Natuurbeschermingsordonanntie 1941
114 NATUURBESCHERMINGSORDONNANTIE 1941
jachtvergunningen geven gedurende de tweede helft van dat jaar dezelfde be- voegdheden, als daaruit zouden voortvloein, wanneer bedoelde jachtordonnan- tie gedurende die tweede jaarhelft in werking ware gebleven.
(8) Aan houders van de in het tweede lid bedoelde jachtacten kan voor de eerste helft van 1932 tegen betaling van een jachtgeld van vijf gulden een jachtacte B worden afgegeven.
Uitgegeven van den veertienden April 1931 door de Algemeene Secretaris.
NATUURBESCHERMINGSORDONNANTIE 1941
S. 1941—167. (Besluit van den Gouverneur-Generaal van 6 Juni 1941 No. 19).
Hiermee ingetrokken: de ,, Natuurmonumenten- en Wildreservatenordonnan- tie’ (Staatsblad-1932-No.-17).
Art. 1. Ter| bescherming van de in Nederlandsch-Indië aanwezige natuur- rijkdommen, kan de Gouverneur-Generaal natuurmonumenten aanwijzen, te on- derscheiden in natuurparken en natuurreservaten, ten aanzien waarvan de volgende regelen gelden.
- (1) Voor aanwijzing als natuurpark komen in aanmerking gebieden, waarop door derden geen rechten worden uitgeoefend en waar de fauna, de flora of het natuurschoon van zoodanige wetenschappelijke, cultureele of aestheti- sche waarde is, dat bescherming daarvan in het algemeen belang gewenscht is.
(2) Voor aanwijzing als natuurreservaat komen in aanmerking gebieden, waa- rop door derden geen rechten worden uitgeoefend en waar de bodemgesteldheid, de begroeiing, de fauna, de flora of het natuurschoon van zoodanige wetenschap- pelijke, cultureele of aesthetische waarde-is, dat ongerepte instandhouding daar- van in het algemeen belang gewenscht is:
(8) Bovendien komen voor aanwijzingals natuurpark of natuurreservaat in aanmerking gebieden, waarop door derden.rechten worden uitgeoefend, doch slechts nadat terzake overeenstemming is verkregen met de rechthebbenden.
- (1) Het beheer over de natuurparken en natuurreservaten berust, onder de algemeene leiding van den Directeur van Economische Zaken, op Java en Madoera bij den Dienst van het Boschwezen en in de Buitengewesten voor z00- ver zij binnen 's Lands bosschen zijn gelegen bij den Dienst van het Boschwezen en daarbuiten bij de Residenten en de door hen daartoe aan te wijzen ambte- naren. In afwijking van dezen regel kan de Directeur van Economisch Zaken in bijzondere gevallen het.beheeropdragenaan-een ander Overheidsorgaan of een rechtspersoon, terwijl in’de uitoefening van het beheer over de in artikel 2 lid (3) bedoelde natuurparken ennatuurreservaten door den Directeur van Economische Zaken wordt voorzien voor zooveel noodig in overleg met de in dat artikellid genoemde rechthebbenden.
_ (2) Door de instanties, bij wie krachtens lid (1) het beheer berust, wordt voor ieder natuurpark en natuurreservaat een plaatselijke beheerder aangewezen.
(3) Indien zulks naart zijn oordeel noodig is ter bescherming van het belang, waarvoor een gebied tot natuurmonument, is of wordt aangewezen, kan de Gouverneur-Generaal regentschappen of Java en Madoera ontheffen van het Eeen over de binnen dat gebied gelegen vogelnestklippen en vleermuizengrot-
A (4) Zoolang geen ontheffing als in het vorige lid bedoeld heeft plaats gehad, zijn de binnen natuurmonumenten op Java en Madoera gelegen vogelnestklip: pen en vleermuizengrotten aan het in lid (1) van dit artikel bedoelde beheer onttrokken.
- (1) Het is verboden een natuurreservaat te betreden tenzij met een schrif: telijke vergunning van den plaatselijken beheerder en met inachtneming van de daarin gestelde voorwaarden. Bij weigering van eene vergunning staat ber roep open op den betrokken Resident.
(2) De natuurparken zijn, behoudens het bepaalde in de volgende leden van dit artikel, voor het publiek: toegankelijk. x
NATUURBESCHERMINGSORDONNANTIE 1941 115
(3) Na met den Directeur van Economische Zaken gepleegd overleg kan de Gou- verneur een natuurpark geheel of gedeeltelijk voor het publiek sluiten.
: (4) In spoedeischende gevallen kan de plaatselijke beheerder tot de in het vorige lid bedoelde sluiting overgaan onder nadere goedkeuring van den Gouverneur. Voor deze nadere goedkeuring is het in het vorige lid vermelde overleg mede vereischt.
(5) De geheele of gedeeltelijke sluiting van een natuurpark wordt bekend ge- maakt in de plaatselijke nieuwsbladen.
(6) Het is verboden een krachtens lid (3).of lid (4) gesloten gebied te betreden tenzij met een schriftelijke vergunning van den plaatselijken beheerder en met inachtneming van de daarin gestelde voorwaarden. Deze vergunning kan ten aanzien van daartoe door den Gouverneur aan te wijzen natuurparken ook wor- den afgegeven door den plaatselijken bestuurder na overleg met den plaatse- lijken beheerder. Bij weigering van eene vergunning staat beroep open op den betrokken Resident.
(7) De in lid (1) en lid (6) gestelde verbodsbepalingen gelden niet voor:
a. de personen genoemd in artikel-7 onder-a, b, en-c;
b. de personen genoemd in artikel 7 onder d en artikel 9 onder b, voor zoover de in artikel 3, lid (4) bedoelde klippen of grotten liggen binnen het gesloten gebied;
c. de personen, die in het bezit zijn van een vergunning als bedoeld in artikel 8; -
d. de personen genoemd in artikel 12, lid (1).
- (1) Het is verboden in een natuurpark handelingen te verrichten, waar- door schade wordt toegebracht aan de fauna, de flora of het natuurschoon en zoodoende afbreuk wordt gedaan aan de waarde van het natuurpark als zoodanig.
(2) Het is verboden in een natuurreservaat handelingen te verrichten, waar- door verandering wordt gebracht in de bodemgesteldheid, de begroeiing, de fauna of de flora en zoodoende de ongerepte staat van het natuurreservaat wordt verstoord.
(3) Het is verboden zich, zondersvergunning van den plaatselijken beheerder, in een natuurpark of natuurreservaat te bevinden met een hond, een vuur- wapen, luchtdruk- of veerdrukwapen of eenig ander jacht- of vangmiddel.
Het is verboden in een natuurpark of natuurreservaat te kampeeren of vuur te maken tenzij met een daartoe van den plaatselijken beheerder verkregen schriftelijke vergunning en met inachtneming van de daarin gestelde voorwaarden. k ‚ i
De in artikel 5 gestelde verbodsbepalingen zijn niet van toepassing:
a. op door den Directeur van Economische Zaken aangewezen personen die, met inachtneming van de door hemgestelde voorwaarden, de in dat artikel be- doelde handelingen verrichten in het belang.van wetenschappelijke of cultu- reele doeleinden dan wel om de natuurparken en natuurreservaten beter aan hun doel te doen beantwoorden;
b. op personen, die door den plaatselijken beheerder na bekomen machtiging van den betrokken Resident van een opdracht zijn voorzien om de in dat artikel bedoelde-handelingen te verrichten, voor zoover de opdracht strekt;
Cc. op personen, die, krachtens met den Directeur van Economische Zaken aan- gegane schriftelijke overeenkomst, het recht hebben om met uitsluiting van der- den en tegen betaling van een in die overeenkomst beepaald bedrag, binnen een natuurpark te jagen, voorzoover zij dat recht uitoefenen binnen het in die ove- reenkomst omschreven gebied en met inachtneming van de daarin gestelde voorwaarden;
d. op pachters van de in artikel 3, lid (4) genoemde klippen of grotten en de in hun dienst werkzame personen, voor zoover de door hen gepleegde hande- lingen noodzakelijk zijn voor de uitoefening van het pachtrecht en niet in strijd zijn met de in de pachtovereenkomst gestelde voorwaarden. 6
- (1) De in artikel 5 gestelde verbodsbepalingen zijn mede niet van toepassing:
a. op personen, die krachtens een na verkregen overeenstemming met den Directeur van Economische Zaken op Java en Madoera door den Gouverneur en daarbuiten door den Resident verleende schriftelijke vergunning en overeen;
—
116 NATUURBESCHERMINGSORDONNANTIE 1941
komstig een daarbij goedgekeurd plan in een natuurpark een bedrijf uitoef. enen of aan de uitoefening van dit bedrijf medewerken;
b. op personen, die krachtens een door den plaatselijken beheerder verleende schriftelijke vergunning in een natuurpark boschproducten inzamelen of vee weiden dan wel in de tot een natuurmonument behoorende zeestrook de kust- visscherij uitoefenen;
c. op personen, die krachtens een door den plaatselijken beheerder afgege- ven schriftelijke vergunning in een natuurpark of natuurreservaat voor weten- schappelijke doeleinden levende planten, levende plantendeelen of ongewer- velde dieren verzamelen;
een en ander voor zoover het verrichten van de in genoemd artikel verboden handelingen noodig is ter bereiking van het in de vergunning omschreven doel en voor zoover de in de vergunning gestelde voorwaarden en voorschriften wor- den nageleefd.
(2) De in de eerste alinea onder b bedoelde vergunning kan in de gewesten buiten Java en Madoera door den Resident collectief worden verleend aan de plaatselijke bevolking van bepaalde door hem aan te wijzen streken of kam- pongs. De Resident kan de verleening van individueele vergunningen ook op- dragen aan een plaatselijken bestuurder, die daarbij overleg pleegt met den plaatselijken beheerder.
- De in artikel 5 lid (3) gestelde verbodsbepalingen zijn niet van toepassing:
a. op de in artikel 12 lid (1) bedoelde personen;
b. op personen, die zijn belast met het uitoefenen van toezicht op de naleving van het bepaalde in artikel 7 onder d, voor zoover betreft het dragen van
vuurwapenen, in geval zij daartoe gerechtigd zijn uit hoofde van hun dienstbe- trekking.
- (1) Voor vergunningen als bedoeld in de artikelen 4, lid (1) en lid (6), 6, °
7 en 8 kan een vergoeding worden gevorderd op een door den Directeur van ane Zaken te bepalen wijze en volgens een door dezen vast te stellen tarief,
(2) Kostelooze vergunningen en de vergunningen als bedoeld in de artikelen 4, lid (1) en lid (6), 6 en8, lid (Donder-balsmede de daartoe strekkende aanvra- gen 1zijn vrij van zegelrecht, hs
- (1) Overtreding van de in artikel 5 gestelde verbodsbepalingen wordt ge- straft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoog- ste vijfhonderd gulden.
(2) De dieren, planten en voorwerpen, die door middel van eenige in lid (1) bedoelde overtreding zijn verkregen, worden verbeurd verklaard; de voorwer- pen of dieren, waarmede die overtredingen zijn gepleegd, zoomede de aan den veroordeelde toebehoorende.middelen van vervoer, die hebben gediend om de overtreding voor te bereiden, te vergemakkelijken, te bevorderen of tot stand te brengen, dan wel om de onrechtmatig verkregen dieren, planten en voor- werpen te vervoeren, kunnen worden verbeurd verklaard.
(3) Overtreding van de in artikel 4 lid (1) en lid (6) en artikel 6 gestelde ver- bodsbepalingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie weken of geldboete van ten hoogste honderd gulden.
(4) De in dit artikel strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen.
(5) De in lid (1) en lid (3) bedreigde straffen kunnen worden verdubbeld, in- dien tijdens het plegen van het feit nog geen twee jaren zijn verloopen sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens overtreding van een der in die leden strafbaar gestelde feiten dan wel wegens overtreding van de in de „‚Natuurmonumenten- en Wildreservatenordonnantie”’ en de voorschriften be-
treffende de jacht en de faunabescherming strafbaar gestelde feiten onherroe pelijk is geworden.
(6) De ingevolge heid gesteld, tenzi
beurdverklaarde doode dieren, huiden en andere lichaamsdeelen, zoomede plan:
MONUMENTENORDONNANTIE 117
ten worden, indien zulks mogelijk is, ter beschikking gesteld van den Directeur van 's Lands Plantentuin te Buitenzorg; indien dit niet mogelijk is, worden zij vernietigd.
- (1) Behalve de personen, die in het algemeen zijn belast met het opsporen van strafbare feiten, zijn met het opsporen van de in deze ordonnantie straf- baar gestelde feiten mede belast:
le. de daartoe door de Residenten aangewezen ambtenaren bij het Binnen- landsch Bestuur;
2e. de boschbeheerders en de door hen aangewezen onder hen dienende ambtenaren en beambten;
3e, de personen belast met de uitoefening van het beheer over eenig natuur- reservaat of natuurpark;
4e. de leden van de in artikel 12 van de Jachtordonnantie Java en Madoera 1940 bedoelde Jachtcommissies.
(2) De politioneele bevoegdheid van de in lid (1) onder le en 2e bedoelde per- sonen strekt zich niet verder uit dan tot hun ambtsressort.
(8) De in lid (1) onder le tot en met 4e bedoelde ambtenaren en personen wor- den door of namens het Hoofd van gewestelijk bestuur voorzien van een legi- timatiebewijs van een door den Directeur van Binnenlandsch Bestuur vast te stellen model, waarin hun politioneele bevoegdheid is omschreven.
- (1) Alle op de bepalingen van de ,,Natuurmonumenten- en Wildre- servatenordonnantie”’ (Staatsblad 1932 No. 17) gegronde voorschriften en maat- regelen blijven, voor zoover niet strijdig met de bepalingen van deze ordon- nantie, van kracht,'totdat zij door andere, overeenkomstig de bepalingen van deze ordonnantie gegeven voorschriften of getroffen maatregelen zijn vervangen.
(2) Waar in ordonnanties, regeeringsverordeningen en besluiten wordt gespro- ken van: i
a. natuurmonument,
b. wildreservaat, ne
wordt, zoolang niet anders is bepaald, daarvoor gelezen:
a. natuurreservaat,
b. natuurpark.
(3) In door derden op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze ordon- nantie binnen bestaande wildreservaten uitgeoefende rechten wordt geen wij- ziging gebracht dan nadat terzake met de rechthebbenden overeenstemming is verkregen.
- (1) Deze ordonnantie kan worden aangehaald als ,,Natuurbeschermings- ordonnantie 1941”.
(2) Zij is mede van toepassing op personen, behoorende tot de Inlandsche be- volking in rechtstreeks bestuurd gebied;die aan-de rechtsmacht van den in- heemschen rechter is onderworpen.
- Deze ordonnantie treedt in werking met ingang van een nader door den Gouverneur-Generaal te bepalen datum. :
Uitgegeven de dertienden Juni 1941 door de Algemeene Secretaris.
MONUMENTENORDONNANTIE
S. 1931—238. é (Besluit van den Gouverneur-Generaal van 13 Juni 1931 No. 19). Hiermee vervallen verklaard: Artikel 528 van het Wetboek van Strafrecht voor Nederlandsch-Indië. 4
Art. 1. (1) Onder monumenten worden in deze ordonnantie verstaan:
a. door menschenhand tot stand gekomen onroerende of roerende zaken, dee- len of groepen van zaken, dan wel overblijfselen daarvan, die in hoofdzaak ou- der zijn dan 50 jaar of tot een tenminste 50 jaar oude stijlperiode behooren en voor de praehistorie, geschiedenis of kunst van groot belang worden geacht;
b. voorwerpen, die uit een palaeontologisch oogpunt van groot belang wor-
