MAATREGELEN TER BEPERKING VAN DEN KINDERARBEID EN DEN NACHTARBEID VAN VROUWEN
MAATR. TER BEPERKING V. D. KINDERARBEID 1435
nantie worden gevraagd.
(4) Ieder der in het eerste lid genoemde ambtenaren en beambten is bevoegd van de personen, die werfarbeid verrichten, inzage van den in artikel 4 bedoel- den aanstellingsbrief te vorderen.
Alle stukken, opgemaakt ter voldoening aan de bepalingen van deze or- donnantie of van de op grond daarvan vast te stellen uitvoeringsregelen, zijn vrij van zegel, met uitzondering van de erkenning bedoeld in het eerste lid en de vergunningen bedoeld in het tweede lid van artikel 2, zoomede van de schrif- telijke goedkeuringen, vermeld in het derde lid van artikel 5.
Deze ordonnantie kan worden aangehaald onder den titel „Werkvingsordonnantie 1936’.
Uitgegeven den twaalfden Mei 1936 door de Algemeene Secretaris.
MAATREGELEN TER BEPERKING VAN DEN KINDERARBEID EN DEN NACHTARBEID VAN VROUWEN
S. 1925—647. (Besluit van den Gouverneur-Generaal van 17 December 1925 No. 13).
Art. 1. (Gewijzigd door S. 1949—8.) Een kind beneden veertien jaar mag tus- schen acht uur des namiddags en vijf uur des voormiddags in of voor eenig be- drijf geen arbeid verrichten.
- (1) (Gewijzigd door S. 1949—8.) Een kind beneden veertien jaar mag geen arbeid verrichten:
a. in fabrieken, dat zijn besloten of als besloten te beschouwen ruimten, waar in of voor eenig bedrijf één of meer krachtwerktuigen worden gebezigd;
b. in werkplaatsen, dat zijn besloten ruimten, waar in of voor eenig bedrijf tien of meer personen tezamen eenig handwerk plegen uit te oefenen;
c. bij het aanleggen, onderhouden, herstellen of sloopen van grond,- graaf-, water- en bouwwerken en van wegen;
d. in spoor- en tramwegbedrijven;
e. bij het laden, lossen en verplaatsen van goederen, zoo in havens, op kaden en werven als op stations, bij halten en losplaatsen, in opslagplaatsen en pak- huizen, uitgezonderd het dragen met de hand.
(2) Onverminderd het bepaalde in het eerste lid mag een kind beneden twaalf jaren in het algemeen geen last verplaatsen in of voor eenig bedrijft, indien deze arbeid kennelijk te groote inspanning van zijn krachten eischt.
(3) Als arbeid in den zin van dit artikel worden niet beschouwd werkzaamheden: nh
a. in werkplaatsen, waarin uitsluitend door de leden van eenzelfde gezin wordt gewerkt;
b. als bedoeld onder c van het eerste lid ten behoeve van huis en erf, voor zoover deze werkzaamheden geschieden door de leden van het gezin of bij wijze van onderling hulpbetoon gelijk ter plaatse gebruikelijk;
c. in openbare of onder Overheidstoezicht staande ambachts- en vakscholen;
d. in Landsopvoedingsgestichten en doorgangshuizen, gevangenissen en on- der Overheidstoezicht staande gestichten, doorgangshuizen en inrichtingen van liefdadigheid. a
(4) Daar waar de werkzaamheden ten behoeve van eenzelfde bedrijf worden verricht in afzonderlijke doch met elkander in gemeenschap staande ruimten, worden de afzonderlijke ruimten geacht met elkander een onafgescheiden ge- heel te vormen. eer
(5) Wanneer een kind, ouder dan acht en jonger dan twaalf jaar in een bes- loten of als besloten te beschouwen ruimte wordt aangetroffen, waar arbeid wordt verricht, wordt het geacht aldaar zelf verboden arbeid te verrichten, ten- zij het tegendeel blijkt. 7 a 4
- Een vrouw mag tusschen tien uur des namiddags en vijf uur des voormid- dags geen arbeid verrichten, als in het eerste lid van het vorig artikel omschre-
1436 MAATR. TER BEPERKING V. D. KINDERARBEID
ven, voorzoover daarvoor niet bij of krachtens besluit van den Gouverneur- Generaal voor zekere bedrijven in het algemeen dan wel voor bepaalde fabrieken, werkplaatsen of ondernemingen in het bijzonder, in verband met speciale bedrijfseischen, vergunning is verleend.
Het hoofd of de beheerder van een bedrijf is verplicht te zorgen, dat daarin geen arbeid wordt verricht in strijd met het in de voorgaande drie artikelen be- paalde. Gelijke verplichting rust op het toezichthoudend personeel, voorzoover het door het hoofd of den beheerder uitdrukkelijk met de zorg voor de naleving van die bepalingen is belast.
Aan de in het vorige artikel omschreven verplichting van het hoofd of den beheerder en van het toezichthoudend personeel wordt geacht te zijn voldaan, wanneer zij aantoonen, dat door hen de noodige bevelen zijn gegeven, de noo- dige maatregelen zijn genomen en het redelijkerwijze te vorderen toezicht is ge- houden om de naleving van die bepalingen te verzekeren.
Het hoofd of de beheerder van een bedrijf en de daarin werkzame per- sonen zijn verplicht aan de bevoegde ambtenaren de verlangde inlichtingen te geven omtrent zaken en feiten, welke de naleving van deze ordonnantie betreffen. .
(1) Overtreding van het bepaalde in de artikelen 4 en 6 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van ten hoogste een hon- derd gulden.
(2) Indien tijdens het plegen van het feit nog geen twee jaren zijn verloopen sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens eene overtre- ding, in het vorige lid bedoeld, onherroepelijk is geworden, kan hechtenis van ten hoogte twee maanden of geldboete van ten hoogste twee honderd gulden worden opgelegd.
(8) De in dit artikel strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen.
(Gewijzigd door S. 1947—208.) Behalve de ambtenaren en beambten, be- last met het opsporen van overtredingen in het algemeen, zijn de ambtenaren van de Afdeling Arbeid van het Departement van Avciale Zaken met inachtne- ming van de door de Drukleven van het Departement te geven aanwijzingen, belast met de zorg voor de naleving van deze ordonnantie, met de medewer- king aan de uitvoering en met het opsporen van de overtredingen.
(1) De in het vorige artikel bedoelde personen hebben toegang tot alle plaat- sen waar arbeid wordt verricht of pleegt te worden verricht of ten aanzien waarvan redelijkerwijze vermoed kan worden, dat aldaar arbeid verricht wordt. Wordt hun de toegang daartoe geweigerd, dan verschaffen zij zich dien des- evn met at ed van den sterken arm.
ij zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen hun i ij krachtens dit artikel binnentreden, ident Helden it rd kend geworden, voorzoover dit niet in strijd is met de bepalingen van deze of van eene andere algemeene verordening. Be de ace Oer ta opgelegde geheimhouding schendt, van ten Roots Zee hondedadiien joogste zes maanden of geldboete ‚aan wiens schuld schending van die geheimhouding te wijten is, wordt ten bries Sen ten hoogste drie maanden of geldboefe van ten hoog-
(5) Geen vervolging heeft plaats d a eren a = an op klachte van het hoofd of den beheer-
(6) De in dit artikel strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als misdrijven.
beneden twaalf jaar, mits deze ouder dan tien i Ni 11. Deze ordonnantie treedt in Seen en uaar zijn: werking met Uitgegeven den acht en twinti ingang van 1 Maart 1926. nements Secretaris. Aen igsten December 1925 door de wd. le. Gouver-
————____
