INDISCHE SCHEEPVAARTWET 1936
1408 INDISCHE SCHEEPVAARTWET 1936 Ne eee LS ee INDISCHE SCHEEPVAARTWET 1936 S. 1936—700. (Besluit van den Gouverneur-Generaal van 28 December 1936 No. 1). Art. 1. In deze wet en in de krachtens haar uit te vaardigen voorschriften wordt verstaan onder: 7 zeeschip: elk vaartuig, dat gebruikt wordt voor de vaart op zee of daartoe be- stemd is; En î zeehaven: een als zoodanig bij regeeringsverordening aan te wijzen plaats in Nederlandsch-Indié, welke door zeeschepen kan worden bezocht;
kustplaats: elke andere plaats in Nederlandsch-Indië welke door zeeschepen kan worden bezocht;
kustvaart: het vervoeren met zeeschepen van goederen ingeladen, en/of pas- sagiers ingescheept, in een zeehaven of kustplaats naar een andere zeehaven of kustplaats, alwaar die goederen worden gelost, en/of die passagiers worden ontscheept, zulks ongeacht de gevolgde route.
- (1) De zeehavens staan open voor den buitenlandschen handel voor de zee- schepen varende onder de Nederlandsche vlag en onder de vlag van staten, met welke het Koninkrijk der Nederlanden in vriendschap is, op voorwaarde van wederkeerigheid en behoudens de naleving der algemeene en plaatselijke verordeningen.
(2) Bij of krachtens regeeringsverordening kunnen kustplaatsen worden aan- gewezen, welke openstaan voor den buitenlandschen handel voor de in het vorige lid bedoelde zeeschepen van de daarbij aan te geven soort of grootte.
(3) Door of namens den Gouverneur-Generaal kunnen, zoo noodig onder daar- bij te stellen voorwaarden, in bijzondere gevallen, dan wel ten aanzien van be- paalde goederen, kustplaatsen voor de in lid 1 bedoelde zeeschepen worden opengesteld voor den buitenlandschen handel.
- (1) De zeeschepen varende onder de Nederlandsche vlag zijn, behoudens het bepaalde in het volgende lid en de naleving der algemeene en plaatselijke verordeningen, gerechtigd tot de kustvaart.
(2) Bij regeeringsverordening kan worden bepaald in welke gevallen voor de uitoefening van kustvaart een vergunning wordt vereischt van den Gouverneur-Generaal. Aan zoodanige vergunning kunnen voorwaarden wor- den verbonden.
(3) Door of namens den Gouverneur-Generaal kan, zoo noodig onder daarbij te stellen voorwaarden, van het vlagvereischte van lid 1, in bijzondere gevallen dan wel voor bepaalde trajecten of het vervoeren van bepaalde goederen dis- pensatie worden verleend.
- (1) Tot handelingen, waartoe het recht niet kan worden ontleend aan het bepaalde in of krachtens de artikelen 2 en 3 zijn de zeeschepen varende onder de Nederlandsche vlag, behoudens de naleving der algemeene en plaatselijke verordeningen, gerechtigd in de zeehavens en kustplaatsen.
(2) Tot de in het eerste lid bedoelde handelingen zijn de zeeschepen varende onder de vlag van staten, met welke het Koninkrijk der Nederlanden in vriendschap is, op voorwaarde van wederkeerigheid en behoudens de naleving der algemeene en plaatselijke verordeningen, gerechtigd:
a. in de zeehavens;
‘ e os de ketan, die krachtens het bepaalde in het tweede of derde lid ixel 4 ten aanzien van het betreffende zeeschip openstaan voor den bui-
tenlandschen handel;
A Es an eau sateen ‘ee krachtens het bepaalde in het derde lid van artikel
(River ever retiende zeeschip openstaan voor de kustvaart. a ie pane es hehe Rae kustplaatsen worden aangewezen, welke vab die sitesi weede lid bedoelde zeeschepen, dan wel ten aanzien
gsverordening aan te geven groepen van zoodanige zeesche- pen, openstaan voor de in dit artikel bedoelde handelingen.
(4) Door of namens den Gouverneur-Generaal kunnen, zoo noodig onder daar-
INDISCHE SCHEEPVAARTWET 1036 1409 td bij te stellen voorwaarden, in bijzondere gevallen zeeschepen, als bedoeld in het tweede lid, in een kustplaats worden toegelaten tot de in dit artikel bedoelde handelingen.
- (1) Wordt gestraft met een geldboete van ten hoogste f 10.000:
a, de gezagvoerder van een zeeschip, niet varende onder Nederlandsche vlag, dat een handeling verricht, welke ertoe strekt om verbinding te krijgen met den wal in een kustplaats welke niet ten aanzien van het betreffende zeeschip krach- tens het bepaalde in het tweede, derde of vierde lid van artikel 4 openstaat voor het verrichten van de in dat artikel bedoelde handelingen;
b. de gezagvoerder van een zeeschip, dat zonder daartoe krachtens het be- paalde in het tweede of derde lid van artikel 2 gerechtigd te zijn, in een kust- plaats goederen of passagiers ontscheept, ingeladen of ingescheept buiten Nederlandsch-Indié, of goederen laadt of passagiers inscheept bestemd om te worden gelost of ontscheept buiten Nederlandsch-Indië;
ce. de gezagvoerder van een zeeschip niet varende onder Nederlandsche vlag, dat zonder daartoe krachtens het bepaalde in het derde lid van artikel 3 gerech- tigd te zijn goederen of passagiers ter kustvaart inlaadt of inscheept, dan wel goederen of passagiers na kustvaart lost of ontscheept;
d. de gezagvoerder van een zeeschip varende onder Nederlandsche vlag, dat in het geval bedoeld in het tweede lid van artikel 3 zonder de vereischte ver- gunning of in strijd met de bij de betrekkelijke vergunning gestelde voorwaar- den goederen of passagiers ter kustvaart inlaadt of inscheept, dan wel goederen of passagiers na kustvaart lost of ontscheept. f
(2) De in het vorige lid bedoelde strafbare feiten worden beschouwd als overtredingen.
(3) Het zeeschip waarmede en de goederen ten aanzien waarvan de overtre- ding wordt gepleegd kunnen worden verbeurdverklaard.
(4) Voor de betaling van de opgelegde boete en de kosten der gerechtelijke vervolging zijn de zeeschepen en goederen bedoeld in het vorige lid verbonden - en executabel. i
(5) De bij regeeringsverordening aangewezen gezaghebbenden zijn bevoegd, ten koste en gevare van de overtreders, indien mogelijk en raadzaam na voor- afgaande waarschuwing, en desvereischt met geweld, te doen wegnemen of beletten en te doen verrichten al wat in strijd met deze wet, een op deze wet berustende verordening of een krachtens deze wet of een zoodanige verorde- ning uitgevaardigd bevel, is of wordt gedaan of nagelaten.
(6) Door de bij regeeringsverordening aan te wijzen gezaghebbenden kan, ter voorkoming van de strafvervolging wegens de in het eerste lid omschereven over- tredingen, met de verdachten in schikking worden getreden. .
- (1) Met de handhaving van en het toezicht op de naleving van de bepalin- gen dezer,wet zijn belast de havenmeesters en de ambtenaren der in- en uit- voerrechten en accijnzen. ;
(2) Behalve de ambtenaren en beambten belast met het opsporen van mis- drijven en overtredingen in het algemeen, zijn tot het opsporen van de in ar- tikel 5 omschreven strafbare feiten mede bevoegd de in het eerste lid genoemde ambtenaren en de bij regeeringsverordening aangewezen personen.
‘ 7. Deze wet is niet van toepassing op:
a. oorlogsschepen en zeeschepen varende onder de Nederlandsche vlag ge- bezigd voor den openbaren dienst;
b. gevallen van zeeramp of nood. ; f
Verdere voorschriften omtrent de uitvoering en naleving dezer wet wor- den bij of krachtens regeeringsverordening gegeven. ,
Deze wet en de tot uitvoering daarvan vast te stellen regeeringsverorde- ningen zijn mede van toepassing op personen behoorende tot de Inlandsche be-
J volking in rechtstreeks bestuurd gebied, welke aan de rechtsmacht van den Inheemschen rechter is onderworpen. 10. (1) Deze wet treedt in werking met ingang van een nader door Ons te be- palen datum, 5 | orn vervalt de ordonnantie van 20 September 1912 (Indisch Staatsblad | 0. L
