BINNENAANVARINGSREGLEMENT
BINNENAANVARINGSREGLEMENT 1399 en zoo spoedig mogelijk plaats vindt.
(2) Voor elke in verband met een verzoek tot het bekomen van een certificaat verrichte keuring, wordt aan den in het vorige lid bedoelden ambtenaar en des- geliks aan den deskundige, als bedoeld in het tweede lid van artikel 1, die op verzoek van een dienstdoenden havenmeester eene keuring verricht, of dezen bij het keuren bijstaat, uit 's Lands kas eene vergoeding toegekend volgens re- gelen, vast te stellen door den Gouverneur-Generaal.
De bevoegdheid tot het aanwijzen van de ambtenaren bedoeld in artikel 1, en van de personen door wie de dienstdoende havenmeesters zich als des- kundige kunnen doen bijstaan, berust bij de raden en hoofden van gewestelijk bestuur, naar de onderscheiding gemaakt in artikel 2,
(1) Een zeeschip als bedoeld in artikel 1 der Schepen-ordonnantie-1927 is bij het gaan naar en komen van buitengaats niet orderworpen aan het in artikel 1 bedoelde toezicht.
(2) Indien een zeeschip gebezigd wordt voor de vaart, bedoeld in artikel 1, kun- nen nog geldige, krachtens de Schepen-ordonnantie-1927 verleende certifica- ten in de plaats treden van gelijksoortige certificaten, uikgereikt krachtens artikel 3 (1) dezer ordonnantie.
- (1) Deze ordonnantie kan worden aangehaald als ,,Binnenschepen- ordonnantie-1927''. _
(2) Zij treedt in werking met ingang van den dag, waarop de Schepen- ordonnantie-1927 in werking treedt.
Uigegeven den veertienden Mei 1927 door de Algemeene Secretaris.
BINNENAANVARINGSREGLEMENT 5S. 1914—226. HOOFDSTUK L ALGEMEENE BEPALINGEN.
Art. 1. In dit reglement wordt verstaan onder;
„stoomvaartuig’’: elk door mechaniche kracht voortbewogen vaartuig; .
, zeilvaartuig’’: elk vaartuig, dat onder zeil is en niet tevens door mechanis- che kracht wordt voortbewogen; :
"vaartuig"’: elk schip, vaartuig, dok, vlot en dergelijk vervoermiddel te water;
‚nauw vaarwater’’; elk vaarwater, waarvan de bevaarbare breedte minder dan 125 meter bedraagt; ?
„aangehouden stoot’’: elk krachtig geluidsignaal van ten minste 5 seconden duur;
„korte stoot’’: elk krachtig geluidsignaal van ten hoogste 2 seconden duur;
, binnenwateren’’: meren, kanalen en kunsthavens;
‚‚bij dag’’: de tijd tusschen zonsopgang en zonsondergang;
‚bij nacht’’: de tijd tusschen zonsondergang en zonsopgang. — Wit
- (1) Dit reglement geldt voor alle rivieren en binnenwateren in Ned.-Indië, met inbegrip van de betonde of bebakende toegangen van uit zee.
(2) Niet-betonde of -bebakende toegangen van uit zee worden tot het zee- gebied gerekend; de bepalingen van het Aanvaringsreglement zijn daarop van toepassing. :
@) De nn van dit reglement zijn niet van toepassing voor ants rivieren of binnenwateren, dan wel voor gedeelten daarvan, door den Gouv ur- aal aan te wijzen. ER
- NRE in dit reglement aan een vaartuig werplichtingen worden opgelegd, is de gezagvoerder of die hem vervangt voor de uitvoering ( aansprakelijk. ; 2
(2) By oo naleving van dit reglement zullen de gezagvoerder paken keus den met de eischen van goede zeemanschap, indien deze onder bijzonde
; Hili in vervatte bepalingen medebrengen. standigheden afwijking van de daarin ve 7 ingen daartoe be-
- Behalve de amtbenaren, ingevolge de wettelijke Bep uneen belast de of- voegd, zijn met het opsporen van overtredingen van dit reglemen
1400 BINNENAANVARINGSREGLEMENT
eme Se ficieren der Koninklijke Marine, de gezagvoerders der schepen, onder den Dienst van Scheepvaart ressorteerende, de beroepshavenmeesters en de loodsen.
HOOFDSTUK II. VOORSCHRIFTEN OMTRENT HET VOEREN VAN LICHTEN ENZ.
De voorschriften omtrent het voeren van lichten enz., opgenomen in het Aanvaringsreglement, zijn, behoudens de hieronder in de artikelen 6 tot en met 9 te vermelden afwijkingen, mede van toepassing voor de in dit reglement be- doelde rivieren en binnenwateren.
(1) Stoomvartuigen van minder dan 113.2 kubieke meter bruto inhoud be- hoeven, wanneer zij varende zijn, niet de lichten te voeren, voor hun inhoud voorgeschreven voor de vaart in zee. Zij moeten echter, wanneer zij die lichten niet voeren, voorzien zijn van de volgende lichten:
a. een wit toplicht boven het potdeksel en in elk geval boven de groene en roode zijdelichten of boven de daarvoor in de plaats tredende samengestelde lantaarn, en.
b. wanneer zij sleepdienst verrichten, een tweede wit toplicht op een afstand van niet minder dan 0.5 meter en niet meer dan l meter loodrecht boven het onder a genoemd toplicht.
(2) vaar andere dan stoomvaartuigen en van minder dan 56,6 kubieke meter bruto inhoud, wat vlotten betreft voor zoover deze minder dan 30 meter lang zijn, moeten, wanneer zij varende zijn, eene helder wit licht gevende lan- taarn toonen van af eene rondom goed zichtbare plaats.
(8) Visschersvaartuigen, bezig met de uitoefening van visscherij, moeten het in de vorige alinea bedoelde witte licht voeren.
(4) Roeivaartuigen behoeven het in de tweede alinea genoemde witte licht niet
| te voeren, doch zijn dan verplicht eene helder wit licht gevende lantaarn aan- gestoken beneden in het vaartuig of overdekt gereed te houden, welke bij het naderen van of tot eenig vaartuig tijdig en op eene goed zichtbare plaats moet worden getoond.
- (1) Gemeerd liggende vaartuigen moeten een wit licht voeren, van gelijke sterkte en op dezelfde wijze geplaatst als dat, hetwelk voor ten anker zijnde vaar- tuigen van minder dan 45 meter lengte is voorgeschreven.
(2) In afwijking van het voorshrift in de vorige alinea zullen vaartuigen, lig-
7 gende aan eene behoorlijk verlichte lig-, laad- of losplaats of in een vaarwater; waarin de vaart is gestremd, geene lichten behoeven te voeten.
- (1) Vaartuigen, die in het vaarwater vastzitten of waarmede niet kan wor- den gemanoeuvreerd, moeten, voor zoover het stoomvaartuigen betreft, in plaats van het witte toplicht, twee aan alle zijden goed zichtbare roode lichten lood- recht boven elkander voeren. Bij dag moeten twee zwarte bollen of figuren lood- recht boven elkander getoond woorden. Eej
(2) Vaartuigen, andere dan stoomvaartuigen en van minder dan 56,6 kubieke meter bruto inhoud, wat vlotten betreft voor zoover dan minder dan 30 meter lang zijn, moeten in de gevallen, in de vorige alinea genoemd, bij nacht het in a eerste lid van artikel 7 bedoelde witte licht en bij dag een witte vlag toonen. ase (1) Vlotten van eene lengte van 30 meter of meer, en van mindere breedte op onderling gelijke hoogten bin ch TL mene eres rightbaariop earià rn ee nacht een helder wit licht voeren, rondom Vlotten van dezelfde len a ch See ce ean. onder de genoemde o = “ai ees Seco emo meteor is aN achtereinde en op onderliiig Ree En hr het Noorsemiy ane heel vier witte lichten, voeren. gten een helder wit licht, dus in het ge-
(2) Baggervaartuigen, werkvaartuigen en dergelijke moeten al hunne ankers, die in of nabij het vaarwater uitstaan, aanduiden door een blauwe ton of drij. ver, bij nacht van een helder wit licht voorzien. Deze verplichti sb oe zoover de zijankers betreft, op alle vaartuigen, die zulke wien h ebb her ee an in of nabij het vaarwater. Indien het niet doenlijk is de ankers be anr bij nacht door een licht aan te duiden, voert het vaartuig, behalve de reeds voor-
BINNENA ANVARINGSREGLEMENT 1401 Eee geschreven lichten, aan de zijde, waar het vaarwater niet vrij is, een rood licht.
(3) Wrakken, die gevaar voor de scheepvaart kunnen opleveren, worden zoo spoedig mogelijk van wege den gezagvoerder of, bij diens in gebreke blijven, op zijne kosten van bestuurswege aangeduid door een daarop of daarbij te plaat- sen steeds boven water blijvende baak, bij dag van een witte vlag en bij nacht van eene helder wit licht gevende lantaarn voorzien.
HOOFDSTUK UL VOORSCHRIFTEN OMTRENT VAART, UITWIJKEN, SEINEN, ANKEREN ENZ.
Elk vartuig is verplicht gedurende het varen een goeden uitkijk te heb- ben, waar mogelijk van top.
(1) Indien door mist, regen, hoog oevergewas of andere oorzaken het goede zicht belemmerd wordt, moet een vaartuig naar omstandigheden zijn vaart min- deren of stoppen. Indien het varende is, geeft het als dan de volgende geluidseinen:
a. een stoomvaartuig doet met tusschenpoozen van niet meer dan 2 minuten één aangehouden stoot en, indien het vaartuigen sleept of niet goed kan ma- noeuvreeren, met tusschenpoozen van niet meer dan 2 minuten één aangehou- den stoot, gevolgd door twee korte stooten, hooren;
b. een zeilvaartuig van 56,6 kubieke meter of meer bruto inhoud doet met den misthoorn korte stooten met kleine tusschenpoozen hooren of geeft door gongslag van zijne nadering kennis;
c. een zeilvaartuig van minder dan 56,6 kubieke meter bruto inhoud en een vlot doen de gong slaan of maken op andere wijze leven.
(2) Bij dik mistig weder is het varen verboden voor zeilvaartuigen en vlotten en mogen stoomvaartuigen niet meer vaart loopen dan noodig is om stuur in het vaartuig te houden.
(3) Ten anker of gemeerd liggende stoomvaartuigen, zeilvaartuigen van 56,6 kubieke meter of meer bruto inhoud en vlotten van eene lengte van 30 meter of meer moeten bij dik mistig weder zoowel bij dag als bij nacht ten minste elke minuut, en voorts wanneer geluidsignalen de nadering van andere vaartuigen aanduiden, de klok luiden of op de gong slaan of een dergelijk geluidsein doen hooren. Andere vaartuigen kunnen in dat geval volstaan met leven te maken om van hunne aanwezigheid te doen blijken.
- (1) In de rechte gedeelten van het vaarwater moet, zoo dit uitvoerbaar is en veilig kan geschieden, elk vaartuig die zijde van het vaarwater houden, welke het aan stuurboordszijde van zich heeft. Een stoomvaartuig mag in een nauw vaarwâter hoogstens een zevenmijls vaart door het water maken, welke vaart bij buitengewoon sterken stroom tot vijf mijl zal worden. teruggebracht.
(2) Vaartuigen, die varende zijn, moeten, indien zij elkander in tegenoverge- stelde of bijna tegenovergestelde koersen tegemoet gaan, zoodat zij gevaar loo- pen elkander aan te varen, ter voorkoming daarvan beide naar stuurboord houden en elkander aan bakboord voorbij varen. Indien echter een vaartuig, dat gejaagd wordt, een ander vaartuig, niet aan de lijn, in tegenovergestelden koers ontmoet, houdt het gejaagde vaartuig binnen door langs het.jaagpad en het vaartuig, dat niet gejaagd wordt, buitenom. \
(3) Indien de koersen van twee stoomvaartuigen elkander zoodanig kruisen, dat het blijven volgen van die koersen gevaar voor aanvaring oplevert, moet het stoomvaartuig, dat het andere aan stuurboordszijde van zich heeft, daar- voor uit den we an. shen
(4) Naderen one ek en een zeilvaartuig onder de in het vorig lid bedoelde omstandigheden elkander, dan moet het stoomvaartulg voor het zeilvaartuig uit den we 2 À i
(5) Noes twee zeilvaartuigen onder de in het derde lid bedoelde omstan- digheden elkander, dan houden zij zich aan de volgende regelen: eu
a. een vaartuig, dat met ruimen wind zeilt, moet wijken voor een vaartuig, dat bij wind zeilt; Ee
b. aes rane dat over stuurboord bij den wind ligt, moet wijken voor een Vaartuig, dat over bakboord bij den wind ligt;
1402 BINNENAANVARINGSREGLEMENT
TE re c. indien beide met ruimen wind zeilen, doch over verschillende boegen lig-
gen, moet het vaartuig, dat over stuurboord ligt, wijken voor het vaartuig, dat
over bakboord ligt; :
_indien beide met ruimen wind zeilen en over denzelfden boeg liggen, moet
BEL loefwaartsche vaartuig wijken voor het lijwaartsche vaartuig; e. een vaartuig, dat voor den wind zeilt, moet voor ieder ander vaartuig wijken.
- (1) Een hoek naderende, laten stoomvaartuigen met korte tusschenpoo-
zen een aangehouden stoot hooren, te rwijl zeilvaartuigen en vlotten van hunne nadering kennis geven door voordurend de scheepsklok te luiden of op de gong te slaan of op andere wijze leven te maken.
- Een zich tegen'de richting van den stroom in bewegend stoomvaartuig zal 5 te hooren var het bij de vorige alinea bedoeld geluidsein, komende van een zich in de richting van den stroom bewegend stoomvaartuig, indien het zich na- bij een hoek bevindt zooveel doenlijk onder dien hoek houden en zoo noodig vaart minderen of stoppen, ten einde de groote rae voor het in de richting van den stroom varend stoomschip open te laten. De stoomvaartuigen moeten in dit geval elkander door fluitseinen te kennen geven welke zijde van het vaar- water zij zullen houden, tot zij elkander veilig voorbijgevaren zijn.
(3) Een zich in de richting van den stroom bewegend stoomvaartuig zal bij het maken van een hoek niet meer vaart loopen, dan noodig is om goed stuur in het vaartuig te houden en zal steeds een stop- of werpanker gereed om te vallen achteruit moeten klaar hebben. Indien gevaar bestaat voor het maken van ave- rij zal het onmiddellijk stoppen, zoo noodig achteruitslaan en achter stop- of wer- panker blijven liggen, totdat het veilig kan doorstoomen.
(4) Stoomvaartuigen van minder dan 30 kubieke meter bruto inhoud en stoom- vaartuigen met één of meer vaartuigen op sleep zijn van het voorschrift in de vorige alinea vrijgesteld; echter behoort het achterste vaartuig van den sleep een stop- of werpanker gereed te hebben ter voorkoming van aanvaring tegen ne sleepende vaartuig, bijaldien dit plotseling genoodzaakt is te stoppen of aan
en grond loopt.
(5) Vaartuigen, andere dan stoomvaartuigen, zullen, wanneer zij zich nabij een hoek bevinden, bij de nadering van een stoomvaartuig van de tegengestelde zijde, zooveel noodig en dan zoo spoedig mogelijk aan den wal halen onder dien hoek, en zullen, zoolang zij niet tegen den wal gemeerd liggen, bij nacht een goed bran- dende flambouw aan de bochtzijde van het vaarwater toonen.
(6) Naderen twee vaartuigen, andere dan stoomvaartuigen, elkander van te- gengestelde zijden nabij een hoek, dan zal het zich tegen de richting van den en in bewegend vaartuig op de in het voorgaand lid voorgeschreven wijze
andelen.
(7) Indien het stil of nagenoeg stil water is, wordt voor de toepassing van dit sn Hs de rivier afkomend vaartuig geacht zich te bewegen in de richting van den stroom. rn dat een ander oploopt, moet voor het laatstgenoemde
(2) Van twee zich in dezelfde richting bewegende vaartuigen zal het eene het aoe alleen dan mogen voorbijloopen, indien zulks in eenig recht gedeelte van ie ner kans voor het maken van averij kan plaats hebben en in- mering epee ee richting komende, hierdoor geene belem-
(3) Een vaartuig, dat een ander vaartuig oploopt en wil voorbij varen, geeft op een afstand van tenminste 200 meter van zijn voornemen kenni door pra- alen, roepen of door een aangehouden stoot. Zo ; KeS P
(4) Met het voorbij | toot. Zoo noodig wordt dit sein herhaald. Sacktwori 1 joopen van vaartuigen zal door stoomvaartuigen steeds ge-
orden, totdat eerstbedoelde vaartuigen voldoende ruimte is gemaakt om deze zonder kans voor het maken van averij te k Es
(5) Bij het voorbij loo erij te kunnen voorbij varen.
; DI loopen van laag op het water liggende vaartuigen of van buiten de oeverlijn gelegen kampongwoningen zal rt zooveel mogelijk minderen, totdat bedo fae een stoomvaartuig de vaa bij gevaren zijn. : elde vaartuigen of woningen ruim voor-
(6) Een stoomvaartuig zal het stoom- of zeilvaartuig, dat voorbij gevaren wordt,
BINNENAANVARINGSREGLEMENT 1403 aan bakboord houden.
(7) Een zeilvaartuig zal het vaartuig, dat voorbij gevaren wordt, boven 's winds voorbij varen.
(8) Wordt het opgeloopen vaartuig, dat voorbij gevaren moet worden, gejaagd, dan houdt dit den wal van het jaagpad.
(9) Bij het oploopen en voorbij varen van een vaartuig aan de lijn door een ander vartuig aan de lijn, houdt het voorbijvarende vaartuig binnendoor en laat het andere vaartuig in tijds de lijn vallen.
(10) Het opgeloopen vaartuig is verplicht het oploopende vaartuig ruimte te laten en, zeilvoerende, naar omstandigheden zeil te minderen.
- (1) Het is verboden een vaartuig voor stroom te laten afdrijven, indien het niet op elk gewild oogenblik kan worden bestuurd.
(2) Waar zulks wegens telegraaf- of telefoonkabels in het vaarwater niet ver- boden is, moet bij sterken stroom of bandjir een voor stroom afdrijvend vaar- tuig van meer dan 11,32 kubieke meter bruto inhoud een krabbend anker gebruiken. :
- (1) Elk vaartuig, dat verplicht is voor een ander vartuig uit te wijken, moet, wanneer de. omstandigheden het toelaten, vermijden vóór het andere over te gaan.
(2) Elk stoomvaartuig, dat volgens de voorschriften van dit reglement ver- plicht is voor een ander vaartuig uit te wijken, moet, wanneer het dit nadert, zoo noodig zijn vaart verminderen, stoppen of achteruitslaan.
(3) Het in de vorige alinea bepaalde is niet van toepassing op sleepende vaartuigen. A
- (1) Stoomvaartuigen, die in 't zicht van elkander naderen met gevaar voor aanvaring, kunnen door de volgende seinen aanwijzing doen omtrent de plaats hebbende manoeuvre.
Eén korte stoot beteekent: ,,ik wijk naar stuurboord uit”’.
„Twee korte stooten beteekent: „ik wijk naar bakboord uit,,. .
Drie korte stooten beteekent: ‚ik sla met volle kracht achteruit’.
(2) Indien een stoomvaartuig niet kan manoeuvreeren, mag dit worden ten kennen gegeven door vier korte stooten, welk sein tegenover andere vaartui- gen beteekent: ,,gij moet uitwijken, ik kan niet manoeuvreeren”’.
_18. (1) Stoomvaartuigen met een of meer vaartuigen op sleep zullen op korte trossen sleepen en dus, van zee komende, de sleeptrossen moeten opkorten.
(2) Elk gesleept vaartuig behoort met nauwgezetheid achter het sleepende stoomvartuig te sturen om daarbij het zoogenaamd ,,gieren”’ te voorkomen.
(3) Het langszijde sleepen mag in nauwe vaarwaters slechts geschieden indien de omstandigheden zulks noodzakelijk maken; hoogstens mag dan aan elke zijde één vaartuig gesleept worden. Daarbij moet gezorgd worden, dat de lichten van het sleepende vaartuig goed zichtbaar blijven. Zoo dit niet mogelijk is, kunnen de zijlantaarns door de gesleepte vaartuigen worden gevoerd. a
(4) Een stoomvaartuig doet de machines stoppen bij het daarvan langszij ko- men of daarvan afsteken van andere vaartuigen.
- (1) Het ankeren middenvaarwaters is in een bochtig of nauw vaarwater verboden, behalve in het geval, voorzien in artikel 13, derde lid.
(2) Vaartuigen, die genoodzaakt zijn in een bochtig of nauw vaarwater te an- keren, zullen moeten zorgen door gebruikmaking van werp of achtertros het zwaaien te beletten en zooveel mogelijk ruimte te laten aan langsvarende vaartuigen. ;
(3) Bij niet-opvolging van het voorschrift in de eerste alinea zal de noodza- kelijkheid van het op de verboden plaatsen ankeren moeten worden aangetoond om voor strafvervolging gevrijwaard te zijn.
Gezonken vaartuigen en in het algemeen in het vaarwater geplaatste voorwerpen, welke belemmerend zijn voor het scheepyaartverkeer, worden van bestuurswege op kosten der eigenaren gelicht of weggeruimd indien zulks niet door hen binnen een van bestuurswege gestelden termijn wordt verricht.
(1) Op ieder ten anker liggend vaartuig moet minstens de helft en op je- der gemeerd of op het droge liggend vaartuig één der opvarenden ter bewaking van het vaartuig aanwezig zijn.
