41 AANWIJZING OVERSCHRIJVINGSAMBTENAREN
1134 AANWIJZING OVERSCHRIJVINGSAMBTENAREN.
Aanwijzing v. h. Hoofd v. h. Kadasterkantoor als overschrijvingsambtenaar voor onroerende zaken en schepen.
(Gotsbesl. v. 18 Mrt 1947 No. 12.) S. 47—53.
Bij Peraturan Pemerintah tentang penundjukan Kepala Kantor Pen. daftaran tanah sebagai pegawai pentjatat balik-nama untuk kapal?, ( Re. geringsverord. v. 3 Maart 1955 N°. 9) in LN. 55—12, iwg. 9 Mrt 1955, toelichting in TIN. 771, zijn wijzigingen gebracht in de onderstaande tekst van. Lerstelijh, lid 2, Ten Tweede en Ten vierde, waardoor de aan. wijzing van de beroepshavenmeester is vervallen met betrekking tot teboek- stelling van schepen en overdracht van teboekgestelde schepen.
Hierbij is goedgevonden en verstaan :
Berstelijk : Met gebruikmaking van de bevoegdheid verleend bij art. 1a der ord. v. 21 Apr. 1834 (S. 1834 No. 27), zooals dit art. luidt ingevolge de ord. v. 17 Mrt. 1936 (S. 1936 No. 131) alsmede bij art. 2 der ord. v. 4 Febr. 1933 (S. 1933 No. 48), zooals dit art. luidt ingevolge de ord, v. 6 Jan. 1938 (S. 1938 No. 1) te bepalen als volgt:
(1) Het verlijden van akten, als bedoeld in art. | der ord. v. 21 Apr. 1834 (S. 1834 No. 27) zal voor de ressorten en op de plaatsen, bij of ingevolge laatst vermelde ord. aangewezen als ressort en standplaats van een overschrijvingsambtenaar, uitsluitend geschieden ten overstaan van het hoofd van het kadasterkantoor, binnen wiens ressort bedoelde standplaats is gelegen, bijgestaan door den hoogsten in rang te zijnen kantore bescheiden administratieven ambtenaar.
(2) Met betrekking tot de akten, als bedoeld in art. 3 der ord. v. 4 Febr. 1933 (S. 1933 No. 48) vindt het bepaalde in het vorige lid overeen- komstige toepassing.
Ten tweede : Te bepalen, dat de minuten der in het vorige art. bedoelde akten met de bijbehoorende registers en klappers op de plaats waar deze zich ingevolge vermelde ords. van 21 April 1834 en 4 Febr. 1933 moeten bevinden, onder bewaring worden gesteld van het hoofd van het kadasterkantoor, ten overstaan van wien die akten verleden worden.
Ten derde (Ing. S. 48—152.): Het Hoofd van het Departement van Justitie is bevoogd te bepalen, dat met betrekking tot door hem aan te wijzen ressorten van overschrijvingsambtenaren acten, als bedoeld in art. 1, worden verleden en de minuten van zodanige acten met de bijbehorende registers en klappers onder bewaring worden gesteld op een andere, door hem te bepalen plaats dan in art. 1 onderscheidenlijk art. 2 is bedoeld. : 2
Tan vierde (Gew. S. 48—152; LN. 55—12.): Te bepalen dat het tijd- stip, waarop dit besluit in werking treedt, voor elk ressort van cen overschrijvingsambtenaar wordt vastgesteld door de Minister van Justitie, onderscheidenlijk voor de acten bedoeld in Eerstelijk sub lid 1 en in Berstelijk sub lid 2 afzonderlijk, onder vermelding van de stand: plaats van het hoofd van het kadasterkantoor, ten overstaan van wien het verlijden der akten plaats vindt. É
S 47-53 Ten derde is uitgevoer : b ‚v.Just. al No, JA. 1. 5/1/4 dd. 31-7-50, BN. 105071 CNOo TR iTS da, 101-51. BN: 1951-10: No. J.-P. 1/4/16 dd. 18-1-51. BN. 1951-10 ; No. J.R; 1/4/17 dd. 16-1-51. BN. 1950-3): No.J.F. 1/2/6 dd. 3-4-52. BN. 1952-34 ; No. J.F.1/2/7 dd, 3-4-52. BN. 195
„Len vierde is uitgevoerd door : dezelfde reeks besluiten en bovendien : 4951-105 RAE ER reed 1958-4 "No, Jua. 11/6/15 dd: 2-8-54, BN. 1954-09. 14? O%
