Indonesische Bedrijvenwet
104 INDONESISCHE BEDRIJVENWET | i INDONESISCHE BEDRIJVENWET ‚S. 1927—419. | (Besluit van den Gouverneur-Generaal van | 22 Agustus 1927 No. 17). |
Art. 1. (1) Aan de Landsbegrooting over eenig jaar kunnen afzonderlijke af- | deelingen worden toegevoegd, welke tezamen de over hetzelfde tijdvak loopende | begrooting der Landsbedrijven vormen. |
(2) Met afwijking in zoover van het eerste lid van artikel 101 der Indonesisch | Staatsregeling is elke afdeeling samengesteld uit twee onderafdeelingen, waar- | van de eerste omvat de kapitaalsuitgaven en de kapitaalsontvangsten, de tweede de lasten en de baten der exploitatie. Elke onderafdeeling is gesplitst in posten. |
(3) Elke afdeeling betreft niet meer dan één bedrijf.
De aanwijzing van takken van den Nederlandsch-Indischen Staatsdienst tot Landsbedrijf in den zin van deze wet geschiedt bij ordonnantie.
De Indonesisch Comptabiliteitswet (Nederlandsch Staatsblad 1925 N 0. 328, Indonesisch Staatsblad 1925 No. 448) is voor de Landsbedrijven van kracht, voor zoover deze wet daarvan niet afwijkt.
In deze wet wordt verstaan:
lo. onder kapitaal:
a. de door het Land aan een Landsbedrijf gedane en nog niet afgeloste uit- keeringen ter zake van uitgaven voor voorbereiding, oprichting, uitbreiding en vernieuwing; '
b. de door het Land aan een Landsbedrijf gedane uitkeeringen ter zake van | uitgaven tot verkrijging van voorraden;
C. bij Landsbedrijven, tot welker werkkring het verstrekken van voorschot- | ten behoort, de door het Land gedane uitkeeringen ter zake van uitstaande | voorschotten; |
2o. onder bezittingen: |
de Landseigendommen in gebruik bij en"onder beheer van een Landsbedrijf, | voor zoover daarvoor uitgaven zijn gedaan, als bedoeld in dit artikel onder lo. a. |
Het boekjaar van een Landsbedrijf valt samen met het kalenderjaar. |
(1) Na goedkeuring of vaststelling bij de wet van eene’ ingevolge het eerste lid van artikel 1 aan de Landsbegrooting toegevoegde afdeeling dier begrooting worden, voor zoover noodig, de posten door den Gouverneur-Generaal in ar- tikelen gesplitst. 4
(2) De Gouverneur-Generaal is binnen de grenzen-van een post bevoegd tot af- en overschrijving vanen op.artikelen:
- (1) De kapitaalsuitgaven-der Landsbedrijven zijn: :
a. de kosten van voorbereiding, oprichting, uitbreiding en vernieuwing, voor zoover die kosten niet ten laste van reserve- of vernieuwingsrekeningen wor- den gebracht; .
b. het bedrag, waarmede de waarde der voorraden op het einde van het be- grootingsjaar de waarde bij den aanvang daarvan overtreft;
c. bij Landsbedrijven, tot welker werkkring het verstrekken van voorschot- | ten behoort, het bedrag, dat op het einde van het begrootingsjaar meer aan voor: | schotten uitstaat dan bij den aanvang; E |
d. een uitkeering aan het Land ten bedrage van de in het tweede lid van dit | artikel onder b en c bedoelde ontvangsten. |
(2) De kapitaalsontvangsten der Landsbedrijven zijn: |
- een uitkeering van het Land ten bedrage van de in het eerste lid van dit | artikel onder a, b enc bedoelde uitgaven;
; b. het bedrag, waarmede de waarde der voorraden bij den aanvang van het | begrootingsjaar de waarde op het einde daarvan overtreft;
C. bij Landsbedrijven, tot welker werkkring het verstrekken van voorschot- | ten behoort, het bedrag, dat op het einde van het begrootingsjaar minder aan | voorschotten uitstaat dan bij den aanvang. |
(3) De Gouverneur-Generaal bepaalt in hoeverre tot de kosten van voorbe- reiding, oprichting, uitbreiding en vernieuwing mede een bouwrente en een bii-
gy
INDONESISCHE BEDRIJVENWET 105 EE drage in de pensioenslasten zullen gerekend worden.
- (1) Tot de lasten van de exploitatie der Landsbedrijven, waartoe gerekend worden alle uitgaven die geen kapitaalsuitgaven zijn, behooren onder meer:
a, een uitkeering aan het Land wegens rente over het bij den aanvang van het begrootingsjaar te boek staande kapitaal, voor zoover daarover geen bouw- rente in rekening wordt gebracht;
b. een uitkeering aan het Land tot een percentage van de ten laste van een Landsbedrijf gebrachte bezoldigingen, als premie voor de aanspraak op pensioen, wachtgeld, verlof en dergelijke voordeelen, welke door het Land aan de bij het bedrijf geplaatste landsdienaren verzekerd wordt, voor zoover de kosten van een en ander niet rechtstreeks ten laste van het bedrijf worden gebracht;
c. een uitkeering aan het Land tot een telkens voor een tijdvak van vijf jaren te bepalen percentage van de waarde der Landseigendommen in gebruik bij en onder beheer van een Landsbedrijf, tegenover het risico van brand en andere ongevallen, voor zoover dat door het Land wordt gedragen;
d. de tegoedschrijvingen aan reserve- of vernieuwingsrekeningen;
e. het bedrag der afschrijvingen;
f. de uitgaven, welke ten laste van reserve- of vernieuwingsrekeningen wor- den gebracht; ‘
g. de vorderingen van het Landsbedrijf, voor zoover die voor oninbaar ge- houden worden; 5
h. een uitkeering aan het Land ten bedrage van het voordeelig saldo.
(2) Tot de baten van de exploitatie der Landsbedrijven, waartoe gerekend wor- den alle ontvangsten die geen kapitaalsontvangsten zijn, behooren onder meer:
a. een uitkeering van het Land wegens rente over de vorderingen, welke te- genover reserve- en vernieuwingsrekeningen staan, voor zoover de reservere- keningen niet uit de winst gevormd zijn;
b. een uitkeering van het Land ten bedrage van de uitgaven, welke ten laste van reserve- of vernieuwingsrekeningen-worden gebracht;
c. een uitkeering van het Land-ten-bedrage-van het nadeelig saldo. \
- (1) Voor zoover noodig worden voor elk Landsbedrijf door of vanwege den Gouverneur-Generaal regelen.gesteld-nopens-hetgeen als onderhoud, vernieu- wing, uitbreiding en voorraad is te beschouwen. …_ j
(2) Voor zoover leveringen en diensten aan of door andere Landsbedrijven of takken van dienst worden vergoed, worden die vergoedingen als ontvangst of uitgaaf in de begrooting der Landsbedrijven opgenomen.
- (1) Het percentage van de over het kapitaal verschuldigde rente wordt, voor zoover betreft het in artikel 4 onder lo., a bedoelde kapitaal, te rekenen van het tijdstip, waarop voor het eerst een besluit of wet tot vaststelling van de begrooting der Landsbedrijven in werking is getreden, telkens na verloop van een tijdvak van hoogstens vijf jaren’voor het gedurende dat tijdvak verstrekte en nog niet afgeloste kapitaal bij ordonnantie vastgesteld. 5
(2) Zoolang die vaststelling nog niet heeft plaats gehad, zal een tegen het einde van het jaar door of vanwege den Gouverneur-Generaal te bepalen percentage over het gedurende dat jaar verstrekte kapitaal verschuldigd zijn.
(3) Voor zoover betreft het in artikel 4 onder lo., b enc bedoelde kapitaal wordt het rentepercentage door of vanwege den Gouverneur-Generaal vastgesteld.
(4) Het percentage der rente, verschuldigd over het op de openingsbalans voor- komende kapitaal, als bedoeld in artikel 4 onder lo., a, wordt bepaald bij de ordonnantie, waarbij de openingsbalans wordt vastgesteld.
(5) De percentages, bedoeld in het eerste lid van artikel 8 onder b en c, zoo- mede het percentage van den onder a van het tweede lid van dat artikel be- doelde rente, worden door of vanwege den Gouverneur-Generaal vastgesteld.
- (1) Bij ordonnantie worden regelen gegeven betreffende de berekening van het bedrag der afschrijvingen op de bezittingen, alsmede omtrent het vor- men van algemeene en bijzondere reserve- en vernieuwingsrekeningen, indien €N voor zoover deze wenschelijk voorkomen. abel are te
(2) Deze regelen worden telkens na verloop van uiterlijk vijf jaren herzien.
- (1) Omverminderd het bepaalde bij artikel 105 der Indonesisch Staats- regeling hebben uitgaven, als bedoeld in het eerste lid van artikel 7 onder a en
ee =
HE 106 INDONESISCHE BEDRIJVENWET | en | b, buiten of boven de begrooting niet plaats dan voor zoover daartoe bij de | | begrooting der Landsbedrijven machtiging is verleend. |
(2) Uitgaven, welke ten laste van reserve- of vernieuwingsrekeningen Wor- den gebracht, kunnen buiten of boven de begrooting geschieden met machti- ging van den Gouverneur-Generaal, voor zoover zij niet betreffen voorbereiding, | oprichting en uitbreiding, in welk geval de regeling van het eerste lid van dit artikel van toepassing is. |
(3) De overige op de begrooting der Landsbedrijven uitgetrokken bedragen worden niet als bindende kredieten aangemerkt. |
(4) Indien gedurende het dienstjaar voor de uitvoering van een werk geen vor- | deringen zijn ontstaan tot het volle bedrag van voor dat werk toegestane uit- | gaven voor voorbereiding, oprichting, uitbreiding en vernieuwing, kan het overschot, indien daartoe bij de begrooting machtiging is verleend, bij besluit van den Gouverneur-Generaal ten behoeve van hetzelfde werk aan de bij de volgende begrooting verleende kredieten worden toegevoegd, waardoor het van die begrooting deel uitmaakt op denzelfden voet als-de overige posten dier begrooting. E
- (1) Een bedrag, gelijk aan de afschrijvingen op de bezittingen, wordt aan het Land uitgekeerd als aflossing op het in artikel 4 onder lo., a bedoelde ka- pitaal, dat bij den aanvang van het jaar te boek staat.
(2) Het voor aflossing bestemde bedrag wordt, naar verhouding van het oor- spronkelijk beloop van de gedeelten, waarin dit kapitaal in verband met de ren- teberekening is te onderscheiden, op-die gedeelten in mindering gebracht.
(3) Bedragen gelijk aan de tegoedschrijvingen op de reserve- en vernieu- wingsrekeningen worden aan het Land-uitgekeerd en alsdan aangemerkt als vor- deringen op het Land.
(4) De uitkeeringen van het Land tén bedrage van de uitgaven, welke ten las- te van reserve- of vernieuwingsrekéningen worden gebracht, komen in min- dering van de in het vorig lid bedoelde vorderingen. |
- (1) Na aanwijzing van een-tak van 's-Lands dienst tot Landsbedrijf wordt | bij ordonnantie een openingsbalans vastgesteld, die zooveel mogelijk volgens de | in deze wet neergelegde beginselen wordt opgemaakt. | |
(2) De openingsbalans wordt, voorzien van een toelichting, bij de eerste be- grooting van het bedrijf overgelegd.
- (1) Door elk Landsbedrijf wordt voor alle stortingen in en beschikkingen over gelden bij 's Lands kas, en voor alle verrekeningen tusschen dat Landsbe- drijf met andere Landsbedrijven en de overige landsadministratie een rekening Eee die in debalans als Rekening met de Nederlandsch-Indische schat-
wordt opgenomen.
(2) De Gouverneur-Generaal stelt vast:
a. de wijze, waarop in de kasbehoeften der Landsbedrijven wordt voorzien;
b. de grondslagen, volgens welke leveringen en diensten aan of door andere Landsbedrijven of takken van ’s Lands dienst worden verrekend.
- (1) Tot den dienst van eenig jaar behooren: |
- 7 4 gen aan en van het Land, welke op de begrooting van dat jaar |
etre g hebben; ‘ | si alle andere gedurende dat jaar voor de Landsbedrijven ontstane lasten en |
en. |
(2) Tot den dienst van het jaar, bedoeld in artikel 8 der Indonesisch Compta-
biliteitswet (Nederlandsch Staatsblad 1925 No. 328, Indonesisch Staatsblad 1925
No. 448), behooren, behalve het daar genoemde, de uitkeeringen van en aan
de Landsbedrijven, die betrekking hebben op het met het dienstjaar samenval-
lende boekjaar van die bedrijven. | 17. (1) Voor de toepassing van de bepalingen der Indonesisch Comptabili-
t teitswet (Nederlandsch Staatsblad 1925 No. 328, Indonesisch Staatsblad 1925 | No. 448) worden de uitgaven en de ontvangsten der Landsbedrijven beschouwd | als uitgaven en ontvangsten in Nederlandsch-Indië. |
(2) Voor zoover uitgaven ten laste van de begrooting der Landsbedrijven in |
Nederland geschieden, worden de vorderingen betaalbaar gesteld door Onzen i Minister van Kolonién of zijne gedelegeerden. | i
- De Algemeene Rekenkamer in Nederland overtuigt zich van de deugde- lijkheid van die vorderingen en van hare bewijsstukken, overeenkomstig de des- betreffende bepalingen voor de vorderingen ten laste der Staatsbegrooting.
(4) Voor de betaling van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde uitgaven opent Onze Minister van Financién een krediet aan Onzen Minister van Kolo- nién, hetwelk met de in artikel 23 der Indonesisch Comptabiliteitswet (Nederlandsch Staatsblad 1925 No. 328, Indonesisch Staatsblad 1925 No. 448) genoemde kredieten het in het tweede lid van dat artikel bedoelde bedrag niet zal te boven gaan.
(5) Alle betalingen en ontvangsten in Nederland voor de Landsbedrijven wor- den geboekt op bij het Departement van Kolonién met het Indonesisch Bestuur voor elk bedrijf afzonderlijk te openen rekeningen, die voor haar juistheid on- derworpen zijn aan het toezicht der Algemeene Rekenkamer in Nederland.
(6) Op de verjaring van de in het tweede lid bedoelde vorderingen zijn toe- passelijk de bij de wet vastgestelde of vast te stellen bepalingen betreffende de verjaring van vorderingen ten laste der Staatsbegrooting.
(7) De bescheiden, benoodigd voor de controle, van de Algemeene Rekenka- mer in Nederland; worden steeds zoo spoedig mogelijk ter beschikking van dat College gesteld. B
- (1) Onze Minister van Koloniën draagt zorgt dat aan den Gouverneur- Generaal en aan de Algemeene Rekenkamer in Nederland worden toegezonden:
a. binnen één maand na afloop-van ieder-kwartaal een afschrift van de re- keningen bedoeld in het vijfde lid van artikel 17, betreffende de betalingen en ontvangsten van dat kwartaal;
b. binnen één maand na afloop van het boekjaar één opgave van de in dat jaar ontstane, doch nog niet betaalde, vorderingen.en schulden, zoomede een opgave van de in Nederland opgeslagen onverkochte producten der Landsbe- | drijven, naar den toestand op 31 December van dat jaar.
(2) De rekening, bedoeld in het derde lid van artikel 67 der Indonesisch | Comptabiliteitswet (Nederlandsch Staatsblad 1925 No. 328, Indonesisch Staats- | blad 1925 No. 448), wordt, voor-zoover-zij de-Landsbedrijven betreft, binnen | één maand na afloop van het boekjaar ingediend. i
(3) De Algemeene Rekenkamer in Nederland deelt, binnen één maand na ontvangst van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde bescheiden, hare be- vindingen omtrent de juistheid daarvan mede aan Onzen Minister van Koloniën.
(4) Onze Minister van Koloniën deelt binnen één maand, nadat de in het voor- gaande lid bedoelde bevindingen te zijner kennis zijn gekomen, aan den Gouverneur-Generaal"mede of, en zoo ja, welke wijzigingen tengevolge daar- van in de in het eerste lid. van dit artikel bedoelde bescheiden moeten gebracht worden.
- (1) De hoofden der departementen van algemeen bestuur zenden binnen vier maanden na afloop van het boekjaarde jaarrekeningen van de tot hun de- partement behoorende Landsbedrijven aan den Gouverneur-Generaal in.
(2) De jaarrekening van een Landsbedrijf bestaat uit:
a. een balans;
b. een of meer resultatenrekeningen; 3
C. een opgave van de kapitaalsveranderingen;
d. een begrootingsrekening. . 5
(3) De jaarrekening wordt van de noodige toelichtingen voorzien.
(4) Na ontvangst van de mededeeling, bedoeld in het vierde lid van artikel 18, stelt de Gouverneur-Generaal de jaarrekeningen vast. :
De begrootingsrekening van ieder Landsbedrijf bevat, in de volgorde der begrooting en met gelijke omschrijving van de onderafdeelingen, posten en ar- tikelen, de ramingen en de bedragen, welke overeenkomstig de boeken van het Landsbedrijf over het betrokken jaar daarnaast als uitkomsten moeten worden | gesteld, met aanwijzing en toelichting der verschillen. ; |
(1) De begrootingsrekening der gezamenlijke Landsbedrijven won met de ter toelichting daarbij gevoegde jaarrekeningen, binnen vijf maanden er: oa van het begrootingsjaar bij de Algemeene Rekenkamer in Nederlandse -In ie Overgebracht, die haar binnen drie maanden daarna, voorzien van een verkla ne il
_ 108 INDONESISCHE BEDRIJVENWET ; TTT ring harer bevinding en onder mededeeling van de bedenkingen en opmerkin- gen, waartoe het onderzoek, ook van de toelichting, haar aanleiding geeft, voor zooveel noodig ter beantwoording en ter verbetering, terugzendt.
(2) De door de Algemeene Rekenkamer in Nederland onderzochte bescheiden zijn aan de beoordeeling van de Algemeene Rekenkamer in Nederlandsch-Indië | onttrokken.
- (1) Het ontwerp-besluit tot vaststelling van de begrootingsrekening der gezamenlijke Landsbedrijven wordt binnen tien maanden na afloop van het be- grootingsjaar door den Gouverneur-Generaal aan den Volksraad aangeboden.
(2) Bij dit ontwerp-besluit worden nevens de rekening overgelegd:
: a. de jaarrekeningen der Landsbedrijven; |
b. de mededeelingen van de Algemeene Rekenkamers in Nederland en Nederlandsch-Indië, bedoeld in het derde lid van artikel 18 en in het eerste lid van artikel 21, benevens de ter beantwoording daarvan door Onzen Minister van Koloniën en den Gouverneur-Generaal opgemaakte nota's.
(3) De Gouverneur-Generaal stelt in overeenstemming met den Volksraad de begrootingsrekening der gezamenlijke Landsbedrijven bij besluit vast.
(4) Dit besluit wordt openbaar gemaakt door plaatsing in de Javasche Cou- rant. Het behoeft, om te kunnen werken, goedkeuring bij de wet.
(5) Indien de begrootingsrekening der gezamenlijke Landsbedrijven, bij gebreke van overeenstemming tusschen den Gouverneur-Generaäl en den Volskraad, niet bij besluit kan worden vastgesteld, geschiedt de vaststelling bij de wet.
(6) Vaststelling der begrootingsrekening geschiedt eveneens bij de wet, indien het besluit van den Gouverneur-Generaal, bedoeld in het derde lid van dit ar- tikel, niet wordt goedgekeurd. -
(7) Het in het derde lid van dit artikel bedoeld besluit wordt, nadat het is goed- gekeurd, in het Staatsblad van Nederlandsch-Indië-geplaatst.
(8) Wanneer door onvermijdelijke omstandigheden de aanbieding van de be- grootingsrekening der gezamenlijke Landsbedrijven aan den Volksraad niet kan plaats hebben binnen tien maanden na afloop van het begrootingsjaar, wordt daarvan aan den Volksraad mededeelinggedaan.
De Algemeene Rekenkamer in Nederlandsch-Indié zal de uitkeeringen van en aan de Landsbedrijven, bedoeld'inhet tweede lid van artikel 16, in ontvangst en in uitgaaf aannemen tot de bedragen, welke de begrootingsrekening der Landsbedrijven aanwijst. :
(1) De Algemeene Rekenkamer in Nederlandsch-Indié kan te allen tijde door een of meer harer leden of ambtenaren of door boekhoudkundigen, aan wie zij daartoe opdracht verstrekt, inzage doen nemen van boeken, rekenin-
5 gen, verantwoordingen, bewijsstukken en verdere bescheiden der Landsbedrij- ven.
(2) Indien het beheer van een Landsbedrijfdit wenschelijk maakt, kan een or- donnantie aan bepaald aan te wijzen comptabelen ontheffing verleenen van de in de Indonesisch Comptabiliteitswet (Nederlandsch Staatsblad 1925 No. 328, Indonesisch Staatsblad 1925 No. 448) gestelde verplichting tot het inzenden bij de Algemeene Rekenkamer in Nederlandsch-Indié van rekeningen met de daar- bij behoorende bewijsstukken, betreffende het door hen gevoerd beheer.
(3) De wijze, waarop in die gevallen de Algemeene Rekenkamer in Nederlandsch-Indié haar toezicht uitoefent, wordt bij ordonnantie geregeld.
(4) De Algemeene Rekenkamer in Nederlandsch-Indié zal bij haar onderzoek | de bewijsstukken aannemen, zooals die bij den handel gebruikelijk zijn. )
- (1) Deze wet kan worden aangehaald onder den naam van ,,Indische Bedrijvenwet’’. {
(2) Het tijdstip van de inwerkingtreding dezer wet wordt door den Koning bepaald.
Uitgegeven den achtsten September 1927 door de Algemeene Secretaris. ;
—— ; | |
