Algemeene Bepalingen Van Wetgeving Voor Indonesie
rb wh”
o
ALGEMEENE BEPALINGEN VAN WETGEVING. 43
Ord. van 24 Jan. 1947, 5. 47—20.
Bij ord. v. 24 Jan. 1947, S. 47—20, iwg. 31 Jan. 1947, houdende in- passing v. h. HGH in het rechtswezen en voorzieningen t.a.v.d. rechtspleging in cassatie en do jurisdictiegeschillen, zijn wijzigingen en aanvullingen gebracht in de reglementen RO., Rv. en Sv., die ter plaatse zijn aangebracht. Voorts zijn de bepalingen. omtrent indeling en werk- zaamheden voor het HGH en y. d. raden v. just. op Java (KB. v. 14 Jan. 1901 N° 41, LS. 01-126) buiten werking gesteld. Ten slotte is bij art. 5 bepaald :
Art. 5, Als advocaten en procureurs in cassatie zullen kunnen op- treden zij, die overeenkomstig de bepalingen yan art. 185 en volgende van het Reglement op de rechterlijke organisatie en beleid der justitie als zoodanig zijn benoemd en beëedigd worden en niet zijn geschorst of ontslagen en zij, wier toelating bij latere wettelijke bepalingen mocht worden geregeld,
Art. 6 bevat een bepaling betr. appelraden, vervallen krachtens L.N. ól—9* hierachter,
ALGEMEENE BEPALINGEN. VAN WETGEVING
VOOR INDONESIË. ( Afgekondigd bij Publicatie van 30 April 1847, S. No. 23.)
Art. 1. De bepalingen door den Koning, of, in zijnen naam, door den Gouverneur-Generaal vastgesteld verkrijgen in Indonesië kracht van wet door hare afkondiging, in den vorm bepaald bij het reglement, op het beleid. der regering. (ISR. 95.) > om kis N
De wet verbindt alleen voor het toekomende en heeft geene terug- werkende kracht. (Ov 1, 54v,; Bw,755,1993 ; Sw. 1; Inv. Sw. 28v. ; Civ. 2.)
(Gew. S, 15-299 jo. 642.) Zoolang de wet nict bepaaldelijk het tegendeel vaststelt, is het burgerlijken-hethandelsregt hetzelfde zoowel voor vreemdelingen als voor Nederlandsche onderdanen. (AB 9; Bw. 83, 945 ; Rv. 100, 128, 580-10°, 761, 872; Civ. 8,11.) —_
Onder de\benaming van ingezetenen van Indonesié verstaat de wet alle Nederlanders, inwoners zijnde van Indonesié); voorts de land- zaten of inboorlingen van de eilanden yan den indischen Archipel, voor zoo ver deze tot Indonesië behooren ; en eindelijk alle personen, onver- schillig van welken landaard, die, met toestemming der regering, hunne woning ;binnen Indonesiëngevestigd-hebben, (AB. 5v.; ISR. 160.)
De wijze waarop de toelating om zich in Indonesié te vestigen, ook door Nederlanders wordt verkregeny wordt bij afzonderlijke bepalingen geregeld. (ISR. 160; S. 16—47*) EEN
(Gew. S. 15-299 jo. 642.) Vreemdelingen zijn allen die niet zijn Nederlandsche onderdanen. (AB. 4; ISR, 161; Nedsch. bl. 177; S. 712— 11; 10—296*, bl, 183.) :
(Gew. S, 07—205 art. 3*, jo. 19-816.) De ingezetenen van Indonesië zijn onderscheiden in Europeanen, en Indonesiërs en met deze gelijk- gestelde personen. (ISR. 160, 163.) (1) i
Met Europeanen worden gelijk gesteld : (ISR. 163.)
1° alle Christenen, daaronder begrepen die welke tot de Indonesische bevolking behooren; B :
2° alle andere personen van waar ook afkomstig, die niet in de omschrij- ving vallen van het volgende artikel. (1)
Met Indonesiërs worden gelijkgesteld de Arabieren, Mooren, Chinezen, en alle anderen, die Mahomedanen of Heidenen zijn. (ISR. 163.) (1)
Ingetrokken : S. 15-299 jo. 642.
De Gouverneur-Generaal is bevoegd om, ten aanzien van de Indonesi-
44 ALGEMEENE BEPALINGEN VAN WETGEVING.
sche Christenen in het algemeen, of van enkele hunner gemeenten, tijde- lijk zoodanige uitzonderingen op de bepaling van het voorgaande art. te maken, als hij noodzakelijk zal oordeelen. (ISR. 163; Ov. 3; Bw. 4; T, XIII-328.) (1) d
“11, Behoudens de gevallen, in welke Indonesiërs of met deze gelijkgestelde personen zich vrijwillig hebben onderworpen aan de Europesche bepalin- gen betrekkelijk hot burgerlijk en het handelsregt, of waarin zoodanige of andere wettelijke bepalingen op hen zijn toepasselijk verklaard, blijven ten aanzien van die personen van kracht, en worden door den Indonesischen regter toegepast, derzelver godsdienstige wetten, volksinstellingen en gebruiken, voor zoo ver die niet in strijd zijn met algemeen erkende beginselen van billijkheid en regtvaardigheid. (ISR. 131, 163; Ov. 5; AB. 15, 20; S. 1832—29 ; 61—38 art. 13 ; 64—142 jo. 6567 ; 1917—12* ; Bb. 2039; T. XIIL-328 ; cf, S. 383-49 artt. 2v.* jo. 38-2.) (*)
- (!) Naar die wetten, instellingen en gebruiken wordt ook door den Europeschenl regter gevonnist in de zaken der aan zijne regtspraak onder- worpen Indonesische hoofden, en bij de kennisneming in hooger beroep van door Indonesische regterlijke collegién in burgerlijke zaken gedane uit spraken. t k :
Overigens wordt door de Europesche regtbanken, gelijk mede door de residenten of andere hoogste gezaghebbers, bij de uitoefening hunner regtsmagt in burgerlijke zaken, naar de Europesche wetten regt gedaan ; met dien verstande dat, wanneer Indonesiërs of daarmede gelijkgestelde personen, zonder dat zij krachtens bepaalde wettelijke, voorschriften, of ten gevolge van vrijwillige overeenkomst, aan de europesche wetgeving zijn onderworpen, als verweerders, in’ burgerlijke zaken, voor den Euro- peschen regter te regt staan, in de gevallen waarin zulks volgens de wettelijke bepalingen kan of moet plaats hebben, alsdan ook door dien regter zooveel mogelijk op de hiervoren bedoelde godsdienstige wetten, volksinstellingen en gebruikenzal-worden acht gegeven. (ISR. 131; Ov. 4; S, 1832-29;) „13. Ingetrokken: S. 17—12*, bl. 384.
Ingetrokken : S. 20—69*, bl. 389.
Behoudens de uitzonderingen omtrent de Indonesiërs en daarmee gelijkgestelde personen vastgesteld, geeft gewoonte geen regt, dan alleen wanneer de wet daarop verwijst. (AB. llv.; Bw. 395, 615, 642, 655, 665, 686, 691, 741, 745, 766, 769v., 772, 1155, 1211, 1339, 1346v., 1511, 1571, 1578, 1582v., 15851587, 1599; K. 60, 644, 754; Rv. 470, enz.)
(Gew. S. 15—299 jo. 642.) De wettelijke bepalingen betreffende den staat en de bevoegdheid der personen-blijven verbindend voor Neder- landsche onderdanen, wanneèr-zij zich” buiten ’s lands bevinden. Evenwel zijn zij bij vestiging in Nederland of in eene andere Nederlandsche kolonie, zoolang zij aldaar hunne woonplaats hebben, ten aanzien van het ge: noemde gedeelte van het burgerlijk recht onderworpen aan de ter plaatse geldende wet. (Bw. 83; Civ. 3.)
Ten opzigte van onroerende goederen geldt de wet van het land of de plaats, alwaar die goederen gelegen zijn. (AB. 18 ; Civ. 3.)
De vorm van elke handeling wordt beoordeeld naar de wetten van het land of de’ plaats, alwaar die handeling is verrigt. (Bw. 83, 945; K- 517c, 533e ; Civ. 47, 170, 999.)
Bij de toepassing van dit en van het voorgaande art. moet steeds worden acht gegeven op het verschil, hetwelk de wetgeving daaistelt tusschen Europeanen en Indonesiërs. N
- Alle authentieke acten ten overstaan van Europesche openbare ambtenaren, ten behoeve of ten verzoeke van wien ook verleden, zijn, wat den vorm betreft, onderworpen aan de wettelijke bepalingen door het Nederlandsch gezag daargesteld. (Bw. 1868 ; IR. 165.)
- AB.'6, 7, 8, 10 zijn te beschouwen als vervallen tengevolge van ISR. 163 jo. 160; eveneens AB. 11 en 12 tengevolge van ISR 131."
AB.
10
ALGEMEENE BEPALINGEN VAN WETGEVING. 45
20, De regter moet volgens de wet regtspreken. Behoudens het bepaalde bij art. 11 mag hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet beoordeelen.
21, Geen regter mag, bij wege van algemeene verordening, dispositie of reglement, uitspraak doen in zaken, welke aan zijne beslissing zijn onder- worpen. (Civ. 5.)
- De regter, die weigert regt te spreken, onder voorwendsel van stil- zwijgen, duisterheid of onvolledigheid der wet, kan uit hoofde van regts- weigering vervolgd worden. (Rv. 859 v.; Civ. 4.)
22a. (Ing. S. 18—234.) De regismagt van den regter en do uit- voerbaarheid van regterlijke vonnissen en van authentieke acten worden beperkt door de uitzonderingen in het volkenregt erkend. (RO. 199.)
23, Door geene handelingen of overeenkomsten kan aan de wetten, die op de publieke orde of de goede zeden betrekking hebben, hare kracht ont- nomen worden. (ISR. 136 ; Bw. 58, 119, 132, 139—143, 149, 283, 329, 879, 888, 891, 953, 1018,1043,.1063,-1066, 1120, 1154,-1178, 1254, 1834v., 1337, 1494, 1635, 1653, 1853, 1947; Rv. 616; Civ. 6.)
24, Lijfeigenschap en pandelingschap worden in Indonesië slechts in zoo ver geduld, als uitdrukkelijk bepaald is of zal worden in de daarom- trent bestaande of nader door den Gouverneur-Generaal, onder ’s Konings goedkeuring, in te voeren verordeningen. (ISR. 169, 172; S. 182544 ; 1859—46 en 47; Ned. Bw. 2.)
Lijfeigenen kunnen, zoowel in burgerlijke als in strafzaken, getuigenis der waarheid afleggen.
De beperkingen van dien regel, en de verdere bijzondere voorschriften aangaande dit onderwerp, worden bij de wettelijke bepalingen op do burgerlijke regtspleging en op de ‘strafvordering vastgesteld. (Rv. 178; Sv. 145, 147; IR. 274, 276; RBg. 577v;)
De aan de lijfeigenschap en pandelingschap verknochte regten en ver- pligtingen worden beoordeeld naar de bijzondere daaromtrent bestaande wettelijke bepalingen.
- De strafbepalingen tegen misdrijven en overtredingen, mitsgaders de verordeningen van policie, zijn verbindende voor allen die zich in Indonesië bevinden. (AB. 32v.; Civ. 3; Bb. 701.)
Bij de toepassing van dit art. zal worden acht gegeven op het verschil, hetwelk de wetgeving daarstelt tusschen Europeanen en Indonesiërs. (Inv. Sw. 3.
De et zullen naar de Indonesische wetten worden gestraft, wanneer het geene misdrijven of overtredingenegeldt, ter zake waarvan zij aan de Europeesche strafbepalingen zijneonderworpen. (Inv. Sw. 3.)
Niemand mag tot straf veryolgd of daartoe veroordeeld worden, dan op de wijze en in de gevallen bij de wet voorzien. (ISR. 143; AB. 36 ;Sv. 370; IR. 294; RBg. 661; Sw. 1.)
Tot strafvordering zijn alleen geregtigd de ambtenaren welke bij de wettelijke bepalingen daartoe bevoegd zijn verklaard. (Sv. 2; IR. lv.)
28, Behalve in de gevallen bij de wettelijke bepalingen voorzien, kan de vergoeding van schade door eenig misdrijf veroorzaakt, alleenlijk bij eene afzonderlijke burgerlijke regtsvordering vervolgd worden. (Bw. 1365, 1370v., 1853 ; Sv. 163, 174-5°, 354; RBg. 593v.)
Gedurende den loop van de regtsvervolging tot straf, blijft de regtsvordering tot vergoeding van schade voor den burgerlijken regter geschorst, onverminderd de behoedmiddelen bij de wettelijke bepalingen veroorloofd. (Bw. 1370v., 1918v.; Rv. 165v.; Sv. 354, 409.)
Geen regtsvervolging tot straf kan gestuit of geschorst worden door het afzien van de burgerlijke regtsvordering, tenzij in de gevallen bij de mower bepalingen voorzien. (Bw. 268, 1378, 1853 ; Sw. 280, 284, 332;
v. 409.)
31-38, 33a, 34. Deze artt. behooren tot de bepalingen bedoeld in art. 3, eerste lid sub c Inv. Sw. (S. 17—497) en zijn afgeschaft. De in deze artt.
ll
12
13
13a
14
46 TERRITORIALE ZEE EN MARITIEME KRINGEN-ORDONNANTIE 1939
geregelde onderwerpen vindt men thans achtereenvolgens in Sw. 77, 78; Sw. 8-9 en Sw. 76. ;
35, Niemand mag in hechtenis worden genomen dan op bevel van het daartoe, ingevolge de wettelijke bepalingen op de strafvordering, bevoegd gezag, en op den voet en de wijze bij die bepalingen omschreven. (ISR. 141; AB. 36.) : é É
- Het bepaalde bij de artt. 26 en 35 maakt geene inbreuk op de be: voegdheid van den Gouverneur-Generaal tot het nemen van zoodanige politieke maatregelen van bedwang en voorzorg, als waartoe hij door den Koning is of zal worden gomagtigd. (ISR. 35v.)
SLOTBEPALINGEN.
37, Wanneer de Gouverneur-Generaal de wijziging of opheffing ecner van den Koning uitgegane wettelijke bepaling noodig oordeelt, zal hij daar- toe kunnen overgaan, doch niet anders, dan onder ’s Konings nadere goedkeuring, behoudens de bijzondere gevallen, waarin de bevoegdheid tot wijzigingrof opheffing -uitdrukkelijk~aan~den™ Gouverneur-Generaal is opgedragen. (ISR. 92v.)
De aldus door den Gouverneur-Generaal, onder ’s Konings nadere goed- keuring, vastgestelde bepalingen, hebben inmiddels in Indonesië kracht van wet, tot dat hare intrekking, op de bij art. 1 omschreven wijze, door afkondiging is openbaar gemaakt. (ISR. 94.)
Territoriale zee en maritieme kringen-ordonnantie 1939. (Ord. v.18 Aug. 1939.) S: 39-442. (ig. 25 Sept. 1939.) (Cf. bijlagen) handelingen Volksr. ziltingsj. 1939-1940, onderw. 3.)
„ Consid. Dat Hij, in verband met eenige nader noodig gebleken voor- zieningen ter handhaving van de orde en veiligheid in het Indonesisch
geegebied, de, desbetreffende voorschriften opnieuw willende vaststel- len ; enz.
Art. I. Met intrekking van de „Territorlale zee e; ariti sTi u ordenende, vastgesteld bij art. I sub c (lees : art. DAA Erben ie Ae 5 (8. No. 497), zooals deze is Bewijzigd bij de ord. van 3 Mei 28 G No: eo vast te stellen de volgende regeling, welke kan worden
nee ea 5 vin ereltorlale zee en maritieme kringenordonnantie 1939”. gestelde voorschrifte. pions, van de bij art. I ingetrokken regeling vast: gestel deon bn REGN pefoudens, uitdrukkelijico intrekking over-
d ling nm deze ordonnantie, van k . ae Danen vijf jaren vóór de inwerkingtreding Eerd Kehl Xe oe ae. Reen ek geacht op den voet der bepalingen bij de inwerkingtreding ee aes de overige vergunningen komen Art, III. Overal waar in wettelijke be
schrift OY GaSe palingen en administratieve voor: Van deze ordonnantie made con go, ei oogenblik van het in werking treden zee en maritieme kri ö er artt, Len 8 t/m 14 van de „Territoriale
het > 0. 497) wordt verwezen, en ghanitieme kingen ordonnantie emee art. van de „Territoriale zee oe ae ae otbepaling. Deze ordonnantie treedt in werking
met ingang van di oe 7 26 dug. 1939, “Cn dertigsten dag na dien harer afkondiging. ( Afek.
Art. 1, (1) In dez ing en i voorschriften ate geel en in de krachtens haar uit te vaardigen
eae n onder :
- Ndonesische torritori
1g het zeegebicd, dat zich z, eeen drie zeemijlen van d
gebied behoorende eiland, dn len of d en mede verstaan de rotsen, riffen of banken, welke bij laagsten water-
stand ij ener ctor an eeens Zijn op ten hoogste drio zeemijlen van de
tot het Indonesisch grondgebied behoorende eilan-
re ee
