 186, 322; RBg. 197, 622; Bb. 2864.)
(Gew. S. 01-201, 270.) Zij zijn verpligt om de leden, die met bijzondere commissiën zijn belast, in derzelver werkzaamheden bij te staan, en zich overigens in alles te gedragen naar de instructiën, welke zij krachtens de voorschriften van art. 51 van de presidenten ontvangen. (RO. 37.)
63 a. (Ing. S. 11—470.) Aan de griffiers van Indonesische rechtbanken, welke organiek niet worden voorgezeten door rechtakundigen, kunnen door de ambtenaren met het voorzitterschap belast ook andere werkzaamheden 4 worden opgedragen dan bij dit reglement zijn voorgeschreven, voor zoo- veel zoodanige opdracht vereenigbaar is met een behoorlijke vervulling van de functiën van griffier, welke immer hoofdzaak moeten blijven.
- (Gew. S. 73-236 ; Ol—15, 273; 14—317.) De rechterlijke colleges en gerechten met uitzondering van de landgerechten, hebben de bevoegd- heid om, ingeval de dienst dit vereischt, buiten bezwaar van’s Lands kas een buitengewoon substituut-griffier te benoemen,
(Gew. Ss. 18-704 ; 17—555 jo. 18-171.) De benoemde legt vóór de aan- vaarding in handen van den voorzitter of rechter den bij art. 13 voorge- schreven eed (belofte) af. (S. 34—159*.)
Van de benoeming en eedsaflegging, zoowel als van het ontslag, wordt kennis gegeven aan den directeur van justitie en aan het Hooggerechtshof;
= nl 2
63
61
RECHTERLIJKE ORGANISATIE, 17
door de residentiegerechten en de Indonesische rechtbanken mede aan den raad van justitie, binnen wiens ressort zij gevestigd zijn.
- De griffiers van alle regterlijke collegiën zijn verpligt om een register of eene rol te houden van alle burgerlijke zaken, zonder onderscheid of die ter teregtzitting worden behandeld, of buiten dezelve worden afgedaan Op dit register wordt een afzonderlijk nummer gegeven aan iedere zaak, en aanteekening gehouden van al hetgeen daarin voorvalt. ;
Van de strafzaken wordt een gelijk register gehouden. (Rv. 23v., 62 293; Sv. 418; IR. 186, 384; RBg. 197, 712.) 5
- In strafzaken, waarin volgens de wettelijke bepalingen de proces- stukken ter griffie moeten worden opgezonden of nedergelegd, zijn de griffiers verpligt om binnen vier en twintig uren aan de ambtenaren van het openbaar ministerie kennis te geven van de ontvangst dier stukken ter griffie. (Sv. 319; RBg. 660-2°.)
67, Alleen de leden van het collegie en de ambtenaren van het openbaar ministerie bij hetzelve zijn bevoegd om de processtukken, ter griffie berus- tende, ten hunnen huize te vorderen, doch niet dan tegen behoorlijk regu.
De minuten, registers en stukken aan het collegie behoorende, mitsga- ders de stukken van overtuiging, mogen, buiten de gevallen bij de wettelijke bepalingen uitdrukkelijk voorzien, niet van de griffie worden verplaatst dan ter inzage van het geheele collegie, en niet van een bijzonder lid of ambte- naar. (Sv. 170; IR. 316; RBg. 615.)
De bevoegdheid en de verpligtingen der griffiers, met betrekking tot de afgifte van grossen, expeditiën, afschriften en uittreksels van de ter griffie berustende acten en vonnissen, worden bij de wettelijke bepalingen op de burgerlijke regtapleging en de strafvordering geregeld. (RO. 143; Rv. 64, 66, 853, 856, 858; Sv. 417, 419, 421; IR. 385; RBg. 713; Not. 66.)
68, De griffiers ontvangen de boeten, welke moeten worden geconsig- neerd bij het gebruik maken van eenig middel van hooger beroep, van welken aard ook. (S. 72-13.)
De wijze van verantwoording dier boeten wordt bij bijzondere bepalin- gen geregeld. (RO. 75.) a
- De griffiers zijn persoonlijk verantwoordelijk voor de minuten, documenten, acten, stukken, protocollen, registers, boeken, gelden en papieren van geldswaarde, of andere voorwerpen, ter griffie in bewaring gegeven, geconsigneerd, of uit anderen hoofde berustende. (RO. 66, 75, lálv. ; Bw. 133, 1023, 1057, 1406 ; BS. 17v.; K. 23; Sv. 417; IR. 383 ; RBg. 711; Not. 48.) 5
70, Van alle uitspraken, houdende veroordeeling tot geldboeten of proces-kosten ten behoeve van den lande, doen de griffiers, zoodra die uitspraken in kracht van gewijsde zijn overgegaan, behoorlijke afschriften geworden aan het openbaar ministerie bij het college waartoe zij behooren,
O0. 55.
\ 71. ( A S. 01-124, 269 ; 09—98.) De leges en belooningen door de griffiers en eubstituut-griffiers van het Hooggerechtshof en de raden van justitie, de residentiegerechten en de landraden, krachtens wettelijke bepalingen te ontvangen, komen ten bate van ’g lands kas, (S, 1833-06 ; zie Tarieven; Bb. 2864, 4264, 4593, 5348, 7031.) MS :
De wijze van \erantwoording dier gelden wordt bij bijzondere bepalin- gen geregeld.
(Bij S. 01-308 is bepaald, dat griffiers van het Hooggerechtshof en de
Raden van Justitie het comptabel beheer over de door hen krachtens wet
telijke bepalingen te ontvangen leges en beloningen zullen voeren.
CBb. 7081. Bij S. 09-100 is hetzelfde bepaald ten opzichte van de grif
fiers bij de residentiegerechten en de landraden op Java en Madoera.)
- (Gew. S. 41—511 jo. 513.) In ‘de regtsgedingen, gevoerd. door personen, aan wie door den regter de bevoegdheid is verleend om Ko loos of tegen verminderd tarief te procederen, mogen de griffiers of de gubstituut-griffiers geene onderscheidenlijk slechts halve salarissen in
18 RECHTERLIJKE ORGANISATIE.
rekening brengen, dan voor zoover die kunnen worden verhaald op de wederpartij, wanneer deze in het ongelijk gesteld en dienvolgens in de kosten verwezen is. (Rv. 872, 885v. ; IR. 227.) (*).
- De griffier stelt, onder goedkeuring van den president, de noodige klerken aan voor de griffie, en ontslaat dezelve naar welgevallen.
De klerken worden door den griffier ontslagen en door anderen ver- vangen, zoodra hij daartoe door den president wordt aangemaand.
- De klerken ter griffie zijn tot geheimhouding verpligt en leggen daartoe den eed (belofte) af in handen van den president van het collegie, wanneer deze de beëediging noodig acht.
Zij mogen onder geen voorwendsel eenige giften of geschenken aanne- men van hen, die ter griffie zaken te verrigten hebben, en zulks noch voor het spoedig uitreiken van afschriften, noch om eenige andere reden. Wanneer zij zich hieraan schuldig maken worden zij dadelijk ontslagen;
- De griffier is persoonlijk aansprakelijk voor alle geldboeten, terug- gaven, schaden en onkosten, welke mochten voortvloeijen uit de onregt- matige daden, verzuimen of onnaauwkeurigheden van de door hem aan- gestelde klerken, behoudens zijn verhaal op deze. (RO. 68v. ; Bw. 1367.)
76, De vormen en termijnen bij de gedingen voor de onderscheidene regterlijke autoriteiten, zoo in eersten aanleg, als in hooger beroep, revisie, cassatie en bij andere voorzieningen, in acht te nemen, en de wijze van ten uitvoerlegging der arresten en vonnissen, worden geregeld bij de wet- telijke bepalingen op de burgerlijke regtspleging en op de strafvordering.
76a. (Toeg. S. 26-114 jo. 32—49.) Onder de rechterlijke ambtenaren en de rechterlijke ambten, bedoeld in de artt. 14a, 14b, 15, 16, 17, laatste lid, en 18, 3de lid, worden begrepen de presidenten van en de auditeurs-militair bij de krijgsraden en de ambten van president en van auditeur-militair bij den krijgsraad.
HOOFDSTUK II, Van het Indonesische regtswezen op Java en Madoera. EERSTE AFDEELING. Van de districtageregten en regentschapsgeregten.
Artt. 77-88 als vervallen te beschouwen krachtens LN. 51-9 sub A en sub B, art. 1,* achter RO. sult Van de districtageregten. LTT. (Gew. 8. 83135.) Op Java en Madoera is voor elk district een pet ARS ail ‘er zijde OEE eener) mocht goedvinden meer an istrict onder hetzelfd ht te by 2 8 ; IR. an Bb. 638, 2948) e gerecht te brengen. (ISR. 127; IR. 84v. 18. Het districtsgeregt bestaat uit het hoofd van het district, als regter, bijgestaan door zoo vele mindere hem tot raadslieden dienende Indonesische hoofden als door den resident, na overleg met den regent, daartoe zullen worden aangewezen. (RO. 86, 88; IR. 89; S. 1900220.)
- (Gew. S. 08-536 jo. 10499.) Door de districtsgeregten wordt, behoudens hooger beroep aan het regentschapsgeregt, kennis genomen van alle burgerlijke regtavorderingen tegen eigenlijk gezegde Indonesiérs, Oa iiealeagia beneden de som of de waarde van f 20.— (RO. 84, 87;
- (Gew, S. 08—636 jo. 10499.) De districtsgerechten nemen, zonder
ooger beroep, kennis van overtredingen van wettelijke bepalingen — behalve in zaken van pachten en belastingen —, waarop enkel eene geld-
boete van ten hoogste f 3 is gesteld, gepleegd door de bij artikel vermelde personen. (RO. 88, 55. AR. 98) SE Sa a
(@) Evenmin {: ETA ee ene (convernementgaangeleea (Besl:
7
15
TD Ten
RECHTERLIJKE ORGANISATIE, 19
§ 2, Van de Regentschapsgerechten.
- (Gew. S. 83135 ; 08-535 ; 10499, 583 ; 23-175.) In elk regent- schap op Java en Madoera en in elk gedeelte van een regentschap, waar de regent door een patih wordt vertegenwoordigd, is een regentachapsge- recht. (ISR. 126 ; IR. 100v. ; Bb. 636, 2368.)
Alle voorschriften van dit reglement welke voor den regent gelden, zijn pee in het voorgaand lid bedoelde patihs van toepassing. (Bb. 5510,
539,
- (Gew. S. 01—306 jo. 02—85 ; 14—512 ; 41—31 jo. 89.) Het regent- schapsgeregt bestaat uit den regent, of bij afwezigheid, belet of ontsten- tenis van dezen, den patih van het regentschap, als regter, bijgestaan door zoovele mindere hem tot raadslieden dienende Indonesische hoofden, als de resident, met in achtneming der onder de Indonesiërs bestaande gewoon- ten, zal bepalen ; voorts door den panghoeloe of den persoon die dezen vervangt, zoomede in het rechtsgebied van de krachtens het eerste lid van art. 93a door den Gouv.-Gen. aangewezen landraden door een door den magistraat bij den landraad aangewezen adjunct-magistraat bij dat college of diens door genoemden magistraat aangewezen vervanger en in het rechtsgebied van de overige landraden door den djaksa of diens door den resident aangewezen vervanger. (RO. 86, 88; IR. 102, 109.)
83, (Gew. S. 08-536; 10-499; 17-497, 645.) De regentschapsgeregten oordeelen in eersten aanleg en behoudens hooger beroep aan den landraad:
1°. over alle burgerlijke rechtsvorderingen tegen eigenlijk gezegde Indo- nesiërs, wanneer het onderwerp eene waarde heeft van niet minder dan /20.— en niet meer dan f 50.—; 4
2°. behoudens het bepaalde bij art. 85, over door eigenlijk gezegde Indonesiërs gepleegde overtredingen van wettelijke bepalingen, op welke gesteld is hechtenis van ten hoogste zes dagen of geldboete van ten hoogste tien gulden, voor zoover die feiten niet behooren tot de bevoegd- heid van het districtsgerecht. (RO. 87, 95; IR. 100v., 1llv., 342.)
84, De regentschapsgeregten nemen in het hoogste ressort kennis van do aan hooger beroep onderworpene vonnissen der districtsgeregten. (RO. 79 ; IR, 100v.) i
- De regentschapsgeregten zijn onbevoegd om kennis te nemen van eenigerhande overtreding in zaken van pachten en belastingen. (RO. 95; Bb. 636, 2368.)
Slotbepalingen van deze afdeeling.
Do zaken, welke tot de kennisneming der districtsgeregten en Regent- schapsgeregten behooren, worden door de districtshoofden en Regenten alleen beslist. De hun toegevoegde Indonesische hoofden hebben geen regt van stemmen. (RO. 78, 82 ; IR. 89, 109.) ;
(SS. 08-535 ; 10499; 18-30 jo. 1981; 07-206 art. 3 jo. 19-816 ; 21—396 jo. 24-555.) Onder de in de artt. 79 en 83, 1°, bedoelde zaken zijn niet begrepen die, waarin Europeanen of Chineezen, als eischers optreden, en evenmin, al zijn de eischers geen Europeanen of Chineezen, de burgerlijke geschillen tusschen eigenaren van particuliere landerijen of hun personeel eenerzijds, en de opgezetenen hunner landerijen anderzijds, welke voortspruiten uit de toepassing van het Reglement op de parti- culiere landerijen ten Westen van de Tjimanoek (S. 1836 No. 19). (Zie thans S. 12—422* ; ISR. 163.) é À
(Gew. S. 08—585 ; 10—499 ; 07—205 art. 3 jo. 19-816.) Onder de in de artt. 80 en 83, 2°, bedoelde zaken zijn niet begrepen die, welke slechts op klacht van de beleedigde partij vervolgbaar zijn, indien de beleedigde partij behoort tot de Europeanen.
20 RECHTERLIJKE ORGANISATIE.
TWEEDE AFDEELING. Van de Landraden.
- (Gew. S. 01-15, 278 ; 25—497.) Ter hoofdplaats van elk regentschap en voorts op zoodanige andere plaatsenalsde Gouverneur-Generaal daartoe aanwijst, is een landraad gevestigd.
Het rechtsgebied der landraden wordt bepaald door de grenzen der regentschappen waarin zij gevestigd zijn. Wanneer in hetzelfde regentschap twee of meer landraden gevestigd zijn, wordt hun rechtsgebied vastgesteld door den Gouverneur-Generaal. (RBg. 33v.)
- (Gew. S. 01-306 ; 02—85.) De voorzitter is bevoegd om, wanneer daarvoor dringende redenen. bestaan, den landraad tedoen vergaderen buiten de plaats, waar deze gevestigd is, (RO, 26 ; RBg. 35.)
(Toeg. S. 06—92.) Hij is daartoe mede bevoegd voor alle zaken, waarin deligging der woonplaatsen van de meeste der op te roepen getuigen zulks wenschelijk maakt.
De landraden houden wekelijks zitting op eenen bepaalden dag, doch kunnen buitendien zoo dikwijls belegd worden als de dienst der justitie zal vereischen. (RO. 45; RBg. 36.)
(Gew. S. 01-306 ; 02-85 ; 20-472.) De landraad is samengesteld uit een rechtskundig ambtenaar als voorzitter, en uit den regent, zoo die er is, benevens zoodanige voorname Indonesische hoofden als daartoe door of namens den Gouverneur-Generaal zijn aangewezen als leden, bijgestaan door den griffier, of, waar zoodanig ambtenaar niet bij den landraad is aangesteld, door een ambtenaar of beambte daartoe door den resident aangewezen. (RBg. 37.)
De Gouverneur-Generaal is bevoegd om bij de landraden, waar zulks noodig blijkt, aan den voorzitter een rechtskundig onder-voorzitter en aan den griffier een adjunct-griffier toe te voegen. (RBg. 40!; S. 28425.)
(Gew. S. 17497.) Bij toevoeging aan den voorzitter van een onder: voorzitter verdeelt de eerstgenoemde de werkzaamheden tusschen hen. Alleen in geval van volstrekte verhindering van den voorzitter zal de onder-voorzitter mogen voorzitten in zaken betreffende misdrijven, op welke de doodstraf, levenslange gevangenisstraf, of, afgezien van ver- hoogine van straf wegens samenloop van misdrijven, herhaling van mis- drij of krachtens art. 52 van het Wetboek van Strafrecht, tijdelijke ge- vangenisstraf van ten hoogste twintig jaren is gesteld, of betreffende medeplichtigheid aan of poging tot zoodanig misdrijf. (RBg. 40%.)
De Gouverneur-Generaal is bevoegd om bij den landraad, wanneer de werkzaamheden dit vereischen, tijdelijk een buitengewonen rechts- kundigen voorzitter aan te stellen, wiens taak alsdan door hem wordt aangewezen. (RBg. 41.)
Het oorspronkelijke 5e lid v. art. 92 is vervallen ingevolge S. 17—497. Bij S. 25—442 jis 27—439 en 28—224 is een nieuw Se lid ingov. botretlendo den landr. te Ardjasa (Oost-Madoera), dat ingetr. is bij S. 31—168 jo. 423.
(Gew. S. 34-558 jo. 587 ; 41—31 jo. 98.) Tot het wettiglijk houden van den landraad wordt, onverminderd het bepaalde bij art. 7, vereischt de tegenwoordigheid van den voorzitter, van twee leden, van den griffier of een wettelijk met de waarneming van de functiën van griffier belasten ambtenaar of beambte en, voor zoover betreft de landraden, bij welke het openbaar ministerie wordt uitgeoefend door den djaksa, in strafzaken, mede van den djaksa, een en ander met dien verstande dat bij de sum- ke pigergure in strafzaken de leden niet tegenwoordig zullen zijn.
g. 42.
Bij S. 13-678 is bepaald, met buitenwerkingstelling van art. 1 van het besluit van 15 Sept. 1905 No. 31, S. 478 : Benevens den bij art. 92 RO, Renren regent, aan te wijzen als leden van de landraden op Java en Madoera de in het ressort van elk dier rechtbanken bescheiden patihs, districts. en onderdistrictshoofden, onder-collecteurs, mantri’s kaboe- paten en mantri’s politie.
BEOHTELIJKE ORGANISATIE 21
93, (Gew. S. 01-306; 02-85 ; 25-497.) (1) Bij afwezigheid, belet of ontstentenis van den voorzitter en van den onder-voorzitter, indien deze bij den landraad bescheiden is, treedt het hoofd der afdeeling (*) of bij afwezigheid, belet of ontstentenis ook van dezen, diens wettige vervanger, als voorzitter op, alles tenzij door den Gouverneur-Generaal een ander ambtenaar als tijdelijk vervanger van den voorzitter mocht zijn aangewezen. (RBg. 43.)
(2) De in het eerste lid voorgeschreven vervanging van den voorzitter van den landraad strekt zich, tenzij een rechtskundig ambtenaar daartoe mocht zijn aangewezen, niet uit tot de leiding van den landraad in zaken als bedoeld in het derde lid van art. 92. De leiding van den landraad wordt voor die zaken steeds door den Gouverneur-Generaal aan een rechtskun- dig ambtenaar opgedragen.
93a. (Ing. S. 41-31 jo. 98.) (1) De Gouverneur-Generaal wijst de landraden aan, bij welke het openbaar ministerie zal zijn samengesteld uit den officier van justitie en den magistraat. Aan den officier van justitie en den magistraat worden een of meer, eventueel door den Gouv.- Gen. in klassen te verdeelen, substituten, onderscheidenlijk adjuncten toegevoegd.
(2) Het ambtsgebied van de officieren, hetwelk zich over het ressort van meerdere landraden zal uitstrekken, wordt door den Gouv.-Gen. bepaald.
(3) De officieren van justitie bij landraden moeten den vollen ouderdom van 28 jaren bereikt hebben. Zij moeten allen aan een Nederlandsche universiteit, dan wel aan de Rechtshoogeschool te Djakarta verworven hebben: hetzij den graad van doctor in de rechtswetenschap, hetzij de hoedanigheid van meester in de rechten, mits deze hoedanigheid is ver- kregen op grond van het afleggen van een examen in het Nederlandsch of Indonesisch burgerlijk en handelsrecht, staatsrecht en strafrecht.
(4) Indien het ambt van magistraat bij den landraad niet wordt uit- geoefend door een daartoe benoemd rechtskundig ambtenaar, zal het ambtshalve worden bekleed door den assistent-resident, c.q. een der door den gouverneur aangewezen assistent-residenten ter hoofdplaats van het regentschap, waarin of ter plaatse, waar de landraad gevestigd is.
(5) In door den gouverneur in overleg met den procureur-generaal aangewezen gebiedsdeelen worden de functiën van magistraat bij den landraad mede uitgeoefend door den aan den assistent-resident toege- voegden controleur als buitengewoon magistraat bij den landraad, onder leiding van en met inachtneming van de bevelen van den magistraat, een en ander onverminderd het hooger gezag van den officier van justitie. (RO. 17 (7), 20c, 54, 82, 100.)
Ter uitvoering van Ro. 93a is bepaald bij besl. v. 12 Apr. 1941 No. 12, S. 41—99, ten tweede,
A. Als landraden, bij welke het openbaar ministerie is samengesteld uit den officier van justitie en den magistraat, worden aangewezen de Gekte : Meester-Cornelis, Bandoeng en Oheribon ;
a. ar’ Tangerang, r-Cornelis, Bando 5 A
b, Semarang, Salatiga Pekalongan porary Jogjakarta en Magelang;
©. Soerabaja, Grissee, Malang en Kediri.
Seen officier van justitie is gevestigd op elk van de plaatson Djakarta, marang en Soerabaja.
B. Het Ke v.d. officier v. justitie te Djakarta strekt, zich a over het rechtsgebied v.d. landraden te Djakarta, Tangerang, Meer Cornelis, Bandoeng en Cheribon, dat v.d. off. v. just. te Semarang over rechtagebied v.d. landraden te Semarang, Salatiga, Pekalongan, Soe! nares Jogjakarta en Magelang, en dat v.d, off. v. just. te Soerabaia, Chee rechtagebied v.d. landraden te Soerabaja, Grissee, Malang en et baal
C. Aan elk van de amen van jae ey bedoel er AE d gevoegd één gegradueerd en één ongegradueerd su i . Ls wier fecandvlantaen dezelfde zijn als die v.d. off. y. just., aan wien zij zijn toegevoegd.
() In de gvtal. v. Jav. Mad. : ,,de ass.-res.” (S. 31—168 jo. 423.)
22 REOHTELIJKE ORGANISATIE,
- (Gew. S. 18-80; 19-81 ; 07205 art. 3 jo. 19-816; 21-396 jo. 24-555.) De landraden zijn, behoudens het bepaalde bij art. 131, de gewone dagelijksche rechters van de eigenlijk gezegde Indonesiërs en — met uitzondering voor zooveel betreft burgerlijke zaken van Chineezen, — van alle met Indonesiërs gelijkgestelde personen, ook wanneer deze door Europeanen of Chineezen in rechten worden betrokken. (ISR. 163; RO. 6.)
95, Zij nemen in eersten aanleg kennis: (RBg. 45.)
1°. (Gew. S. 87-53.) van alle persoonlijke, zakelijke en gemengde rechtsvorderingen, wanneer niet blijkt, dat de waarde der vorderingen {50.— of minder bedraagt, behoudens de uitzonderingen, vermeld in de artt. 124, No. 2 en 125; (RO. 96.)
2°. (Gew. S. 17-497; 20—472 ; 21-70.) van alle misdrijven, met uitzondering van die, vermeld in art. 1l6novies onder letter b en in art. 129, eerste lid, onder 2°;
3°. (Gew. S. 14-317.) van overtredingen van politie en van plaateclijke keuren, mitsgaders van wettelijke bepalingen van algemeenen aard, voor zoover die overtredingen niet zijn begrepen onder die, bedoeld bij de artt. 80, 83 en 1l6novies;
4°, (Gew. S. 14-317.) van de zaken bij art. 87 aan de kennisneming van de districts- en regentschapsgerechten onttrokken ;
5°. (Gew. S. 08-536; 10-36, 499; 18-30 ; 19—81 ; 21-396 jo. 24— 555.) van vorderingen tegen met Indonesiérs gelijkgestelde, niet tot de Chineezen behoorende personen, welke, zoo zij waren ingesteld tegen eigenlijk gezegde Indonesiërs, tot de kennisneming zouden behooren der districts- of regentschapsgerechten, voorts ook van de aan het slot van art. 87 bedoelde geschillen, als daarin met Indonesiërs gelijkgestelde niet tot de Chineezen behoorende personen gedaagden zijn. (ISR. 163.)
- (Gew. S. 01—124, 269 ; 14-317 ; 17-497.) Van de uitspraken der landraden wordt hooger beroep toegelaten :
1°. in de zaken, bedoeld bij het eerste nommer van art. 95, wanneer niet blijkt, dat de waarde der vordering / 100.— of minder bedraagt.
De uitspraken der landraden in eersten aanleg tevens in het hoogste ressort gewezen in de zaken, bedoeld bij het eerste nommer van art. 95, zijn aan geene nadere voorziening onderhevig.
2°. Vervallen: S. 32—460 jo. 580.
(Gew. S. 19-10 jo. 20-498 ; 32-460 jo. 580.) De eindvonnissen van landraden in strafzaken gewezen, zijn met uitzondering van die, waarbij de beklaagde van de geheele telastlegging is vrijgesproken, vat- baar voor revisie. (RBg. 47.)
De landraden nemen in het hoogste ressort kennis van de aan hooger beroep onderworpene vonnissen der regentschapsgerechten. (RO. 83, 97; IR. 130v., 342v. ; RBg. 48.)
(Gew. 9. 01-320, 465.) De voorzitters der landraden, ieder binnen het ressort van zijn landraad, zijn belast met de bemoeienissen met Op- zicht tot het notariaat en andere onderwerpen bij de daartoe betrekkelijke bepalingen aan hen opgedragen, zoomede met zoodanige bemoeienissen (Nonce eras bij algemeene verordening zullen worden opgedragen.
De oorspronkelijke tweede en derde alinea’s van dit art. zijn vervallen resp. krachtens S. 17—497 jo. 645 en S. 03—7.
Bij afwezigheid, belet of ontstentenis van een landraadvoorzitter kan hij voor de in dit art. bedoelde bemoeienissen alleen door een rechtskundig ambtenaar, door den Gouverneur-Generaal aangewezen, vervangen worden.
- (Ing. S. 41—31 jo. 98.) (1) De magistraten bij de door den Gou- verneur-Generaal krachtens art. 93a aangewezen landraden zijn verplicht een nauwkeurig register aan te houden van alle behandeld wordende zaken, met duidelijke vermelding van haren aard, van de daarin betrokken personen, van hetgeen daarin is geschied en verricht, en wanne r, door wien en op welke wijze zij zijn afgedaan.
RECHTERLIJKE ORGANISATIE. 23
(2) Van dit register moet elke maand, of binnen zóoveel korteren tijd, als de officier van justitie dienstig oordeelt, een volledig afschrift aan hem, zoomede aan den betrokken resident worden ingezonden.
(3) De inzending aan den resident geschiedt door tusschenkomst van den regent, die het register, desgewenscht, van een nota van opmerkingen doet vergezeld gaan.
DERDE AFDEELING. Van de rechtbanken van omgang. 100 ,ud—107. Vervallen : S. 01-13, 16, 272, 320, 465. VIERDE AFDEELING. Van de rechtspraak ter politierol. 108-112, Vervallen: S. 01-15, 273; 14-817 ; 17-577. Slotbepalingen van dit hoofdstuk.
- Vervallen: S. 17-555; 18-171.
114, (Gew. S. 17-555 jo. 18-171; 25-497.) Do hoofdpanghoeloe’s en panghoeloe’s leggen, alvorens hunne betrekking te aanvaarden, in handen van den regent den bij art. 8 voorgeschreven eed af.
Alle verdere bijzondere verpligtingen der in dit hoofdstuk ver- melde regterlijke autoriteiten, en van de daaraan toegevoegde of onder- geschikte ambtenaren, worden vastgesteld bij de wettelijke bepalingen op de burgerlijke regtspleging en op de strafvordering.
Vervallen: S. 25—497.
HOOFDSTUK IIA. Van de Landgerechten.
Ingelascht bij S. 1914-317, als vervallen te beschouwen ingevolge LN. 51—9* achter RO.
116 bis. (Gew. S. 25-497.) In elke afdeeling (+) op Java en Madoera zal minstens één landgerecht gevestigd zijn.
(Gew. S. 36-131 jo. 132.) Door den Gouverneur-Generaal wordt be- paald waar landgerechten zijn gevestigd en welk rechtsgebied zij hebben. (RBg. 49v. ; S. 36—133 artt. 1, 2.)
Door of namens den Gouverneur-Generaal wordt bepaald op welke plaatsen binnen het rechtsgebied zij zitting moeten „houden. (RBg. 51.) (2)
De landrechter is bevoegd om, wanneer naar zijn oordeel het belang van den dienst dit vordert, ook buiten de aangewezen plaatsen, doch bin- nen zijn rechtsgebied zitting te houden. (RBg. 51.) P ”
116 ter. Behalve op Zondag houden de landrechters voor zooveel dit noodig en mogelijk is, dagelijks zitting. (RBg. 52.) :
116 quater. (Gew. S. 41—31 jo. 98.) Het landgerecht bestaat uit een rechtskundig ambtenaar als landrechter, bijgestaan door een ambtenaar, die behalve de hem verder bij algemeene verordeningen opgedragen werkzaamheden, die van griffier verricht en den titel draagt van fiscaal-
riffier.
5 (Gew. S. 25—230.) (2) Indien bijzondere omstandigheden daartoe nopen kan de functie van landrechter worden opgedragen aan een ambtenaar van het binnenlandsch bestuur, dan wel aan een ander daarvoor geschikt geacht persoon. (RBg. 53; S. 25437 en 28-248 sub 5, IV jis 29160, 30-93, 32-138, 459 en 525, 33-374 en 504, 34-428, 35-140, 36-21, - 333, 460 en 605, 38-427, 39-84, 264.)
De Gouverneur-Generaal is bevoegd om bij het landgerecht, wanneer de
ie”? ta.” @) S. 39-288, bl. 233: in de gvtsl. v. Jav. Mad. ,,residentie” ipv. „a!
(*) Zie ek zittingsplaatsen landger. : in West-Java, Bb. EE 25—437 ten vijfde; in Oost-Java, Bb. 11773, 11817, 11838 jo. nk ae Ad ten vijfde ; in Midden Java, Bb. 12133 jo. S. 28-248 ten vijfde ; In Soerak. Jogjakarta, Bb. ....en .... 40. S. 28—237 len achtste. ieee
(@) Het K.B. in S. 25—230 is 31 Mei 1925 in werking getreden met werkende kracht tot 1 Dec. 1917.
24 RECHTERLIJKE ORGANISATIE.
werkzaamheden dit vereischen, tijdelijk een buitengewonen rechtskundigen landrechter aan te stellen, wiens taak alsdan door hem wordt aangewezen.
116 quinquies. (Gew. S. 19-690.) Bij elk landgerecht worden door of namens den Gouverneur-Generaal één of meer plaatsvervangende landrechters benoemd.
Behoudens bevoegdheid van den Gouverneur-Generaal om bij afwezig- heid, belet of ontstentenis van den landrechter de tijdelijke waarneming van diens functiën op te dragen aan een speciaal daartoe aan te wijzen rechtskundig ambtenaar, worden in bedoelde gevallen die functiën ver- vuld door den plaatsvervangenden landrechter of één hunner naar de volgorde van benoeming, behoudens dat een rechtskundige den voorrang heeft boven een niet-rechtskundigen plaatsvervanger.
Een opdracht als bedoeld in het vorige lid zal als regel behooren te geschieden bij een eenigszins langdurige verhindering van den landrech- ter, onder wiens plaatsvervangers geen rechtskundige is.
(Toeg. S. 17-823, gew. 25—497.) Bij afwezigheid, belet of ontstentenis zoowel van den landrechter als van zijne benoemde plaatsvervangers, wordt de functie van landrechter waargenomen door cen daartoe door het hoofd van gewestelijk bestuur aan te wijzen ambtenaar bij het Binnen- landsch Bestuur.
(Toeg. S. 17-323.) Onverminderd het bepaalde bij het tweede en vierde lid treden, voor zoover het de behandeling betreft van de in den Eersten Titel A van het landgerechtreglement bedoelde zaken, op de afdcelings- hoofdplaats (1) in de aangegeven volgorde de plaatsvervangende land- rechters op, indien de landrechter elders zitting houdt. (RBg. 55.)
116 sexies. (Gew. S. 17-823.) De landrechter benoemt buiten bezwaar van den lande één of meer buitengewone substituut-fiscaal-griffiiers, die bij afwezigheid, belet, of ontstentenis van den fiscaal-griffier diens functién vervullen. Op elke afdeelingshoofdplaats (1) zal minstens één zoodanige buitengewone substituut-fiscaal-griffier moeten gevestigd zijn.
(Gew. S. 17-555 jo. 18-171.) De benoemde legt vóór de aanvaarding in handen van den landrechter den bij art. 13 omschreven eed of belofte af. (S. 34—159*.)
Van de benoeming en eedsaflegging zoowel als van het ontslag wordt kennis gegeven aan den directeur van justitie en aan het Hooggerechtshof. (RBg. 56.)
116 septies, Tot het wettiglijk houden van het landgerecht wordt ver- eischt de tegenwoordigheid van den landrechter en van den fiscaal- griffier. (RBg. 57.)
Van al hetgeen ter terechtzitting wordt verhandeld, houdt laatstge- noemde aanteekening in een daartoe bestemd register.
116 octies. De fiscaal-griffier staat onder het toezicht en de bevelen van den landrechter. Deze ambtenaar is niet begrepen onder de uitdrukking „openbaar ministerie” of „ambtenaar van het openbaar ministerie’, waar die in het algemeen wordt gebezigd. (RBg. 58.) 2¢ lid vervallen krachtens S. 17—555 jo. 18-171.
116 novies. (Gew. S. 17—497 ; 20472 ; 21-70 ; 34—644.) De landrech- ters nemen, zonder onderscheid van den landaard der beklaagden, in eersten aanleg en tevens in het hoogste ressort kennis van : (RBg. 59.)
a. alle overtredingen, daaronder begrepen die, welke bij art. 88 aan de kennisneming van de districts- en regentschapsgerechten zijn onttrokken, waarop geene zwaardero straf is gesteld dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste vijfhonderd gulden, met of zonder verbeurdverklaring van bepaalde voorwerpen, en welke niet ter kennisneming aan andere rechters zijn opgedragen ;
b. de in de artt. 302, eerste lid, 352, eerste lid, 364, 373, 379, 384, 407,
eerste lid, en 482 van het wetboek van strafrecht vermelde misdrijven, alsmede het misdrijf van „eenvoudige beleediging’’, bedoeld bij art. 315 van dat wetboek. i
() S. 39-288, bl. 233: in de gvtsl. v. Jay. Mad. residentiehoofdplaats:
|
N.
BEOHTERLIJKE ORGANISATIE, 25
116 decies. Voor de toepassing van art. 6 van dit reglement wordt het
RO. Jandgerecht als lagerin rang dan de raad van justitie aangemerkt. (RBg. 60.)
38
116 undecies. Het Hooggerechtshof is bevoegd zich te allen tij i art. ll6septies bedoeld register te doen ereciasiens —
Bij S. 190118 jo. 273 is het volgende hoofdstuk ingevoegd : HOOFDSTUK IIB. (Opschr. gew. S. 14317.)
Van de Residentiegerechten op Java en Madoera. Artt. 116a—1161 als vervallen te beschouwen ingevolge LN. 51—9* achter RO.
116a. (Gew. 8. 25-497.) Ter plaatse van vestiging van elken landraad en voorts op zoodanige andere plaatsen als de Gouverneur-Generaal daar- toe aanwijst, is een residentiegerecht gevestigd, bestaande uit een rechta- kundig ambtenaar als rechter, bijgestaan door een griffier. (RBg. 61.)
116 b. Het rechtsgebied van het residentiegerecht is, tenzij de Gouver- neur-Generaal anders bepaalt, gelijk aan dat van den ter plaatse geves- tigden landraad. (RO. 89; RBg. 62.)
116 c. De in art. 116a bedoelde functién zijn opgedragen aan den voor- zitter en den griffier van den landraad, binnen wiens rechtsgebied het residentiegerecht, zijuen zetel heeft. (RBg. 65.)
Het tweede lid ts vervallen krachtens S. 17-497, 645.
De tijdelijke vervanging van den voorzitter van den landraad strekt zich, tenzij een rechtskundig ambtenaar daartoe mocht zijn aangewezen, niet uit tot de functién van residentierechter. Zij worden door of namens den Gouverneur-Generaal aan een rechtskundig ambtenaar opgedragen.
(Toeg. S. 01-306 jo. 02-85.) Alleen in geval van volstrekte verhin- dering van den voorzitter van den landraad mag de onder-voorzitter in burgerlijke zaken als residentierechter optreden.
116 d, Vervallen : S. 14-317 jo. 17-577.
116 e. (Gew. 9. 14-317.) De Gouverneur-Generaal is bevoegd, waar hij zulks wegens plaatselijke of andere omstandigheden noodzakelijk acht, de in art. 116c vereenigde functién te scheiden en andere ambtenaren met die van residentierechter en van griffier van het residentiegerecht te belas- ten. De met het ambt van residentierechter belaste persoon moot steeds een rechtskundige zijn. i
116£, (Gew. 8. 18-30 ; 1981; 07-206 art. 3 jo. 19—816 „ 22-702; 21-396 jo. 24—555.) De residentierechters nemen kennisin eersten aanleg, in burgerlijke zaken, behoudens in de gevallen, voorzien bij de artt. 125 en 159, van de rechtsvorderingen, bij dit art. onder de letters a tot en met h omschreven, ingesteld tegen Europeanen of Chineezen, die woonplaats, gekozen woonplaats of En verblijfplaats hebben op Java en Madoera, alsmede tegen zoodanige woon- of verblijfplaats hebbende Indonesiërs of met hen gelijkgestelde, niet tot de Chineezen behoorende personen die, voor zoover het onderwerp der vordering betreft, krachtens wettelijke bepa- lingen zijn of vrijwillig zich hebben onderworpen aan het voor Europeanen ede burgerlijke en handelsrecht, te weten : (ISR. 163 ; Bw.17v.,
V., 24v. ; RBg. 70.
a. indien EN loopt over eene bepaalde waarde, het bedrag van vijfhonderd gulden niet te boven gaande : bi
1°. van alle persoonlijke rechtsvorderingen, ook dàn wanneer ifeens vordering tot betaling van interessen eener inschuld, de hoofdsom dezer inschuld meer dan vijfhonderd gulden bedraagt ;
2°. van alle vorderingen tot betaling van erfpachten ;
8°. van alle vorderingen tot opeisching van roerende zaken.
De bevoegdheid van den residentierechter houdt op : À Ee 1°. wanneer, bij verwering tegen eene der genoemde vorderingen, rechtstitel wordt betwist, met het gevolg dat het geschil loopt over Sn onbepaalde waarde of eene waarde, vijfhonderd gulden te boven GEE 0; 2°, wanneer eene der genoemde vorderingen een gedeelte betreft, he UES eene grootere geldsom, hetzij van eene algemeenheid van sees € doe
en de rechtstitel wordt betwist, met het gevolg dat het geschil loop
26 RECHTERLIJKE ORGANISATIE.
eene onbepaalde waarde of een waarde, vijfhonderd guldente bovengaande; _N, b. over alle vorderingen, onverschillig over welke waarde zij loopen, RO,
wanneer zij strekken : ") is 39 1°. tot vergoeding van schade, hetzij door menschen, hetzij door dieren
toegebracht aan land, houtgewas, boom-, tuin- of veldvruchten ;
2°. tot zoodanig herstel van- en tot zoodanige vergoeding van schade aan gehuurde onroerende goederen, als volgens de wet ten laste van den huurder komt ; (*) ei
c. van alle vorderingen, onverschillig over welke waarde zij loopen, 54-4 wegens aanmatiging, zoo door verplaatsing van scheidsteekenen, als anderszins, van gronden, boomen, heggen, slooten, afleidingen en belem. meringen van waterloopen en waterleidingen, binnen ’s jaars en ten nadeele van rechthebbenden op naar Indonesisch recht bezeten gronden gepleegd ;
d. van vorderingen, strekkende :
1°. tot ontruiming van gehuurde onroerende goederen, wegens geëin- 41 digde huur, zonder onderscheid van het bedrag der huur, tenzij de huur- der een schriftelijk bewijs van bestaande, vernieuwde of verlengde huur, eene waarde van zeshonderd gulden, over het jaar berekend, te boven gaande, in het geding brengt ;
2°. tot ontbinding van huur van onroerende goederen en tot ontrui- 42 ming dientengevolge ter zake van wanbetaling der huurpenningen, indien die verschuldigde en niet betaalde huurpenningen niet meer dan zeshon- derd gulden bedragen ;
e. van de vordering tot vanwaardeverklaring van een gelegd beslag, wanneer dit berust op eene tot hunne bevoegdheid behoorende vordering en bij de voorschriften betreffende de rechtspleging voor den residentie- rechter is toegelaten, alsmede van de vordering tot opheffing van zoodanig beslag ; (Rv. 971v.)
f. van de vordering tot vanwaarde- of tot nietigverklaring van een aanbod van betaling of van eene gerechtelijke bewaargeving, wanneer de waarde der zaak of der geldsom, die aangeboden of in bewaring gesteld is, de som van vijfhonderd gulden niet te boven gaat ; (Bw. 1404v.)
g. van de vordering in reconventie, die wat het onderwerp des geschils betreft, tot hunne bevoegdheid behoort, ook dan wanneer het beloop dier vordering, gevoegd bij dat van de vordering in conventie, die bevoegdheid te boven gaat; (Rv. 244v.)
h. van alle vorderingen, naar aanleiding van geschillen over- of bij de tenuitvoerlegging van vonnissen, voor zooveel die tenuitvoerlegging krachtens de voorschriften betreffende de rechtspleging voor den residen- tierechter bij de residentiegerechten moet geschieden. (Rv. 997, 1003v.,
1006 ; S. 08—347, cf. noot bl, 275.) 3 116 g. (?) (Ing. S. 22-702; gew. 26—335, 458, 565; 27—108.) De resi- 39-3 dentierechters nemen in eersten aanleg mede kennis van alle vorderingen betrekkelijk tot een arbeidsovereenkomst of tot een collectieve: arbeids- overeenkomst als bedoeld bij art. 1601n van het Burgerlijk Wetboek, onverschillig over welke waarde zij loopen en ongeacht den landaard van de pa 5 (Toeg. S. 38-622.) Voorts nemen de residentierechters in eersten aanleg kennis van alle vorderingen van den executant tegen den derde beslagene, die in gebreke blijft aan zijne verplichting ingevolge art. 48le van het Reglement op de Rechtsvordering te voldoen, onverschillig over | welke waarde zij loopen en ongeacht den landaard van den derde beslagene. a _ 116 h. (Gew. S. 22-702.) Van de vonnissen, door de residentiegerechten 54-5 in burgerlijke zaken gewezen is hooger beroep op den raad van justitie : | (Rv. 978v. ; RBg. 71.)
1°. in de zaken, bedoeld in art. 1164, sub a en b, alsmede in art. 116g
@) Bi S, 22102 1s sub b No. die; ager beed ju. No. 3 van dit art. ingetrokken en eon nieuw art. |
() Het oorspronkelijke art. 1169, handelende in strafzaken is bij 8. 1914317 jo. 17-517 ingetwokkg, C° Pevoogdheid
18
pn
DEE a
RECHTERLIJKE ORGANISATE, 27
indien de gedane vordering meer bedraagt dan vii mn zeventi
in die bedoeld in art. 116/ sub a, ook indian de oasis one Sina bedraagt dan vijf en zeventig gulden, maar de recltstitel betwist wordt, met het gevolg dat het geschil loopt over eene waarle van meer dan vijf en zeventig gulden ;
2°. in de zaken, bedoeld in art. 116/, sub c, e, f en zonder onderscheid van het bedrag der vordering ;
3°. in de zaken bedoeld in art. 116f, sub d, 1, indien een schriftelijk bewijs in het geding is gebracht van bestaande, vernieuwde of verlengde huur, eene waarde van honderdtwintig gulden per jaar te boven gaande ; |
4°. in de zaken, bedoeld bij art. 116/, sub d, 2, indien de verschuldigde | en niet betaalde huurpenningen meer bedragen dan honderdtwintig gulden ;
5°. in de zaken, bedoeld bij art. 116/, sub g, zoo in conventie als in reconventie, indien beide vorderingen gelijktijdig zijn uitgewezen en beide of één van beide verkeeren in een der gevallen waarin volgens vorenstaande regelen hooger beroep is toegelaten, zullen de bij afzonderlijke uitwijzing op ieder der beide vorderingen vorenstaande regelen afzonderlijk van toe- passing zijn.
116i. Vervallen : S. 14-317 jo. 17-577.
116 j. De in eersten aanleg, tevens in het hoogste ressort, door de resi- dentiegerechten gewezen vonnissen zijn aan geenerlei nadere voorziening onderworpen.
Van de vonnissen der raden van justitie, waarbij in hooger beroep van door residentiegerechten in eersten aanleg in burgerlijke zaken gewezen vonnissen is recht gedaan, is cassatie in het belang der wet toegelaten. (RO. 170.)
116k, Voor de toepassing van art. 6 van dit Reglement wordt het residentiegerecht als hooger in rang dan de Indonesische rechtbanken en gerechten aangemerkt. (RO. 116decies.)
- (Ing. S. 01—168.) Bij ordonnantie kan aan de residentierechters worden opgedragen de benoeming van deskundigen tot waardeering van roerende of onroerende zaken voor de heffing van de rechten van successie en van overgang, het verleenen van bevelschriften tot het geven van inzage, afschriften of uittreksel dan wel tot het doen van mededeelingen uit memoriën van aangifte voor de rechten van successie en van overgang. Zoodanige ordonnantie wijst den residentierechter aan, die bedoeld is, als- mede de voor de deskundigen geldende procesregelen. (*)
HOOFDSTUK IL. Van de Raden van Justitie op Java. (Cf. art. 72 Rechtsregl. Bg.)
- In ieder der steden Djakarta, Semarang en Soerabaja zal eene rechtbank onder den naam van raad van justitie gevestigd zijn. (RBg. 73.)
118, (Gew. S. 63-142, enz.; 07-470, 476; 25-497; 26-229 je 27-573 ; 28-224; 36-131, 132.) Het rechtsgebied der raden van justitie wordt vastgesteld door den Gouverneur-Generaal. f
Bij S. 30-133 art. 3 (aew. S- Sn bepaald: Het rechtsgebied der raden v. just. ich wit voor wat betreft:
Ces ce eD Ae karta over de gewesten West- Java, (2) Lam- pn
a 1 gemachtigd DB S, 01—168 is de Gouverneur-Generaa’ 8 J om Ae anne genoemd in art, 1162 op te Ge St ea a rechters in de bezittingen buiten Java en Madoera, an Ae AAT Vette: de residentién Soerakarta en Djokjakarta en aan j de te Makasser kasser, voor zoover het rechtsgebied van den ES htbanken en de betreft, zoomede om de bevoegdheid een ie oor he t oces-regelen Ô ed 4 3 En Hen yoni entién Soerakarta en Die gold §. 1903—S, thans ver: alle: —9* achter RO. : CE) De gowaston aontor West-duvn resp. Oost-Jave genoeund iin on Jul 1938 af residenties geworden, zie hiervoor 5. :
28 REOHTERLIJKE ORGANISATIE.
pongsche districten, Palembang, Djambi, Bangkaen Billiton en de Westerafd. v. Borneo ;
dat van den r. v. j, te Semarang over de gewesten Midden- Java, Jogjakarta en Soerakarta ;
dat van denr.v.j. te Soerabaja over de gewesten Oost- Java, (2) Bali en Lombok en Zwider- en Oosterafd. v, Borneo.
(Gew. S. 01-124, 269 ; 04-267 ; 14-457 ; 26-197, 198 ; 31492.) De Gouverneur-Generaal bepaalt de samenstelling van de raden van justitie. (RBg. 75; S. 38—442.)
(Gew. S. 17-677 ; 34-484.) De presidenten, de vice-presidenten en de officieren moeten den vollen ouderdom van 28, de leden, de substi- tuut-officieren en de griffiers dien van 25, en de substituut-griffiers dien van 23 jaren bereikt hebben. Zij moeten allen aan een Nederlandsche Universiteit, dan wel aan de Rechtshoogeschool te Djakarta verworven hebben : hetzij den graad van doctor in de rechtswetenschap, hetzij de hoedanigheid van meester in de rechten, mits deze hoedanigheid is ver- kregen op grond van het afleggen van een examen in het Nederlandsch of Indonesisch burgerlijk- en handelsrecht, staatsrecht en strafrecht. (Ov. 98; RO. 153; RBg. 76.)
(Gew. S. 01-124, 269 ; 32-460, 580.) De raden van justitie von- nissen en beschikken in alle zaken, behoudens uitzonderingen, met drie leden. (RO. 28; RBg. 77.)
(Gew. S. 01-124, 269.) De Gouverneur-Generaal is bevoegd om, bij afwezigheid of verhindering van leden, hun dienst te doen waarnemen door andere rechterlijke ambtenaren.
De griffiers bij de raden van justitie mocten, wanneer geen genoegzaam getal gewone, buitengewone of waarnemende leden tot het verrichten van den dienst aanwezig mocht zijn, als rechters zitting nemen. (RO. 155 ; Rv. 266; RBg. 78.)
- (Gew. S. 32-460 jo. 580.) Onverminderd het bepaalde in art. 13ic houden de raden van justitie wekelijks ten minste twee terechtzittingen of zoo veel meer als de dienst der justitie en eene spoedige en geregelde afdoe- ning van zaken vorderen. (RBg. 80.)
124, (Gew. S. 01-319, 465 ; 17—12 jo. 528 ; 18830 jo. 1981 ; 07-205 art. 3 jo. 19-816; 21-396 jo. 24-555.) Met uitzondering der zaken bedoeld bij art. 116/ (+) nemen de raden van justitie in eersten aanleg kennis : (?)
1°. van alle burgerlijke, zoowel persoonlijke, zakelijke, als gemengde rechtsvorderingen tegen Europeanen en Chineezen ;
2°. van alle burgerlijke rechtsvorderingen, ingesteld tegen Indonesiérs of met hen gelijkgestelde, niet tot de Chineezen behoorende personen, die, voor zoover het onderwerp der vordering betreft, krachtens wettelijke bepalingen zijn of zich vrijwillig hebben onderworpen aan het voor Euro- peanen vastgesteld burgerlijk. en handelsrecht. (RO. 95, 126; ISR. 131, 136, 163; Ov. 9, 15; Rv. 133; RBg. 81; S. 24—556* ; 08—347* ; 17—12.) (2) ()
(#) De gewesten achter West-Java resp. - j 1 Juli 1935 af residenties geworden, Ee Ares Me 332.
() Hier moet, voor zoover het rechtsgebied der raden y. j. op Java zich
uitstrekt over de gewesten buiten Java en Mad. í.p.v. art. 70 RBg. Zie RBg. 72. A Gp
() Voor Indonesische vorsten enz. gold S. 67—10, thans als vervallen te
DEBS 0s ij S. 08—347 is bepaald (thans als vervallen te beschouwen) :
Art. 1. (Gew. S. 07—206 art. 3 jo. 19—816 ; 24—450 jo. 490) Allo bargerlijke rechtsvorderingen en strafvervolgingen tegen de door de Regeering aange- stelde Hoofden van Vreemde Oosterlingen, ook die als Chineesch lid aan de Weeskamer te Djakarta dan wel aan een der Wees- en Boedelkamers in ED eyenponden zijn, worden, voor zoover zulke niet reeds het geval ee penn en aanleg aangebracht bij de rechtbanken en rechters voor
. 2, De berechting der zaken van de in artikel 1 genoemde personen heeft Plan op de gewone bij algemeene verordening oren verniss)
@ . 124-3°, toegev, bij S, 92—237, luidende : „„3°, van alle burgerlijke
N. RO.
48
50
pt Aen eee ae nn nnn
RECHTERLIJKE ORGANISATIE. 29 N. 125, De raden van justitie nemen, onverschillig tot welken landaard de RO. partijen behooren, in eersten aanleg kennis : 89 1°. Ingetrokken: S. 41—160. (1)
2°. van alle zee- en strandvonden. (RO. 95, 126; K. 645v.)
Bij S. 41—160 is vastgesteld het Prijsgedingregl.*, met elijktijdige intrekking v. d. vroegere bepalingen betr. prijzen en buit in 8. 1877-284, 1903—372 en 1829—54, en van de artt. RO. 125-1°, 126, RBg. 82 lid 1, 83. Ingevolge S. 42—54 zijn de artt. RO. 126 en RBg. 83, als abusievelijk ingetrokken bij bovengenoemd S., weder ingevoegd.
- (Gew. 8. 87—158.) Van de uitspraken der raden van justitie, in de twee voorgaande artt. begrepen, valt hooger beroep aan het hooggerechts- hof, wanneer niet blijkt, dat de waarde der vordering f 500.— of minder bedraagt. (Rv. 327v. ; RO. 163 ; RBg. 83.)
Beneden dat bedrag vonnissen zij in het hoogste ressort.
54,65 127, De raden van justitie nemen in het hoogste ressort kennis : (2)
1°. (Gew. S. 26-358 jo. 27-246.) (3) van alle jurisdictiegeschillen tus- schen lagere in naam des Konings rechtsprekende autoriteiten onderling, tusschen dezen en inheemsche rechters in rechtstreeks bestuurd gebied, waar de bevolking in het genot harer eigen rechtspleging is gelaten, en tusschen lagere in naam des Konings rechtsprekende autoriteiten en rechters van zelfbesturende landschappen, voor zoover de met die land- schappen gesloten contracten dit toelaten, een en ander mits de autori- teiten en rechters tusschen wie het jurisdictiegeschil bestaat, gevestigd zijn binnen hun rechtsgebied ; (Rv. 270 ; Sv. 260v. ; RO. 116decies.)
2°. (Gew. S. 37—631.) van alle vonnissen van de residentiegerechten, waarvan hooger beroep aan de raden van justitie is toegelaten ; (RO. 116A, 11652, 170.)
6 3°. van alle persoonlijke, zakelijke of gemengde regtsvorderingen, aan hooger beroep onderworpen, wanneer partijen verklaard hebben van dat beroep af te zien. he -
Deze laatste bepaling is niet toepasselijk in zaken, die niet voor dading of compromis vatbaar zijn. (Bw. 1852 ; Rv. 133, 324 3; RBg. 84.) |
- (Gew. S. 37-631.) De raad van justitie te Djakarta neemt in het hoogste ressort kennis van alle aan hooger beroep onderworpen uitspra-
zaken, ten aanzien van de Chineezen op Java en Madura, geregeld door bijzondere van het Bw. att dela ES moet ingevolge S, 17—129, art. 22 als vervallen beschouwd worden.
() RO. 125-1° luidde: 1°. van alle geschillen in zaken van prijzen en buit, die door schepen van oorlog van den staat, of door schepen bij particu- lieren uitgerust en van commissién of lettres de marque voorzien, orden achterhaald en opgebragt, mitsgaders van alle geschillen, welke tusschen de nemers onderling deswege ontstaan ; (RO. 129 ; RBg. 82.) _ Rn
€) Krachtens artt. 9—16 van S. 12—545* Jo. 13214 (Regl, dude aen dom Koloniën 1912) neemt de raad van justitie te Djakarta in grs A kennis, in het hoogste ressort behoudens beroep in cassatie, gee OE Weele verzoeken of requisitoiren, dat de inschrijving resp. worde 0) of nietig verkl 5
Cf. SO) od att, 10—21* Regl, op het krankzinnigenwezen in indonen’:
() Bij S. 26—358 art. 2 jo. 27-246 is bepaald : Bij de beren enn dictiegeschillen tusschen een in naam des Konings rechtsprekende ano en een inheemschen rechter in rechtstreeks bestuurd gebied, eee delbev ols king in het genot, harer eigen rechtspleging is gelaten, dan wel een rechter Yan een zelfbesturend landschap, vinden in burgerlijke zeker eR ee anne Reglement op de rechtsvordering en in strafzaken de CSc go z ony BET het Reglement op gelaat rodents OER ig Oet
© oofd van gewestelij uur dent), TT) (residentie ige lid bedoelde inheemsche of zelfbes Bae vent zn ody an anger oe usage rege) en bev, nhangig te m, (Cf. S. „264, oee noot #8 volledipheidshatve blijven siaan, hoewel de bepaling uiteraard ervallen is. -
30 RECHTERLIJKE ORGANISATIE,
ken van de landraden, ook van die in de ressorten van de raden van justitie te Semarang en Soerabaja. (RO. 95v., 128a; IR. 188v.)
De partijen in eersten aanleg aan de rechtsmacht der landraden onder- worpen, kunnen, wanneer zij daaromtrent overeenkomen, hare voor hooger beroep vatbare geschillen dadelijk onderwerpen aan den raad van justitie te Djakarta, die alsdan in die zaken eveneens in het hoogste ressort uitspraak doet. (ISR. 136 ; RBg. 85.)
128a. (Ing. S. 37—631.) Een der kamers van den raad van justitie te Djakarta is in het bijzonder belast met de berechting van de zaken, omschreven in art. 128.
De Voorzitter en de leden van die kamer worden, met afwijking in zooverre van het bepaalde in art. 6 van het Koninklijk besluit van 14 Januari 1901 No. 41 (LS. No. 126), betreffende de indeeling en werkzaam- heden van het Hooggerechtshof van Indonesië en van de raden van justitie op Java voor den tijd van drie jaren als zoodanig aangewezen door den president van het Hooggerechtshof. Art. 9 van dat Koninklijk besluit is op bedoelde leden niet van toepassing.
- (Gew. S. 17497 ; 07-205 art. 3 jo. 19-816; 20472; 21-70.) In strafzaken nemen de raden van justitie in eersten aanleg kennis :
1°. van alle door Europeanen gepleegde misdrijven, uitgezonderd die, vermeld in art. 116 novies onder letter b, en behoudens de bepalingen van art. 165 ;
2°. zonder onderscheid van den landaard der beklaagden, van de mis- drijven, vermeld in de artt. 324 tot en met 327, 396 tot en met 400, 402, 438 tot en met 447, 450 en 451 van het Wetboek van Strafrecht. (RBg. 86.) (1)
(Gew. S. 19-10 jo. 20-498 ; 32-460, 580.) De eind vonnissen in eersten aanleg door raden van justitie in zaken van misdrijf gewezen zijn, met uitzondering van die, waarbij de beklaagde van de geheele telastlegging is vrijgesproken, vatbaar voor revisie. (RO. 95, 163, 169; Sv. 282; RBg. 88; Bb. 446, 2495, 2628.)
129 a. (Ing. S. 01—124, 269 ; gew. 03—7 ; 19—10 jo. 20-498.) De raden van justitie oordeelen in revisie over alle daaraan onderworpen vonnis- sen, door de landraden en daarmede gelijkstandige Indonesische recht- banken in hun rechtsgebied gewezen,
(Gew. S. 23-21 jo. 24—574.) Zij onderzoeken de niet aan revisie onder- worpen vonnissen, door de in het vorig lid genoemde rechtbanken in zaken van misdrijf gewezen, zoo dikwijls zulks hun of het Hooggerechts- hof dienstig voorkomt, en zijn bevoegd om aanmerkingen te maken, op de behandeling, zoowel van de hierbedoelde, als van de ter behandeling in revisie toegezonden zaken. (RBg. 89.)
- (Gew. S. Ol—16, 273; 14-317; 07-205 art. 3 jo. 19-816.) De raden van justitie nemen in eersten aanleg kennis van alle over- tredingen, begaan door Europeanen, voor zoover zij niet aan de beslissing der landgerechten zijn opgedragen dan wel ingevolge art. 165 van dit Reglement bij het Hooggerechtshof behooren te worden aangebracht.
(Gew. laatstel. S. 32-460, 580.) De eindvonnissen, in die zaken ge- wezen zijn, met uitzondering van die, waarbij de beklaagde van de
geheele telastelegging is vrijgesproken, vatbaar voor revisie. (RO.
171; Sv. 303v.; RBg. 87.)
() Bij art. 31 van S. 1856—74 is de berechting van vervolgingen 0: nd van het bij gemeld Staatsblad afgekondigd drukpers-reglement aan de Paden van justitie opgedragen. Zie ook S. 1900—317 en 318*,
Volgens artt. 8 en 14 van S. 83—188* brengt de raad van justitie bij aan- vraag van uitlevering van vreemdelingen, na gehouden verhoor van den opgetischten persoon, advies uit over het al of niet toestaan der uitlevering.
RECHTERLIJKE ORGANISATIE, 31
Het oorspronkelijke art. 131 is ingetr. bij S. 25-497.
- (Ing. S. 32-460, 580.) Eenvoudige strafzaken, waarvan de raden van justitie in eersten aanleg kennis nemen, worden in de gevallen en op den voet, als geregeld in het reglement op de strafvordering, berecht door uit één lid bestaande (enkelvoudige) kamers. De bepalingen omtrent de indeeling en werkzaamheden van het Hooggerechtshof van Indonesië en van de raden van justitie op Java in het Koninklijk besluit van 14 Jan. 1901 No. 41 (LS. 1901 No. 126) zijn op die kamers nict van toepassing. De bepalinien van 8. Ol—126 zijn bij S. 47—20 beten werkins gesteld.
131a. (Ing. S. 32-460, 580.) Enkelvoudige kamers, als bedoeld in het voorgaand art, worden gevormd door:
a. één of meer leden van elken raad, door den president van het Hoog- gerechtshof daartoe voor den tijd van twee jaren benoemd ;
b. de door den Gouverneur-Generaal bij regeeringsverordening aan te wijzen residentierechters in ’s raads ressort. (S. 32-581 jis 35-262, 39—408.)
Zij dragen den titel van politierechter.
131 b. ( Ing. S. 32-460, 580.) Een door den president van het Hoog- gerechtshof benoemde politierechter wordt vervangen door het door dien president aan te wijzen lid van den raad ; hij wordt bijgestaan door’s raads griffier.
Een door den Gouverneur-Generaal aangewezen residentierechter wordt als politierechter vervangen door dengene, die hem als residentie- rechter vervangt ; hij wordt bijgestaan door den griffier van het residentie- gerecht.
131 ¢. ( Ing. S. 32-460, 580.) De politierechters, genoemd in art. 131 a onder a houden, behalve op Zondag, voor zooveel dit noodig en mogelijk is, dagelijks zitting ter hoofdplaats van ’s raads ressort. Zij zijn bevoegd, wanneer het belang van den dienst dit vordert, ook elders binnen dat ressort zitting te houden. :
De politierechters, genoemd in art. 131 a onder b houden zitting zoo vaak dit noodig is en op zoodanige plaatsen binnen hun rechtsgebied als in het belang van den dienst noodzakelijk is.
131 d. (Ing. S. 32—460, 580 ; gew. 89—715 ; 41—81 jo. 98.) Do ambte- naren van het openbaar ministerie bij de politierechters worden aange- wezen door of namens den Gouv.-Gen., met dien verstande, dat voor de Aanwijzing alleen in aanmerking komen in rechten gegradueerde personen en Europeesche ambtenaren bij het binnenlandsch bestuur van niet lageren rang dan assistent-resident. Hunne vervanging wordt bij de in art. 13la onder b genoemde regeeringsverordening geregeld. — *
132, De raden van justitie hebben, iedor in de uitgestrektheid van zijn fata sae het oppertoezigt over de weeskamers en voogdijen. (Weesk.
5 - 90,
133, (Gow. Ny 41-611 jo. 513.) De gevallen waarin de weeskamers, hetzij eischender, hetzij verwerender wijze, kosteloos of tegen verminderd tarief in regten kunnen optreden, en de wijze waarop de daartoe ver- eischte vergunning wordt gevraagd en verkregen, worden geregeld bij de wettelijke bepalingen op de burgerlijke regtsvordering. (Ov. 70, 72; Bw. 415; Rv. 89lv.; IR. 240v.; RBg. 276.)
- (Gew. S. 97—58, 55.) De raden van justitie zijn bevoegd om, op verzoek van bloedverwanten of aanverwanten, na het openbaar ministerie te hebben gehoord, of wel op de vordering van den officier van justitie ambtshalve, tot behoud van goede orde of tot voorkoming van onge- lukken, zoodanige personen, die wegens een doorgaand slecht en buiten- Sporig gedrag, ongeschikt zijn om aan zich zelven overgelaten te blij ee of wel voor de veiligheid van anderen gevaarlijk zijn, na behoorlijk onder- Zoek, doch buiten vorm van proces, in daartoe bestemde gehen. Ziekenhuizen of andere geschikte plaatsen in verzekerde bewaring
32 REOHTERLIJKE ORGANISATIE,
doen stellen, en hen daarin te doen houden zoo lang door die personen geene merkbare teekenen van beterschap worden gegeven.
Zoodanige verzoeken en vorderingen zijn onafhankelijk van de cura- tele, welke, indien zij niet reeds is verleend, en wanneer daarvoor overi- gens genoegzame gronden aanwezig zijn, gelijktijdig of later kan worden gevraagd, overeenkomstig de bestaande wettelijke bepalingen. (RO. 137v.; Bw. 435, 456v., 462; IR. 234; RBg. 91; S. 6872; Bb. 775, 1072, 2143.)
De beschikkingen, in het vorige art. vermeld, kunnen voor geen lan- geren termijn dan voor één jaar genomen worden. Deze termijn kan echter telkens, op verzoek of vordering als voren, en na een nieuw onderzoek, doch niet langer dan voor één jaar, verlengd worden. (RO. 137v.; RBg. 92.)
(1) (Gew. S. 36-81, 159.) De beschikkingen der raden van justitie, in de gevallen voorzien bij de twee voorgaande artt., zijn bij voorraad uitvoerbaar. Van dezelve valt hooger beroep aan het Hooggeregtshof, hetwelk daarin mede zonder vorm van proces zal beslissen,
(2) (Toeg. S. 39-715.) De in het voorgaand lid bedoelde beschikkingen worden ten uitvoer gelegd op bevel van den officier van justitie bij den raad van justitie.) (RO. 138; RBg. 93.)
- (Gew. S. 97—63, 55 ; 39-715.) Wanneer een persoon, die ingevolge de voorschriften der artt. 134 en 135 in verzekerde bewaring is gesteld, zoodanige merkbare teekenen van beterschap geeft, dat eene langere afzon- dering niet meer noodzakelijk is, zal de raad van justitie, welke de be- schikking heeft genomen, na behoorlijk onderzoek, en nadat het openbaar ministerie zal zijn gehoord, doch overigens buiten, vorm van proces, op verzoek van den in bewaring gestelden persoon, of van deszelfs bloed- verwanten of aanverwanten, het ontslag bevelen. (Bb. 1884.)
Het openbaar ministerie is mede bevoegd om het ontslag ambtshalve te vorderen.
De beschikkingen, waarbij het ontslag is geweigerd, zijn vatbaar voor hooger beroep aan het hooggerechtshof, hetwelk daarin mede zonder vorm van proces zal beslissen. (RO. 138; RBg. 94.)
137 a. (Ing. S. 36—81, 159; 48-322.) De raden van justitie zijn mede bevoegd om op vordering van den officier van justitie bij eenvoudige be- schikking de opneming in een daartoe bestemde werkinrichting te ge- lasten van personen boven den leeftijd van achttien jaren, van wie door het Hoofd van het Departement van Sociale Zaken is verklaard, dat zij behooren tot de arbeidschuwe werkloozen zonder voldoende middelen van bestaan, indien zij door bedelarij, landlooperij of onmaatschappelijk ge- drag de goede orde verstoren.
Op vorderingen als in het eerste lid bedoeld wordt niet beschikt dan na verhoor althans behoorlijke oproeping van hem, wiens opneming is gevorderd. De raad beslist op de overgelegde relazen en rapporten, doch is bevoegd getuigen te hooren, die omtrent de gestelde feiten nadere inlichtingen kunnen verstrekken.
De artt. 135 en 136 zijn op beschikkingen als in de beide voorgaande leden vermeld van toepassing.
_De directeur van justitie is bevoegd den betrokkene ten allen tide uit de inrichting te ontslaan, indien de oorzaak van zijn opneming is opgeheven of zijn lichamelijke of geestelijke toestand verder verblijf onwenschelijk doet zijn.
(Aang. S. 39-716.) Hij, te wiens aanzien verlenging van den termijn van opneming is gevorderd, blijft in de inrichting hangende het onder- zoek van den raad. Ingeval de raad de verlenging weigert, blijft be- trokkene, hangende het onderzoek van het hooggerechtshof, in de inrichting, indien de officier van justitie te kennen geeft tegen deze beschikking hooger beroep aan te teekenen.
De stukken vereischt tot de opneming in een werkinrichting en de rechterlijke beschikkingen zijn vrij van zegel.
De aanwijzing van de in het eerste lid bedoelde werkinrichtingen en al wat verder voor de uitvoering van dit art. noodig is, wordt bij regee- ringsverordening geregeld. (IR. 234a; RBg. 94a; S. 36—160*.)
REOHTERLIJKE ORGANISATIE, 33
- (Gew. S. 97-63, 55 ; 18-30 ; 19-81; 07205 art. 3 jo. 19-816 : 21-396 ; 24555; 36-81, 159.) De voorschriften van do vit vodrgeando artt. zijn alleen van toepassing op Europeane :
(ISR. 163 ; IR. 234, 234a ; Bb. 775, 1072) @) noe OP Ohineeren.
139, De wettelijke bepalingen op het burgerlijk regt regelen de be- moeijenigsen der raden van justitie ten aanzien van het vestigen van hypothecaire verbanden of andere zakelijke regten en opzigtelijk over- dragten van eigendom. (Ov. 24v.; Bw. 616v. ; 1179v.; Overschr. 1, la; RBg. 95.)
- Het toezigt, door de raden van justitie uit te oefenen op de nota- rissen en derzelver protocollen, registers en repertoires, gelijk mede op de gevangenissen, ter plaatse waar die raden gevestigd zijn, wordt bij bijzondere bepalingen geregeld. (Ov. 104; Sv. 362, 367; RBg. 96; Not. 50v.; S. 18-169.)
141, 142, Vervallen: S. 39—610. Cf. Not. 66.
De dubbelen der registers van den burgerlijken stand worden ter griffie der raden van justitie overgebragt en, onder toezigt van die raden, bewaard door den griffier, die bevoegd is om daarvan uittreksels te geven, op gelijken voet en wijze als de met de opmaking der acten van den burgerlijken stand belaste ambtenaren. (BS. 17, 34v, ; RO. 67v. ; RBg. 99.)
(Gew. S. 41—31 jo. 98.) (1) De officieren van justitie bij deraden van justitie zijn verpligt om naauwkeurige registers te houden : (RBg. 100.)
1°. van alle door hen behandeld wordende zaken, geene uitgezonderd, met duidelijke vermelding van derzelver aard, van de daarin betrokkene personen, van hetgeen daarin is geschied of verrigt, en wanneer, door wien, en op welke wijze dezelve zijn afgedaan ;
2°. van al de in de gevangenissen der raden van justitie in verzekerde bewaring gestelde personen, met vermelding om welke oorzaak en op wiens last de gevangenzetting heeft plaats gehad. (Sv. 362.)
(2) Van deze registers moeten elke drie maanden, of binnen zooveel kor- teren tijd als de procureur-generaal dienstig zal oordeelen, volledige afschriften aan laatstgemelden worden ingezonden. (RO. 182.) 7
(3) (Lory. 8. dl—3l jo. 98.) Een gelijke verplichting als met betrekking tot het aanhouden en opzenden van registers in het eerste lid sub 1° en in het tweede lid van dit art, is omschreven, rust: ook op de buitengewone officieren van justitie bij de raden van justitie en de ambtenaren van het openbaar ministerie bij de politierechters, met dien verstande, dat de opzending der afschriften „behoort te geschieden aan de officieren van justitie bij de raden van justitie.
HOOFDSTUK IV. Bepalingen omtrent het regtswezen in de bezittingen buiten Java en Madura.
145-150, ingetrokken bij art, I h van S. 1901—306 jo. 190285. Zie thans Rechtsregl. Buitengewesten.
HOOFDSTUK V.
Van het Hooggeregtshof van Indonesië.
(Dit hoofdst. is, behoudens afwijkingen In RO. 163 en 170, toepasselijk op de buitengewesten Rechtsregl. Buitengew. 101.) ia Eind 151. Het Hoogserog hoh ee on pete deszelfs regtsgebi strekt zi i ndonesié, . d Wi =
EEE Het hooggerechtshof is Sd uit één president en twee raadsheeren, één procter eenen ee ped advocaten-generaal, benevens één griffier, desnoodig bijgestaa
of meer substituut-griffiers.
() Alinea 2 is vervallen krachtens S. 97—53 jo. 55.
34 REOHTERLIJKE ORGANISATIE.
De Gouv.-Gen. is bevoegd om — wanneer de werkzaamheden zulks vereischen — de samenstelling van het hooggerechtshof uit te breiden met één vice-president en één of meer raadsheeren.
- (Gew. S. 17-677 ; 20-346, 590, 786, 787 ; 336 jo. 33 ; 34—484.)61, 36
De president, de vice-president en de procureur-generaal moeten den vol- len ouderdom van 30, de raadsheeren dien van 28, de advocaten-generaal en de griffier dien van 25, en de substituut-griffiers dien van 23 jaren be- reikt hebben. Zij moeten allen aan een Nederlandsche Universiteit, dan wel aan de Rechtshoogeschool te Djakarta verworven hebben : hetzij den graad van doctor in de rechtswetenschap, hetzij de hoedanigheid van meester in de rechten, mits deze hoedanigheid is verkregen op grond van het afleggen van een examen in het Nederlandsch of Indonesisch burgerlijk- en handelsrecht, staatsrecht en strafrecht. (Ov. 98; RO. 120; Rv. 270; Sv. 279.)
- (Gew. laatstel. S. 47—20.) De verdecling der werkzaamheden van het hooggerechtshof wordt geregeld door deszelfs president, Het hoog- gerechtshof voorziet, vonnist en beschikt met drie raadsheeren, de president (en de vice-president) daaronder begrepen. (RO. 28.)
155, (Gew. S. 01-124, 269.) De Gouverneur-Generaal is bevoegd om bij afwezigheid of verhindering van raadsheeren, hun dienst te doen waar- nemen door andere rechterlijke ambtenaren.
De griffier bij het Hooggerechtshof moet, wanneer geen genoegzaam getal gewone, buitengewone of waarnemende raadsheeren tot het ver- richten van den dienst aanwezig mocht zijn, als raadsheer zitting nemen.
Het Hooggeregtshof houdt wekelijks ten minste twee terechtzit- tingen, of zoo veel meer als de dienst der justitie zal vereischen,
Het Hooggeregtshof is, als opperste regtbank, belast met het toezigt op de bedeeling des regts in geheel Indonesië, en met de zorg dat die bedeeling behoorlijk en onvertogen plaats hebbe. (ISR. 158.)
Hetzelve waakt naauwkeurig over de handelingen en verrigtingen van de regtbanken en regters, en kan te dien aanzien in het belang van den dienst, zoowel bij afzonderlijken als bij rondgaanden brief, zoodanige aanmerkingen maken en teregtwijzigingen goven, als nuttig en noodig zullen worden geoordeeld. (Bb. 2086, 2631, 4030.)
Het Hooggerechtshof is bevoegd tot het vorderen van berigt, consi- deratiën en advijs van alle, zoowel burgerlijke als militaire, regtbanken en regters, mitsgaders van den procureur-generaal en andere ambtenaren van het openbaar ministerie; het kan daarbij de overlegging of opzen- ding van stukken gelasten.
Het bepaalde bij het tweede lid van art. 32 wordt ten deze toepasselijk verklaard.
158, Met. uitzondering van de gevallen, voorzien bij de drie volgende artt., zijn de arresten van het Hooggeregtshof, hetzij in eersten aanleg, hetzij in hooger beroep, revisie of cassatie gewezen, voor geenerhande nadere voorziening vatbaar, behoudens de middelen van verzet en request- civiel, in de gevallen, bij de wettelijke bepalingen op de burgerlijke regts- vordering omschreven. (Rv. 385v.)
159-161. Ingetrokken: S. 1901—319 jo. 465.
- (Gew. S. 47—20.) Het Hooggeregtshof neemt kennis in eersten aanleg, en tevens in hoogste ressort, van alle jurisdictiegeschillen :
1°. (Gew. 8. 01-15, 273 ; 26358 jo. 21246.) tusschen in naam des Konings rechtsprekende autoriteiten onderling, tusschen dezen en inheem- sche rechters in rechtstreeks bestuurd gebied, waar de bevolking in het genot harer eigen rechtspleging is gelaten,en tusschen in naam des Konings rechtsprekende autoriteiten en rechters van zelfbesturende landschappen, voorzoover de met die landschappen gesloten contracten dit toolaten, in alle genoemde gevallen, wanneer de autoriteiten en rechters tusschen wie het jurisdictiegeschil bestaat, niet binnen het rechtsgebied van denzelfden appelraad gevestigd zijn ;
2°. tusschen de appélraden onderling ;
N. RO,
100
107
ge
RECHTERLIJKE ORGANISATIE. 35
N. 3°. Gew. S. 26—358 jo. 27—426 ; vervallen krachtens S. 47—20. |
RO. 4°. tusschen den burgerlijken en den militairen regter, uitgezonderd | wanneer het geschil is ontstaan tusschen het Hooggeregtshof en het Hoog-militair-geregtshof, in welk geval de Gouverneur-Generaal uitspraak | doet omtrent de competentie. (ISR. 139 ; Rv. 270; Sv. 261 ; T. 44-199.)
91 163. Het Hooggeregtshof oordeelt in hooger beroep :
1°. Vervallen krachtens 8. 47—20.
2°. (Gew. S. 87-153 ; 07-475, 482a.) over de arbitrale vonnissen, in eersten aanleg gewezen in geheel Indonesië, wanneer niet blijkt, dat de waarde der vordering / 500.— of minder bedraagt ; (Rv. 324, 641.)
ie art. 101 Rechtsr. Buitengew. (S. 27—227) is dit art. aangevuld als volgt :
3°. over de vonnissen van de residentiegerechten bedoeld in art. 71 No. 2 van het reglement tot regeling van het rechtswezen in de gewesten buiten Java en Madoera.
164, Alle burgerlijke geschillen, welke aan hooger beroep aan het Hoog- gerechtshof zijn onderworpen, kunnen, wanneer partijen daaromtrent over- eenkomen, met voorbijgang van den bevoegden lageren regter, dadelijk worden onderworpen aan de beslissing van het Hooggeregtshof, hetwelk alsdan uitspraak doet in het hoogste ressort. (Rv. 324.)
92 165. (Gew. S. 78—3 ; 1901-15, 273 ; 14-317 ; 19-5465 ; 24449 jo. 499 ; 83—6, 33; 34—172, 337 ; 47—20.) Het Hooggerechtshof oordeelt in eersten aanleg en tevens in het hoogste ressort over alle strafvervolgingen, ter zake van misdrijven en overtredingen, gedurende den tijd hunner functiën begaan, ingesteld tegen: (RO. 6; Sv. 14, 247v.; S. 83-188 artt. 16 en 17*.)
1°. den vice-prosident en de leden van den Raad van Indonesië ;
la. de leden van den volksraad ; é
2°. den algemeenen secretaris, de secretarissen van het Gouvernement, en den secretaris van den Raad van Indonesië;
3°. den president, den vice-president, de leden, de ambtenaren van het openbaar ministerie, den griffier zoo van en bij het Hooggerechtshof als van en bij het Hoog-militair-gerechtshof ; 4
4°. de hoofden der departementen van algemeen burgerlijk bestuur ;
5°. den president en de leden der algemeene rekenkamer ;
6°. de gouverneurs en de residenten ; AL 5
Bij S. 47—20, iwg. 81 Jan. el is het bepaalde sub 7°, 8°, 9° en 10 vervangen door het volgende su 3
ize as voorzitters on leden der appèlraden, de Landrechters, de offi- cieren van justitie bij de landgerechten alsmede de presidenten en de auditeurs-militair bij de krijgsraden. :
(Gew. S. 25-241; 4720.) Echter worden de personen, vermeld in de nummers la, 2, 4, 6, 7, zoomede de griffiers van het Hooggerechtshof en van het Hoog-militair-gerechtshof, voor de misdrijven, vermeld in art. 116 novies onder b, en voorovertredingen vervolgd voor het landgerecht.
Mot uitzondering van het geval van voorloopige aanhouding bij de ontdekking op heeter daad, kan tegen de ambtenaren in het voorgaande artikel vermeld, zoo lang zij in functie zijn, geen bevel van gevangenneming worden ten uitvoer gelegd, alvorens de procureur-generaal de zaak, ter kennis van den Gouverneur-Generaal zal hebben gebragt, ten einde door dezen de noodige maatregelen worden genomen tot voorzetting, der ver- volging buiten nadeel van ’s lands dienst. (ISR. 156 ; Sv. 247.) f
Dadelijk na ontvangst van het door den Gouverneur Gonere e geven berigt, dat de vereischte maatregelen zijn nd Ge ij gebreke van dien, vier weken nadat de Bj het vore Hi B e kennisgeving is geschied, wordt het re; eding voortgezet. ‘ :
HE. Tagen de gean veele 10, en St
i en wegens misdrijven, ee kod = ea be JELA dan na bekomene magtiging van den Gouverneur-Generaal; doch is de procureur-generaal desnietfemin varpliee om, ook vóór het erlangen der magtiging tot vervolging, ambtshalve alle
SS —“ eer
36 RECHTERLIJKE ORGANISATIE,
gepaste nasporingen te bewerkstelligen en alle mogelijke inlichtingen in te winnen en te doen inwinnen. (RO. 179 ; Sv. 247.)
(Gew. S. 01-124, 269 ; 19-10 jo. 20—498.) Het Hooggerechtshof oordeelt in revisie over alle daaraan onderworpen vonnissen van de raden van justitie. (Sv. 282.)
(Gew. S. 12-253 ; 14817 jo. 24—284 ; 21—80 ; 47—20.) Behoudens de uitbreiding van het rechtsmiddel bij latere wettelijke bepalingen, neemt het Hooggerechtshof kennis :
1°. van den ambtshalve door den procureur-generaal wegens schending van het recht ingestelden eisch tot cassatie van alle door de landrechters en appèlraden, zoo in burgerlijke als in strafzaken gewezen vonnissen en beschikkingen, welke in kracht van gewijsde zijn gegaan ; (RO. 1165, 175.)
2°. van den door partijen ingestelden eisch tot cassatie van de vonnis- sen en beschikkingen door de landrechters in hoogste ressort en door de appélraden gewezen in burgerlijke en strafzaken, (+) gelijk mede in zaken van jurisdictiegeschillen, met, uitzondering zoowel sub 1°. als sub 2°. van de vonnissen in strafzaken waarbij de beklaagden wegens het niet bewezen zijn van hunne schuld zijn vrijgesproken.
(2) Ten einde ambtshalve den eisch tot cassatie wegens schending van het recht te kunnen instellen, is de procureur-generaal bevoegd in alle zaken de processtukken op te vragen.
(2) Indien de voorziening in cassatie niet alleen is toegelaten op den ambtshalve door den procureur-generaal wegens schending van het recht gedanen eisch, kan de eisch tot cassatie slechts ingesteld worden na ver- loop van de termijnen aan de partijen toegestaan.
(?) Het in cassatie — op den ambtshalve ingestelden eisch van den procureur-generaal — wegens schending van het recht gewezen arrest brengt geen nadeel toe aan de door partijen verkregen regten.
- (Gew. S. 12-253.) Op den daartoe ingestelden eisch vernietigt het Hooggerechtshof de vonnissen en beschikkingen in het vorig art. vermeld :
1°. wegens verzuim van vormen, voorgeschreven op straf van nietig- heid ; (RO. 29v., 174 ; Rv. 94v. ; Sv. 178v., enz.)
2°. (Gew. S. 47—20.) wegens schending van het recht; — het recht wordt geacht te zijn geschonden, indien de rechter een rechtsregel niet of niet juist tot gelding heeft gebracht ; (RO. 173, 175; Rv. 4112, 426; Sv. 304, 326.)
3°. wegens overschrijding van rechtsmacht; (RO. 173; Rv. 426; Sv. 304, 326.)
4°. wegens onbevoegdheid. (ISR. 158 ; RO. 175 ; Rv. 427, 430 ; Sv. 304.)
Vervallen: S. 12-253.
(Gew. S. 47—2v.) Indien het vonnis vernietigd wordt wegens schending van het recht of overschrijding van rechtsmacht, moet het hooggerechtshof de zaak ten principale afdoen en zulks steeds bij het zelfde arrest, waarbij de vernietiging wordt uitgesproken, tenzij het hoog- gerechtshof ambtshalve een nader onderzoek noodig oordeelt op gron dat voor de beslissing ten principale gegevens noodig zijn, welke door het vonnis niet worden opgeleverd. (RO. 175; Rv. 407, 424, 426, 429, 434; Sv. 323, 326.)
Indien de vonnissen vernietigd worden ter zake van verzuim van vormen, die op straf van nietigheid zijn voorgeschreven, beveelt het Hooggeregtshof een nieuwe instructie, te beginnen met de oudste acte,
() Ingevolge Rechtsregl. Buiteng. art. 101 moet in art. 170, eerste lid, onder 2° in stede van de woorden : „in de strafzaken vermeld in het derde nummer van art. 95” (die hior vóór de wijziging bij S. 47—20 stonden) ep een wonton 5 dn as Een van overe bedoeld in art. 45 onder B
ni! re} i D Java NTO geling van het rechtswezen in de gewesten bui
(?) De laatste 3 leden ingevolge S. 14—317 uit art. 170 weggevallen, zijn bij
S, 24—284 weder eraan toegevoegd, on bij S. 47—20 gewijzigd.
109
ID.
BEOHTERLIJKE ORGANISATIE, 37
in welke de nietigheid is begaan. (Rv. 4 5 323, 327.) 8 ( 07, 424, 484; Sv. 305, 308,
Deze instructie kan plaats hebben :
1°. bij het Hooggeregtshof zelf, hotwelk alsdan de zaak zal beslissen ; (Rv. 429.) ;
2°, (Gew. 8. 47—20.) bij denzelfden rechter, die reeds van de zaak heeft kennis genomen, of indien dit volstrekt noodzakelijk wordt geacht, bij een anderen rechter van gelijken rang. (Sv. 327.) 4
- Indien het vonnis wordt vernietigd wegens onbevoegdheid,’ ver- wijst het Hooggeregtshof de zaak naar den bevoegden regter. (Rv. 424, 434 ; Sv. 323, 328.)
(Gew. S. 47—20.) De bepalingen van het tegenwoordige en van de beide voorgaande artt. zijn niet toepasselijk in geval van vernietiging wegens schending van het recht uitgesproken op den daartoe ambtshalve inge- stelden eisch van den procureur-generaal. (RO. 170; Rv. 407; Sv. 330.)
- (Gew. S. 12-263.) De eisch tot cassatie wordt niet toegelaten, igs ed ander middel van voorziening aanwezig is. (Rv. 405;
v. 313.
177, Vervallen: S. 47—20. (1)
178, Het toezigt, door het Hooggeregtshof met opzigt tot het notariaat en de bij het hof behoorende gevangenissen uit te oefenen, wordt bij afzonderlijke bepalingen geregeld. (Sv. 362, 367; Not. 51; S. 18-169.)
- (Gew. S. 17-497, 645.) Behoudens de bepalingen van art. 4, zal het Hooggeregtshof, indien hetzelve door het beklag der belanghebbende partij of op eenige andere wijze kennis draagt, dat er verzuim heeft plaats gehad in het vervolgen van misdrijven of overtredingen, den procureur- generaal gelasten om deswege verslag te doen en voorts kunnen bevelen, dat te dier zake het vereischte gevolg worde gegeven, zao daartoe gronden zijn, ten ware de vervolging door den Gouverneur-Generaal, bij schriftelijk bevel, mogt zijn of worden tegengehouden. (ISR. 157; RO. 5; Sv.99; S. 03-8, art. 2.)
De Gouverneur-Generaal zal zoodanig bevel niet kunnen uitvaardigen, evenmin als hij zal mogen verleenen of weigeren de magtiging, vermeld in art. 168, zonder vooraf den raad van Indonesié te hebben gehoord.
Indien de Gouverneur-Generaal met den raad van Indonesié in gevoelen verschilt, zal hij de gronden waarop de beslissing rust, in geschrifte stellen en ter zijner verantwoording aan den Koning inzenden.
- De procureur-generaal is het hoofd der regtspolicie in geheel Indo- nesië, en als zoodanig belast met de zorg voor eene spoedige en kracht- dadige uitvoering van al hetgeen, betrekkelijk dat onderwerp, in de wet- telijke bepalingen op de strafvordering is voorgeschreven. fat) BE
(Gew. 5. 41—81 jo. 98.) De ambtenaren van het openbaar ministerie bij de Europeesche rechterlijke colleges en de krachtens het eerste lid van art. 93a door den Gouv.-Gen. aangewezen landraden, staan te dien aan- zien, behoudens het bepaalde bij art. 56, bij uitsluiting en onmiddellijk onder zijne bevelen. (Sv. 2, 111; Bijbl. 804.) :
- De procureur-generaal is bevoegd om aan de europesche (?) admi- nistratieve ambtenaren, welke met de policie belast zijn, dienaangaande zoodanige instructién te geven, als hij in het belang der justitie, tot opspo- ring en voorkoming van misdrijven of overtredingen en tot handhaving der openbare orde en rust, noodig zal achten. Indien over de uitvoering van zoodanige instructién, of omtrent de bevoegdheid van den procureur- generaal om die te geven, bezwaren mochten oprijzen, zullen deze ter ken-
a : regtshof zal, bij wege van evocatie, in OE te ressort, her elen van alle burgerlijke zaken, waarin door de raden van justitie, of wel door europesche ambtenaren alleen regt sprekende, regt wordt geweigerd, of welker af- doening door dezelve op eene onbehoorlijke wijze wordt vertraagd. (RO.
157 ; AB. 22; Rv. 859 v.) 2e 2 () „„Europesche” voor de gvisl. v: Jav. Mad. vervallen (S, 31—168 jo. 423.)
nis worden gebragt van het Hooggeregtshof, hetwelk daarop, met inzen- ding van deszelfs consideratiën en advijs, de beslissing van den Gouver- neur-Generaal zal vragen.
De procureur-generaal mag echter op eigen gezag geene bevelen geven, die in verband staan tot het Indonesisch bestuur of de huishoudelijke inrig- ting der dessa’s, maar zal dienaangaande de vereischte voorstellen doen aan den Gouverneur-Generaal, van wien, met betrekking tot die onderwer- pen, de noodige aanschrijvingen uitgaan. (Bb. 804, 10627, 13114.)
182, De procureur-generaal is verpligt tot het houden van registers, gelijk aan die, welke bij art. 144 zijn omschreven.
Het Hooggeregtshof heeft ten alle tijde de bevoegdheid om inzage te nemen van die registers, en van de afschriften, welke, ingevolge art. 144, aan den procureur-generaal moeten worden ingezonden.
De griffier van het Hooggeregtshof zal aan den voet van alle publi- catiën en ordonnantién der regering, die ten overstaan van commissarissen uit het Hooggeregtshof in het openbaar worden afgekondigd, van de aldus gedane afkondiging doen blijken door eene schriftelijke vermelding, welke door hem zal worden onderteekend. (ISR. 95.)
In geval van overlijden van eenen advocaat of procureur, te Djakarta gevestigd, zal de griffier van het Hooggeregtshof zich onverwijld begeven ten sterfhuize of ten kantore van den overledene, en aldaar van den bewindhebbende in den boedel onder inventaris overnemen alle acten, bescheiden en schrifturen, behoorende tot door den overledenen practizijn behandelde of aangenomen regtszaken. (RO. 14lv.)
Deze stukken worden door hem ter griffie overgebragt, en, na daartoe be- komen verlof van het Hooggeregtshof, aan de belanghebbenden uitgereikt.
In geval van overlijden van eenen advocaat of procureur bij een elders dan te Djakarta gevestigden raad van justitie, worden de hiervoren om- achrevene werkzaamheden verrigt door den griffier van den raad van justitie, binnen welks ressort de overledene practizijn woonachtig is geweest; zullende het verlof tot afgifte der stukken alsdan ook door dien raad worden verleend.
HOOFDSTUK VI. Van de Advocaten en Procureurs. (?
(Dit hootdst. is toepasselijk op de buitengewesten: R.Bg. 2.) Zie S. 1947—20, art. 5 achter RO.
185, De advocaten zullen tevens zijn procureurs. De aard dezer bedie- ning en de daaraan verbondene. werkzaamheden worden bij de wette- lijke bepalingen op de burgerlijke regtspleging en op de strafvordering geregeld. (Rv. 23, 28, enz.; Sv. 101, 120, 180; Bb. 902.)
- (Gew. S. 34-484.) De advocaten tevens procureurs worden be- noemd en ontslagen door den Gouverneur-Generaal.
Tot advocaat en procureur kan slechts worden benoemd degeen, die:
1e, Nederlandsch onderdaan is,
2e, aan een Nederlandsche universiteit, dan wel aan de Rechtshooge- school te Djakarta verworven heeft :
hetzij den graad van doctor in de rechtswetenschap, hetzij de hoedanig- heid van meester in de rechten, mits deze hoedanigheid is verkregen op grond van het afleggen van een examen in het Nederlandsch of Indonesisch burgerlijk- en handelsrecht, staatsrecht en strafrecht. (*)
wee Bij S. 66—103b is bepaald dat de practizijns, bedoeld in RO., Hoofdst. a hun dienst niet mogen weigeren bij de colleges, waarbij zij zijn benoemd
(*) Hiermede wordt bedoeld : Het reglement van orde en discipline voor de advocaten en procureurs. (Ned. S. 1929—422 jo, 1932—488.)
() Art. 186 luidde : Niet gegradueerden in regten kunnen niet tot advor caat, maar alleen tot procureur worden benoemd,
Zij moeten, alvorens daartoe aan den. Gouverneur-Generaal te kunnen” worden voorgedragen, een voldoend examen afleggen in het bestaande regt, de wijze, van regtspleging daaronder begrepen.
Dit examen zal worden afgenomen door twee commissarissen uit het
38 REOHTERLIJKE ORGANISATIE, |
nn
14, 43
13
RECHTERLIJKE ORGANISATIE. 39
187, De advocaten en procureurs moeten, alvorens hunne bediening te aanvaarden, in handen van den president in eene openbare teregtzitting van het collegie, waarbij zij zijn aangesteld, afleggen den volgenden eed (belofte): ,,Ik zweer (beloof) dat ik houw en getrouw zal zijn aan den ‚Koning en aan den Gouverneur-Generaal van Indonesië als „des Konings vertegenwoordiger ; dat ik den eerbied, aan de regterlijke „autoriteiten verschuldigd, zal in acht nemen; dat ik middellijk noch „onmiddellijk, onder welken naam of voorwendsel ook, tot het verkrijgen „mijner aanstelling, aan iemand, wie het ook zij, iets heb gegeven of „beloofd, noch zal geven of beloven, en dat ik geene zaak zal aanraden „of verdedigen, die ik in gemoede niet geloof in regten gegrond te zijn”. (S. 34—159*)
188, De practizijns bij het Hooggeregtshof moeten hunne woonplaats gevestigd hebben binnen de drie, en de overige binnen de vijf palen af- stand van het gebouw, in hetwelk het regterlijk collegie, waarbij zij zijn aangesteld, deszelfs zittingen houdt. ’
- De advocaten en procureurs bij de raden van justitie bepalen zich in de uitoefening van hun beroep tot het regterlijk collegie, waarbij zij zijn aangesteld. f
De advocaten en procureurs, die bij het Hooggeregtshof zijn toegelaten, kunnen hun beroep, in burgerlijke zaken, mede voor den raad van ju titie te Batavia, en, in strafzaken, over de geheele uitgestrektheid van Java uitoefenen. ;
190, (Gew. S. 41-511 jo. 513.) De advocaten en ‘procureurs, daartoe door de regterlijke collegién, voor welke zij hunne bediening uitoefenen aangewezen, zijn verpligt om gratis dan wel tegen half salaris hunnen bijstand te verleenen aan hen, die vergunning hebben bekomen onder- scheidenlijk om kosteloos, dan wel tegen verminderd tarief te’ proce- deeren. (Rv. 876, 889.) ‘
Zij zijn mede gehouden om zich gratis tc belasten met de verdediging in strafzaken, wanneer hun dit door den regter wordt opgedragen. (Sv: 101, 120, 180.) khad ú
Zij kunnen zich aan die verpligtingen niet onttrekken, dan om rede- nen, door den president van het betrokkene collegie goedgekeurd. (zie noot 2 bl. 285.) ae i
De advocaten en procurcurs zijn verpligt om zich, in de bereke- ning hunner verdiensten en uitschotten, to gedragen naar de bestaande of nader vast te stellen tarieven. (S. 1851—27 art. 22v*.)
De regterlijke collegién zijn verpligt om toezigt te houden over de gedragingen der bij dezelve toegelaten practizijns, met opzigt tot de uitoefening van hun beroep. ;
De volgende zes leden zijn ingevoegd bij S. 39-283, waarvan art. III een overg.bep. bevat. ; co
Bij dit toezicht wordt de samenstelling van de colleges uitgebreid met twee bij het college toegelaten praktizijns als bijzitters.
Deze bijzitters worden, evenals twee plaatsvervangende bijzitters, voor den tijd van drie jaren door den Gouyerneur-Generaal benoemd. De
regterlijk collegie, bij hetwelk zij de practijk verlangen uit te oefenen. Een authentiek afschrift van het deswege op te maken proces-verbaal zal bij de voordragt worden overgelegd. 5
Voorts bevat S. 34—484 als overgangsbepaling : d
Art. IV, (1) Zij, die bij de inwerkingtreding van deze ord. (1 Jan. 1935) krachtens de thans vervallen leden van art. 186 van het Reglement op de rechterlijke organisatie en het beleid der justitie In Indonesiö tot procureur zijn benoemd, blijven bevoegd als zoodanig op te treden. it
(2) Zij, die voor de inwerkingtreding van deze ord. het examen, omschre- ven in de in het vorig lid bedoelde wettelijke bepalingen, met goed gevolg hebben afgelegd, blijven benoembaar tot procureur. %
(3) Op de in de leden (1) en (2) bedoelde personen vindt het bepaalde bij het eerste lid van art. 186 van het Reglement op de rechterlijke organisatie en het beleid der justitie in Indonesië overeenkomstige toepassing. il
40 RECHTERLIJKE ORGANISATIE,
Gouverneur-Generaal kan voor de benoeming het gevoelen inwinnen van een of meer vereenigingen van bij het college aangestelde praktizijns.
Een plaatsvervangend bijzitter heeft alleen zitting bij verhindering, ontstentenis of afwezigheid van den bijzitter, als wiens plaatsvervanger hij is aangewezen.
Bij verhindering, afwezigheid of ontstentenis van een bijzitter en van zijn plaatsvervanger voorziet de President van het college voor elk zich voordoend geval in hun tijdelijke vervanging.
Het bepaalde bij art. 18, lid 1, lid 3 en lid 4, eersten zin, bij art, 20, lid 1 onder a, b, c, en d — wat laatstgenoemde bepaling betreft na weg- lating daaruit van de-aanhaling van de artt. 9 en 21 —, bij art. 20a, leden 1, 2 en 3, bij art. 20c, lid 1 — na weglating daaruit van de aan- haling van de artt. 9 en 21 —, bij art. 37, lid 1, bij art. 41, lid 1, bij art. 42, bij art. 44 en bij art. 67, lid 1 vindt overeenkomstige toepassing ten aan- zien yan de bijzitters en plaatsvervangende bijzitters.
De gevallen, waarin bijzitters of plaatsvervangende bijzitters kunnen worden gewraakt of zich mogen verschoonen, zijn dezelfde als voor de rechterlijke ambtenaren zijn geregeld bij de wettelijke bepalingen op de burgerlijke rechtspleging. (RBg. 2.)
(Gew. S. 39—288.) De colleges zijn bevoegd om de praktizijns in geval van verwaarloozing der belangen van hun cliënten, van onbetamelijke gedragingen jegens partijen of hare praktizijns en voorts van alle hande- lingen in strijd met hun ambtsplicht en met de eer van den stand der praktizijns of wel bij betoonde oneerbiedigheid aan het college of deszelfs leden of eenige andere rechterlijke autoriteit, gelijk mede wegens het bezigen van onbetamelijke uitdrukkingen ten aanzien der wet of van het openbaar gezag, te vermanen, en desnoods, naar gelang van zaken in hunne bediening te schorsen voor den tijd van hoogstens drie maanden, of te beboeten uiterlijk tot de som van f 200.—, ten behoeve der algemeene armen, met verwijzing tevens tot. het dragen of vergoeden, geheel of ten deele, der kosten, door hunne schuld of achteloosheid aan partijen veroor- zaakt. (RO. 203; Rv. 29, 60, 93, 98, 264; S. 1851-27 art. 56%.)
(Ing. S. 25—163 ; gew. 39-283.) Van de beslissing van een raad van justitie kan de betrokken praktizijn binnen veertien dagen na den dag der uitspraak bij verzoekschrift bij het Hooggerechtshof in hooger beroep komen. Aan het nemen eener beslissing in beroep nemen de bij het Hooggerechtshof benoemde bijzitters deel.
In geval van herhaalde misdragingen of wel van verregaande buiten- sporigheden, zal het Hooggeregtshof, hetzij ambtshalve, hetzij op voorstel van den raad van justitie, de afzetting van de daaraan schuldige practi- zijns aan den Gouverneur-Generaal kunnen voordragen, onverminderd de bevoegdheid van dezen, om ook zonder zoodanige voordragt tot de afzetting over te gaan. (Bb, 1938; T. XXIII—436.)
HOOFDSTUK VII. Van de Deurwaarders. (*) (Dit hoofdst. is toepasselijk op de buitengewesten: RBg. 2.)
- (Gew. S. 95-106.) De deurwaarders, zoowel de buitengewone als de gewone, zijn openbare ambtenaren. (Sv. 422; IR. 388v. ; RBg. 716.)
(Gew. S. 25-497.) De gewone deurwaarders worden in elk gewest benoemd en ontslagen door het hoofd van gewestelijk bestuur.
De Gouverneur-Generaal bepaalt het aan elk regterlijk collegie toe te voegen getal.dier ambtenaren.
De deurwaarders bij het Hoog-militair-geregtshof kunnen tevens tot deurwaarders bij het Hooggeregtshof worden aangesteld, en zoo ook omgekeerd. (Bb. 3556.)
(Gew. S. 25-497.) De buitengewone deurwaarders worden in elke
() Vgl, Deurwaardersreglement Ned. S. 34—598. . Bb. 12048: bevoegdh. deurw. ontvangst aangeteekende stukken.
we.l
DgR.
the
BEOHTERLIJKE ORGANISATIE. 41
afdeeling naar mate der behoefte benoemd door het hoofd der afdeeling, die mede tot hun ontslag bevoegd is. (RO. 198, 203, 205; Rv. 202.) (4)
In de gotsl. v. Jav. Mad. wordt krachtens 8. 40—3 het 2¢ lid gelezen : De gewone deurwaarders worden benoemd en ontslagen door den resident, binnen wiens ressort het rechterlijk college gevestigd is.
Aldaar wordt krachtens gemeld S. in het 5¢ lid ipv. „elke afdeeling” en „het hoofd der afd”, gelezen : „elk ressort van een assistent-resident’’ en ,,den assistent-resident”’.
In de buitengew. leze men in het 2e lid ipv. „elk gewest’ en., het hoofd van gewestel. best.” : „elke residentie?’ en „den resident’’ krachtens S. 38-370 jo. 264.
194, De gewone deurwaarders doen, alvorens hunne bediening te aan- vaarden, in handen van den president, bij eene openbare teregtzitting van het collegie, bij hetwelk zij zijn aangesteld, den navolgenden eed (belofte) :
„Ik zweer (beloof), dat ik houw en getrouw zal zijn aan den Koning en „aan den Gouverneur-Generaal van Indonesië, als des Konings „vertegenwoordiger ; dat ik middellijk noch onmiddellijk, onder welken „naam of voorwendsel, ook tot het verkrijgen mijner aanstelling, aan „iemand, wie het ook zij, iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven „of beloven; dat ik mij bij de waarneming van mijne dienst in alles zal „gedragen naar de wettelijke bepalingen ; dat ik alle exploiten en andere „verrigtingen, aan mijne bediening verbonden, waartoe ik zal worden „verzocht, of die mij zullen worden bevolen, getrouwelijk en met ijver „zal uitvoeren, en in het algemeen mijne functiën met naauwgezetheid en „eerlijkheid, en tevens met allen eerbied voor de regterlijke autoriteiten, „zal waarnemen.” (S. 34—159*.)
(Gew. S. 86-101.) De vorenstaande eed wordt door de buitengewone deurwaarders, vóór de aanvaarding hunner bediening, afgelegd in handen van (?) het taoofd van plaatselijk bestuur, dat van de gedane aanstelling en beëediging kennis geeft aan den raad van justitie. (RO. 197.)
De gowone deurwaarders moeten met der woon gevestigd zijn binnen drie palen afstands van het gebouw, waarin het regterlijk colle- gie, bij hetwelk zij zijn aangesteld, deszelfs zittingen houdt. Aan de buiten- gewone deurwaarders wordt, bij de acte van benoeming, eene bepaalde woonplaats aangewezen. (RO. 198v.)
De gewone deurwaarders zijn belast mot den dienst bij de teregt- zittingen en met de inwendige dienst bij de vergaderingen en bijzondere commissién, Zij zijn gehouden om de bevelen na te komen, welke hun te dien aanzien door den president worden gegeven. (Rv. 22; Sv. 255.)
De regterlijke collegién hebben de bevoegdheid om, in geval van ontstentenis van een gewonen deurwaarder, zoodanige beambte voor- loopig aan te stellen, De persoon, in dier voege met de functién van deur- waarder belast, zal daarin niet mogen werkzaam zijn, dan na vooraf den eed (belofte), bij art. 194 omschreven, te hebben afgelegd.
(Gew. S. 95-106.) De aanstelling zal ten spoedigste aan het Hoogge- regtshof medegedeeld en aan de goedkeuring van den directeur van justitie onderworpen worden. ¥
Die mededeeling en goedkeuring worden niet vereischt, in geval van een bloot tijdelijke aanstelling ter vervanging van eenen in zijne bediening geschorsten of door ziekte verhinderden deurwaarder.
198, Alle deurwaarders zijn, ieder in het ressort van het, regterlijk col- legie, waarbij hij is aangesteld, bevoegd tot het doen van alle geregtelijke aanzeggingen, bekendmakingen, protesten en verdere exploiten, hetzij
() BY 2S. 95—04 is de benoeming der deurwaarders bij de Indonesische rechtbanken en de residentiegerechten opgedragen aan den Dir. van just. die daarbij mede tot hun ontslag bevoegd verklaard is,
3 ome de gutsl, v. Jav. Mad. „in handen v. d. ass.-res., die”. (S. 31—168 jo. 423.)
)
42 RECHTERLIJKE ORGANISATIE.
die al dan niet met een aanhangig regtsgeding in verband staan; tot het doen van alle dagvaardingen, insinuatiën en beteckeningen tot den regts- ingang of tot de instructie van burgerlijke gedingen of strafzaken behoo- rende, en tot:het doen van alle exploiten ter uitvoering van regterlijke bevelen, vonnissen en arresten, zoowel in burgerlijke als in strafzaken. (RO. 193, 195, 199.)
Bij het doen van alle exploiten zullen zij daarvan behoorlijke afschriften laten. (Rv. 1, 16, 142, 435, 443, 504 enz. ; Sv. 46, 80, 107, 178 enz.)
- (Gew. S. 25—497.) Elk deurwaarder is, op zijne persoonlijke ver- antwoordelijkheid, verpligt om zijn ministerie, ten allen tijde dat hetzelve wordt ingeroepen, te verleenen tot het doen van alle exploiten, binnen deaf- deeling (*), in welke hij woonachtig is. (Rv. 20, 439.)
(Ing. S. 18-234.) Echter is hij verplicht te weigeren eenig exploit te doen, ingeval hem door of vanwege den Gouverneur-Generaal is aan- gezegd, dat het doen van dat exploit strijdig zou zijn met de volkenrech- telijke verplichtingen van den Staat. Voor die weigering is hij jegens par- tijen niet verantwoordelijk.
- De deurwaarders zijn verpligt om zich in de berekening hunner verdiensten en uitschotten te gedragen naar de bestaande of vast te stellen tarieven. Zij zullen aan den voet hunner exploiten de verdiensten en uitschotten afzonderlijk moeten uitdrukken. Zonder deze vermelding zullen dezelve niet in de begrooting van kosten worden geleden, en zijn partijen niet gehouden om die te voldoen. (Zie Tarieven.)
Zij zijn bevoegd om de vereischte voorschotten te vorderen, alvorens de exploiten te doen. (S. 1851—57* ; 72-153; Bb. 2118, 2864, 3484.)
(Gew. S. 41-511 jo. 513.) Zij zijn verpligt om, op daartoe be- komen last van het regterlijk collegie, waarbij zij behooren, en in de gevallen, bij de wet bepaald, hunnen dienst gratis dan wel tegen half salaris te verleenen, zonder evenwel tot eenige voorschotten gehouden te zijn. 3
De deurwaarders moeten een register of repertoire houden. De exploiten, die zij uitgeven of teekenen, moeten met de vereischte duidelijk- heid en naauwkeurigheid geschreven zijn. Bij-gebreke daarvan zal hun megen nee stukken geen salaris worden toegekend. (K. 182;
v. 98: ;
(Gew. S. 95—106 ; 25—497 ; 39—283.) De bepalingen van art. 192 betreffende de praktizijns zijn toepasselijk op de deurwaarders, met dien verstande dat de rechterlijke colleges zonder bijzitters beslissen en voorts in het geval, bij het laatste-lid bedoeld, de afzetting der gewone deur- waarders ter beslissing staat van het hoofd van gewestelijk bestuur, binnen wiens gewest — en die der buitengewone deurwaarders van het hoofd der afdeeling „binnen. welke zij gevestigd zijn. (Rv. 21, 60, 93, 98.) In art. 203 moet voor de gvtsl-van Java en Mad. krachtens S. 39-288 en 40—3 ipv.,,het hoofd v. gewestel: best., binnen wiens gewest’’ en „het hoofd der afd., binnen welke’ worden gelezen: ,,den resident binnen wiens residentie’’ en ,,den assistent-resident, binnen wiens ressort’. Voor de buitengew. leze men (krachtens S. 38-370 jo. 264, bl. 232) resident’ en „residentie? ipv. ,,hfd v. gewestel. best.” en „‚gewest”’
(Gew. S. 01-15, 273.) De bijzondere voorschriften, betrekkelijk de deurwaarders bij de Indonesische regterlijke autoriteiten, mitsgaders bij de residentiegerechten, worden afzonderlijk vastgesteld. (IR. 182-4°,
388v.; Rv. 933; Sv. 422; S. 95—204* bl. 288 noot ; Bb. 4535.)
- De bevoegdheid der geregtsboden en van de dienaren der open- bare magt tot het doen van geregtelijke exploiten, wordt geregeld bij de wettelijke bepalingen op de burgerlijke regtspleging en op de strafvor- dering (Sv. 422; IR. 388; RBg. 716.)
“\ S, 39—283, bl. 233: in degvtsl. v. Jav. Mad. residentie” ipv. „afd-”
Regl,
21
= ia wh”
© Om
ALGEMEENE BEPALINGEN VAN WETGEVING. 43
Ord. van 24 Jan. 1947, 8. 47—20.
Bij ord. v. 24 Jan. 1947, S. 47—20, iwg. 31 Jan. 1947, houdende in- passing v. h. HGH in het rechtswezen en voorzieningen t.a.v.d. rechtspleging in cassatie en de jurisdictiegeschillen, zijn wijzigingen en aanvullingen gebracht in de reglementen RO., Rv. en Sv., die ter plaatse zijn aangebracht. Voorts zijn de bepalingen. omtrent indeling en werk- zaamheden voor het HGH en v. d. raden v. just. op Java (KB. v. 14 Jan. 1901 N° 41, IS. 01—126) buiten werking gesteld. Ten slotte is bij art. 5 bepaald :
Art. 5. Als advocaten en procureurs in cassatie zullen kunnen op- treden zij, die overeenkomstig de bepalingen yan art. 185 en volgende van het Reglement op de rechterlijke organisatie en beleid der justitie als zoodanig zijn benoemd en beëedigd worden en nict: zijn geschorst of ontslagen en zij, wier toelating bij latere wettelijke bepalingen mocht worden geregeld.
Art. 6 bevat een bepaling betr. appelraden, vervallen krachtens L.N. 51—9* hierachter. ‘
ALGEMEENE BEPALINGEN VAN . : WETGEVING
VOOR INDONESIË. ( Afgekondigd bij Publicatie van 30 April 1847, S. No. 23.)
Art. 1, De bepalingen door den Koning, of, in zijnen naam, door den Gouverneur-Generaal vastgesteld, verkrijgen in Indonesië kracht van wet door hare afkondiging, in den vorm bepaald bij het reglement op het beleid der regering. (ISR. 95.) F 4 ‘
De wet verbindt alleen voor het toekomende en heeft geene terug- werkende kracht. (Ov 1., 54v.; Bw. 755, 1993 ; Sw. 1; Inv, Sw. 28v.; Civ. 2.)
(Gew. S. 15-299 jo. 642.) Zoolang de wet niet bepaaldelijk het tegendeel vaststelt, is het burgerlijk en het handelsregt hetzelfde zoowel voor vreemdelingen als voor Nederlandsche onderdanen. (AB 9; Bw: 83, 945 ; Rv. 100, 128, 580-10°, 761, 872; Civ. 8,11.) ._ ‘
Onder de benaming van ingezetenen van Indonesië verstaat de wet alle Nederlanders, inwoners zijnde van Indonesië; voorts de land- zaten of inboorlingen van de eilanden van den indischen, Archipel, voor zoo ver deze tot Indonesië behooren ; en eindelijk alle personen, onver- schillig van welken landaard, die, met toestemming der regering, hunne woning ‚binnen, Indonesië gevestigd hebben. (AB. 5v.; ISR. 160.)
De wijze waarop de toelating om zich in Indonesié te vestigen, ook door Nederlanders wordt verkregen, wordt bij afzonderlijke bepalingen geregeld. (ISR. 160; S, 16—47*.) dr :
(Gew. S. 15-299 jo. 642.) Vreemdelingen zijn allen die niet zijn Nederlandsche onderdanen. (AB. 4; ISR. 161; Nedsch. bl. 177;S. 72— 11; 10—296*, 5]. 183.)
(Gew. 8, 07-205 art. 3*, jo, 19-816.) De ingezetenen van Indonesié zijn onderscheiden in Europeanen, en Indonesiërs en met deze gelijk- gestelde personen. (ISR. 160, 163.) (4) i
Met Europeanen worden gelijk gesteld : (ISR. 163.)
1° alle Christenen, daaronder begrepen die welke tot de Indonesische bevolking behooren ; 5 :
2° alle andere personen van waar ook afkomstig, die niet in de omschrij- ving vallen van het volgende artikel. (+) :
Met Indonesiërs worden gelijkgesteld de Arabieren, Mooren, Chinezen, en alle anderen, die Mahomedanen of Heidenen zijn. (ISR. 163.) (*)
Ingetrokken : S. 15-299 jo. 642. a
De Gouverneur-Generaal is bevoegd om, ten aanzien van de Indonesi-
44 ALGEMEENE BEPALINGEN VAN WETGEVING.
sche Christenen in het algemeen, of van enkele hunner gemeenten, tijde- lijk zoodanige uitzonderingen op de bepaling van het voorgaande art. te maken, als hij noodzakelijk zal oordeelen. (ISR. 163; Ov. 3; Bw. 4; T. XILI—328.) (*)
Behoudens de gevallen, in welke Indonesiërs of met deze gelijkgestelde personen zich vrijwillig hebben onderworpen aan de Europesche bepalin- gen betrekkelijk het burgerlijk en het handelsregt, of waarin zoodanige of andere wettelijke bepalingen op hen zijn toepasselijk verklaard, blijven ten aanzien van die personen van kracht, en worden door den Indonesischen regter toegepast, derzelver godsdienstige wetten, volksinstellingen en gebruiken, voor zoo ver die niet in strijd zijn met algemeen erkende beginselen van billijkheid en regtvaardigheid. (ISR. 131, 163 ; Ov. 5; AB. 15, 20; S. 183229 ; 61—38 art. 13 ; 64—142 jo, 65—67 ; 1917—12* ; Bb. 2039 ; T. XILI-328 ; cf. S. 33—49 artt. 2v.* jo. 382.) (*)
(+) Naar die wetten, instellingen en gebruiken wordt ook door den Europeschen regter gevonnist in de zaken der aan zijne regtspraak onder- worpen Indonesische hoofden, en bij de kennisneming in hooger beroep van door Indonesische regterlijke collegiën in burgerlijke zaken gedane uit spraken.
Overigens wordt door de Europesche regtbanken, gelijk mede door de residenten of andere hoogste gezaghebbers, bij de uitoefening hunner regtsmagt in burgerlijke zaken, naar de Europesche wetten regt gedaan ; met dien verstande dat, wanneer Indonesiërs of daarmede gelijkgestelde personen, zonder dat zij krachtens bepaalde wettelijke voorschriften, of ten gevolge van vrijwillige overeenkomst, aan de europesche wetgeving zijn onderworpen, als verweerders in) burgerlijke zaken, voor den Euro- peschen regter te regt staan, in de gevallen waarin zulks volgens de wettelijke bepalingen kan of moet plaats hebben, alsdan ook door dien regter zooveel mogelijk op de hiervoren bedoelde godsdienstige wetten, volksinstellingen en gebruiken zal worden acht gegeven. (ISR. 131; Ov. 4;S. 1832—29.) . _ 13. Ingetrokken : 8. 17-12%, bl. 384.
14, Ingetrokken : 8. 20—69*, bl. 389.
Behoudens de uitzonderingen omtrent de Indonesiërs en daarmee gelijkgestelde personen vastgesteld, geeft gewoonte geen regt, dan alleen wanneer de wet daarop verwijst. (AB. llv. ; Bw. 395, 615, 642, 655, 665, 686, 691, 741, 745, 766, 769v., 772, 1155, 1211, 1339, 1346v., 1511, 1571, 1578, 1582v., 1585—1587, 1599; K. 60, 644, 754 ; Rv. 470, enz.)
(Gew. S. 15-299 jo. 642.) De wettelijke bepalingen betreffende den staat en de bevoegdheid der personen blijven verbindend voor Neder- landsche onderdanen, wanneer zij zich buiten ’s lands bevinden. Evenwel zijn zij bij vestiging in Nederland of in eene andere Nederlandsche kolonie, zoolang zij aldaar hunne woonplaats hebben, ten aanzien van het ge- noemde gedeelte van het burgerlijk recht onderworpen aan de ter plaatse geldende wet. (Bw. 83 ; Civ. 3.) .
17, Ten opzigte van onroerende goederen geldt de wet van’ het land of de plaats, alwaar die goederen gelegen zijn. (AB. 18 ; Civ. 3.)
- De vorm van elke handeling wordt beoordeeld naar de wetten van het land of de’ plaats, alwaar die handeling is verrigt. (Bw. 83, 945; K- 517c, 533c ; Civ. 47, 170, 999.)
Bij de toepassing van dit en van het voorgaande art. moet steeds worden acht gegeven op het verschil, hetwelk de wetgeving daarstelt tusschen Europeanen en Indonesiërs. ‘
19, Alle authentieke acten ten overstaan van Europesche openbare ambtenaren, ten behoeve of ten verzoeke van wien ook verleden, zijn, wat den vorm betreft, onderworpen aan de wettelijke bepalingen door het Nederlandsch gezag daargesteld. (Bw. 1868 ; IR. 165.)
- AB. 6, 7, 8, 10 zijn te beschouwen als vervallen te: 1 ISR. 163 jo. 160; eveneens AB, 11 en 12 tengevolge van ISR 13). A
AB.
10
ALGEMEENE BEPALINGEN VAN WETGEVING. 45
- De regter moet volgens de wet regtspreken. Behoudens het bepaalde bij art. 11 mag hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet beoordeelen.
21, Geen regter mag, bij wege van algemeene verordening, dispositie of reglement, uitspraak doen in zaken, welke aan zijne beslissing zijn onder- worpen. (Civ. 5.)
22, De regter, die weigert regt te spreken, onder voorwendsel van stil- zwijgen, duisterheid of onvolledigheid der wet, kan uit hoofde van regts- weigering vervolgd worden. (Rv. 859 v. ; Civ. 4.)
22a. (Ing. S. 18-234.) De regismagt van den regter en de uit- voerbaarheid van regterlijke vonnissen en van authentieke acten worden beperkt door de uitzonderingen in het volkenregt erkend. (RO. 199.)
23, Door geene handelingen of overeenkomsten kan aan de wetten, die op de publieke orde of de goede zeden betrekking hebben, hare kracht ont- nomen worden. (ISR. 136 ; Bw. 58, 119, 132, 139—143, 149, 283, 329, 879, 888, 891, 953, 1018, 1043, 1063, 1066, 1120, 1154, 1178, 1254, 1334v., 1337, 1494, 1635, 1653, 1853, 1947 ; Rv. 616 ; Civ. 6.)
24, Lijfeigenschap en pandelingschap worden in Indonesié slechts in zoo ver geduld, als uitdrukkelijk bepaald is of zal worden in de daarom- trent bestaande of nader door den Gouverneur-Generaal, onder ’s Konings goedkeuring, in te voeren verordeningen. (ISR. 169, 172; S. 1825—44 ; 1859—46 en 47; Ned. Bw. 2.)
Lijfeigenen kunnen, zoowel in burgerlijke als in strafzaken, getuigenia der waarheid afleggen.
De beperkingen van dien regel, en de verdere bijzondere voorschriften aangaande dit onderwerp, worden bij de wettelijke bepalingen op de burgerlijke regtspleging en op de strafvordering vastgesteld. (Rv. 178; Sv. 145, 147; IR. 274, 276; RBg. 577v.)
De aan de lijfeigenschap en pandelingschap verknochte regten en ver- pligtingen worden beoordeeld naar de bijzondere daaromtrent bestaande wettelijke bepalingen.
- De strafbepalingen tegen misdrijven en overtredingen, mitsgaders de verordeningen van policie, zijn verbindende voor allen die zich in Indonesië bevinden. (AB. 32v.; Civ. 3; Bb. 701.)
Bij de toepassing van dit art. zal worden acht gegeven op het verschil, hetwelk de wetgeving daarstelt tusschen Europeanen en Indonesiërs. (Inv. Sw. 3.
De AA enias zullen naar de Indonesische wetten worden gestraft, wanneer het geene misdrijven of overtredingen geldt, ter zake waarvan zij aan de Europeesche strafbepalingen zijn onderworpen. (Inv. Sw. 3.)
Niemand mag tot straf vervolgd of daartoe veroordeeld worden, dan op de wijze en in de gevallen bij de wet voorzien. (ISR. 143; AB. 36 ;Sv. 370; IR. 204 ; RBg. 661; Sw. 1.)
Tot strafvordering zijn alleen geregtigd de ambtenaren welke bij de wettelijke bepalingen daartoe bevoegd zijn verklaard. (Sv. 2; IR. lv.)
Behalve in de gevallen bij de wettelijke bepalingen voorzien, kan de vergoeding van schade door eenig misdrijf veroorzaakt, alleenlijk bij eene afzonderlijke burgerlijke regtsvordering vervolgd worden. (Bw. 1365, 1370v., 1853; Sv. 163, 174-5°, 354; RBg. 593v.)
29, Gedurende den loop van de regtsvervolging tot straf, blijft de regtsvordering tot vergoeding van schade voor den burgerlijken regter geschorst, onverminderd de behoedmiddelen bij de wettelijke bepalingen veroorloofd. (Bw. 1370v., 1918v.; Rv. 165v.; Sv. 354, 409.)
- Geen regtsvervolging tot straf kan gestuit of geschorst worden door het afzien van de burgerlijke regtsvordering, tenzij in de gevallen bij de Reteluke bepalingen voorzien. (Bw. 268, 1378, 1853 ; Sw. 280, 284, 332 ;
v. 409.)
31-38, 33a, 34. Deze artt. behooren tot de bepalingen bedoeld in art. 3, eerste lid sub c Inv. Sw. (S. 17—497) en zijn afgeschaft. De in deze artt.
ll
12
13
13a
14
46 TERRITORIALE ZEE EN MARITIEME KRINGEN-ORDONNANTIE 1939
geregelde onderwerpen vindt men thans achtereenvolgens in Sw. 77, 78; Sw. 3-9 en Sw. 76. :
35, Niemand mag in hechtenis worden genomen dan op bevel van het daartoe, ingevolge de wettelijke bepalingen op de strafvordering, bevoegd gezag, en op den voet en de wijze bij die bepalingen omschreven. (ISR. 141; AB. 36.) 5 : 1
- Het bepaalde bij de artt. 26 en 35 maakt geene inbreuk op de be- voegdheid van den Gouverneur-Generaal tot het nemen van zoodanige politieke maatregelen van bedwang en voorzorg, als waartoe hij door den Koning is of zal worden gemagtigd. (ISR. 35v.)
SLOTBEPALINGEN.
37, Wanneer de Gouverneur-Generaal de wijziging of opheffing eener van den Koning uitgegane wettelijke bepaling noodig oordeelt, zal hij daar- toe kunnen overgaan, doch niet anders, dan onder ’s Konings nadere goedkeuring, behoudens de bijzondere gevallen, waarin de bevoegdheid tot wijziging of opheffing uitdrukkelijk aan den Gouverneur-Generaal is opgedragen. (ISR. 92v.)
De aldus door den Gouverneur-Generaal, onder ’s Konings nadere goed- keuring, vastgestelde bepalingen, hebben inmiddels in Indonesië kracht van wet, tot dat hare intrekking, op de bij art. 1 omschreven wijze, door afkondiging is openbaar gemaakt. (ISR. 94.)
Territoriale zee en maritieme kringen-ordonnantie 1939. (Ord. v. 18 Aug. 1939.) S. 39—442. (iwg. 25 Sept. 1939.) (Cf. bijlagen handelingen Volksr. zillingsj. 1939-1940, onderw. 3.)
_ Consid. Dat Hij, in verband met eenige nader noodig gebleken voor- zieningen ter handhaving van de orde en veiligheid in het Indonesisch
zeegsljed, de desbetreffende voorschriften opnieuw willende vaststel len ; enz.
Art. I. Met intrekking van de „Territoriale zee i el » en maritieme kringen- ordenen » vastgesteld bij art. 1 sub c (lees = art. I) der Brdontantfe van Oe We No. 497), zooals deze is Bewijzigd bij de ord. van 3 Mei 8 (s 5 a0 gen vast te stellen de volgende regeling, welke kan worden wa ae ° avertitoriale zee en maritieme kringenordonnantie 1939”. An (1) is © OP grond van de bij art. I ingetrokken regeling vast- SHS en myven, behoudens uitdrukkelijke intrekking over- Û aline eze ordonnantie, van k : ee vijf jaren vóór de inwerkingtreding A rionnantie Wap ove ordonnantie seqoht op dan vost der bepalingen bij kas inwerkingtreding te vern me overle eeen Een Baere, Overl waar in wettelijke bepalingen en administratieve voor ee in a ed Ain on Bet ee een het in werking reden ( ‚len m 14 'erritorí zee en maritieme kringen-ordonnantie” (S. 1935 No. aaa Oane
en maritiome Wingen-ondonnaatie, pom tgs art. van de ,,Territoriale zee 0 epaling. Deze
met ingang van d fase ze ordonnantie treedt in werking
26 Aug. 1939,) °° Tertigsten dag na dien harer afkondiging. (/vek.
Art. 1. (1) In deze regeli i voorschriften wordt ER ae era
- Indonesische territoriale zee:
Lh i i 4 moe ne zich zeewaarts uitstrekt tot op een afstand van abled baboon as aagwaterlijn van de tot het Indonesisch grond- worden mede ve ae nden of gedeelten van eilanden af ; onder eilanden stand droopy rstaan de rotsen, riffen of banken, welke bij laagsten water- drie zeemijlen van de
allen en gelegen zijn op ten hoogste donesisch Brondgebied behoorende eilan-
ens haar uit te vaardigen
aterlijn van de tot het In
Ea
TERRITORIALE ZEE EN MARITIEME KRINGEN-ORDONNANTIE 1939. 47
den of gedeelten van cilanden ; met dien verstande, dat:
A. ter plaatse van een baai, zeearm, rivier- of kanaalmonding, waarvan Indonesié de eenige oeverstaat is, die afstand van drie zeemijlen wordt gemeten van cen rechte lijn af, dwars door de opening van zulk een baai, zeearm, rivier- of kanaalmonding getrokken ; indien bedoelde opening tien zeemijlen overschrijdt, zal die lijn wor- den getrokken dwars door de baai, zeearm, rivier- of kanaalmonding, zoo dicht mogelijk bij den ingang op het eerste punt waar de opening tien zeemijlen niet overschrijdt ;
B. ter plaatse van een groep van twee of meer eilanden, die afstand van drie zeemijlen, wordt gemeten van de rechte lijnen af die de uiterste punten verbinden van de laagwaterlijnen van de eilanden aan den buitenkant der groep, ter plaatse waar de afstand tusschen die punten zes mijlen niet overschrijdt ;
C. ter plaatse van een zeestraat, die tweo open zeeën verbindt en waar- van Indonesië de eenige oeverstaat is, als territoriale zee zal worden beschouwd het gedeelte der straat gelegen tusschen twee lijnen, welke aan weerszijden van de straat de beide oevers verbinden, zoo dicht mogelijk bij de open zee, op het eerste punt waar de breedte der straat zes zeemijlen niet overschrijdt, ook al heeft tusschen die beide lijnen de straat elders een grootere breedte ;
D. ter plaatse van een twee open zeeën verbindende zeestraat, die niet breeder is dan zes zeemijlen, en waarvan Indonesië niet is de eenige oeverstaat, de scheidingslijn tusschen de territoriale zee van Indo- nesië en van den vreomden staat getrokken zal worden over het midden van de straat ;
II. het zeegebied, gelegen aan de zeezijde van het onder I omschreven zeegebied, doch binnen vastgestelde reedegrenzen ;
2 Indonesisch zeegebied (territoriale wateren), de Indonesische territoriale zee, benevens het aan de landzijde van de: territoriale zee gelegen gedeelte van:
a. de kustzee ;
b. het watergebied van baaien, zeearmen, rivier- en kanaalmondingen ;
Indonesische binnenwateren: alle wateren gelegen aan de landzijde van de Indonesische territoriale zee, met name ook alle rivieren, kanalen, meren en plassen binnen Indonesië :
Indonesisch watergebied: de Indonesische territoriale zee benevens de Indonesische binnenwateren ;
Maritieme kringen: de als zoodanig door den Gouverneur- Generaal aangewezen of aan te wijzen gedeelten van het Indonesisch watergebied. (S. 41—622.)
(2) De zeemijlen, in het vorige lid bedoeld, zijn die van zestig in een breedtegraad.
- (1) In deze regeling en de krachtens haar uit te vaardigen voor- schriften wordt verstaan onder ,,visschen’? of „de ‘visscherij uitoefenen’’:
a. het verrichten in het algemeen van eenige handeling welke direot. of indirect gericht is op het verzamelen, bemachtigen of dooden van voortbrengselen van de zee ;
b. het in een maritiemen kring door een vaartuig aan boord nemen van visch of andere voortbrengselen van de zee van een ander vaar- tuig, tenzij die zeeproducten dienen tot eigen gebruik van de opvarenden van het eerstbedoelde vaartuig, zoomede het aldaar door een vaartuig verrichten van eenige andere handeling welke ten doel heeft de uitoefe- ning van de visscherij met behulp van een ander vaartuig mogelijk te maken of te vergemakkelijken ;
¢. het door natuurlijke of rechtspersonen, vennootschappen „onder een firma of bij wijze van geldschieting, maatscha pen en reederijen te hunnen behoeve of voor hunne rekening doen verrichten van de in lid (1) sub a en 6 van dit art. bedoelde handelingen door derden.
48 TERRITORIALE ZEE EN MARITIEME KRINGEN-ORDONNANTIE 1939,
(2) Onverminderd het bepaalde bij lid (3) van dit art. worden de in het vorige lid sub 6 bedoelde verrichtingen niet als visscherij beschouwd indien zij geschieden :
a. voorzoover betreft schepen en vaartuigen voerende de vlag van een staat met welken het Koninkrijk der Nederlanden in vriendschap is, binnen de reedegrenzen van een zeehaven alsmede binnen de reedegrenzen van een kustplaats, welke ingevolge de „Indische Scheepvaartwet 1936” (S. No. 700) voor het betreffende schip openstaat dan wel — deze reede- grenzen niet vastgesteld zijnde — op de gebruikelijke reeden dier zee- havens en kustplaatsen ;
b. voor zoover betreft vaartuigen onder Nederlandsche vlag op de sub a bedoelde reeden, zoomede binnen de reedegrenzen dan wel — deze niet vastgesteld zijnde — op de gebruikelijke reede van een kustplaats alwaar een (hulp)tolkantoor gevestigd is of (buiten het tolgebied) een ambtenaar van het Binnenlandsch Bestuur of een (dienstdoend) haven meester is bescheiden.
- Door of namens den Commandant der Zeemacht kunnen in een maritiemen kring zeehavens en kustplaatsen worden aangewezen, waar de in lid (1) sub b van dit art. bedoelde verrichtingen slechts dan inge- volge het vorige lid niet als visscherij worden beschouwd, indien zij plaats vinden op een door den betrokken havenmeester aan te geven ligplaats ter reede.
Behoudens het bepaalde in de-artt. 4 en 5 is de uitoefening van de visscherij in maritieme kringen verboden. 5
(1) De visscherij mag in maritieme kringen worden uitgeoefend door hen, die behooren tot de Indonesische bevolking
(2) Voor zoover bij die uitoefening der visscherij van vaartuigen wordt
gebruik gemaakt, mogen daarvoor slechts worden gebezigd. vaartuigen onder Nederlandsche vlag en waarvan alle opvarenden behooren tot de Indonesische. bevolking.
- (3) Door of namens den Commandant der Zeemacht kan in bijzondere gevallen, desgewenscht onder daarbij te stellen voorwaarden, geheele of gedeeltelijke vrijstelling van de in het vorige lid gestelde vereischten worden verleend. 5
- (1) Door of namens den Commandant der Zeemacht kan aan Neder-
landsche onderdanen een vergunning tot de uitoefening van de visscherij in maritieme kringen worde:
n verleend, indien maritieme belangen zich daartegen niet verzetten. 5 oef
schappijen of reederijen kan door of ee Z ee der eee ee r of namens den Commandant der Zee-
houd slechts in de volgend Il me we ae ie v < EE gen ic geva en ver- uitoefening van de visscherij in maritieme kringen wor:
le. wanneer zij, op wie het verbod, bedoel. Ef . 5 ANA 2, id Sing is, de visscherij bij de inwerkin Heding dez ie i Ee Engen, eae de EEn ecb de. ees ag js: bevraagd, als rechtmatig beroe if) ui ; 3 2 p (bedrijf) uitoefenen ; de GERE aie opera caherhed bestaat, dat de ae alleen ten ee ppelijke doeleinden of bij wijze van tijdverdrijf je oee a eleneen van de Indonesische bevolking door het (2) De ia ha ig langrijke mate zullen worden gebaat.
(1) bedoelde ver: i
ae e ‘gunning wordt verleend » en den hen of voor wiens rekening de visscherij BG ae anes eae ahs Veh ae vatbaar en vervalt van rechtswege ieee ee Saen ae aan wien zij is verleend, behoudens het
in art. 3, van toepas-
TERRITORIALE ZEE EN MARITIEME KRINGEN-ORDONNANTIE 1939, 49
(3) Bij overlijden van den vergunninghouder zijn diens erven of rechtverkrijgenden bevoegd de visscherij alsnog krachtens de aan den overledene verleende vergunning gedurende ten hoogste drie maanden, gerekend van den datum van overlijden, voort te zetten.
(4) De vergunning wordt verleend voor ten hoogste vijf jaren doch kan binnen dien termijn te allen tijde door of namens den Commandant der Zeemacht zonder opgave van redenen worden ingetrokken.
(5) Zij is, indien de visscherij door middel van (een) schip (schepen) of vaartuig(en) wordt uitgeoefend, slechts geldig voor het (de) in de vergunning aangegeven schip (schepen) of vaartuig(en).
(6) Aan de vergunning kunnen bepaalde voorwaarden worden verbonden.
- (1) Ten bewijze dat een vergunning, als in art. 5, lid (1) bedoeld, is verleend, wordt een vergunningsbewijs uitgereikt volgens een door den Commandant der Zeemacht vast te stellen model.
(2) In het vergunningsbewijs worden vermeld:
ten name van wien en de duur waarvoor de vergunning is verleend ;
indien de vergunning voorwaardelijk is verleend: de voorwaar- den, welke bij die verleening zijn gesteld ;
c. indien de visscherij door middel van (een) schip (schepen) of vaar- tuig(en) wordt uitgeoefend: het (de) schip (schepen) of vaartuig(en) waarop de vergunning betrekking heeft ;
d. indien de visscherij niet door middel van (een) schip (schepen) of vaartuig(en) wordt uitgeoefend : de wijze van uitoefening dier visscherij.
- (1) De gezagvoerder van een schip of vaartuig, of degene die als zoodanig optreedt, is, behoudens het bepaalde in lid (2) van dit art. verplicht :
a. zorg te dragen dat een geldig vergunningsbewijs als bedoeld in art. 6, lid (1), hetwelk op zijn schip of vaartuig betrekking heeft, zich steeds aan boord daarvan bevindt;
b. zoodanig bewijs, op verlangen van de in het algemeen of bij dan wel krachtens deze ordonnantie met de opsporing van strafbare feiten be- laste personen, te toonen.
(2) Het bepaalde in lid (1) van dit art. is niet van toepassing ten aan- zien van den gezagvoerder van een schip of vaartuig, waarmede de visscherij wordt uitgeoefend voor rekening of ten behoeve van een, door den Commandant der Zeemacht aangewezen persoon of instelling aan wien of aan welke een vergunning als bedoeld in art. 5, lid (1) is verleend.
- (1) De Commandant der Zeemacht is bevoegd om de uitoefening van de visscherij door hen, die daartoe ingevolge de artt. 4 en 5 gerech. tigd zijn, in maritieme kringen of gedeelten daarvan te verbieden of te beperken, alsook om in maritieme kringen of gedeelten daarvan de scheepvaart te vorbieden of te beperken.
(2) Maatregelen, als in het vorige lid bedoeld, worden bekendgemaakt in de Javasche Courant.
- (1) Het is verboden om zonder een door of namens den Comiman- dant der Zeemacht verleende vergunning of opdrasht :
a. landverkenningen uit te voeren of hydrograbache opnemingen te verrichten in het Indonesisch watergebied ;
b. te teekenen of te fotografeeren binnen maritieme kringen of aldus te teekenen of te fotografeeren, dat een maritieme kring of een gedeelte daarvan op de teekening of de foto komt; =
¢. gegevens of aanwijzingen te verzamelen, welke op ven maritiemen kring betrekking hebben en welke voor de defensie van lelang kunnen zijn ;
d. in maritieme kringen — buiten de watervlakken, wolke krach- tens art. 4 van het ,,Luchtvaartbesluit 1932”? (S. 1933 No. 118) voor de luchtvaart geslotea zijn of zullen worden — met een vliegtuig, hetwelk noch behoort tot de Koninklijke Marine of aan den Lande noch ten dienste van de Koninklijke Marine of van den Lande gebezigd wordt, te landen of op te stijgen.
50 TERRITORIALE ZEE EN MARITIEME KRINGEN-ORDONNANTIE 1939
(2) Het is aan vreemde militairen verboden zich, zonder door of namens den Commandant der Zeemacht verleende vergunning, binnen maritieme kringen te begeven of zich aldaar op te houden. :
(3) Aan de in de voorgaande leden van dit art. bedoelde vergunningen kunnen voorwaarden worden verbonden. -
(4) Zoodanige vergunningen kunnen te allen tijde door of namens den Commandant der Zeemacht zonder opgave van redenen worden ingetrokken.
(5) (Loeg. S. 49—113.) Een vergunning als bedoeld in lid (1) sub a is niet vereist voor landverkenningen en hydrografische opnemingen, uit te voeren door het Departement van Scheepvaart.
10, (1) Behoudens het bepaalde in art. 11 is het den gezagvoerder van een schip of vaartuig of dengene die hem vervangt verboden om met zijn schip of vaartuig binnen maritieme kringen ten anker te gaan of drijvende te blijven, tenzij zulks in verband met een veilige navigatie noodzakelijk is.
(2) Aan de gezagvoerders — of degenen die hen vervangen — van sche- pen of vaartuigen bestemd voor de uitoefening van de visscherij doch daartoe ter plaatse niet gerechtigd, is bovendien het ten anker gaan of drijvende blijven met hun schepen of vaartuigen in het Indonesisch zeegebied buiten maritieme kringen verboden, tenzij zulks in verband met een veilige navigatie noodzakelijk is.
(3) Door of namens den Commandant der Zeemacht kan in bijzon- dere gevallen en desgewenscht onder. daarbij te stellen voorwaarden Olpe Aue worden verleend van de in de beide vorige leden bedoelde verboden.
(4) Alle krachtens het vorige lid van dit art. verleende dispensatie vervallen van rechtswege, indien en voor zoover zij in strijd zouden zijn met een maatregel als bedoeld in lid (1) van art. 8, tenzij een andere dag is bepaald, met ingang van den dag na dien waarop die maatregel door plaatsing in de Javasche Courant is bekendgemaakt.
a (5) Alsdan kunnen echter op den voet van lid (3) van dit art. nieuwe spensaties van de in de leden (1) en (2) bedoelde verboden worden verleend. ae Eetoudens het bepaalde in de volgende leden van dit art. eee ss (1) en (2) van art. 10 omschreven verboden niet in sing op:
a. schepen en vaartuigen, welke behooren tot de Koni klijke Mari of aan den Lande dan wel ten dienst eat latch of van ED ce ste van de Koninklijke Marine of
„ schepen en vaartuigen voerende de vla
ib so I g van een staat met welken
krk der Nederlanden in vriendschap is, binnen de reede- en zeehav i
Htc rte en games binnen de reedegrenzen van een No. 700) h gevolge de ,,Indische Scheepvaartwet 1936’ (S. ashe leas Ee schip openstaat dan wel — deze reede- havens en kustyl gesteld zijnde — op de gebruikelijke reede dier zee- ;
c. sche; i dE HE eeen onder Nederlandsche vlag op de plaatsen
Ô is of (buiten het tolgebi
naar van het Binnenlands; Oe ; olgebied) een ambte-
is Peashetslen 3 gh Heel
„sch i 5
de uitoefening van de git, welke uitsluitend gebezigd worden voor
ing, waarin zij die erker, voor zoover betreft den maritiemen
nantie mogen. uitoefenen ; Mi ineevolge de artt. 4 en 5 van deze ordon- €. zeilv; i d
of meer Geary onder Nederlandsche vlag, eigendom zijnde van een
nconesische bevolking behoorende personen en waarvan
