Jachtordonanntie 1931
110 JACHTORDONNANTIE 1931
EEE A. ee i de bij deze ordonnantie beschermde soorten, voor zoover die soorten daartoe uitdrukkelijk bij regeeringsverordening zijn aangewezen, met dien verstande, } dat de in artikel 1 sub b, c en d bedoelde uitvoer onder de handelingen niet be. it grepen is. Bedoelde vergunningen zijn slechts geldig voor het door het hoofd | van gewestelijk bestuur aan te wijzen gebied en gedurende de bij regeeringsver-
; ordening te bepalen termijnen.
i 4. Aan den houder van dieren of voorwerpen als bedoeld in artikel 3 lid 1 HE sub b, die ten genoegen van een door het hoofd van gewestelijk bestuur aan A te wijzen gezaghebbende aannemelijk kan maken, dat deze dieren of voorwer-
| pen hetzij door hemzelf, hetzij door een vroegeren houder vóór de inwerkingtre-
} ding van deze ordonnantie op rechtmatige wijze verkregen zijn, wordt op zijn verzoek door dien gezaghebbende een schriftelijke verklaring af; gegeven, waar- | | | uit van een en ander blijkt en waarin die dieren of voorwerpen nauwkeurig zijn i aangeduid.
Kk: 5. De Gouverneur-Generaal kan in bijzondere gevallen dispensatie verleenen
i van de bepalingen dezer ordonnantie.
| 6. (1) Overtreding-vanreenig;invartikel 1 gesteld verbod wordt gestraft met i hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste vijf hon-
i derd gulden. poke i (2) De voorwerpen, waarmede een der in het vorig lid bedoelde strafbare fei-
{ ten is gepleegd, of die door middel daarvan zijn verkregen, kunnen voorzoover
t ze den veroordeelde toebehooren, worden verbeurd verklaard.
r (3) De in lid Ivan dit artikel bedoelde strafbare feiten worden beschouwd als
| overtredingen.
(4) De in lid 1 van dit artikel bedreigde straffen kunnen worden verdubbeld, }
4 indien tijdens het plegen van het feit nog geen twee jaren zijn verloopen sedert
een vroegere veroordeeling van den schuldige wegens overtreding van eenig in dat lid, dan wel in artikel 11 lid 1 der jachtordonnantie-1931 of in de krachtens die ordonnantie vastgestelde voorschriften, strafbaar gesteld feit onherroepe- lijk is geworden. !
(5) De ingevolge het tweede lid van dit artikel verbeurd verklaarde levende dieren worden in vrijheid gesteld, tenzij het uit een oogpunt van humaniteit be- ter wordt geacht ze af te maken» De door verbeurdverklaring aan den Lande | behoorende doode dieren, huiden, veeren en andere lichaamsdeelen, eieren en nesten worden ter beschikking gesteld van het zoölogisch museum van 's Lands plantentuin te Buitenzorg, voorzoover zij voor spoedig bederf zijn te vrijwaren; indien dit niet mogelijk is, worden ze vernietigd.
- Met het opsporen van overtredingen dezer ordonnantie zijn, behalve de
ambtenaren, die in hetalgemeen belast zijn mét het opsporen van strafbare fei- ten, mede belast, ieder binnen zijn-ambtsgebied, de door het betrokken hoofd __ van gewestelijk bestuur aan te wijzen ambtenaren bij het binnenlandsch bestuur, die niet uit anderen hoofde opsporingsbevoegdheid hebben, de betrokken bosch: } beheerders en door hen aan te wijzen ambtenaren en beambten van het boschwe: zen, de leden van de in de J achtordonnantie-1931 bedoelde jachtcommissies en de ambtenaren van den dienst der in-/en uitvoerrechten en accijnzen. |
- (1) Deze ordonnantie kan worden aangehaald als „Dierenbeschermings: | ordonnantie-1931”’. “
| (2) Zij treedt in werking met ingang van 1 Juli 1931.
| Uitgegeven den veertienden April 1931 door de Algemeene Secretaris. |
‘nn :
i ' JACHTORDONNANTIE 1931 |
| A S. 1931—138. | | (Besluit van den Gouverneur-Generaal van 27 Maart 1931 No. 36). | Art. 1. (1) Het is v ; : |
| Ain Zink En etboren om met een vuurwarpen of windbuks te jagen OP |
(2) Onder jagen word B je- |
| EN BAR pte oreo het opsporen, bemachtigen of dooden van die | ‘
(3) Onder jagen wordt mede begrepen het zich met een vuurwapen of windbuks bevinden buiten door muren, omheiningen of grachten geheel afgesloten erven of terreinen, met het kennelijk doel om te jagen.
- Het in het eerste lid van het vorige artikel gesteld verbod is niet van toepassing:
a, ten aanzien van de jacht op dieren, die zich bevinden op, aan of in een wo- ning of top door muren, omheiningen of grachten geheel afgesloten erven of terreinen;
b. op door den Directeur van Landbouw, Nijverheid en Handel aan te wijzen personen voorzoover deze onder door dien Directeur te stellen voorwaarden in het belang van wetenschappelijke of onderwijsdoeleinden de jacht uitoefenen op tot bepaaldelijk door hem aangewezen diersoorten behoorende dieren;
c. op personen die in het bezit zijn van een geldige jachtacte, voorzoover de jacht wordt uitgeoefend op dieren, op welke zij krachtens deze jachtacte recht hebben te jagen en ten aanzien van welke de jacttijd open is.
- (1) Bij regeeringsverordening kunnen regelen worden gesteld betreffende de tijden, gedurende welke de jacht op bepaalde diersoorten of groepen van dier- soorten geopend is, betreffende de methoden, volgens welke de geoorloofde jacht met een vuurwapen of windbuks behoort te worden uitgeoefend, betreffende den aard der te bezigen vuurwapens en projectielen en betreffende het jagen met andere dan de in artikel 1 genoemde middelen.
(2) Bij provinciale verordening, bij verordening van een plaatselijken raad, niet zijnde een gemeenteraad, dan wel bij gewestelijke keur kunnen met het oog op bijzondere plaatselijke belangen en toestanden, na ingewonnen advies van de betrokken in artikel 9 bedoelde jachtcommissie, waar deze is ingesteld, regelen worden gesteld ter aanvulling van de in-het eerste lid bedoelde regeeringsver- ordening.
De dieren, voor de jacht waarop'een jachtacte kan worden verkregen, wor- den ingedeeld in vier groepen, n.l..,,grof-wild’’, ,,klein wild’’, „trek wild’ en „schadelijk gedierte’’. Bij regeeringsverordening wordt bepaald, welke dieren tot elk dier groepen behooren: :
(1) De in artikel 2 sub c bedoelde jachtacten worden verstrekt in 5 soorten gemerkt met de letters A tot en met E. ;
(2) De jachtacte A geeft recht tot het uitoefenen van de jacht op , schadelijk gedierte’’.
(3) De jachtacte Bigeeft boven de bevoegdheid voortvloeiende uit de jachtacte A, recht tot het uitoefenen van de jacht op ,,trekwild”’ en „klein wild”.
(4) De jachtacte C geeft boven de bevoegdheid, voortvloeiende uit de jacht- acte B, recht tot het uitoefenen van de jacht op bij regeeringsverordening aan te wijzen tot het ,,grof wild’ behoorende diersoorten. i
(5) De jachtacte D geeft boven'de bevoegdheid, voortvloeiende uit de jacht- acte C, recht tot het uitoefenen van de jacht op bij regeeringsverordening aan te wijzen tot het ‚grof wild’’ behoorende diersoorten. .
(6) De jachtacte E geeft boven de bevoegdheid, voortvloeiende uit de Jacht- acte D, recht tot het uitoefenen van de jacht op de overige tot het ,,grof wild’ behoorende diersoorten.
(7) De jachtacten zijn van kracht voor het geheele gebied, waarop deze or- donnantie van toepassing is. ; :
(8) Zij zijn geldig van den eersten Juli van eenig jaar tot en met den dertigsten Juni van het daarop volgende jaar. Lwin .
(9) Aan houders van een jachtacte, kan, ook al geldt die jachtacte niet voor = _ die diersoorten en al is de jachttijd ten aanzien van die diersoorten niet open, door een door het hoofd van gewestelijk bestuur aan te wijzen gezaghebbende na ingewonnen advies van de betrokken in artikel 9 bedoelde jachtcommissie, waar deze bestaat, worden toegestaan om voor den door hem to bepalen tijd van ten hoogste zes achtereenvolgende maanden in een bepaaldelijk aan te wij- zen gebied de jacht uit te oefenen op tot ,, wild” behoorende met name te noe- men diersoorten, indien de daartoe behoorende dieren schade blijken te veroorzaken. Van eenen ander wordt een aanteekening op de jachtacte gesteld.
(10) De jachtacten moeten op eerste daartoe strekkende vordering aan de met
On 12 JACHTORDONNANTIE 1931 eee ee | de opsporing van overtredingen dezer ordonnantie belaste personen worden vertoond. 7 ; E
(11) Bij regeeringsverordening kan het recht 'tot jacht op grof wild, voort- | vloeiende uit de jachtacten C, D en E, tot een bij die verordening aan te geven
| aantal van iedere diersoort worden beperkt.
| 6. (1) De jachtacten worden verstrekt door de bij regeeringsverordening aan | te wijzen gezaghebbenden. Voorzooveel de jachtacten B, C, D en E betreft heeft | die verstrekking plaats na storting van een jachtgeld.
(2) Dit jachtgeld bedraagt voor:
jachtacte B : tien gulden; |
jachtacte C : vijftig gulden;
Jachtacte D : honderd gulden; |
jachtacte E : twee honderd gulden.
(8) Voor de verkrijging van jachtacte A is geen jachtgeld verschuldigd.
(4) Bij regeeringsverordening worden voorschriften gegeven betreffende het aanvragen, uitreiken;-weigeren-en-intrekken-van-jachtacvenen alles wat daar- | mede samenhangt.
(5) Jachtacten A, uitgereikt aan onvermogenden, zijn van zegelrecht vrijge- steld, mits het/onvermogen blijkt uit een verklaring afgegeven door een door het hoofd van gewestelijk bestuur aan ten wijzen gezaghebbende en daarvan
| op de stukken melding gemaakt wordt: “7. (1) Het uitoefenen van de geoorloofde jacht is slechts toegestaan: a. onverminderd het bepaalde in artikel 502 Wetboek van Strafrecht voor Nederlandsch-Indië en de overige op dit stuk bestaande en alsnog uit te vaar- | digen bijzondere voorschriften op gronden en wateren behoorende tot het vrij Landsdomein; b. behoudens hetgeen in artikel 10 van het Reglement omtrent de particuliere landerijen bevesten de Tjimanoek op-Java (Staatsblad 1912 No. 422) is bepaald ten aanzien van de rechthebbenden op het gebruik der aldaar bedoelde gron- den, op niet tot het vrij Landsdoméin behoorende gronden en wateren, waarop | degene die de jacht uitoefent, daartoe gerechtigd is krachtens eenigen titel dan
wel krachtens bekomen bewilliging-van den rechthebbende. ‘ | (2) Bij regeeringsverordening kunnen bijzondere voorwaarden aan het jagen
op vrij Landsdomein of bepaalde gedeelten daarvan worden verbonden.
- (1) Het verkoopen, verhandelen, uitdeelen, afleveren, ten verkoop, ten ge- schenke of in ruil aanbieden, dan wel tot hooger genoemde doeleinden in voor- raad hebben en het vervoeren van dieren, of van versche lichaamsdeelen van | dieren, ten aanzien waarvan de jacht is gesloten, is verboden vanaf den derden dag na sluiting tot de opening vande jacht:
(2) Het in het vorig lid gestelde-verbod is niet van toepassing, indien de dieren | afkomstig zijn uit een gewest, waar de jacht geopend is en voor die dieren is afgegeven een verklaring van oorsprong, uitgereikt door een door het hoofd van gewestelijk bestuur aangewezen gezaghebbende, binnen wiens ambtsgebied de dieren bemachtigd zijn.
(3) De in het eerste lid gestelde verbodsbepalingen zijn niet van toepassing OP door den Directeur van Landbouw, Nijverheid en Handel aan te wijzen perso- / nen, voorzoover deze onder door dien Directeur te stellen voorwaarden in het | belang van wetenschappelijke of onderwijsdoeleiden een of meer der in genoemd | lid bedoelde handelingen verrichten ten aanzien van tot bepaaldelijk door hem | aangewezen diersoorten behoorende dieren.
; 9. Voor bepaalde gebiedsdeelen kunnen door den Directeur van Landbouw, Nijverheid en Handel, na ingewonnen advies van het betrokken hoofd van ge: | westelijk bestuur, jachtcommissies worden ingesteld, die de betrokken gezag: hebbenden omtrent jachtbelangen van advies dienen. Hun verdere taak en hun | eneen end De
: ur-Generaal kan in bijzond j ie verlee- | nen van debepalingen a En ondere gevallen dispensatie |
- Rei eee ven de verbodsbepalingen in de artikelen 1 lid 1 en 8 lid | den elseiabeets an t gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maar
n hoogste vijf honderd gulden. 3 | Ë
JACHTORDONNANTIE 1931 113 ETE Les a Sea
(2) De voorwerpen, waarmede de in het vorig lid bedoelde overtredingen zijn gepleegd en die, welke door middel van zoodanige overtredingen zijn verkre- gen, kunnen, voorzoover ze den veroordeelde toebehooren, worden verbeurd verklaard.
(3) De in lid 1 van dit artikel bedreigde straffen kunnen worden verdubbeld, indien tijdens het plegen van het feit nog geen twee jaren zijn verloopen sedert een vroegere veroordeeling van den schuldige wegens overtreding van eenig in dat lid of in de krachtens deze ordonnantie vastgestelde voorschriften dan wel | in de dierenbeschermingsordonnantie-1931 strafbaar gestelde feiten onherroe- pelijk is geworden.
(4) Overtreding van het bepaalde in artikel 5 lid 10 dezer ordonnantie wordt | gestraft met hechtenis van ten hoogste drie weken of geldboete van ten hoog- ste honderd gulden.
(5) De in lid 1 en 4 van dit artikel bedoelde strafbare feiten worden beschouwd als overtredingen.
(6) De ingevolge lid 2 van dit artikel, dan wel ingevolge een bepaling van de krachtens deze ordonnantie vastgestelde regeeringsverordening, provinciale ver- ordeningen of gewestelijke keuren verbeurd verklaarde levende dieren wor- den in vrijheid gesteld, tenzij. het uit een oogpunt van humaniteit beter wordt geacht ze af te maken. De door verbeurdverklaring aan den Lande behoorende doode dieren, huiden en andere lichaamsdeelen worden ter beschikking gesteld van het zoölogish museum van ’s Lands plantentuin te Buitenzorg, voorzoover zij voor spoedig bederf zijn te vrijwaren; indien dit niet mogelijk is worden zij vernietigd.
- (1) Van elk in kracht van gewijsde gegaan vonnis wegens overtreding van één der in de artikelen 1 lid 1 en 8 lid 1-gestelde verbodsbepalingen, dan wel van een verbodsbepaling voorkomende in de krachtens deze ordonnantie vast- gestelde voorschriften, wordt door den ambtenaar, belast met de tenuitvoer- legging van het vonnis, door toezending van een uittreksel daarvan, kennis gegeven aan den Directeur van Landbouw, Nijverheid en Handel en voorts aan den ter woon- of verblijfplaats van den veroordeelde tot het uitreiken van jacht- acten bevoegden gezaghebbende, zoomede,indienaan den veroordeelde een jachtacte was uitgereikt, aan den gezaghebbende, welke: die acte heeft afgegeven.
(2) Voormeld Departemenshoofd is bevoegd bij een met redenen omkleed bes- luit den veroordeelde voor den tijd van ten hoogste twee jaren de bevoegdheid om te jagen te ontzeggen. Deze beslissing wordt door „genoemd Departe- mentshoofd aangekondigd in de Javasche Courant en bij diensbrief medegedeeld aan den betrokkene en aan den ter woon: of verblijfplaats van den veroordeelde tot het uitreiken van jachtacten’bevoegden gezaghebbende, zoomede, indien aan den veroordeelde een jachtacte was uitgereikt, aan den gezaghebbende, die be- doelde acte heeft afgegeven.
(3) Zoodra de in het:tweede lid bedoelde aankondiging in de Javasche Courant is geschied, verliest een aan den veroordeelde uitgereikte jachtacte hare geldigheid. Lae
- Met het opsporen van overtredingen dezer ordonnantie zijn, behalve de ambtenaren, die in het algemeen belast zijn met het opsporen van strafbare fei- ten, mede belast, ieder binnen zijn ambtsgebied, de door het betrokken hoofd van gewestelijk bestuur aan te wijzen ambtenaren bij het binnenlandsch bestuur, die niet uit anderen hoofde opsporingsbevoedheid hebben, de betrokken boscbe- heerders en de door hem aan te wijzen ambtenaren en beambten van het bo- schwezen, zoomede de leden der jachtcommissies. .
' 14. (1) Deze ordonnantie kan worden aangehaalds als , Jachtordonnantie
931”. :
(2) Zij is allen van toepassing op het rechtstreeks bestuurd gebied. :
- (1) Deze ordonnantie treedt voor Java en Madoera met ingang van 1 Juli 1931 in werking en daarbuiten gewestgewijze met ingang van nader door den Gouverneur- eraal te bepalen tijdstippen. 2 :
(2) De Se de eerie helft yan 1931 overeenkomstig de bepalingen der jachtordonnantie in Staatsblad 1924 No. 234 afgegeven jachtacten en kostelooze
eee ;
. 114 NATUURBESCHERMINGSORDONNANTIE 1941 | mmm’ jachtvergunningen geven gedurende de tweede helft van dat jaar dezelfde be- voegdheden, als daaruit zouden voortvloein, wanneer bedoelde jachtordonnan- tie gedurende die tweede jaarhelft in werking ware gebleven. i | (8) Aan houders van de in het tweede lid bedoelde jachtacten kan voor de eerste | helft van 1932 tegen betaling van een jachtgeld van vijf gulden een jachtacte | B worden afgegeven. - | Uitgegeven van den veertienden April 1931 door de Algemeene Secretaris. | pend NATUURBESCHERMINGSORDONNANTIE 1941 S. 1941—167. | } (Besluit van den Gouverneur-Generaal van 6 Juni 1941 No. 19). | 1 Hiermee ingetrokken: de ,, Natuurmonumenten- en Wildreservatenordonnan- | tie’ (Staatsblad-1932-No.-17). } Art. 1. Ter bescherming ‘van de in Nederlandsch-Indié aanwezige natuur- rijkdommen, kan de Gouverneur-Generaal natuurmonumenten aanwijzen, te on- t derscheiden in natuurparken en natuurreservaten, ten aanzien waarvan de | volgende regelen gelden. : i 2. (1) Voor aanwijzing als natuurpark komen in aanmerking gebieden, waarop | door derden geen rechten worden uitgeoefend en waar de fauna, de flora | of het natuurschoon van zoodanige wetenschappelijke, cultureele of aestheti- i sche waarde is, dat bescherming daarvan in het algemeen belang gewenscht is. (2) Voor aanwijzing als natuurreservaat komen in aanmerking gebieden, waa- f | rop door derden geen rechten worden uitgeoefend en waar de bodemgesteldheid, | de begroeiing, de fauna, de flora of het natuurschoon van zoodanige wetenschap- | pelijke, cultureele of aesthetische waarde is, dat ongerepte instandhouding daar- | van in het algemeen belang gewenscht is: (8) Bovendien komen voor aanwijzingsalsmatuurpark of natuurreservaat in | aanmerking gebieden, waarop door derden.rechten worden uitgeoefend, doch slechts nadat terzake overeenstemming is verkregen met de rechthebbenden. j 3. (1) Het beheer over de natuurparken en natuurreservaten berust, onder ’ de algemeene leiding van den Directeur van Economische Zaken, op Java en Madoera bij den Dienst van het Boschwezen en in de Buitengewesten voor z00- ver zij binnen ’s Lands bosschen zijn gelegen bij den Dienst van het Boschwezen en daarbuiten bij de Residenten en de door hen daartoe aan te wijzen ambte- | naren. In afwijking van dezen regel kan de Directeur van Economisch Zaken in bijzondere gevallen het.beheer-opdragen‘aan een ander Overheidsorgaan of een rechtspersoon, terwijl in"de uitoefening van het beheer over de in artikel 2 lid (8) bedoelde natuurparken en-natuurreservaten door den Directeur van Economische Zaken wordt voorzien voor zooveel noodig in overleg met de in dat artikellid genoemde rechthebbenden. | _ (2) Door de instanties, bij wie krachtens lid (1) het beheer berust, wordt voor ieder natuurpark en natuurreservaat een plaatselijke beheerder aangewezen. (8) Indien zulks naart zijn oordeel noodig is ter bescherming van het belang, waarvoor een gebied tot natuurmonument, is of wordt aangewezen, kan de Gouverneur-Generaal regentschappen of Java en Madoera ontheffen van het beheer over de binnen dat gebied gelegen vogelnestklippen en vleermuizengrot- | (4) Zoolang geen ontheffing als in het vorige lid bedoeld heeft plaats gehad, zijn de binnen natuurmonumenten op Java en Madoera gelegen vogelnestklip- | pen en vleermuizengrotten aan het in lid (1) van dit artikel bedoelde beheer onttrokken. |
- (1) Het is verboden een natuurreservaat te betreden tenzij met een schrif telijke vergunning van den plaatselijken beheerder en met inachtneming var | de daarin gestelde voorwaarden. Bij weigering van eene vergunning staat be | roep open op den betrokken Resident. | (2) De natuurparken zijn, behoudens het bepaalde in de volgende leden van | dit artikel, voor het publiek toegankelijk. ; | d
